Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:1003

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
08-03-2016
Zaaknummer
01/860185-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht het misdrijf doodslag bewezen. De rechtbank verklaart verdachte hiervoor niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging. De rechtbank gelast de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van 1 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Team Strafrecht

Parketnummer: 01/860185-15

Datum uitspraak: 08 maart 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1991] ,

wonende te [adres] ,

thans gedetineerd te: Vught PPC.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 augustus 2015, 27 oktober 2015, 7 december 2015 en 23 februari 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 juli 2015.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 27 oktober 2015 is gewijzigd (bijlage 1) is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 mei 2015 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans éénmaal in het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

De bronnen.

een dossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, onderzoek Castillon, afgesloten d.d. 16 september 2015, aantal doorgenummerde bladzijden: 337. Dit dossier bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden;

een dossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, onderzoek Castillon, afgesloten d.d. 4 augustus 2015, aantal doorgenummerde bladzijden: 300. Dit dossier bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het forensisch opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden.

Inleiding.

Op 15 mei 2015 heeft er in een vleesverwerkingsbedrijf in Rosmalen, gemeente

’s-Hertogenbosch, een steekpartij plaatsgevonden, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is komen te overlijden. Op de verdachte rust de verdenking dat hij voornoemd persoon opzettelijk van het leven heeft beroofd.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde doodslag.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft bepleit dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht het tenlastegelegde feit bewezen als na te melden, op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

  • -

    het relaas van bevindingen van [verbalisant 1] (bron I, p. 49-51);

  • -

    het relaas van bevindingen van [verbalisant 2] (bron I, p. 36-37);

  • -

    het relaas van bevindingen van [verbalisant 3] (bron I, p. 42);

  • -

    als relaas van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (bron I, p. 141);

  • -

    het verslag van radioloog [naam radioloog] (bron II, p. 133-134);

  • -

    het sectierapport van patholoog dr. [naam patholoog] van het Nederlands Forensisch Instituut te ’s-Gravenhage (bron II, p. 149-154);

  • -

    het relaas van bevindingen van [verbalisant 6] (bron II, p. 10 en 239);

  • -

    het relaas van bevindingen van [verbalisant 7] (bron II, p. 227);

  • -

    het rapport van een soucheonderzoek van deskundige [naam deskundige1] van het Nederlands Forensisch Instituut te ‘s-Gravenhage (bron II, p. 266-267);

  • -

    het relaas van bevindingen van [verbalisant 8] (bron II, p. 217);

  • -

    het rapport van een onderzoek naar biologische sporen en DNA onderzoek van deskundige [naam deskundige2] van het Nederlands Forensisch Instituut te ’s-Gravenhage (bron II, p. 242-243);

  • -

    de bekennende verklaringen van verdachte ter terechtzitting van 25 augustus 2015 en 23 februari 2016.

Gelet op het bepaalde in artikel 359 derde lid van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven genoemde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 15 mei 2015 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een mes meermalen in lichaam van die [slachtoffer] te steken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Over de persoon van verdachte is op 6 januari 2016 een gedragsdeskundige rapportage uitgebracht door psychiater [naam psychiater] en psycholoog [naam psycholoog] , beiden verbonden aan het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum (PBC), te Utrecht.

Deze deskundigen concluderen onder meer dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, namelijk een psychotische stoornis NAO en afhankelijkheid van cannabis. Beide bestaan al langer en waren ook aanwezig in de periode van het tenlastegelegde feit. Bij verdachte was in de periode voorafgaande aan en ten tijde van het tenlastegelegde alsmede daaropvolgend in detentie sprake van een floride psychotische toestandsbeeld. Verdachte verkeerde tijdens het tenlastegelegde feit onder de stellige overtuiging dat men erop uit was hem te vermoorden en wel op dat moment. Zijn realiteitstoetsing dienaangaande was volledig verstoord en afwezig. Het gehele fundament van verdachtes motief was volkomen psychotisch gekleurd. De ernst van het toestandsbeeld bepaalde ten tijde van het tenlastegelegde feit zijn denken, voelen en handelen. Vanuit deze verstoorde realiteitstoetsing vloeiden ernstige oordeels- en kritiekstoornissen voort. De componenten voor een scenario waarbij verdachte vanuit niet pathologische gronden tot het tenlastegelegde is over gegaan, worden niet gevonden. Gezond gedrag wordt in de periode rondom het tenlastegelegde feit niet waargenomen. Verdachte lijkt volledig in de ban van zijn psychotische belevingen en overtuigingen en deze zijn ook de drijvende kracht achter het feit. Verdachtes psychotische overtuigingen staan, in zijn redenaties en overwegingen, dusdanig op de voorgrond dat de deskundigen van mening zijn dat verdachte niet in staat is geweest ten tijde van het tenlastegelegde feit zijn wil in vrijheid te bepalen. De symptomen voortvloeiende uit de psychose hebben verdachtes gedrag bij het tenlastegelegde dusdanig beïnvloed dat dit naar het oordeel van de deskundigen hieruit volledig te verklaren valt. De deskundigen adviseren de rechtbank om verdachte voor het tenlastegelegde als volledig ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

De officier van justitie en de verdediging hebben zich ter zitting op het standpunt gesteld dat op basis van de rapportage aannemelijk is dat wegens de ziekelijke stoornis van de geestvermogens het tenlastegelegde feit niet aan verdachte kan worden toegerekend, zodat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

De rechtbank acht uit het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van de hiervoor genoemde rapportage aannemelijk geworden dat de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit in dusdanig overheersende mate zijn beïnvloed door de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, dat dit de conclusie rechtvaardigt dat het feit hem wegens die stoornis niet kan worden toegerekend. Verdachte is daarom niet strafbaar voor hetgeen te zijne laste bewezen is verklaard en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oplegging van maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte op grond van artikel 37 Wetboek van Strafrecht wordt geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar (bijlage 2).

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman kan zich vinden in de vordering van de officier van justitie en heeft bepleit dat volstaan dient te worden met oplegging van de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de maatregel die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft in een psychotische toestand [slachtoffer] door middel van meerdere messteken van het leven beroofd. Hij heeft daardoor veel leed toegebracht aan de ouders en de overige familieleden van het slachtoffer. Uit de verklaring van de broers van het slachtoffer ter zitting blijkt dat voor hen het leven na 15 mei 2015 voorgoed is veranderd. Het gemis van het slachtoffer valt hen heel zwaar. Diens overlijden heeft niet alleen op zijn directe familie en op de familie van verdachte een grote impact gehad. De aanwezige mensen op de werkvloer van het vleesverwerkingsbedrijf zijn ongewild geconfronteerd met dit zeer ernstige delict. Schokkende feiten als de onderhavige, waarbij iemand zonder reële aanleiding of motief tijdens zijn werk wordt doodgestoken, wakkeren ook in de samenleving gevoelens van onrust en onveiligheid aan.

Blijkens een op verdachte betrekking hebbend Uittreksel Justitiële Documentatieregister van 14 januari 2016 en het Justitieel Documentatieregister van het Landelijk Strafregister in Polen is de verdachte zowel in Nederland als in Polen niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Zoals hiervoor reeds is besproken, is er volgens de gedragsdeskundigen sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij verdachte. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat het bewezenverklaarde feit verdachte wegens zijn ziekelijke stoornis van de geestvermogens niet kan worden toegerekend. Dat oordeel brengt met zich dat enkel een strafrechtelijke maatregel kan worden opgelegd. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte ten aanzien van de bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit (doodslag) in een psychiatrisch ziekenhuis dient te worden geplaatst of dat een terbeschikkingstelling (eventueel met voorwaarden) aangewezen is.

De maatregel van terbeschikkingstelling ziet enerzijds op maatschappelijke beveiliging en anderzijds op re-integratie van de terbeschikkinggestelde door middel van behandeling en/of verpleging. Opgemerkt dient te worden dat de maatregel van de terbeschikkingstelling met voorwaarden dan wel met verpleging van overheidswege een zware maatregel is die slechts kan worden opgelegd, indien aan bepaalde wettelijke eisen is voldaan. Artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht somt deze voorwaarden op. Een van de voorwaarden is dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, het opleggen van die maatregel eist. In deze voorwaarde komt tot uitdrukking dat de terbeschikkingstelling een uiterst redmiddel, een ultimum remedium, is. Indien een minder ingrijpende afdoening van de zaak mogelijk is en voldoende bescherming biedt voor de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, kan een terbeschikkingstelling nog niet aan de orde zijn.

Bij het bepalen van de aard van de maatregel, kortgezegd: plaatsing in een psychiatrische ziekenhuis of terbeschikkingstelling, heeft de rechtbank acht geslagen op het reeds meermalen aangehaalde rapport van het PBC.

De psychiater en psycholoog van het PBC hebben in hun rapport van 6 januari 2016 onder meer het volgende geconcludeerd en geadviseerd (verkort en zakelijk weergegeven):

Betrokkene is nog nooit eerder agressief geweest, ook niet ten tijde van psychotische ontregeling. Enkel in de situatie van het onderhavige tenlastegelegde, waarin betrokkene enerzijds floride psychotisch was, maar anderzijds het gevoel had volledig in de val te zitten, in een vreemd land, een vreemde omgeving waar hij dacht vermoord te zullen worden, heeft het tot een dergelijke uitbarsting van geweld kunnen komen. Normaliter is er bij betrokkene de tendens om internaliserend (zelf beschadigend) probleemgedrag te vertonen. Momenteel gebruikt betrokkene voldoende werkzame psychofarmaca en is de psychose (grotendeels) in remissie. Betrokkene heeft afstand genomen van zijn de belevingen rondom het tenlastegelegde en heeft dienaangaande een goed ziekte-inzicht. Hij is therapietrouw en gemotiveerd voor behandeling. Daarnaast is er de hierboven beschreven tendens voor internaliserend en niet voor externaliserend probleemgedrag. Dit maakt dat klinisch de kans op een recidive op korte termijn als laag kan worden ingeschat. Het recidiverisico wordt op langer termijn ingeschat als laaggemiddeld, omdat er dan wederom sprake zou moeten zijn van een dergelijke uitzonderlijke samenloop van omstandigheden. Ondergetekenden menen dat een gedwongen behandelingskader noodzakelijk is teneinde het recidiverisico (alsmede het risico op internaliserende problematiek) te verkleinen. Wij adviseren betrokkene op basis van artikel 37 Wetboek van Strafrecht voor de duur van maximaal een jaar te plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis. Na ommekomst van deze plaatsing kan dan worden beoordeeld of op dat moment termen bestaan voor een gedwongen opname in een civielrechtelijk kader. Betrokkene is momenteel grotendeels psychosevrij met medicatie, beschikt over een redelijk ziekte-inzicht, werkt mee aan de behandeling en ziet daar ook de noodzaak van in. De voorgaande argumenten die pleiten voor een opname in een psychiatrisch ziekenhuis, maken dat niet geadviseerd wordt een maatregel in het kader van een terbeschikkingstelling op te leggen. Aangezien het getaxeerde gevaar voor recidive naar ons oordeel rechtstreeks voortvloeit uit de bij betrokkene zijn gediagnosticeerde psychotische stoornis en geen aanwijzingen worden gevonden voor onderliggende impulscontrole, frustratietolerantie of agressieregulatie-problematiek, zien wij geen aanleiding voor een advies tot behandeling van betrokkene in het kader van een terbeschikkingstelling. Hoewel vanuit de aard van betrokkenes psychiatrische ziekte binnen het geschetste kader mogelijk geen genezing zal kunnen plaatsvinden, achten wij ook op langere termijn het recidivegevaar voldoende beheersbaar in het kader van de reguliere geestelijke gezondheidszorg. Betrokkene zou baat hebben bij een opname in een behandelsetting met expertise op het gebied van psychotische stoornissen. Aangezien betrokkene meewerkt aan de behandeling en nagenoeg psychosevrij is, wordt een hoog beveiligingsniveau niet noodzakelijk geacht. Gedacht kan worden aan een plaatsing op een Forensisch Psychiatrische afdeling (FPA), zoals de Grote Beek van GGzE of de Roosenburg van Altrecht.

De rechtbank kan zich met de conclusies en aanbevelingen van de deskundigen verenigen. Zij neemt deze over en maakt ze tot de hare. Met de officier van justitie en voornoemde deskundigen acht de rechtbank dan ook plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar in het onderhavige geval de meest aangewezen en passende maatregel voor verdachte.

De vordering van [benadeelde partij 1] (broer van slachtoffer [slachtoffer] ).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiele schade – à € 3.692,21 – voor toewijzing vatbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade, dient de benadeelde partij naar het oordeel van de officier van justitie niet ontvankelijk te worden verklaard, nu de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft bepleit dat de vordering van de benadeelde partij afgewezen dient te worden. In subsidiaire zin heeft de raadsman aangevoerd dat de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard dient te worden, nu de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de materiele schadevergoeding.

De rechtbank acht – met de officier van justitie – de gevorderde materiële schadevergoeding voor toewijzing vatbaar, nu de opgevoerde schade rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit is toegebracht. De rechtbank is van oordeel dat de kosten van de uitvaart van het slachtoffer en de door de benadeelde partij betaalde tol voor het gebruik van de tolwegen om van Polen naar Nederland te kunnen rijden teneinde de zitting bij te kunnen wonen voor vergoeding in aanmerking komen, ook al zijn de betreffende facturen in de Poolse taal gesteld en niet vertaald. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen dat deze kosten zijn gemaakt. Bovendien komen deze kosten de rechtbank niet bovenmatig voor. Ook de opgevoerde reiskosten en de kosten voor het verblijf in Nederland, komen de rechtbank niet bovenmatig voor, zodat ook deze kosten naar redelijkheid en billijkheid voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding.

Ter onderbouwing van de immateriële schade heeft mr. [naam advocate 3] , advocate van de benadeelde partij, aangevoerd dat deze vordering – bij de huidige stand van de wet – aan nabestaanden in een strafzaak kunnen worden toegewezen. Voorts heeft mr. [naam advocate 3] aangevoerd dat op 16 november 2015 de implementatietermijn van de Richtlijn minimumnormen voor slachtoffers (hierna: de Richtlijn) is verstreken en dat de benadeelde partij een beroep doet op de rechtstreekse werking van de Richtlijn. Indien de rechtbank deze argumenten passeert, dan verzoekt mr. [naam advocate 3] om te anticiperen op zowel het wetsvoorstel ter implementatie van de Richtlijn, als op het wetsvoorstel Zorg- en affectieschade. Voor het geval de rechtbank niet het gehele gevorderde bedrag toewijst, verzoekt mr. [naam advocate 3] aan te knopen bij het bedrag dat het Schadefonds Geweldsmisdrijven in soortgelijke zaken uitkeert, namelijk € 5.000,00 dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag toe te wijzen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De implementatietermijn van de Richtlijn is verstreken, terwijl deze nog niet is omgezet in Nederlandse wet- en regelgeving. Dit betekent dat slachtoffers beroep kunnen doen op bepalingen van de Richtlijn die rechtstreekse werking hebben. Het gaat dan om bepalingen die voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn en die rechten toekennen aan individuen.

Mr. [naam advocate 3] heeft gesteld dat uit de Richtlijn volgt dat slachtoffers, waaronder ook familieleden van een persoon wiens overlijden rechtstreeks is veroorzaakt door een strafbaar feit moeten worden geschaard, al de door hen geleden schade in een strafzaak kunnen vorderen. De rechtbank stelt echter vast dat geen van de bepalingen van de Richtlijn aan slachtoffers als de onderhavige concreet het recht op vergoeding van immateriële schade toekent. Artikel 16 van de Richtlijn bepaalt weliswaar dat het slachtoffer recht heeft op een beslissing over schadevergoeding door de dader in de loop van de strafprocedure, maar deze bepaling is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijk en nauwkeurig om hierop in dit geval het recht tot vergoeding van de immateriële schade te baseren.

De raadsvrouwe heeft voorts verzocht te anticiperen op het wetsvoorstel tot implementatie van de Richtlijn. Ook hier geldt dat in het wetsvoorstel niet wordt bepaald dat familieleden van een persoon wiens overlijden rechtstreeks is veroorzaakt door een strafbaar feit, recht hebben op vergoeding van immateriële schade, zodat dit wetsvoorstel geen mogelijkheden biedt om te anticiperen, zo de rechtbank daartoe al zou willen overgaan.

Het wetsvoorstel affectieschade is op 16 juli 2015 ingediend bij de Tweede Kamer. De Memorie van Toelichting bij dit wetsvoorstel vermeldt dat uitgangspunt in ons recht is dat schadevergoeding slechts verschuldigd is voor zover de wet daartoe de mogelijkheid opent. Uitgangspunt is tevens dat bij letsel waarvoor een ander aansprakelijk is, alleen de gekwetste zelf aanspraak heeft op vergoeding van zijn materiële en immateriële schade. Erkenning van het leed van naasten en de maatschappelijk gevoelde behoefte om ook naasten enige vorm van genoegdoening te verschaffen, gaan evenwel de rechtsvormende taak van de rechter te boven, aldus de Hoge Raad in inmiddels een reeks van arresten. Gezien deze stand van zaken zal de rechtbank mr. [naam advocate 3] niet volgen in de door haar bepleite anticiperende interpretatie.

Nu noch de Richtlijn, noch de wet basis biedt voor de toekenning van immateriële schadevergoeding ten behoeve van de onderhavige benadeelde partij, zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in de vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk is en dat de vordering voor dit gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Slotsom is dat de rechtbank de vordering van [benadeelde partij 1] zal toewijzen tot een bedrag van

€ 3.692,21 (ter zake van de materiële schade) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2015 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan die vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder zal verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2015 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van [benadeelde partij 2] (broer van slachtoffer [slachtoffer] ).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zodat de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft bepleit dat de vordering van de benadeelde partij afgewezen dient te worden. In subsidiaire zin heeft de raadsman aangevoerd dat de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard dient te worden, nu de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Het oordeel van de rechtbank.

Om dezelfde redenen als hiervoor ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 1] gegeven, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 37, 39 en 287 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

doodslag Verklaart verdachte hiervoor niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging.

Legt op de volgende maatregelen:

- gelast de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van 1 jaar.

- maatregel van schadevergoeding van EUR 3.692,21 subsidiair 46 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de [benadeelde partij 1] van een bedrag van EUR 3.692,21 (zegge: drieduizendzeshonderdtweeënnegentig euro en eenentwintig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 46 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de [benadeelde partij 1] van een bedrag van EUR 3.692,21 (zegge: drieduizendzeshonderdtweeënnegentig euro en eenentwintig cent) ter zake van een materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

- Niet-ontvankelijkverklaring van [benadeelde partij 2] in de vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.J.H. Van Dellen, voorzitter,

mr. L.G.J.M. van Ekert en mr. C.P.C. Kuijs, leden,

in tegenwoordigheid van Ş. Altun, griffier,

en is uitgesproken op 8 maart 2016.

mr. C.P.C. Kuijs is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.