Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:7667

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
11-01-2016
Zaaknummer
C/01/292765 / FA RK 15-2099
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De man toont zijn stelling dat hij niet in staat is betaalde arbeid te verrichten onvoldoende aan. Gelet op het arbeidsverleden en de leeftijd van de man, wordt hem een redelijke termijn gegeven om wederom betaalde arbeid te verkrijgen, te weten een jaar na datum van de beschikking. Na ommekomst van die termijn wordt de man geacht in zijn behoefte te kunnen voorzien.

Verzoek tot limitering afgewezen.

Verzoek van de vrouw om op grond van artikel 843a Rv de man te verplichten financiële stukken over te leggen afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 401
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 843a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2016/38
PFR-Updates.nl 2016-0017
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/292765 / FA RK 15-2099

Uitspraak : 27 oktober 2015

Beschikking betreffende alimentatie in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. M.T. van Alebeek-Psara,

tegen

[verweerder]

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. R.P.V.W. Willems,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de vrouw en de man.

1 De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

  • -

    het verzoekschrift van de vrouw, ontvangen ter griffie op 22 april 2015;

  • -

    het verweerschrift van de man;

- de correspondentie, waaronder met name:

  • -

    een brief d.d. 17 september 2015 met bijlagen van de zijde van de man;

  • -

    een brief d.d. 17 september 2015 met bijlagen van de zijde van de vrouw.

De zaak is behandeld ter zitting van 29 september 2015. Verschenen zijn partijen vergezeld van hun advocaat.

2 De feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van

16 november 2012 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 18 maart 2013 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij beschikking van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 5 december 2013 is de bijdrage van de vrouw in de kosten van levensonderhoud van de man met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (nader) bepaald op € 1.050,00 per maand.

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de partneralimentatie thans € 1.067,93 per maand.

3 Het verzoek en verweer

De vrouw verzoekt op de gronden en op de wijze als in het verzoekschrift omschreven wijziging van de beschikking van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 december 2013 en verzoekt:

primair, de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de man met ingang van datum verzoekschrift op nihil vast te stellen, dan wel op een zodanig bedrag als uw rechtbank juist acht;

de man ex artikel 843a Rv te gelasten de navolgende verificatoire bescheiden te overleggen, te weten:

a. jaaropgaven 2013 en 2014;

b. laatste drie salarisspecificaties en/of uitkeringsspecificaties;

c. laatste drie aangiften inkomstenbelasting met, indien aanwezig, de aanslagen;

d. een specificatie van de woonlasten met bewijsstukken;

e. de huurovereenkomst, alsmede bewijsstukken van de huurlast;

f. bewijsstukken van de premie ziektekostenverzekering (polis 2015);

subsidiair, de bijdrage in de kosten van levensonderhoud in duur te beperken tot 2 jaar, te weten tot 21 april 2017;

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De vrouw stelt primair dat voormelde beschikking als gevolg van gewijzigde omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven.

De man voert hiertegen op de gronden en op de wijze als in het verweerschrift omschreven verweer.

4 De beoordeling

4.1.

Wijziging van omstandigheden

De vrouw stelt dat er sprake is van een tweetal wijzigingen van omstandigheden. Ten eerste stelt de vrouw dat haar inkomen is gedaald, hetgeen de man betwist. Daarnaast stelt de vrouw dat de man thans werkzaamheden verricht waardoor zijn aanvullende behoefte is gedaald.

De man betwist niet dat het inkomen van de vrouw is gedaald zodat zij ontvankelijk is in haar verzoek. Vorenstaande rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een hernieuwde beoordeling van de geldende partneralimentatie.

4.2.

Behoefte van de man

Bij beschikking van 5 december 2013 van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch is de huwelijksgerelateerde behoefte van de man per 1 januari 2013 op € 1.846,98 netto per maand bepaald. Geïndexeerd naar heden levert dat een huwelijksgerelateerde behoefte op van thans € 1.878,51 per maand.

4.3.

Behoeftigheid van de man

Tussen partijen is de behoeftigheid van de man in geschil.

De vrouw stelt dat de man in staat moet worden geacht volledig in zijn eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. De vrouw stelt daartoe dat van depressieve klachten aan de zijde van de man, zoals door hem is gesteld, niet is gebleken. De door de man overgelegde verklaring van 8 juni 2015 van [X] kan ter zake niet als bewijs dienen. [X] is maatschappelijk werker en geen arts. De man kampte al voor de echtscheiding met psychische problemen. Die waren, zo begrijpt de rechtbank de stelling van de vrouw, werk gerelateerd. Er was sprake van een milde stoornis. Die was kortstondig. Er was geen sprake van een diepe depressie. De stelling van de man dat hij medicatie krijgt is niet onderbouwd. Voorts stelt de vrouw dat de man van maandag tot en met donderdag werkt van 9.00 uur tot 15.00 uur. De vrouw vindt het opmerkelijk dat de man zoveel kan werken. De man heeft een goede opleiding en moet in staat worden geacht inkomen te verwerven.

De man betwist het vorenstaande, stellende dat hij vanwege psychiatrische/psychologische klachten enkel in staat is vrijwilligerswerk te verrichten op therapeutische basis. De man stelt niet onder druk te kunnen presteren, hetgeen thans ook niet van hem wordt verwacht. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de man een verklaring van [datum] van

[X] , maatschappelijk werker, psychosociaal behandelaar [organisatie] overgelegd (productie 2 bij zijn verweerschrift), alsmede een vrijwilligersovereenkomst met de [vrijwilligersorganisatie] d.d. [datum] (productie 3 bij zijn verweerschrift). Desgevraagd heeft de man ter zitting verklaard dat hij thans vier dagen per week vrijwilligerswerk verricht. Op maandag en donderdag bij [vrijwilligersorganisatie] van 9:00 uur tot 15:00 uur, en op dinsdag en woensdag volgt de man opleidings- en hulpverleningstrajecten bij [organisatie] in [plaats] . Op vrijdag krijgt de man therapie en thuisbegeleiding van iemand van [organisatie] , aldus de man.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat de man – gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw – zijn gestelde ziektebeeld onvoldoende heeft aangetoond. Evenmin heeft de man voldoende bewijs geleverd van zijn stelling dat hij, gelet op zijn psychische problemen, thans geen betaalde arbeid kan verrichten. In zijn verklaring stelt [X] weliswaar dat de man lijdt aan een depressieve stoornis, NAO maar de rechtbank is van oordeel dat een maatschappelijk werker/psychosociale behandelaar, zoals [X] , niet gerechtigd is om een diagnose te stellen. Voor zover de depressie van de man is gediagnosticeerd door een psychiater, hetgeen overigens uit de verklaring van [X] niet blijkt, had het op de weg van de man gelegen een verklaring van de psychiater over te leggen. Voorts blijkt uit de verklaring van [X] niet of en, zo ja, in welke mate de gestelde depressie de man belemmert in het verrichten van betaalde werkzaamheden. Het had, mede gelet op de beschikking van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 5 december 2013, op de weg van de man gelegen ook van zijn stelling dat hij niet tot betaalde arbeid in staat is bewijs te leveren. Immers, in voornoemde beschikking is reeds door het gerechtshof overwogen dat in beginsel van de man verwacht mag worden dat hij op termijn in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien, doch dat zulks op dat moment (in 2013) nog niet van de man kon worden gevergd. Aan vorenstaande doet niet af de inhoud van de brief van [datum] van [gemeente] in het kader van de Participatiewet (productie 4 bij zijn brief van 17 september 2015) waaruit volgt dat dat de man tot 1 januari 2016 is ontheven van zijn arbeidsverplichtingen. De rechtbank heeft ter zake de door de man gestelde beperkingen immers een zelfstandige onderzoeksplicht.

De rechtbank is op grond van vorenstaande van oordeel dat de man zijn stelling dat hij niet in staat is tot het verrichten van betaalde arbeid onvoldoende heeft aangetoond.

De rechtbank dient gelet op vorenstaande te beoordelen welke verdiencapaciteit aan de man kan worden toegedicht. De vrouw stelt dat de man in staat moet worden geacht volledig in zijn eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. De rechtbank begrijpt deze stelling aldus dat de vrouw stelt dat de man een inkomen moet kunnen genereren ter hoogte van de huwelijksgerelateerde behoefte van € 1.878,51 netto per maand.

De rechtbank stelt vast dat de man naar blijkt uit het door de vrouw overgelegde overzicht van zijn arbeidsverleden sedert september 2010 geen betaalde arbeid meer heeft verricht. De man is 53 jaar oud. Deze omstandigheden maken dat de man, naar het oordeel van de rechtbank, een redelijke termijn dient te worden gegeven om wederom betaalde arbeid te verkrijgen. Deze termijn stelt de rechtbank op een jaar te rekenen vanaf de datum van deze beschikking. Na ommekomst van dit jaar wordt de man geacht in zijn behoefte te kunnen voorzien. De rechtbank zal de onderhoudsverplichting van de vrouw derhalve met ingang van 1 november 2016 op nihil stellen

4.4.

Draagkracht

Tussen partijen is in geschil de draagkracht van de vrouw. Partijen twisten met name over het inkomen van de vrouw.

De rechtbank neemt ter bepaling van de draagkracht van de vrouw als uitgangspunt de door de vrouw overgelegde berekening (productie 28 bij brief van 17 september 2015), voor zover deze zijdens de man niet is betwist.

Inkomen

De vrouw stelt dat haar inkomen is gedaald.

De man betwist dit. De man stelt dat de vrouw er van meet af aan alles aan heeft gedaan om haar onderhoudsverplichting te beperken. De man is van mening dat als er al sprake is van inkomensverlies, dit inkomensverlies verwijtbaar en voor herstel vatbaar is. Volgens de man dient bij de vraag of bij het vaststelling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige al dan niet rekening wordt gehouden met een inkomensdaling, allereerst beoordeeld te worden of het een door gedragingen van de onderhoudsplichtige zelf teweeggebrachte inkomensdaling betreft. De man meent dat hiervan sprake is. De vrouw is werkzaam als zelfstandig tolk/vertaalster in de [taal] Volgens de man is er juist veel vraag naar vertaalsters, mede gezien de aanzienlijke stroom vluchtelingen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw middels overlegging van haar financiële bescheiden genoegzaam heeft aangetoond dat haar inkomen is gedaald. De rechtbank is van oordeel – gezien de gemotiveerde betwisting door de vrouw – dat de man onvoldoende heeft gesteld op basis waarvan de conclusie dient te worden getrokken dat de vrouw de winstpotentie van haar eenmanszaak niet ten volle benut. De rechtbank zal dan ook ter bepaling van het inkomen van de vrouw uitgaan van de gemiddelde winst uit onderneming in 2013, 2014 en 2015, voor zover beschikbaar en geëxtrapoleerd naar een jaarinkomen en derhalve van een bedrag van € 47.045,00 bruto per jaar.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling en de op de vrouw van toepassing zijnde fiscale heffingskortingen te weten de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbare inkomen van de vrouw op € 3.017,00 per maand.

Lasten

De vrouw heeft de navolgende maandelijkse lasten opgevoerd:

1. huurlast € 819,00

2. nominale premie zorgverzekering € 96,00

3. aanvullende premie zorgverzekering € 8,00

4. verplicht eigen risico zorgverzekering € 31,00

5. niet aftrekbare premie arbeidsongeschiktheidsverzekering € 201,00

6. premie pensioenreservering € 500,00

Ad 1. Huurlast

De man heeft de door de vrouw opgevoerde last betwist, stellende dat de servicekosten niet mogen worden meegenomen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen stelt het volgende. In geval van een huurwoning zijn de werkelijke woonlasten te stellen op het bedrag van de kale huur, verminderd met huurtoeslag, doch vermeerderd met servicekosten als bijdragen in het elektriciteitsverbruik van lift en in het schoonhouden van gemeenschappelijke ruimten. Bij de huur in rekening gebrachte kosten voor gebruik van stoffering, meubilering, verwarming, levering van water, gas en/of elektriciteit van de woning worden niet tot de woonlasten gerekend.

Uit de door de vrouw overgelegde brieven van 20 april 2015 en 24 juni 2015 van [verhuurder] (productie 19 bij brief van 17 september 2015) blijkt dat de vrouw een kale huur heeft van € 782,30 per maand. Conform de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen mag deze huurlast worden vermeerderd met:

- ‘ schoonmaak’ ad € 234,36 per jaar, zijnde € 19,53 per maand;

- ‘( nood)verlichting’ ad € 1,29 per jaar, zijnde € 0,11 per maand;

- ‘ lift inclusief telefoon’ ad € 29,56 per jaar, zijnde € 2,46 per maand;

- ‘ verzekeringen’ ad € 8,89 per jaar, zijnde € 0,74 per maand.

De totale huurlast van de vrouw bedraagt derhalve € 805,14 per maand. Hierop strekt in mindering de in de bijstandsnorm gemiddelde basishuur ad € 227,00 per maand.

Ad 2. 3. en 4. Zorgverzekering

Uit het door de vrouw overgelegde polisblad van [zorgverzekeraar] (productie 20 bij brief van

17 september 2015) blijkt een nominale premie zorgverzekering van € 91,15 per maand en een aanvullende premie zorgverzekering van € 6,79 per maand. De rechtbank zal met voornoemde bedragen rekening houden. De rechtbank houdt geen rekening met het door de vrouw opgevoerde en door de man betwiste verplicht eigen risico zorgverzekering van € 31,00 per maand, nu de rechtbank van oordeel is dat de vrouw deze last niet heeft onderbouwd. Op de totale ziektekosten strekt in mindering het in de bijstandsnorm inbegrepen nominale deel premie ZVW van € 39,00 per maand.

Ad 5. Niet aftrekbare premie arbeidsongeschiktheidsverzekering

De man heeft de door de vrouw gestelde hoogte van de premie betwist. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw niet heeft onderbouwd dat de premie de eerste zes maanden van het jaar hoger is dan de laatste zes maanden van het jaar. Uit de door de vrouw overgelegde brief van 2 februari 2015 van [verzekeraar] (productie 21 bij brief van 17 september 2015) blijkt een premie van thans € 194,90 per maand, zodat de rechtbank hiermee rekening zal houden.

Ad 6. Premie pensioenreservering

De man betwist de door de vrouw gestelde premie. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat de vrouw gerechtigd is om een pensioenreservering te doen, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw de hoogte van deze last niet heeft onderbouwd. De rechtbank zal derhalve geen rekening houden met deze last.

Voor de vrouw geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60.

Op grond van vorenstaande is de vrouw nog draagkrachtig genoeg tot betaling van de thans geldende onderhoudsverplichting aan man van € 1.067,93 per maand. Het primaire verzoek van de vrouw zal dan ook worden afgewezen.

4.5.

Verzoek ex artikel 843a Rv

De vrouw heeft verzocht de man te gelasten ex artikel 843a Rv enkele financiële stukken te overleggen.

De toewijsbaarheid van de vordering op grond van artikel 843a Rv is op grond van lid 1 aan drie cumulatieve voorwaarden verbonden. Ten eerste dient de vrouw een rechtmatig belang te hebben. Ten tweede moet de vordering “bepaalde bescheiden” betreffen. Ten derde dient de vrouw partij te zijn bij de rechtsbetrekking waarop de bescheiden zien. Is aan deze voorwaarden voldaan, dan bestaat desalniettemin geen gehoudenheid tot overlegging indien daarvoor gewichtige redenen bestaan, of indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

De vrouw heeft gesteld belang bij de door haar genoemde stukken te hebben nu zij meent dat de man zelf in staat is om in zijn levensonderhoud te voorzien. De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit belang het overleggen van de stukken onvoldoende rechtvaardigt nu voldoende is komen vast te staan op basis van de door de man overgelegde stukken dat hij geen inkomsten ontvangt voor de door hem voor [vrijwilligersorganisatie] verrichte werkzaamheden als vrijwilliger. Voorts vormt het door de vrouw gestelde belang een onvoldoende reden de man te gelasten stukken met betrekking tot zijn huurlast en de ziektekostenpremie over te leggen.

4.6.

Limitering

De vrouw verzoekt subsidiair haar onderhoudsverplichting te limiteren en wel voor de duur van twee jaar, te weten tot 21 april 2017.

De rechtbank wijst dit verzoek van de vrouw af. Ofschoon de rechtbank van oordeel is dat van de man verwacht kan worden dat hij na ommekomst van een jaar na heden zelf kan voorzien in zijn behoefte betekent zulks niet dat, als zich aan de zijde van de man daarna op enig moment een wijziging van omstandigheden voordoet die met zich brengt dat zulks niet meer geheel of ten dele van de man kan worden verwacht, de vrouw niet langer gehouden is naar draagkracht bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de man. De door de vrouw gestelde omstandigheden vormen daarvoor een onvoldoende rechtvaardiging.

5 De beslissing

De rechtbank – onder wijziging in zoverre van de beschikking van het gerechtshof te

’s-Hertogenbosch van 5 december 2013 in zake de bijdrage van de vrouw in de kosten van levensonderhoud van de man –:

5.1.

bepaalt de door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de man met ingang van 1 november 2016 op nihil;

5.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. ter Braak, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 27 oktober 2015.

Conc: NV(O

Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op
andere wijze bekend is geworden.