Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:892

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
20-02-2015
Datum publicatie
20-02-2015
Zaaknummer
01/821555-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor "met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd" tot een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis.

De rechtbank veroordeelt verdachte tevens tot het betalen van schadevergoeding tot een bedrag van € 500,--.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/821555-13

Datum uitspraak: 20 februari 2015

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1977],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 februari 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 9 januari 2015.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 6 februari 2015 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode 1 maart 2010 tot en met 6 januari 2011 te Ridderkerk en/of Grave, althans in de provincie Noord-Brabant, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [1999]), buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd te weten:

-het vragen aan die [slachtoffer] om zich geheel en/of gedeeltelijk uit te kleden en/of;

-het laten tonen van de (blote) borsten en/of (ontbloot) bovenlichaam en/of;

-het laten tonen van de (blote) vagina en/of (ontbloot) onderlichaam,

terwijl dit (telkens) voor de verdachte door gebruik van een webcam zichtbaar was;

(artikel 247 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2010

tot en met 6 januari 2011 te Ridderkerk en/of Grave, althans in de provincie

Noord-Brabant, in elk geval in Nederland, door misbruik van uit feitelijke

verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding, te weten:

-psychische overwicht en/of

-emotionele overwicht en/of

-het aangaan van een (vertrouwens)relatie en/of

-het grote leeftijdsverschil (22 jaren) tussen verdachte en aangeefster,

een persoon, te weten [slachtoffer], geboren op [1999], waarvan

verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van

achttien jaren nog niet had bereikt, (telkens) opzettelijk heeft bewogen

(een) ontuchtige handeling(en) te plegen en/of (een) zodanige handeling(en)

van verdachte te dulden, immers heeft hij, verdachte, met die [slachtoffer]

(telkens) chatcontact via de [media] althans het internet, gehad,

waarbij:

-verdachte die [slachtoffer] heeft gevraagd zich uit te kleden voor de webcam en/of

-[slachtoffer] haar blote borsten heeft laten zien via de webcam aan verdachte en/of

-die [slachtoffer] haar (blote) vagina heeft laten zien via de webcam aan verdachte en/of

-verdachte zijn penis aan die [slachtoffer] heeft laten zien via de webcam en/of

-verdachte zich heeft afgetrokken voor de webcam en/of zijn penis heeft

betast/aangeraakt.

(art 248a Wetboek van Strafrecht)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1.primair:

in de periode 1 maart 2010 tot en met 6 januari 2011 te Ridderkerk en/of Grave, meermalen, met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer], geboren op [1999]), buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd te weten:

-het vragen aan die [slachtoffer] om zich geheel en/of gedeeltelijk uit te kleden en/of;

-het laten tonen van de (blote) borsten en/of (ontbloot) bovenlichaam en/of;

-het laten tonen van de (blote) vagina en/of (ontbloot) onderlichaam,

terwijl dit (telkens) voor de verdachte door gebruik van een webcam zichtbaar was;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

-een werkstraf voor de duur van 200 uur te vervangen door 100 dagen hechtenis bij het niet dan wel niet tijdig verrichten daarvan;

- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarden - kort gezegd – toezicht reclassering en een contactverbod met [slachtoffer].

Ten aanzien van de benadeelde partij:

de vordering ten bedrag van 1100,= euro toewijzen met daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van het beslag:

onttrekking aan het verkeer van de Toshiba, L30 – 101, kleur grijs, notebook.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft hierbij gelet op het volgende.

Verdachte heeft door zijn handelen een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Hij heeft haar lichamelijke integriteit aangetast en haar leed aangedaan. Verdachte heeft ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat het slachtoffer in hem stelde. Wat volgens verdachte aanvankelijk begon als een vriendschappelijk contact op basis van gelijkheid, is dat contact uitgegroeid naar contact dat niet past bij een jong kind hetgeen heeft geleid tot het (laten) plegen van ontuchtige handelingen zoals hiervoor bewezen verklaard. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog lange tijd last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij ter zitting door de moeder van het slachtoffer, blijkt dat dit ook in deze zaak nog het geval is.

Door de wetgever is met de strafbaarstelling van ontucht met personen onder de zestien jaar beoogd de lichamelijke en geestelijke integriteit van deze personen te beschermen. Deze bescherming is mede daarop gebaseerd dat deze minderjarigen in het algemeen niet of onvoldoende in staat zijn om de draagwijdte van hun handelen te overzien en hun wil dienaangaande in vrijheid te bepalen, en dat zij in zoverre tegen een ongewenste beïnvloeding van hun wil moeten worden beschermd.

Er was sprake van een groot leeftijdsverschil en juist dit leeftijdsverschil weegt voor de rechtbank zwaar mee. Dat er mogelijk sprake was van een vrijwilligheid van haar kant, maakt dit niet anders. Immers, ook indien daarvan sprake zou zijn geweest, mocht van verdachte als de volwassene in het contact met het minderjarige slachtoffer verwacht worden dat hij zich van de kwetsbaarheid van het slachtoffer bewust was en dat hij het slachtoffer tegen haarzelf in bescherming nam door bijvoorbeeld het contact met haar te beëindigen. Dat heeft verdachte nagelaten en dat neemt de rechtbank hem kwalijk.

De rechtbank heeft in strafmatigende zin gelet op het feit dat blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie verdachte niet eerder soortgelijke feiten heeft gepleegd. Evenmin is gebleken dat verdachte zich na het plegen van het bewezenverklaarde zich wederom heeft beziggehouden met soortgelijke feiten. Een voorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de officier van justitie gevorderd acht de rechtbank om die reden hier dan ook niet aan de orde.

Voorts heeft de rechtbank – niettegenstaande de bewezenverklaring van de gehele tenlastegelegde periode – gelet op het feit dat het bewezenverklaarde zich slechts gedurende enkele weken in 2010 heeft voorgedaan. Zij verklaart de gehele periode bewezen omdat met onvoldoende nauwkeurigheid kan worden vastgesteld op welke datum het bewezenverklaarde voor het eerst en het laatst heeft plaatsgehad.

Ten slotte heeft de rechtbank gelet op het tijdsverloop in deze zaak. Het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden in 2010, namens het slachtoffer is aangifte gedaan op 4 december 2010, op 15 november 2012 heeft er een doorzoeking bij verdachte plaatsgevonden en hij is in deze zaak eerst op 7 maart 2013 door de politie verhoord. De rechtbank doet uiteindelijk op 20 februari 2015 uitspraak in deze zaak. Al met al is hier dan ook sprake van een schending van de redelijke termijn. Deze schending zal de rechtbank verdisconteren in de strafmaat.

De rechtbank komt alles afwegende tot een lichtere straf dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

De rechtbank overweegt met betrekking tot de gevorderde immateriële schade als volgt:

Voor vergoeding van immateriële schade als hier gevorderd, is vereist dat het bestaan van dit letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast in rechte kan worden vastgesteld.

Uit de onderbouwing van de overgelegde vordering benadeelde partij kan onvoldoende worden afgeleid dat de behandelingen bij de psychiater noodzakelijk zijn geweest van enkel als gevolg van schade aangericht door het handelen van verdachte in de bewezenverklaarde periode. In zoverre is de vordering onvoldoende onderbouwd. Wel acht de rechtbank aannemelijk dat het slachtoffer schade heeft geleden.

De rechtbank zal dan ook bij wege van voorschot een lager bedrag terzake immateriële schade toe kennen dan het gevorderde. Wat betreft de post materiële schade (post psychiater en reiskosten ten behoeve van het bezoek aan de psychiater), zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren omdat vanwege de onduidelijkheid in de causaliteit de verdere voorbereiding, bespreking en beoordeling ervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door de bewezen verklaarde feiten toegebrachte immateriële schade, een bedrag van € 500,= vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren ten aanzien van het meerdere. De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van deze procedure welke tot heden zijn begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Beslag.De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is met behulp van welke de feiten zijn begaan.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 22c, 22d, 36b, 36c, 57, 63, 247.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

primair Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf:

T.a.v. primair:Werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis

Legt aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] bij wege van voorschot van een bedrag van EUR 500,= (zegge: vijfhonderd euro) terzake immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] ,

van een bedrag van EUR 500,= (zegge: vijfhonderd euro),terzake immateriële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom,

indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Onttrekking aan het verkeer van één computer, merk Toshiba L30-101, kleur grijs, notebook.

Dit vonnis is gewezen door:

Mr. H.H.E. Boomgaart, voorzitter,

mr. M.A. Waals en mr. C.P.J. Scheele, leden,

in tegenwoordigheid van Y.A.M. Janssen, griffier,

en is uitgesproken op 20 februari 2015.