Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:7913

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-12-2015
Datum publicatie
22-01-2020
Zaaknummer
3367222 / 14-10121
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarde dat het pensioen volledig voor rekening van de werkgever komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0087
PR-Updates.nl PR-2020-0029
PJ 2020/41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer : 3367222

Rolnummer : 14-10121

Uitspraak : 10 december 2015

in de zaak van:

[werkneemster] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. ing. H.J.M. Smelt,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Fair Play Centers B.V.,

gevestigd te Kerkrade,

gedaagde,

gemachtigde: mr. E.V.C. Savelkoul.

Partijen zullen hierna worden genoemd “[werkneemster]” en “Fair Play”.

1 Het verloop van het geding

1.1.

Dit blijkt uit het volgende:

a. de dagvaarding, met producties;

b. de conclusie van antwoord, met producties;

c. de conclusie van repliek, met producties;

d. de conclusie van dupliek, met producties;

e. de akte uitlating producties en de akte overlegging producties van de zijde van [werkneemster]

;

f. de akte overlegging producties van de zijde van Fair Play;

g. de comparitie (zitting) van 5 november 2015, waarbij de gemachtigde van Fair Play een

pleitnota heeft voorgedragen en overgelegd.

1.2.

Ten slotte is wederom vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[werkneemster] vordert een verklaring voor recht dat tussen haar en Fair Play een premievrij pensioen overeengekomen is en veroordeling van Fair Play, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot continuering van het premievrije pensioen, tot betaling van achterstallig salaris (ter hoogte van de ingehouden pensioenpremies van € 135,39 tot en met juli 2014), te vermeerderen met rente, buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten en nakosten als vermeld in de dagvaarding.

Zij legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag. Zij is in de functie van medewerker amusementscenter in dienst van Fair Play. Fair Play behoort tot de zogenaamde Janshen Hahnraths Group. Op de arbeidsovereenkomst is het Janshen Hahnraths Arbeidsreglement (hierna: JAR) van toepassing waarin onder meer is bepaald dat de regeling van het Pensioenfonds Metaal en Techniek van toepassing is en dat de pensioen-premies volledig voor rekening van de werkgever komen. In weerwil hiervan heeft Fair Play, met een beroep op een zwaarwichtig belang en met instemming van de gemeenschappelijke ondernemingsraad (hierna: GOR), de pensioenregeling eenzijdig gewijzigd en met ingang van 1 januari 2014 een deel van pensioenpremies voor rekening van de werknemers gebracht (wat betreft [werkneemster] gaat het aanvankelijk om 10% op basis van een overgangsregeling). Op de wijze waarop de instemming van de GOR is verkregen valt het nodige aan te merken. Nadat de oude GOR, die nota bene al vanaf 2011 met dit onderwerp bezig was, op dit onderwerp is gestruikeld, is de nieuwe GOR onder druk gezet om het besluit op zeer korte termijn door te voeren en zijn de leden van de GOR die tegen het besluit waren in feite buitenspel gezet. Zij werd dan ook volledig verrast door de brief van 20 december 2013 van Fair Play waarin de invoering van de eigen bijdrage op een zeer korte termijn werd aangekondigd. Zij is vanaf 2011 dan ook onvoldoende geïnformeerd door Fair Play en heeft nimmer ingestemd met deze wijziging. Haar arbeidsovereenkomst bevat weliswaar een beding dat eenzijdige wijziging der arbeidsvoorwaarden toelaat maar het JAR is nog steeds ongewijzigd en schrijft dus nog steeds voor dat alle premies ten laste van de werkgever komen. Zij heeft herhaaldelijk aan Fair Play laten weten niet in te kunnen stemmen met de wijziging van haar arbeidsvoorwaarden en Fair Play gesommeerd de pensioenpremies onverkort voor eigen rekening te blijven nemen. Aangezien Fair Play hieraan geen gehoor heeft gegeven zag zij zich genoodzaakt Fair Play in rechte te betrekken. De vordering aan achterstallig salaris (€ 135,39 tot en met juli 2014) is hierdoor verhoogd met € 48,40 aan buitengerechtelijke incassokosten, de maximale wettelijke verhoging en de wettelijke rente.

2.2.

Fair Play voert het volgende verweer. Zij erkent dat zij per 1 januari 2014 een eigen bijdrage heeft ingevoerd wat betreft de pensioenpremies van de medewerkers. Zij benadrukt dat de gemeenschappelijke ondernemingsraad (hierna: GOR) heeft ingezien dat zij bij de invoering van deze eigen bijdrage een zwaarwichtig belang had en wijst op het uitvoerige proces, waarbij de GOR is bijgestaan door een deskundige en waarbij zelfs de bedrijfscommissie betrokken was, dat hieraan voorafgegaan is. De GOR heeft uiteindelijk een overgangsregeling bedongen waarbij geleidelijk tot een eigen bijdrage van 30% door de werknemers gekomen wordt. Anders dan [werkneemster] aanvoert zijn de arbeidsovereenkomst en het JAR wel degelijk voor wijziging vatbaar, indien daartoe een zwaarwichtig belang bestaat. Dit zwaarwichtige belang was aanwezig nu de voorheen geldende premieverdeling niet meer marktconform was en de, mede als gevolg van de stijgende pensioenlasten, sterk verslechterde bedrijfsresultaten kostenbesparende maatregelen noodzakelijk maakten. De gevolgen voor de medewerkers zijn daarbij beperkt middels een afbouw-/opbouwregeling van 2 jaar en een (eenmalige) compensatieregeling in 2014. De GOR heeft dan ook op goede gronden instemming verleend en onder de medewerkers is er voldoende draagvlak voor de maatregel. Ter toelichting op haar verslechterde positie merkt zij op dat zij zwaar te lijden heeft onder de economische crisis en onder diverse overheidsmaatregelen op het terrein van belastingen (omzetbelasting en kansspelbelasting) en het rookverbod. Een reorganisatie in 2011 is onvoldoende gebleken om de onderneming gezond te houden, waardoor ingrijpen in de pensioenen noodzakelijk is om haar continuïteit te waarborgen en niet verlieslatend te worden. Het is als gevolg van het openstellen van de online gokmarkt allerminst zeker of er in de toekomst betere resultaten gehaald kunnen worden. Tot slot verzet Fair Play zich tegen de gevorderde wettelijke verhoging en wettelijke rente alsmede tegen de buitengerechtelijke kosten en nakosten.

3 De beoordeling

3.1.

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende

weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties het volgende vast:

a. [werkneemster] is in de functie van medewerker amusementscenter in dienst van Fair Play. De arbeidsovereenkomst is schriftelijk aangegaan per 16 december 2011;

b. op de arbeidsovereenkomst is het JAR van toepassing verklaard. De arbeidsovereenkomst bevat daarnaast een eenzijdig wijzigingsbeding (art. 20);

c. ook het JAR bevat, voor zover van belang, de volgende bepalingen:

een eenzijdig wijzigingsbeding (art. 1.2 onder 4 en 5):

“4 De werkgever kan, indien daartoe naar zijn oordeel aanleiding bestaat de bepalingen, als genoemd in het JAR, met inachtneming van de wettelijke bepalingen wijzigen. De afwijkende afspraken (SAC) zijn geldig indien zij zijn overeengekomen tussen de werknemer en werkgever en/of zijn goedgekeurd door het bestuur van de Sectie Amusementscentra (SAC onderdeel van de VAN). De Ondernemingsraad (OR) heeft instemmings- en adviesrecht (…);

5 Wijzigingen in het JAR werken rechtstreeks door in de individuele arbeidsovereenkomst tussen medewerker en werkgever, nadat werkgever de medewerker schriftelijk in kennis heeft gesteld van de wijzigingen”;

een pensioenregeling (art. 6.1 onder 1, 2 en 5):

“1 De werkgever is aangesloten bij het pensioenfonds voor Metaal en Technische bedrijfstakken.

2 Medewerkers worden per datum indiensttreding opgenomen in de collectieve pensioenregeling

(…)

6 De pensioenpremie is geheel voor rekening van de werkgever.”

d. per 1 januari 2014 heeft Fair Play, na instemming van de GOR te hebben verkregen, eenzijdig een eigen bijdrage voor haar medewerkers aan de pensioenpremies ingevoerd. Daarbij heeft zij een overgangsregeling toegepast op grond waarvan medewerkers met een langer dienstverband, waaronder [werkneemster], vanaf 2014 in het eerste jaar 10% van de pensioenpremies voor eigen rekening dienen te nemen, het tweede jaar 20% en vanaf het derde jaar 30%. Tevens is aan de medewerkers in 2014 een eenmalige compensatie toegekend van € 100,00 bruto (naar rato van het dienstverband);

e. de wijziging is door Fair Play (althans door Janshen-Hahnraths Group waarvan Fair Play onderdeel uitmaakt) aangekondigd bij brief van 20 januari 2013;

f. [werkneemster] heeft te kennen gegeven de wijziging niet te accepteren.

3.2.

De vraag die partijen verdeeld houdt is of Fair Play eenzijdig mocht overgaan tot wijziging van de arbeidsvoorwaarde dat het pensioen volledig voor rekening van de werkgever komt.

3.3.

Nu een eenzijdig wijzigingsbeding overeengekomen is, dient te worden beoordeeld of Fair Play bij de wijziging van de arbeidsvoorwaarde een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van [werkneemster] daarvoor, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, dient te wijken.

3.4.

Fair Play heeft als grond om tot wijziging van de arbeidsvoorwaarde over te gaan allereerst aangevoerd dat de bestaande regeling niet meer van deze tijd was en ook niet marktconform was. De kantonrechter acht dit onvoldoende om tot eenzijdige wijziging van de betreffende arbeidsvoorwaarde over te kunnen gaan; de kwalificatie “niet meer van deze tijd” is uiterst subjectief en nagenoeg inhoudsloos en het argument van de niet-marktconformiteit wordt niet toegelicht; maar als die al wel beoordeelbaar zouden zijn, dan zijn ze onvoldoende dwingend

3.5.

Daarnaast heeft Fair Play als voornaamste grond om tot wijziging van de arbeidsvoorwaarde over te gaan aangevoerd dat haar bedrijfsresultaten door verschillende oorzaken dusdanig verslechterden, dat zonder maatregelen de continuïteit van de onderneming in gevaar zou komen. Ter adstructie van deze stelling heeft zij onder meer gewezen op het feit dat de winst in 2013, nadat in 2011 een reorganisatie was doorgevoerd, met 86% is gedaald en dat in dat jaar de omzet met ruim € 9.000.000,00 is gedaald. Ter zitting heeft Fair Play aangevoerd dat de omzet in 2014 verder gedaald is met circa € 2.300.000,00 en dat het bedrijfsresultaat enkel als gevolg van de kostenbesparende maatregelen min of meer gelijk is gebleven ten opzichte van 2013.

Fair Play heeft daar nog aan toegevoegd dat de toekomstprognoses minder positief zijn dan [werkneemster] doet voorkomen. Dat de online gokmarkt in de toekomst tot betere bedrijfsresultaten zal leiden is nog ongewis, aldus Fair Play.

3.6.

De kantonrechter vindt de financiële perspectieven die Fair Play er destijds toe gebracht hebben de pensioenregeling te veranderen zoals zij gedaan heeft, een zo zwaarwichtig belang dat het belang van [werkneemster] daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moest wijken.

3.7.

[werkneemster] heeft weliswaar aangevoerd dat zij weinig inzicht heeft in de stukken waarop de financiële cijfers gebaseerd zijn en erop gewezen dat er kennelijk, in ieder geval in 2013, nog winst gemaakt werd, maar deze argumenten overtuigen de kantonrechter niet. Fair Play heeft voldoende onderbouwd dat de resultaten structureel verslechteren en dat het nemen van maatregelen daardoor onontkoombaar geworden is, temeer nu niet valt in te zien dat structurele betere resultaten in de toekomst voor de hand liggen. Fair Play heeft dit immers ermee gemotiveerd dat de online gokmarkt wordt opengesteld en/of een schadevergoeding ter zake overheidsmaatregelen (wijzigingen in kansspelbelasting en btw, rookverbod) ongewis is en zo er al positieve gevolgen zijn, deze de genomen kostenbesparende maatregelen allerminst overbodig maken.

3.8.

Voorts overtuigen de door [werkneemster] opgeworpen bezwaren tegen het instemmingsbesluit van de GOR de kantonrechter niet. Zo er al druk is uitgeoefend op de nieuw geïnstalleerde GOR, kan dit aan de geldigheid van het instemmingsbesluit niet afdoen. Vaststaat dat het traject bij de GOR een lange voorgeschiedenis kent. Daarbij is een deskundige ingeschakeld en is tevens de bedrijfscommissie betrokken geweest. De bedrijfscommissie heeft de procedure die tot een besluit van de GOR zou moeten leiden duidelijk omlijnd en heeft daarbij aandacht gevraagd voor het belang van Fair Play om op een kort tijdsbestek tot een besluit te komen. In dat licht bezien acht de kantonrechter niet aannemelijk dat de GOR in zodanige mate onder druk heeft gestaan dat de besluitvorming daaronder geleden heeft.

Dat de GOR met het besluit van Fair Play heeft ingestemd is derhalve eveneens een indicatie dat een zwaarwichtig belang aanwezig is. Dat enkele / meerdere individuele werknemers het met dit besluit niet eens zijn kan hieraan niet afdoen.

3.9.

Op grond van dit alles komt de kantonrechter, mede in aanmerking genomen dat veruit de meeste medewerkers geen bezwaar hebben gemaakt tegen de gewijzigde arbeidsvoorwaarde, tot de slotsom dat Fair Play een zodanig zwaarwichtig belang heeft bij de eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarde, dat de belangen van [werkneemster] (en de overige medewerkers van Fair Play) die daardoor worden geschaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dienen te wijken, te meer nu aan [werkneemster] een overgangsregeling is gegund om aan de nieuwe situatie te wennen en aan haar een eenmalige compensatie is toegekend. Alle vorderingen van [werkneemster] stuiten hierop af. Hetgeen [werkneemster] overigens naar voren heeft gebracht kan niet tot een ander oordeel leiden.

3.10.

[werkneemster] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

4 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [werkneemster] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Fair Play tot heden vastgesteld op € 93,80 aan explootkosten, € 77,00 aan griffierecht en € 180,-- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Knaapen, kantonrechter te Eindhoven, en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2015.