Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:890

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-02-2015
Datum publicatie
19-02-2015
Zaaknummer
C/01/288564 / FA RK 15-79
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum kinderalimentatie in het kader van voorlopige voorzieningen met terugwerkende kracht. Met verwijzing naar de wetsgeschiedenis geldt als hoofdregel datum beschikking. Onlosmakelijk verband tussen voorlopige voorzieningen en de echtscheidingsprocedure. Terugwerkende kracht beperkt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 821
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0060
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/288564 / FA RK 15-79

Uitspraak : 13 februari 2015

Beschikking betreffende voorlopige voorzieningen in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. K.G.I.M. Schröder,

tegen:

[verweerder],

wonende te[woonplaats],

advocaat mr. C.F.M.L. van Beukering-Michielsen,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de vrouw en de man.

De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

  • -

    het verzoekschrift (met bijlagen) van de vrouw, ontvangen ter griffie op 9 januari 2015;

  • -

    de correspondentie, met name:

-de brief met bijlagen van mr. Van Beukering-Michielsen, gedateerd 28 januari 2015;

-de ter zitting overgelegde stukken.

De zaak is behandeld ter zitting van 30 januari 2015. Verschenen zijn partijen en hun advocaten. De raad voor de kinderbescherming heeft voorafgaand aan de zitting laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

De rechtbank heeft de vrouw in de gelegenheid gesteld een opgave van het door haar te ontvangen kindgebonden budget in het geding te brengen. De rechtbank heeft vervolgens kennis genomen van de brief met bijlagen van mr. Schröder, gedateerd 4 februari 2015.

Toevertrouwing

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

  • -

    [naam minderjarige X], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

  • -

    [naam minderjarige Y], geboren op [geboortedatum]te [geboorteplaats]

Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat [minderjarige X] wordt toevertrouwd aan de man en dat [minderjarige Y] wordt toevertrouwd aan de vrouw.

Zorgregeling

Tussen partijen is niet in geschil dat de door de vrouw verzochte regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan worden vastgelegd. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Kinderalimentatie

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te voldoen van € 176,-- per maand per kind met ingang van 15 mei 2013 en een bedrag van € 166,-- per maand per kind met ingang van 1 januari 2015.

De man is van mening dat een ingangsdatum met terugwerkende kracht – zoals door de vrouw verzocht – niet mogelijk is. Voorts voert de man op punten verweer tegen de gestelde behoefte en de gestelde draagkracht.

Ingangsdatum

Tussen partijen is in geschil op welke datum de onderhoudsbijdrage dient in te gaan.

De vrouw verzoekt de onderhoudsbijdrage in te laten gaan per 15 mei 2013. De man is van mening dat de datum van deze beschikking uitgangspunt moet zijn.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat als hoofdregel dient te gelden dat de voorlopige voorziening een aanvang neemt per datum beschikking. Tussen de voorlopige voorziening en de echtscheidingsprocedure bestaat – aldus de wetgever – een nauw onlosmakelijk verband. Dit verband wordt gehandhaafd door het hanteren van strikte termijnen, binnen welke na het ingaan van een voorlopige voorziening daadwerkelijk een echtscheidingsprocedure moet worden opgestart bij gebreke waarvan de voorlopige voorziening vervalt. Deze termijn is in artikel 821, vierde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaald op vier weken. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de voorlopige voorzieningen in ieder geval niet eerder een aanvang kunnen nemen dan vier weken voordat een verzoek tot echtscheiding wordt ingediend. De rechtbank ziet in de omstandigheden zoals door de vrouw gesteld geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel, te weten datum beschikking.

Behoefte

Ter zitting zijn partijen akkoord gegaan om voor de behoefte een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 2.822,-- op basis van de inkomsten over 2013 tot uitgangspunt te nemen.

Uit de overgelegde definitieve berekening toeslagen blijkt een kindgebonden budget over 2013 van afgerond € 78,-- per maand. Het totale gezinsinkomen komt daarmee op € 2.900,-- per maand.

Op grond van de tabel kosten kinderen bedraagt de behoefte van de kinderen bij een gezinsinkomen van € 2.900,-- per maand, € 652,-- totaal per maand oftewel € 326,00 per maand per kind.

Door de man is ter zitting onweersproken gesteld dat hij ten behoeve van [minderjarige X] een kindgebonden budget zal ontvangen van € 307,-- per maand. Dit betekent dat voor [minderjarige X] een behoefte resteert van € 19,-- per maand.

Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat zij niet in aanmerking komt voor een kindgebonden budget voor [minderjarige Y]. De behoefte van [minderjarige Y] bedraagt derhalve

€ 326,-- per maand.

Draagkracht van de man

Tussen partijen is niet in geschil dat het fiscaal loon 2014 tot uitgangspunt voor de draagkracht kan worden genomen.

Uit de overgelegde jaaropgave 2014 blijkt een fiscaal loon van € 32.682,--.

De man voldoet aan de voorwaarden om voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting in aanmerking te komen, zodat daarmee rekening gehouden wordt.

Rekening houdend met de tarieven 2015 volgt hieruit een netto besteedbaar inkomen van

€ 2.193,-- per maand.

Op grond van de formule 70% (2193 – (2193 x 0,3 + 875) bedraagt de draagkracht van de man € 462,-- per maand.

Draagkracht van de vrouw

Tussen partijen is niet in geschil dat het inkomen van de vrouw over 2014 uitgangspunt moet zijn voor haar draagkracht. De vrouw heeft een inkomen per vier weken, derhalve 13 periodes per jaar. Uit de overgelegde loonstrook over periode 12 blijkt een cumulatief heffingsloon (fiscaal loon) van € 10.137,07. Hierin begrepen zit een heffingsloon van

€ 760,72 betreffende de in periode 4 uitbetaalde vakantietoeslag. Na correctie bedraagt het heffingsloon over 12 perioden € 9.376,35. Geëxtrapoleerd naar 13 perioden bedraagt het heffingsloon € 10.157,71. Vermeerderd met de vakantietoeslag wordt het totale heffingsloon over 2014 begroot op € 10.918,43. Dit bedrag is uitgangspunt voor de draagkracht van de vrouw.

De vrouw voldoet aan de voorwaarden om voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting in aanmerking te komen, zodat daarmee rekening gehouden wordt.

Rekening houdend met de tarieven 2015 volgt hieruit een netto besteedbaar inkomen van

€ 909,-- per maand.

Op grond van de draakgrachttabel heeft de vrouw een draagkracht voor twee kinderen van

€ 50,-- per maand.

Draagkrachtvergelijking

De totale behoefte van beide kinderen bedraagt € 345,-- (€ 19,-- + € 326,--) per maand.

De totale draagkracht van partijen bedraagt € 512,-- (€ 462,-- + € 50,--) per maand, zodat de rechtbank een draagkrachtvergelijking zal maken ten behoeve van de door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor [minderjarige Y].

De draagkracht van de man bedraagt € 462,-- per maand. Nu ieder van de ouders een kind bij zich heeft wonen zal de rechtbank eerst een verdeling maken van de draagkracht van de man over de beide kinderen, naar rato van hun beider behoefte zoals deze hiervoor is berekend. Voor [minderjarige Y] heeft de man beschikbaar 326/345 x € 462,-- = € 436,56. Voor [minderjarige X] heeft de man beschikbaar 19/345 x € 462,-- = € 25,44.

De rechtbank maakt vervolgens een verdeling van de draagkracht van de vrouw over beide kinderen. Voor [minderjarige Y] heeft de vrouw beschikbaar 326/345 x € 50,-- = € 47,25. Voor [minderjarige X] heeft de vrouw beschikbaar 19/345 x € 50,-- = € 2,75.

Omdat door de man geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding is verzocht voor [minderjarige X], neemt de rechtbank in aanmerking dat de man de kosten voor [minderjarige X] volledig draagt, derhalve € 19,-- per maand. De hiervoor gemaakt verdeling brengt met zich dat de man € 25,44 beschikbaar heeft voor [minderjarige X]. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een bedrag van € 6,44 (€ 25,44 -/- € 19,--) extra beschikbaar is voor [minderjarige Y], zodat de draagkracht van de man voor [minderjarige Y] kan worden gesteld op € 443,-- per maand

(€ 436,56 + € 6,44).

Daarmee kunnen beide ouders volledig in de behoefte van [minderjarige Y] voorzien, gelet op hun draagkracht van respectievelijk € 443,-- en € 47,24. De totale draagkracht van de ouders ten aanzien van de onderhoudsbijdrage voor [minderjarige Y] bedraagt € 490,24.

In de onderlinge verhouding van de ouders draagt de man bij voor [minderjarige Y] 443/490,24 x € 326,-- = € 294,59.

Zorgkorting

Op grond van de hierna vast te stellen regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bedraagt de zorgkorting 35% van € 326,-- = € 114,10.

Conclusie

Op grond van het voorgaande dient de man met een bedrag van € 180,49 (€ 294,59 -/-

€ 114,10) bij te dragen in de kosten van verzorging en op voeding van [minderjarige Y]. De rechtbank zal conform beslissen.

De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de minderjarige [naam minderjarige X], geboren op

[geboortedatum]te [geboorteplaats], wordt toevertrouwd aan de man;

bepaalt dat de minderjarige [naam minderjarige Y], geboren op

[geboortedatum]te [geboorteplaats] wordt toevertrouwd aan de vrouw;

stelt inzake de regeling van verdeling van de zorg- en opvoedingstaken de navolgende voorlopige regeling vast:

  • -

    de kinderen verblijven iedere woensdag vanaf 18.00 uur bij de man, in de ene week tot vrijdag 18.00 uur en in de andere week tot zondag 18.00 uur;

  • -

    in de zomervakantie brengen de kinderen drie aaneengesloten weken bij ieder van partijen door. Indien een periode van drie aaneengesloten weken een partij volstrekt belet vakantie te vieren met de kinderen, kan in onderling overleg tussen partijen worden afgesproken dat de kinderen gedurende twee aaneengesloten weken en een afzonderlijke week bij de ene respectievelijk de andere partij verblijven. Indien partijen er in onderling overleg niet uitkomen zullen de kinderen in de even jaren in de eerste drie weken bij de vrouw verblijven en de laatste drie weken bij de man, in de oneven jaren zullen zij de eerste drie weken bij de man verblijven en de laatste drie weken bij de vrouw;

  • -

    Oud en Nieuw zullen de kinderen afwisselend het ene jaar bij de ene ouder en het andere jaar bij de andere ouder doorbrengen;

  • -

    gedurende overige schoolvakanties loopt de zorgregeling in beginsel door conform het schema als hiervoor genoemd;

bepaalt het bedrag dat de man met ingang van 13 februari 2015 voorlopig aan de vrouw moet betalen tot verzorging en opvoeding van de minderjarige:

[naam minderjarige Y], geboren op 18 februari 2009 te Eindhoven, op € 180,49 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Bossink, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 13 februari 2015.

Conc: awe