Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:1113

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-03-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
15_1346
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:2980, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wijziging Activiteitenbesluit, procesbelang, Kleiduiven

Naar het oordeel van de rechtbank is de inrichting van de derde-partij een inrichting als bedoeld in categorie 17 van bijlage I van het Bor waar vuurwapens worden gebruikt voor sportief en recreatief gebruik. Op de inrichting is paragraaf 3.8.3 van het Abm van toepassing. Voor het in werking hebben van de inrichting is met ingang van 1 januari 2016 daarom niet langer een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wabo vereist. De omgevingsvergunning voor deze inrichting (het bestreden besluit in deze procedure) is van rechtswege vervallen. Omdat het bestreden besluit op 1 januari 2016 niet onherroepelijk was, worden de voorschriften van het bestreden besluit op grond van artikel 3.160 van het Abm alsmede artikel 6.1, eerste lid, van het Abm niet aangemerkt als maatwerkvoorschriften. Eisers hebben geen belang meer om de rechtsgeldigheid van deze voorschriften aan te vechten. Daarom is hun beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/1346

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 maart 2016 in de zaak tussen

[eisers] , te [woonplaats] , eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergeijk, verweerder

(gemachtigden: mr. G.M. van den Boom, B.J.G.M. Follon en ing. J.J. van den Borne).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende], te [vestigingsplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan derde-partij een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu verleend voor haar inrichting op het perceel [adres 1] te [vestigingsplaats] .

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is gelijktijdig met zaak SHE 14/825 behandeld ter zitting van 14 juli 2015. Eisers zijn verschenen, vergezeld van ing. E. Roelofsen, directeur/deskundige geluid van de Nederlandse Geluidshinder. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Voor derde-partij is verschenen haar voorzitter M.J. Verhoeven, vergezeld van J. van den Bos van Van den Bos Milieuadvies.

De zaken zijn wederom behandeld op de zitting van 16 februari 2016. Eisers zijn verschenen, vergezeld van ing. E. Roelofsen als hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Voor derde-partij is verschenen haar voorzitter M.J. Verhoeven, alsmede de deskundige van derde-partij, J. van den Bos.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.2

De derde-partij exploiteert een schietinrichting voor het schieten van kleiduiven op een terrein aan de [terrein] . Op 1 april 1968 heeft verweerder aan derde-partij een vergunning op grond van de Hinderwet verleend voor het oprichten, in werking brengen en in werking houden van een jachtschietvereniging (kleiduivenschietbaan) op het terrein. In deze vergunning zijn geen voorschriften opgenomen ten aanzien van geluid. Deze vergunning is na de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu.

1.3

Eisers bewonen recreatiewoningen op bungalowpark [naam] , gelegen aan de [adres 2] te [woonplaats] . Zij hebben verweerder bij brief van 25 oktober 2012 verzocht om handhavend op te treden tegen de activiteiten van derde-partij, in het bijzonder om strikte handhaving van de geluidsnormen en een einde te maken aan de voortdurende geluidsoverlast die zij in het weekend ondervinden van de schietinrichting. Zij hebben hierbij gesteld dat de inrichting illegaal is uitgebreid. Tegen de afwijzing van dit verzoek hebben zij bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar ongegrond verklaard en hiertegen hebben eisers beroep ingesteld bij deze rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer
SHE 14/825.

1.4

Het bestreden besluit betreft een revisievergunning voor de gehele inrichting.

2.1

Verweerder heeft in de laatste termijn bij de tweede behandeling gesteld dat eisers geen procesbelang meer hebben omdat de inrichting van de derde-partij per 1 januari 2016 zou vallen onder de werking van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm). Weliswaar hebben eisers opgemerkt dat het innemen van een dergelijk standpunt in dit stadium van de procedure in strijd is met een goede procesorde, maar de vraag of het beroep van eisers ontvankelijk is, is een vraag die de rechtbank ook ambtshalve moet beantwoorden. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

2.2

Ingevolge bijlage I, categorie 17, artikel 17.3 onder d, van het Besluit omgevingsrecht (Bor), zoals dat luidt per 1 januari 2016, zijn inrichtingen waar met vuurwapens wordt geschoten voor sportief en recreatief gebruik niet langer aangewezen als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van het Bor. Als gevolg daarvan geldt op grond van artikel 8.40 Wet milieubeheer (Wm) het Abm voor de inrichting.

2.3

In artikel 1.1 van het Abm, zoals dat luidt per 1 januari 2016, is een kleiduivenbaan als volgt gedefinieerd: buitenschietbaan waarop wordt geschoten met hagelgeweren met als doel, kleiduiven of andere doelen in het kader van de oefening voor de jacht te raken.

Op grond van artikel 3.157 van het Abm is paragraaf 3.8.3 van het Abm ook van toepassing op een kleiduivenbaan.
In artikel 3.160 van het Abm is het volgende bepaald:

1. Een buitenschietbaan voldoet ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geluidhinder aan de norm van ten hoogste 50 dB Bs, dan, op de gevel van gevoelige gebouwen en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein.

2. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag in verband met nationale of operationele belangen bij maatwerkvoorschrift normen met een andere waarde vaststellen van ten hoogste 55 dB Bs, dan.

3. De geluidvoorschriften in een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, voor een inrichting waarvan een buitenschietbaan deel uitmaakt, die in werking en onherroepelijk was tot het tijdstip van het in werking treden van het eerste lid, blijven van toepassing gedurende ten hoogste vijf jaar na dat tijdstip dan wel tot het tijdstip waarop het gebruik, het wapentype of de constructie van de buitenschietbaan wordt gewijzigd dan wel tot het tijdstip waarop een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het tweede lid, wordt opgelegd.

Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van het Abm worden voor inrichtingen waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichtingen, een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wm dan wel een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo in werking en onherroepelijk was, de voorschriften van die vergunning gedurende drie jaar na het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichtingen, aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en voor zover dit besluit op de inrichting van toepassing is.

2.4

Naar het oordeel van de rechtbank is de inrichting van de derde-partij een inrichting als bedoeld in categorie 17 van bijlage I van het Bor waar vuurwapens worden gebruikt voor sportief en recreatief gebruik. Op de inrichting is paragraaf 3.8.3 van het Abm van toepassing. Voor het in werking hebben van de inrichting is met ingang van 1 januari 2016 daarom niet langer een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wabo vereist. Het bestreden besluit waarover de procedure bij de rechtbank wordt gevoerd is van rechtswege vervallen. Omdat het bestreden besluit op 1 januari 2016 niet onherroepelijk was, worden de voorschriften van het bestreden besluit op grond van artikel 3.160 van het Abm alsmede artikel 6.1, eerste lid, van het Abm niet aangemerkt als maatwerkvoorschriften. Eisers hebben geen belang meer om de rechtsgeldigheid van deze voorschriften aan te vechten. Daarom is hun beroep niet-ontvankelijk.

3. De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen tot terugbetaling van het griffierecht. Ook voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder in de uitspraak van deze datum in de zaak
SHE 14/825 reeds is veroordeeld tot vergoeding van de door eisers gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, voorzitter, en mr. M.J.H.M Verhoeven en mr. J.H.G van den Broek, leden, in aanwezigheid van mr. A.G.M. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.