Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:7663

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
11-01-2016
Zaaknummer
SHE 15/1504
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanslag BIZ-bijdrage. Inwerkingtreding BIZ-Verordening is goed gegaan. Afdwingbepaling in de Uitvoeringsovereenkomst opgenomen. Draagvlakmeting verricht, meerderheid van de bijdrage-plichtigen heeft gestemd vóór het instellen van een BI-zone. Het pand van eiseres is gelegen in BI-zone. Eiseres is terecht in heffing BIZ-bijdrage betrokken. Geen directe relatie vereist tussen de heffing en het individuele profijt dat een ondernemer heeft van de voorzieningen en activiteiten die met de opbrengst van de heffing worden gerealiseerd. De omstandigheid dat eiseres de onroerende zaak maar twee dagen per week gebruikt, maakt dit niet anders.

Wetsverwijzingen
Wet op de bedrijveninvesteringszones 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/58
Belastingblad 2016/70
FutD 2016-0158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/1504

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 december 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. J.T.F. van Berkel),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Bladel, verweerder,

(gemachtigde: D.M.G. Visser).

Procesverloop

Bij beschikking van 31 maart 2015 (het primaire besluit), vervat in een op die datum gedagtekend aanslagbiljet, heeft verweerder voor de onroerende zaak [adres] (de onroerende zaak) aan eiseres een aanslag BIZ-bijdrage opgelegd ten bedrage van

€ 500,00.

Bij uitspraak op bezwaar van 14 april 2015 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2015. De gemachtigde van eiseres is verschenen, vergezeld van [persoon 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten Eiseres is gebruiker van de onroerende zaak [adres] . Het pand betreft een praktijkruimte en dient niet in hoofdzaak tot woning.

Geschil en beoordeling

1. In geschil is of verweerder terecht voor kalenderjaar 2015 een BIZ-bijdrage van

€ 500,00 van eiseres heeft geheven.

2. Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende is ingegaan op de aangevoerde gronden van bezwaar. Volgens eiseres ontbreekt een wettelijke grondslag voor het opleggen van de zogenoemde BIZ-bijdrage. De beslissing op bezwaar spreekt bovendien niet van een Verordening, maar van een businessplan als grondslag voor de heffing. Uit de stukken volgt niet dat er een Verordening is vastgesteld of gepubliceerd door de gemeenteraad. Nu in de besluitvorming een juridisch kader ontbreekt is deze onzorgvuldig en is het voor eiseres niet of nauwelijks mogelijk om tegen de besluitvorming te appelleren.

3. Ingevolge artikel 1, eerste lid van de Wet op de bedrijveninvesteringszones (Wet BIZ) kan de gemeenteraad onder de naam BIZ-bijdrage een belasting instellen ter zake van binnen een bepaald gebied in de gemeente (bedrijveninvesteringszone, BI-zone) gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen.

4. Ingevolge het derde lid, sub b, van dit artikel wordt de BIZ-bijdrage geheven van gebruikers, waaronder voor de toepassing van deze wet wordt verstaan degenen die bij het begin van het kalenderjaar van in de BI-zone gelegen onroerende zaken al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maken.

5. Op grond van artikel 2, derde lid, van de Wet BIZ kan het tarief van de BIZ-bijdrage voor gebruikers voor verschillende categorieën niet-woningen verschillend worden vastgesteld waarbij onder meer de vestigingslocatie, de bestemming van de onroerende zaak en de branche of sector van de bijdrageplichtige gebruiker in relatie tot het belang van de gebruiker bij de activiteiten in aanmerking worden genomen.

6. In artikel 1 van de Verordening BI-zone Centrum Bladel 2015 voor gebruikers (de Verordening) is bepaald dat de BI-zone een bij de Verordening aangewezen gebied in de gemeente is, waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven. De BI-zone is het gebied van het centrum van Bladel. Het aangewezen gebied is vermeld op de bij de Verordening behorende en daarvan deel uitmakende kaart.

7. In artikel 3 van de Verordening is bepaald dat onder de naam “BIZ-bijdrage” een directe belasting wordt geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten in de openbare ruimte en op het internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de BI-zone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de BI-zone.

8. In artikel 4, eerste lid van de Verordening is bepaald dat de BIZ-bijdrage gedurende een periode van 3 jaar jaarlijks wordt geheven ter zake van binnen de BI-zone gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de BIZ-bijdrage wordt geheven van degenen die bij het begin van het kalenderjaar in de BI-zone gelegen onroerende zaken al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruiken.

9. In artikel 8, eerste lid van de Verordening is bepaald dat de BIZ-bijdrage per onroerende zaak € 2,10 per € 1.000,00 vastgestelde WOZ-waarde bedraagt, met een minimaal te heffen bedrag van € 500,00 per onroerende zaak en een maximaal te heffen bedrag van € 800,00 per onroerende zaak. De in het eerste jaar (2015) vastgestelde waarde is tevens voor 2016 en 2017 van toepassing.

10. De rechtbank zal allereerst een oordeel geven over de totstandkoming van de Verordening en de geldigheid daarvan op basis van de beschikbare gegevens. Daarbij stelt zij voorop dat verweerder gemotiveerd en overtuigend heeft gesteld dat ten aanzien van de inwerkingtreding van de Verordeningen is voldaan aan alle in de Wet BIZ gestelde eisen.

Het initiatief is ontstaan vanuit de ondernemersvereniging en heeft uiteindelijk geleid tot de verordeningen, de oprichting van de Stichting BIZ Ondernemers Centrum Bladel (de Stichting) en de tussen die Stichting en de Gemeente Bladel gesloten Uitvoeringsovereenkomst BI-zone gebruikers centrum Bladel. Op 6 november 2014 heeft de gemeenteraad van de gemeente Bladel de Verordening BI-zone Centrum Bladel 2015 voor eigenaren en de Verordening BI-zone Centrum Bladel 2015 voor gebruikers vastgesteld. Beide verordeningen zijn op 10 december 2014 gepubliceerd in het plaatselijke blad De Kempenaer en op internet. De verordeningen zijn in werking getreden op 19 december 2014 en de datum van de ingang van de heffing is in de verordeningen gesteld op 1 januari 2015. Op 10 november 2014 heeft een draagvlakmeting plaatsgevonden teneinde de steun onder de bijdrageplichtigen te bepalen als bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Wet BIZ. Daarbij is gebleken dat de meerderheid van de bijdrageplichtigen heeft gestemd vóór het instellen van een BI-zone. De inwerkingtreding van de verordeningen steunt derhalve op de vereiste meerderheid van bijdrageplichtige ondernemers. Verweerder heeft daartoe een proces-verbaal van 10 november 2014 van een door de notaris verrichtte draagkrachtmeting ingebracht. Met deze gegevens acht de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat de verordeningen op rechtsgeldige wijze in werking zijn getreden. De beroepsgrond dat er geen grondslag is voor het heffen van de BIZ-bijdrage slaagt derhalve niet.

11. Op grond van de Wet BIZ was de gemeenteraad bevoegd om in de Verordening de BIZ-bijdrage als heffing in te stellen. Vanwege het feit dat eiseres op 1 januari 2015 gebruiker was van de onroerende zaak [adres] , was voor het heffen van de BIZ-bijdrage van eiseres de Verordening BI-zone Centrum Bladel 2015 voor gebruikers van toepassing. De rechtbank heeft ter zitting vastgesteld dat uit de bij de Verordening behorende gebiedskaart blijkt dat genoemde onroerende zaak is gelegen in de BI-zone. Nu niet in geschil is dat de onroerende zaak [adres] niet in hoofdzaak tot woning dient, heeft verweerder – gelet op het bovenstaande – naar het oordeel van de rechtbank terecht aan eiseres een aanslag BIZ-bijdrage voor kalenderjaar 2015 opgelegd.

12. Ter bepaling van de hoogte van het bedrag van de BIZ-bijdrage wordt op grond van artikel 8, eerste lid van de Verordening aansluiting gezocht bij de vastgestelde WOZ-waarde van het object, met een minimaal te heffen bedrag van € 500,00 per onroerende zaak. Voor het object van eiseres is naar waardepeildatum 1 januari 2015 een WOZ-waarde van

€ 109.000 vastgesteld. Gelet op het bepaalde in artikel 8, eerste lid van de Verordening zou dit tot een BIZ-bijdrage van (109 x € 2,10 =) € 228,90 leiden. Echter, vanwege het feit dat er een minimaal te heffen bedrag van € 500,00 per onroerende zaak is bepaald in genoemd artikel, is aan eiseres een aanslag voor een BIZ-bijdragen ten bedrage van € 500,00 opgelegd. De rechtbank oordeelt dat verweerder de hoogte van de BIZ-bijdrage op juiste wijze heeft vastgesteld.

13. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de omstandigheid dat genoemde artikelen uit de Wet BIZ en de Verordening niet zijn genoemd in de aanslag BIZ-bijdrage, niet dat deze daardoor onzorgvuldig is. Op grond van artikel 5 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), dat op de gemeentelijke belastingheffing van overeenkomstige toepassing is, dient op het aanslagbiljet het object, het bedrag, de dagtekening, de betalingstermijnen, de mogelijkheid van bezwaar, het orgaan waarbij bewaar moet worden gemaakt en de termijn waarbinnen het bezwaar moet worden gemaakt te worden vermeld. Het aan eiseres opgelegde aanslagbiljet voldoet aan deze vereisten en is derhalve zorgvuldig opgesteld. De omstandigheid dat in de uitspraak op bezwaar wordt gesproken over een businessplan in plaats van de Verordening, leidt niet tot de conclusie dat sprake is van onzorgvuldigheid. Bovendien geldt dat volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5146) het enkele feit dat een aanslag onzorgvuldig is voorbereid, niet hoeft te leiden tot vernietiging van die aanslag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft hetzelfde te gelden voor eventuele gebreken in de motivering van de uitspraak op bezwaar. Onzorgvuldigheden en motiveringsgebreken kunnen in beroep worden hersteld. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat niet het businessplan, maar de Verordening aan de BIZ-bijdrage ten grondslag ligt. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.

14. Eiseres voert voorts aan dat de Verordening niet aan de Wet BIZ voldoet. Zo is er wel opgenomen dat gelden worden verstrekt aan de Stichting, maar worden volgens eiseres verder geen voorwaarden gesteld aan die Stichting en de subsidieverstrekking. Ter zitting heeft eiseres dit standpunt nader toegelicht. Onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 27 november 2012 (ECLI:NL:RBMAA:2012:BY4635) stelt eiseres dat de Verordening onverbindend is, omdat in de Uitvoeringsovereenkomst geen zogeheten afdwingbepaling is opgenomen. De rechtbank overweegt daarover het volgende. In de Verordening wordt naar de Uitvoeringsovereenkomst verwezen. Anders dan eiseres heeft gesteld, is de rechtbank van oordeel dat de Uitvoeringsovereenkomst wel een afdwingbepaling bevat en wel onder punt 5 (Prestatieafspraken) van die Uitvoeringsovereenkomst, waar staat: “De Stichting (…) verplicht zich de activiteiten bedoeld in artikel 7 van deze overeenkomst te verrichten waarvoor de subsidie wordt verstrekt (een en ander in overeenstemming met artikel 7, lid 3, van de wet. (…) De gemeente behoudt zich het recht voor om de subsidie in te trekken indien de Stichting van de prestatieafspraken afwijkt zonder voorafgaande toestemming van de gemeente.”

De rechtbank is van oordeel dat hieruit ondubbelzinnig voortvloeit dat de Stichting verplicht is de activiteiten te verrichten, waarvoor aan haar subsidie wordt verstrekt. De verwijzing naar voormelde uitspraak van de rechtbank Maastricht kan eiseres niet baten, omdat het geen vergelijkbaar geval betreft. Anders dan in de onderhavige zaak, was in de in die zaak aan de orde zijnde Uitvoeringsovereenkomst namelijk geen afdwingbepaling opgenomen. De rechtbank wijst eiseres er voorts op dat op grond van de Wet BIZ niet is vereist dat de afdwingbepaling in de Verordening wordt opgenomen. Het is voldoende als een dergelijke bepaling in de Uitvoeringsovereenkomst wordt opgenomen (zie in dit verband de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 juni 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:4800).

15. Eiseres is van mening dat voor zover de gebruikersheffing hoger is dan de eigenaarsheffing, dit onredelijk is, omdat een eigenaar meer voordeel kan genieten van een pand dan een gebruiker. De rechtbank overweegt dat de keuze van de gemeenteraad voor een gedifferentieerd tarief en de hoogte daarvan slechts zeer terughoudend kan worden getoetst. Gemeenten kunnen op grond van artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en de in de wet gegeven nadere regelen, zelf invulling geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat hun vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijk beleid en de praktijk van de belastingheffing. Daarbij gelden als randvoorwaarden dat de gemaakte keuze niet in strijd mag komen met algemene rechtsbeginselen en dat de heffing niet mag leiden tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing, die de wetgever bij het geven van de bevoegdheid tot het instellen van de desbetreffende heffing niet voor ogen kan hebben gehad. Het staat verweerder dus vrij een gedifferentieerd tarief te hanteren. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van onredelijke of willekeurige belastingheffing.

16. Eiseres voert tot slot aan dat zij niet tot de doelgroep behoort en dat de heffing niet haar onderneming dient. Bovendien weegt de maatregel naar de mening van eiseres te zwaar voor een adres dat slechts twee dagen per week wordt gebruikt. De rechtbank stelt, gelet op de Wet BIZ en de Verordening, vast dat alle onroerende zaken die in de bij de Verordening aangewezen BI-zone liggen en die niet in hoofdzaak tot woning dienen, in de heffing worden betrokken. Een BI-zone wordt opgericht ter bestrijding van de kosten die verbonden zijn aan activiteiten in de openbare ruimte, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid, de veiligheid, de ruimtelijk kwaliteit en/of de economische ontwikkeling. Hieronder worden blijkens het Meerjarenprogramma ook internet gerelateerde activiteiten verstaan. Verweerder heeft toegelicht dat de BIZ-heffing is opgelegd aan elke vastgoedeigenaar en ondernemer met commercieel vastgoed in de BI-zone. Doordat de onroerende zaak van eiseres in de BI- zone is gevestigd en eiseres als ondernemer profijt heeft van de inspanningen die worden geleverd ten behoeve van alle in de BI-zone gelegen bedrijven, dient de BIZ-heffing ook de onderneming van eiseres. Echter, niet is vereist dat er een directe relatie bestaat tussen de heffing en het individuele profijt dat een ondernemer heeft van de voorzieningen en activiteiten die met de opbrengst van de heffing worden gerealiseerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 29 augustus 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:8718). De omstandigheid dat eiseres de onroerende zaak maar twee dagen per week gebruikt, maakt dit niet anders.

17. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Rijnbeek, voorzitter, en mr. L. Soeteman en

mr. F.J.H.L. Makkinga, leden, in aanwezigheid van mr. U.F.B. van Berkel-de Jongh, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.