Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:7775

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-06-2015
Datum publicatie
21-01-2016
Zaaknummer
SHE 15/1374 en 15/1375
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tweede verlenging gebiedsverbod. Geen voldoende concrete aanwijzingen voor de vrees voor verdere verstoring van de openbare orde.

Verzoeker heeft in het verleden over een langere periode overlast veroorzaakt en daardoor de openbare orde verstoord. Het gedrag van verzoeker in het verleden rechtvaardigt enige vrees voor terugval in het overlast gevende gedrag. Verweerder is echter pas bevoegd om het gebiedsverbod te verlengen als sprake is van concrete aanwijzingen die ernstige vrees voor terugval in het overlast gevende gedrag rechtvaardigen. In de gestelde winkeldiefstal op 6 april 2015 ziet de voorzieningenrechter geen concrete aanwijzing die de ernstige vrees rechtvaardigt. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat een winkeldiefstal geen direct waarneembare effecten op het openbare leven hoeft te hebben. Verweerder heeft niet gesteld dat door deze winkeldiefstal de orde en rust in het openbare leven werd verstoord. Verweerder heeft de aanhouding op 27 februari 2015 van een groep mensen wegens drugshandel op straat niet met stukken onderbouwd. Verweerder heeft ter zitting slechts verklaard dat hij niet over de stukken beschikt en daardoor verzoekers standpunt dat hij niet behoort tot die groep menen niet betwist. Verweerder heeft daarom in de gebeurtenis op 27 februari 2015 geen concrete aanwijzing kunnen zien voor ernstige vrees dat verzoeker zal terugvallen in het overlast gevende gedrag. De door verweerder genoemde aanhoudingen op 23 mei 2015 deden zich voor nadat verweerder tot de tweede verlenging van het gebiedsverbod heeft besloten. De verlenging van een gebiedsverbod als bedoeld in artikel 172a, vierde lid, van de Gemeentewet moet worden gebaseerd op vrees voor verdere verstoring van de openbare orde op een bepaald moment voorafgaande aan die verlenging. De aanhoudingen op 23 mei 2015 kunnen daarom geen rol spelen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de tweede verlenging.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 172a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 15/1374 en SHE 15/1375

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juni 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. P.C. Saris),

en

de burgemeester van de gemeente Eindhoven, verweerder

(gemachtigde: mr. M.J.M.J. Heutink).

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2015 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het aan verzoeker bij besluit van 17 oktober 2014 opgelegde gebiedsverbod met drie maanden verlengd, ingaande op 22 januari 2015 tot en met 22 april 2015. Dit verzoek is geregistreerd onder procedurenummer SHE 15/1374.

Bij besluit van 22 april 2015 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het aan verzoeker bij besluit van 22 januari 2015 opgelegde verlengde gebiedsverbod nogmaals verlengd met drie maanden tot en met 22 juli 2015. Dit verzoek is geregistreerd onder procedurenummer SHE 15/1375.

Verzoeker heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2015. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker woont in [woonplaats] . Bij besluit van 19 oktober 2014 heeft verweerder verzoeker een gebiedsverbod opgelegd voor de duur van drie maanden voor het centrum van Eindhoven en delen van Woensel Zuid (het gebiedsverbod). Aan het gebiedsverbod is ten grondslag gelegd dat uit politie-informatie is gebleken dat verzoeker persoonlijk, dan wel in groepsverband, over een langere periode overlast veroorzaakt en daarmee de openbare orde verstoort. Ook is daaraan ten grondslag gelegd dat ernstige vrees bestaat voor verdere verstoring van de openbare orde. Het gebiedsverbod is inwerking getreden op 22 oktober 2014. Tegen dit besluit heeft verzoeker geen rechtsmiddelen aangewend.

3. Bij het bestreden besluit I heeft verweerder het aan verzoeker opgelegde gebiedsverbod met drie maanden verlengd (van 22 januari 2015 tot en met 22 april 2015) omdat nog steeds ernstige vrees bestaat voor verstoring van de openbare orde als verzoeker wel weer in delen van het centrum van Eindhoven of Woensel Zuid komt.

4. Bij het bestreden besluit II heeft verweerder het aan verzoeker opgelegde gebiedsverbod wederom verlengd met drie maanden (tot en met 22 juli 2015) omdat nog steeds ernstige vrees bestaat voor verstoring van de openbare orde als verzoeker wel weer in delen van het centrum van Eindhoven of Woensel Zuid komt.

5. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat namens verzoeker ter zitting is verklaard dat met het door hem ingediende verzoek om een voorlopige voorziening mogelijk een misverstand is ontstaan. Verzoeker heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Het was echter de bedoeling de voorzieningenrechter te verzoeken alleen de tweede verlenging van het gebiedsverbod te schorsen. Gelet op het voorgaande wordt het verzoek gericht tegen het bestreden besluit I, met kenmerk SHE 15/1374, als ingetrokken beschouwd.

6. Ten aanzien van het verzoek om schorsing van het bestreden besluit II overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, nu verzoeker door de tweede verlenging van het gebiedsverbod op dit moment geen toegang heeft tot een aanzienlijk deel van de gemeente Eindhoven. Verzoeker wordt daardoor ernstig in zijn bewegingsvrijheid beperkt.

8. De voorzieningenrechter zal vervolgens beoordelen of het bezwaar tegen de tweede verlenging van het gebiedsverbod een redelijke kans van slagen heeft.

9. Verweerder heeft zich in het besteden besluit II en ter zitting op het standpunt gesteld dat nog steeds sprake is van ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde als verzoeker weer in delen van het centrum van Eindhoven of Woensel Zuid komt. Verzoeker heeft weliswaar getoond dat het enerzijds beter met hem gaat maar anderzijds heeft verzoeker een winkeldiefstal gepleegd waardoor sprake is van vrees voor terugval.
Voorts heeft verweerder ter zitting verwezen naar het besluit van 22 oktober 2014 inzake het opgelegde gebiedsverbod waarin politie-informatie omtrent verzoeker is opgenomen, waaronder strafrechtelijke gebeurtenissen, waaruit is gebleken dat verzoeker of de groep waartoe hij behoorde regelmatig de openbare orde verstoorde. Verweerder heeft aanvullend ter zitting gesteld dat de problematiek met de betrokken groep nog steeds aanwezig is. De afgelopen maanden is nog steeds sprake van drugshandel en zijn arrestaties verricht. Op
17 februari 2015 zijn dertien mensen uit de groep in het centrum van Eindhoven aangehouden wegens drugshandel op straat. Op 23 mei 2015 vonden ook aanhoudingen plaats wegens drugshandel. Indien het gebiedsverbod wordt opgeheven vreest verweerder dat verzoeker alleen dan wel in een groep opnieuw de openbare orde gaat verstoren.

10. Verzoeker heeft aangevoerd dat het gebiedsverbod ten onrechte is verlengd. De informatie van de politie dat verzoeker op 6 april 2015 een winkeldiefstal zou hebben gepleegd, rechtvaardigt de verlenging niet. De vermeende winkeldiefstal vond plaats buiten het gebied en raakt de openbare orde niet. Verzoeker maakt geen deel uit van de dadergroep die op 27 februari 2015 is gearresteerd. Het feit dat anderen zijn gearresteerd mag niet worden gebruikt voor het voortduren van het gebiedsverbod van verzoeker. Er is geen enkele grond voor de verlenging. Het gebiedsverbod beslaat meer dan de helft van Eindhoven. Het is niet duidelijk waarom aan de positieve ontwikkeling van verzoeker en de ernstige beperking van zijn bewegingsvrijheid onvoldoende gewicht toekomen om van een gebiedsverbod af te zien, aldus verzoeker.

11. Ingevolge artikel 172a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet, voor zover hier van belang, kan de burgemeester aan een persoon die herhaaldelijk individueel of groepsgewijs de openbare orde heeft verstoord of bij groepsgewijze verstoring van de openbare orde een leidende rol heeft gehad, bij ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde een bevel geven zich niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente te bevinden. Ingevolge het vierde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, geldt het bevel voor een door de burgemeester vast te stellen periode van ten hoogste drie maanden. Het bevel kan ten hoogste driemaal worden verlengd met een door de burgemeester vast te stellen periode van telkens ten hoogste drie maanden.

12. Bij een verlenging van een gebiedsverbod, ligt het op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat sprake is van een ernstige vrees dat verdere verstoring van de openbare orde door de betrokkene zal plaatsvinden (individueel of groepsgewijs). In dit verband acht de voorzieningenrechter van belang dat uit de Memorie van Toelichting bij artikel 172a van de Gemeentewet (Kamerstukken II, 31 467, nr. 3, p. 6) blijkt dat de ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde aantoonbaar moet zijn; dat wil zeggen dat zij moet blijken uit concrete aanwijzingen.

12. De voorzieningenrechter gaat er op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van uit dat verzoeker in het verleden over een langere periode overlast heeft veroorzaakt en daardoor de openbare orde heeft verstoord. Daar staat tegenover dat het volgens verweerder een stuk beter gaat met verzoeker dan voorheen. Verweerder noemt in dit kader onder meer dat verzoeker een dak boven zijn hoofd heeft, werkt en hulpverlening heeft. Door deze omstandigheden bestaat er minder aanleiding voor verzoeker om aanwezig te zijn op de overlastlocaties waar hij zich in het verleden bevond. Dat neemt niet weg dat het gedrag van verzoeker in het verleden naar het oordeel van de voorzieningenrechter enige vrees voor terugval in het overlast gevende gedrag rechtvaardigt. Verweerder is echter pas bevoegd om het gebiedsverbod te verlengen als sprake is van concrete aanwijzingen die ernstige vrees voor terugval in het overlast gevende gedrag rechtvaardigen.

12. Anders dan verweerder ziet de voorzieningenrechter in de gestelde winkeldiefstal op
6 april 2015 geen concrete aanwijzing die de vorenbedoelde ernstige vrees rechtvaardigt. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat een winkeldiefstal geen direct waarneembare effecten op het openbare leven hoeft te hebben. Verweerder heeft niet gesteld dat door deze winkeldiefstal de orde en rust in het openbare leven werd verstoord. Dat is ook niet gebleken.

12. Verweerder heeft eerst ter zitting gewezen op de aanhouding op 27 februari 2015 van een groep mensen wegens drugshandel op straat. Nu het om een omstandigheid gaat die zich voor de tweede verlenging van het gebiedsverbod heeft voorgedaan, kan verweerder deze omstandigheid meewegen bij zijn besluit op bezwaar. Verweerder heeft deze omstandigheid echter niet met stukken onderbouwd. Verzoeker heeft ter zitting gesteld dat hij niet behoort tot de groep mensen die op 27 februari 2015 is aangehouden. Volgens verzoeker gaat het om een groep jonge mensen, terwijl hij boven de 50 jaar is. In het licht hiervan had het op de weg van verweerder gelegen om aannemelijk te maken dat verzoeker behoorde tot de groep mensen die op 27 februari 2015 is aangehouden wegens drugshandel. Verweerder heeft ter zitting echter slechts verklaard dat hij niet over de stukken beschikt en daardoor verzoekers standpunt niet betwist. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in de gebeurtenis op 27 februari 2015 geen concrete aanwijzing heeft kunnen zien voor ernstige vrees dat verzoeker zal terugvallen in het overlast gevende gedrag.

12. De door verweerder genoemde aanhoudingen op 23 mei 2015 deden zich voor nadat verweerder tot de tweede verlenging van het gebiedsverbod heeft besloten. De verlenging van een gebiedsverbod als bedoeld in artikel 172a, vierde lid, van de Gemeentewet moet worden gebaseerd op vrees voor verdere verstoring van de openbare orde op een bepaald moment voorafgaande aan die verlenging. De aanhoudingen op 23 mei 2015 kunnen daarom geen rol spelen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de tweede verlenging.

12. Uit de voorgaande overwegingen vloeit voort dat de tweede verlenging van het gebiedsverbod niet voldoet aan de eis dat er voldoende concrete aanwijzingen waren voor de vrees voor verdere verstoring van de openbare orde door verzoeker. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar van verzoeker tegen de tweede verlenging een redelijke kans van slagen heeft.

12. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat de tweede verlenging van het gebiedsverbod (het bestreden besluit II) is geschorst tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar.

12. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder tot vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht. Ook veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het besluit van 22 april 2015 (het bestreden besluit II) tot zes weken nadat het besluit op bezwaar is bekendgemaakt;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 167,-- aan verzoeker vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 980,-, te betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van B.C.T. Rabou-Coort LLB, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
11 juni 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.