Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:7607

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
29-12-2015
Zaaknummer
15/6861
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De burgemeester van Eindhoven heeft aan de organisator van een islamitische conferentie verboden om zeven buitenlandse gastsprekers de conferentie te laten bijwonen. De organisator heeft de voorzieningenrechter verzocht om dat besluit te schorsen totdat onherroepelijk op het bezwaar en beroep is beslist. De principiële vragen die zien op de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst kunnen, gelet op de aard van een voorlopige-voorzieningprocedure, hier niet worden beantwoord. De voorzieningenrechter heeft de belangen van partijen aan de hand van de gronden die verzoekers hebben aangevoerd, gewogen en is tot de slotsom gekomen dat het belang van de burgemeester in dit geval prevaleert. De voorzieningenrechter heeft er daarbij oog voor dat de betekenis van de conferentie, met het wegvallen van zo veel van de geplande sprekers, aan kracht verliest en dat dat verzoekers zwaar valt. Maar aan de andere kant, wanneer het bestreden besluit op een later moment in de bodemprocedure onrechtmatig blijkt te zijn, kunnen de gastsprekers opnieuw worden uitgenodigd om te spreken tijdens een andere gelegenheid; verzoekers hebben immers gesteld dat de conferentie jaarlijks wordt gehouden en ditmaal al voor de 32e keer plaatsvindt. Dit terwijl wanneer het door verweerder gevreesde gevaar voor verstoring van de openbare orde zich wel zou voordoen, die verstoring onomkeerbaar en ook onherstelbaar is. Bovendien heeft verweerder onweersproken gesteld dat tegen de overige zeven op de oorspronkelijke aankondiging vermelde gastsprekers geen bezwaren bestaan en, zo begrijpt de voorzieningenrechter uit het verzoekschrift, resteren in elk geval nog drie gastsprekers die de conferentie zullen bijwonen. Het verzoek is daarom afgewezen.

Wetsverwijzingen
Handleiding art. 174a Gemeentewet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2016/190 met annotatie van A.E. Schilder, J.G. Brouwer
JG 2016/37 met annotatie van mw. mr. dr. C. Raat
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/6861

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 december 2015 in de zaak tussen

1. de Stichting Waqfte Rotterdam, verzoekster,

2. [verzoeker] , verzoeker,

hierna samen te noemen: verzoekers

(gemachtigde: mr. T.J. Lindhout),

en

de burgemeester van de gemeente Eindhoven, verweerder

(gemachtigden: mr. F. van Laanen, mr. A. Kepers en drs. H.E. Jeurissen-Meusen).

Procesverloop

Op 22 december 2015 heeft verweerder een besluit genomen, bestaande uit een aantal hierna te specificeren verboden en bevelen die zijn gebaseerd op de artikelen 172, tweede lid, 172, derde lid, en 172a van de Gemeentewet (het bestreden besluit).

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende dat bezwaar een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2015. Verzoeker (de directeur van verzoekster) is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van verzoekers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

De voorzieningenrechter heeft vervolgens het onderzoek gesloten en op 23 december 2015 uitspraak gedaan. De griffier heeft partijen om 11.57 uur telefonisch de beslissing meegedeeld.

Overwegingen

De feiten

1. In deze zaak gaat het om het volgende.

1.1.

Van 24 tot en met 27 december 2015 organiseert verzoekster een conferentie in de Eindhovense Al Fourqaan-moskee. In een aankondiging van de conferentie op verzoeksters website (daarvan bevindt zich een afdruk tussen de dossierstukken) worden veertien internationale gastsprekers, afkomstig uit verschillende landen, genoemd. Op 9, 15 en 18 december 2015 heeft verweerder een aantal e-mailberichten van de directeur Uitvoeringsstrategie en Advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en van de directeur Programmadirectie Contraterrorisme van de NCTV (Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid) ontvangen. Die e-mailberichten en de daaraan gehechte bijlagen bevatten informatie over zeven van de veertien beoogde gastsprekers. Die informatie heeft verweerder geleid tot het nemen van het bestreden besluit.

1.2.

In dat bestreden besluit heeft verweerder, kort gezegd, verzoekers verboden om de zeven gastsprekers te laten spreken tijdens de conferentie en heeft hij aan hen verboden om de gastsprekers in de moskee toe te laten. Ook heeft verweerder verzoekers bevolen om de zeven gastsprekers niet te laten spreken, hen niet toe te laten, de uitnodigingen in te trekken en dat schriftelijk aan verweerder te bevestigen. Voor zover die bevestiging niet vóór

23 december 2015 aan verweerder is gegeven, heeft verweerder besloten om aan de gastsprekers te verbieden in persoon te spreken tijdens de conferentie en heeft hij aan hen een verbod opgelegd om zich tijdens de conferentie in de Al Fourqaan-moskee en in een gebied daar omheen te bevinden (gebiedsverbod).

1.3.

Wat hierboven in rechtsoverweging 1.2 is vermeld, betreft een ten behoeve van de leesbaarheid samengevatte weergave van de beslissing die in het bestreden besluit is opgenomen. Die beslissing luidt in zijn geheel als volgt:

“Besluit:

1. - op grond van artikel 172, tweede lid, Gemw:

te verbieden aan de Stichting Waqf, de Al Fourcaan-moskee en de heer [verzoeker] om de heren [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] te laten spreken tijdens de 26e islamitische conferentie van Stichting Waqf van 24 tot en met 27 december 2015 in Eindhoven (niet in persoon en niet via video-opname of andere opname, Skype, straalverbinding, telefoon, technische middelen of anderszins) en aan hun te verbieden om die zeven personen in de moskee of een eventuele

daarvoor vervangende ruimte in Eindhoven toe te laten;

- op grond van artikel 172, derde lid, Gemw:

beveelt de Stichting Waqf, de Al Fourqaan moskee en de heer [verzoeker] om de zeven genoemde personen niet te laten spreken en niet toe te laten zoals hiervoor vermeld en beveelt hun eveneens om hiertoe de desbetreffende uitnodigingen in te trekken en ingetrokken te houden en om de intrekking en het ingetrokken houden schriftelijk (bij voorkeur per e-mail en anders per fax of per bij de receptie van het stadhuis in Eindhoven af te geven brief) aan de burgemeester te bevestigen uiterlijk op woensdag 23 december 2015, 12.00 uur;

2. voor zover op woensdag 23 december 2015 om 12.00 uur de hiervoor genoemde

intrekkingen en bevestigingen aan de burgemeester niet hebben plaatsgevonden:

- op grond van artikel 172, tweede lid, Gemw:

te verbieden aan de heren [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] om in persoon te spreken tijdens de 26e islamitische conferentie van Stichting Waqf van 24 tot en met 27 december 2015 in de Al Fourqaan-moskee aan de Otterstraat 2 of in een eventuele daarvoor vervangende ruimte in Eindhoven;

- op grond van artikel 172, derde lid, en artikel 172a Gemw:

te bevelen aan de heren [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] zich van 24 tot en met 27 december 2015 niet te bevinden in de Al Fourqaan-moskee aan de Otterstraat 2 te Eindhoven, niet in het gebied omgeven door Kronehoefstraat, Molstraat, Robbenstraat en Frankrijkstraat te Eindhoven, inclusief deze

wegen, en niet in een eventuele daarvoor vervangende ruimte en een straal van honderd meter daaromheen in Eindhoven.”

1.4.

Tegen het besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt, en zij hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het besluit wordt geschorst totdat onherroepelijk in bezwaar en beroep zal zijn beslist.

1.5.

Ter zitting is duidelijk geworden dat de uitgenodigde gastspreker [persoon 3] verhinderd is en om die reden niet naar de conferentie zal komen. Wat in het bestreden besluit en in de gronden van het verzoek over deze persoon is opgenomen, laat de voorzieningenrechter bij de beoordeling van het verzoek daarom buiten beschouwing.

1.6.

Ter zitting heeft verweerder toegezegd dat hij, wanneer het verzoek wordt afgewezen, aan verzoekers tot 14:00 uur 23 december 2015 de tijd zal geven om aan punt 1 van het bestreden besluit te voldoen.

De wetsartikelen waarop het bestreden besluit is gebaseerd

2.1.

De verboden heeft verweerder gebaseerd op artikel 172, tweede lid, van de Gemeentewet en de bevelen heeft hij gebaseerd op artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet, met dien verstande dat het gebiedsverbod tevens is gebaseerd op artikel 172a van de Gemeentewet.

2.2.

In artikel 172 van de Gemeentewet is het volgende bepaald:

“Artikel 172

1. De burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde.

2. De burgemeester is bevoegd overtredingen van wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de openbare orde, te beletten of te beëindigen. Hij bedient zich daarbij van de onder zijn gezag staande politie.

3. De burgemeester is bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.”

2.3.

In artikel 172a van de Gemeentewet is, kort gezegd, geregeld dat en onder welke omstandigheden de burgemeester aan iemand die de openbare orde ernstig heeft verstoord een gebiedsverbod kan opleggen.

De motivering van het bestreden besluit en wat verzoekers daartegen hebben aangevoerd

3. Het standpunt van verweerder komt neer op het volgende.

Verweerder staat pal voor de in de Grondwet en verdragen verankerde vrijheid van godsdienst, levensovertuiging, meningsuiting, vereniging en vergadering. Eerder in 2015 en in 2011 heeft verweerder dan ook geen bezwaren gehad tegen de komst, eveneens op uitnodiging van verzoekster, naar de Al Fourqaan-moskee van drie (andere) gastsprekers. Over die personen was immers geen informatie ontvangen van de IND of NCTV die aanleiding gaf tot het uiten van bezwaren. In het geval van de zeven gastsprekers om wie het hier gaat, is dergelijke informatie wel ontvangen en de inhoud daarvan geeft verweerder aanleiding om te vrezen dat de openbare orde zal worden verstoord wanneer de gastsprekers de conferentie zouden bijwonen. Verweerder baseert die vrees op drie pijlers en die pijlers licht hij als volgt toe:

1) De Schengenvisa van twee van de gastsprekers zijn ingetrokken en van de overigen hebben de Nederlandse autoriteiten aan de verlenende landen verzocht om de visa, indien verleend, in te trekken. Worden de gastsprekers in Nederland aangetroffen, dan zullen de Nederlandse autoriteiten hun visa intrekken en tegen hen een terugkeerbesluit uitvaardigen. Dat heeft de Directie Uitvoeringsstrategie en advies van de IND op 21 en 23 december 2015 aan verweerder meegedeeld. Hoewel het zonder visum aanwezig zijn in Eindhoven op zichzelf geen verstoring van de openbare orde zal veroorzaken, staat in dit geval vast dat de visa zijn of zullen worden ingetrokken juist met het oog op de openbare orde en dat in elk geval vijf van de gastsprekers gesignaleerd staan in het Schengen Informatie Systeem (SIS) in verband met bedreiging van de openbare orde.

2) Uit de informatie die verweerder heeft ontvangen van de IND en NCTV blijkt dat de gastsprekers in het verleden uitlatingen hebben gedaan die antisemitisch, anti-homoseksueel, anti-sjiitisch van aard zijn, die zijn gericht tegen vrouwenrechten, waaruit haat voor secularisten blijkt en/of waarin de gewelddadige jihadstrijd en/of het martelaarschap wordt verheerlijkt en terrorisme wordt ontkend. Eén van de gastsprekers heeft in Syrië gevechtshandelingen verricht in rangen van islamitische al dan niet jihadistische gewapende groepen. Het doen van dit soort uitlatingen en het verrichten van dit soort handelingen houdt overtreding van wettelijke voorschriften in. Die voorschriften zijn in het Wetboek van Strafrecht gerubriceerd als misdrijven tegen de openbare orde en het handelen in strijd daarmee vormt dus een inbreuk op die openbare orde. Verweerder mag er, gezien het ‘track record’ van de bewuste gastsprekers dat uit de informatie van de IND en het NCTV naar voren komt, redelijkerwijs van uitgaan dat de gastsprekers tijdens de conferentie in Eindhoven opnieuw dit soort strafbare uitlatingen zullen doen.

3) Verweerder stelt dat de openbare orde in verband met conferenties met islamitische predikers wordt gekleurd door het dreigingsbeeld en het actuele dreigingsniveau dat de NCTV heeft vastgesteld en de nota “Salafisme in Nederland: diversiteit en dynamiek” van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. De dreiging is substantieel. Verweerder vreest dat wanneer de gastsprekers tijdens de conferentie aanwezig zijn, daarvoor ontvankelijke toehorende jongeren of andere aanwezigen ertoe zullen worden bewogen het jihadisme te omarmen.

3. Verzoekers hebben in de gronden van het verzoek, verkort weergegeven, het volgende aangevoerd:

  • -

    De bezwaren die de NCTV kennelijk tegen de gastsprekers heeft, zijn ongemotiveerd en rechtvaardigen niet dat de uitnodigingen worden ingetrokken. Het inhoudelijke programma van de conferentie valt hiermee volledig in het water;

  • -

    Verweerder is niet bevoegd om handhavend op te treden op grond van artikel 172, leden 2 en 3, van de Gemeentewet, omdat de Wet openbare manifestaties (Wom) op de conferentie van toepassing is. Hij kan uitsluitend in geval van een noodsituatie andere dan in de Wom voorkomende bevoegdheden toepassen en daarvan is hier geen sprake. Uitgaande van de Wom, kan verweerder het recht tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging alleen beperken in het belang van het verkeer of ter bestrijding van wanordelijkheden. Dat is veel beperkter dan de handhaving van de openbare orde, terwijl van wanordelijkheden geen sprake is.

  • -

    Voor zover de Wom niet van toepassing zou zijn, is geen sprake is van het verstoren van de openbare orde in de zin van artikel 172, tweede lid, van de Gemeentewet. Uit rechtspraak van de Hoge Raad (verzoekers verwijzen naar ECLI:NL:HR:2007:AZ2104) blijkt dat het moet gaan om een verstoring van enige betekenis van de normale gang van zaken in of aan de desbetreffende openbare ruimte. De conferentie wordt gehouden binnen de muren van de moskee. Uitsluitend degenen die de conferentie zullen bezoeken, worden geconfronteerd met de uitlatingen van de gastsprekers. Die uitlatingen zullen geen verstoring van de normale gang van zaken in de moskee tot gevolg hebben.

  • -

    Artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet is niet van toepassing omdat verweerder de bevoegdheid uit dat artikellid niet mag gebruiken ter voorkoming van uitingen die al strafbaar zijn gesteld in het Wetboek van Strafrecht.

  • -

    Artikel 172a van de Gemeentewet is niet van toepassing omdat de gastsprekers in Nederland nimmer eerder de orde hebben verstoord.

  • -

    Dat de visa van de gastsprekers daadwerkelijk zijn ingetrokken, heeft verweerder niet onderbouwd.

  • -

    Het staat allerminst vast dat de gastsprekers wettelijke voorschriften zullen overtreden. Verweerder weet nog helemaal niet welke uitlatingen de gastsprekers zullen doen tijdens de conferentie. Zelfs als strafbare uitlatingen zouden worden gedaan, dan kan verweerder daarvan achteraf aangifte doen bij het Openbaar Ministerie. Het is niet aan verweerder om daarover op voorhand te oordelen, zelfs niet als hij daarover overleg heeft gehad met de minister van Veiligheid en Justitie, de NCTV en de IND.

  • -

    De conferentie wordt nu voor de 32e keer in Nederland georganiseerd en heeft nog nooit geleid tot een verstoring van de openbare orde. Het merendeel van de gastsprekers tegen wie nu volgens verweerder bezwaren bestaan, heeft al eerder in Nederland gesproken en daarbij is de openbare orde niet verstoord.

  • -

    Inbreuk op de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting is alleen bij hoge uitzondering gerechtvaardigd. In dit geval is de inbreuk ongeoorloofd; het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 6 en 7 van de Grondwet en de artikelen 9 en 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De aard van deze procedure: een voorlopige voorziening

4. De voorzieningenrechter constateert dat de publieke belangstelling voor deze zaak aanzienlijk is. Daarom hecht de voorzieningenrechter eraan de volgende inleidende opmerkingen te maken over de aard van de procedure.

5. Het gaat hier om een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het uitgangspunt van de wet is dat het maken van bezwaar de werking van het besluit waartegen dat bezwaar is gericht niet opschort (artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Met andere woorden: het besluit blijft van kracht ook als er bezwaar tegen is gemaakt. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid om zo'n voorlopige voorziening te treffen is geregeld in artikel 8:81 van de Awb. Daarin is verwoord dat wanneer tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het karakter van een voorlopige voorziening is, zoals de term al zegt, dat het moet gaan om een tussenmaatregel, in afwachting van de bodemzaak, dat wil zeggen de beslissing op bezwaar of de eventuele uitspraak van de rechtbank op een daarop volgend beroep.

6. De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is dus voorlopig van aard. De rechtbank die in een later stadium in een eventuele bodemprocedure over de zaak beslist, wordt door het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebonden.

7. De voorzieningenrechter beoordeelt in de eerste plaats of het verzoek evident ieder spoedeisend belang mist, dan wel of verzoekers belangen evident zo weinig worden aangetast door uitvoering van het besluit, dat het treffen van een voorlopige voorziening niet passend zou zijn. Met andere woorden: als iemand geen (spoedeisend) belang heeft bij het treffen van de voorziening, moet het verzoek alleen al daarom worden afgewezen en beoordeelt de voorzieningenrechter verder niet of het bestreden besluit wel of niet rechtmatig is.

8. In het andere geval, dus wanneer niet vaststaat dat de verzoeker geen (spoedeisend) belang heeft bij het treffen van de voorlopige voorziening, zal de voorzieningenrechter bezien of een – zoals gezegd voorlopig – oordeel is te geven over de vraag of het bestreden besluit rechtmatig is. Daarbij geldt dat als de rechtmatigheid van dat besluit evident is, geen grond bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening. Andersom geldt dat als de onrechtmatigheid van het besluit evident is, die grond wel bestaat. Die twee uitersten zijn helder. De moeilijkheid ligt in de tussencategorie; bijvoorbeeld als op het besluit wel wat valt af te dingen, de rechtmatigheid of onrechtmatigheid niet klip en klaar is of als die rechtmatigheid niet zonder diepgravend onderzoek kan worden beoordeeld, zoals hierna ter sprake komt.

9. Als het gaat om die tussencategorie, moet de voorzieningenrechter een belangenafweging maken. Ook als het nodig is binnen heel korte tijd een beslissing te nemen, kan het nodig zijn dat de voorzieningenrechter zich beperkt tot zo'n belangenafweging.

10. In die belangenafweging betrekt de voorzieningenrechter verschillende elementen, waaronder: de vraag in hoeverre duidelijk is dat (en in hoeverre te beoordelen valt of) aan het bestreden besluit een gebrek kleeft, de vraag in hoeverre dat gebrek naar verwachting te herstellen valt in de beslissing op bezwaar, de mate van onomkeerbaarheid van het treffen of niet treffen van de gevraagde voorziening en de mate van spoedeisendheid. Bij zo'n belangenafweging moeten alle belangen pro en contra worden afgewogen; als de belangen aan de ene kant groot zijn, moeten de belangen aan de andere kant ook groot zijn om daar tegen op te kunnen wegen.

De inhoudelijke beoordeling

11. Tegen de achtergrond van het toetsingskader zoals hiervoor in rechtsoverwegingen 7 tot en met 10 is vermeld, komt de voorzieningenrechter tot de volgende beoordeling.

12. Over de vraag of ieder (spoedeisend) belang bij toewijzing van het verzoek ontbreekt, kan de voorzieningenrechter kort zijn: dat is niet het geval. Het bestreden besluit is twee dagen voor het begin van de conferentie genomen en met dat besluit is het een substantieel aantal van de uitgenodigde gastsprekers verboden te spreken. De voorzieningenrechter zal dan ook in het hierna volgende beoordelen of een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit kan worden gegeven.

13. Wat daarbij in de eerste plaats van belang is, is dat in dit geschil vragen voorliggen van (zeer) principiële aard. Zeker gezien het korte tijdsbestek waarbinnen deze uitspraak dient te worden gedaan, kunnen en behoren die vragen niet in het kader van deze voorlopige-voorzieningprocedure te worden beantwoord. De voorzieningenrechter doelt hierbij met name op de door verzoekers aangevoerde grond dat het bestreden besluit strijdig is met de artikelen 6 en 7 van de Grondwet en met de artikelen 9 en 10 van het EVRM. Gelet daarop zal de voorzieningenrechter overgaan tot het maken van een belangenafweging. Daarbij wordt beoordeeld wiens belang moet prevaleren: het belang van verweerder bij het onverkort uitvoeren van het bestreden besluit, of het belang van verzoekers bij schorsing van dat besluit. De voorzieningenrechter zal de gronden van verzoekers hieronder bespreken en deze vervolgens betrekken in de belangenafweging.

14.1.

Verzoekers zijn van mening dat de bezwaren die de IND en NCTV over de gastsprekers hebben, ongemotiveerd zijn (rechtsoverweging 3, eerste gedachtestreepje). De voorzieningenrechter constateert echter dat bij de e-mails van 9, 15 en 18 december 2015 (eerder aangeduid in rechtsoverweging 3), zogeheten “profielen” zijn gevoegd van de gastsprekers waarin uiteen is gezet waaruit de bezwaren bestaan. In die profielen zijn uitlatingen die de sprekers in het verleden hebben gedaan, geciteerd (met vermelding van de links naar op internet gepubliceerde bronnen). Verweerder stelt zich op het standpunt dat die uitlatingen in strijd zijn met wettelijke voorschriften (en verwijst dan naar de voorschriften inzake opruiing, belediging en discriminatie wegens ras, godsdienst, levensovertuiging, geslacht of homoseksuele gerichtheid, het werven voor gewapende strijd dan wel openlijke belediging). Dat laatste standpunt van verweerder hebben verzoekers niet betwist. Wel heeft verzoeker ter zitting geopperd dat de uitspraken mogelijk uit hun verband zijn getrokken, waardoor de informatie uit de profielen gemankeerd is. Zo'n losse gedachte, de mogelijkheid dat de uitspraken uit hun verband zijn getrokken, acht de voorzieningenrechter onvoldoende om de waarde die verweerder aan de profielen heeft mogen hechten, te ontkrachten. Dit oordeel wordt nog eens versterkt door de erkenning van verzoeker dat hij niet op de hoogte is van de in de profielen vermelde uitlatingen.

14.2.

De voorzieningenrechter volgt de stelling van verzoekers dat de Wom van toepassing zou zijn en verweerder daarom niet bevoegd zou zijn op te treden op grond van de Gemeentewet (rechtsoverweging 3, tweede gedachtestreepje) niet. Onder “openbare orde” in de zin van de Gemeentewet moet worden verstaan: het ordelijk verloop van het gemeenschapsleven ter plaatse. Verweerder is bevoegd op te treden als er gevaar bestaat dat tijdens een openbare bijeenkomst strafbare feiten zullen worden begaan die de openbare orde verstoren of ernstige vrees bestaat dat die de openbare orde verstoren. De Wom staat daar niet aan in de weg. Het op die manier handhaven van de openbare orde is een bevoegdheid die aan verweerder op grond van artikel 172 van de Gemeentewet is toegekend en met die handhaving is niet beoogd om datgene wat tijdens de bijeenkomst zal worden gezegd, te verbieden; het handelen van verweerder in een geval als dit strekt zich slechts uit tot het beletten dat strafbare feiten de openbare orde verstoren.

14.3.

De voorzieningenrechter volgt ook niet de stelling van verzoekers, dat de openbare orde niet zal worden verstoord, omdat het gaat om een bijeenkomst die wordt gehouden in een moskee en niet op de openbare weg (rechtsoverweging 3, derde gedachtestreepje). Ook hetgeen zich voltrekt binnen de moskeemuren, kan een openbare-ordeverstoring tot gevolg hebben, bijvoorbeeld als – zoals verweerder vreest – de daar gedane uitlatingen strafbaar zijn gesteld in het Wetboek van Strafrecht. Het is niet zo, voor zover verzoekers dat bedoelen, dat vanwege het feit dat de bijeenkomst in een gebouw plaatsvindt, daarmee geen sprake meer is van openbaarheid. Dat geldt alleen al omdat verzoekers ook hebben betoogd dat iedereen welkom is om de conferentie bij te wonen (die dus openbaar toegankelijk is) en geldt nog meer omdat verzoeker ter zitting heeft gemeld dat de conferentie in haar geheel via een – vertaalde – livestream op internet te volgen zal zijn.

14.4.

Vervolgens hebben verzoekers betoogd dat verweerder de bevelsbevoegdheid uit artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet niet mocht toepassen ter voorkoming van feiten die al strafbaar zijn gesteld in het Wetboek van Strafrecht (rechtsoverweging 3, vierde gedachtestreepje). Dat betoog gaat er echter aan voorbij dat een bevel op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet niet zijn grondslag heeft in de strafwaardigheid van de gedraging, maar in het negatieve effect ervan op het ordelijk verloop van het gemeenschapsleven. Het gaat hier dus niet om een bevel tot nakoming van hetgeen in het strafrechtelijke voorschrift is neergelegd, maar om het in het leven roepen van een nieuwe verplichting die het ordelijk verloop van het gemeenschapsleven (de openbare orde) moet waarborgen. Het betoog slaagt niet.

14.5.

Dan hebben verzoekers aangevoerd dat het nog niet vast staat dat de gastsprekers met hun uitlatingen wettelijke voorschriften zullen overtreden en dat het niet aan verweerder is om daar vooraf iets van te vinden; hij kan er eventueel achteraf aangifte van doen bij het Openbaar Ministerie (rechtsoverweging 3, zevende gedachtestreepje). De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat dat betoog het naar zijn aard preventieve karakter van artikel 172 van de Gemeentewet miskent. Dat preventieve karakter is door de wetgever tot uitdrukking gebracht door het gebruik van de woorden “beletten” en “bij ernstige vrees voor het ontstaan (van) verstoring van de openbare orde”. Het verschilt daarmee van het naar zijn aard repressieve (achteraf-)karakter dat aan het optreden van het Openbaar Ministerie toekomt.

14.6.

Verzoekster heeft betoogd dat eerdere door haar georganiseerde conferenties nog nooit hebben geleid tot openbare-ordeverstoringen (rechtsoverweging 3, achtste gedachtestreepje). Dat kan de voorzieningenrechter niet nagaan, maar los van de vraag of dat wel of niet zo is, dan nog kan dat niet afdoen aan het gegeven dat verweerder over de zeven gastsprekers om wie het hier gaat, informatie heeft ontvangen van de IND en de NCTV die voor hem aanleiding waren om bezwaren te uiten tegen de komst van deze sprekers. Dat was, zo heeft verweerder onbetwist gesteld, niet het geval bij eerdere conferenties. Alleen al daarom kan dit betoog geen doel treffen.

14.7.

De voorzieningenrechter betwijfelt of het door verweerder opgelegde gebiedsverbod mocht worden gebaseerd op artikel 172a van de Gemeentewet. In dat artikel is immers vermeld dat zo’n verbod kan worden opgelegd aan een persoon die de openbare orde ernstig heeft verstoord dan wel de openbare orde herhaaldelijk heeft verstoord. Voor het standpunt van verweerder dat het artikel de mogelijkheid biedt om het verbod op te leggen aan iemand die de openbare orde nog niet eerder heeft verstoord, ziet de voorzieningenrechter dan ook geen aanknopingspunten in de wettekst. Wel heeft verweerder aangevoerd dat hij van mening is dat de zeven gastsprekers met het doen van hun uitlatingen de openbare orde wel degelijk eerder, namelijk in het buitenland, hebben verstoord en dat zodoende niettemin is voldaan aan het in artikel 172a van de Gemeentewet gestelde vereiste. Verweerder heeft daarbij verwezen naar rechtspraak die is gewezen in het kader van de zogeheten Voetbalwet, waaruit zou volgen dat ook gedragingen die in het buitenland zijn verricht, kunnen worden betrokken bij het opleggen van een gebiedsverbod dat is gegrond op artikel 172a van de Gemeentewet. De twijfel die de voorzieningenrechter over de grondslag van het gebiedsverbod heeft, is echter voor de beoordeling van dit verzoek niet doorslaggevend, omdat het gebiedsverbod mede (en naar de voorzieningenrechter begrijpt subsidiair) is gebaseerd op artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet. Tegen die grondslag voor het gebiedsverbod hebben verzoekers geen gronden aangevoerd, terwijl de voorzieningenrechter hierboven in rechtsoverweging 14.4 heeft geoordeeld dat verzoekers’ betoog, dat de bevelsbevoegdheid uit dit artikellid te kort zou schieten, geen doel treft. Het eerste lid van artikel 172a zegt uitdrukkelijk dat die wettelijke bevoegdheid, de bevoegdheid van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet niet opzij zet. Ook als je ervan uitgaat dat de bevoegdheid van artikel 172, derde lid, een zogeheten "lichte bevelsbevoegdheid" is en die bevoegdheid alleen mag worden gebruikt in situaties die tot onmiddellijk ingrijpen dwingen, is aan die vereisten in dit geval voldaan.

14.8.

De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verzoekers een punt hebben waar zij aanvoeren dat verweerder zijn stelling, dat de visa van de gastsprekers zijn of worden ingetrokken en het merendeel van de sprekers gesignaleerd staat in het SIS, slechts matig onderbouwd heeft. Dat heeft kennelijk zijn oorzaak in het korte tijdsbestek dat is gelegen tussen het moment van het nemen van het bestreden besluit en de behandeling ter zitting. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder deze stelling, voor zover hij die ten grondslag wenst te leggen aan het te nemen besluit op bezwaar, nader zal moeten onderbouwen. Zo'n nadere onderbouwing valt, als verweerders stelling ter zake juist is, naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel te geven. Het betoog van verzoekers is dus naar de huidige stand van zaken wel terecht aangevoerd, maar het gebrek is te repareren.

15. De voorzieningenrechter komt, samenvattend, tot de volgende belangenafweging en slotsom.

15.1.

Het merendeel van de door verzoekers aangevoerde gronden treft, voorlopig oordelend, geen doel. Wel is er twijfel over één van de door hen aangeroerde problemen en is hun betoog dat de mededelingen over de visa en de SIS-signaleringen onvoldoende onderbouwd zijn naar de huidige stand van zaken terecht naar voren gebracht. Over de principiële vragen die – kort gezegd – zien op de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst kan, zoals hierboven in rechtsoverweging 13 is gezegd, in een voorlopige-voorzieningprocedure niet worden geoordeeld. Dat brengt de voorzieningenrechter bij de vraag in hoeverre de onverkorte uitvoering van het bestreden besluit zal leiden tot onherstelbaar nadeel voor verzoekers. Dat die uitvoering tot gevolg heeft dat de zeven gastsprekers de conferentie die van 24 tot en met 27 december 2015 is gepland, niet zullen mogen bijwonen en dat dat onomkeerbaar is, is duidelijk. De voorzieningenrechter heeft er daarbij ook oog voor dat de betekenis van de conferentie, met het wegvallen van zo veel van de geplande sprekers, aan kracht verliest en dat dat verzoekers zeer zwaar valt. Maar aan de andere kant, wanneer het bestreden besluit op een later moment in de bodemprocedure onrechtmatig blijkt te zijn, kunnen de gastsprekers opnieuw worden uitgenodigd om te spreken tijdens een andere gelegenheid; verzoekers hebben immers gesteld dat de conferentie jaarlijks wordt gehouden en ditmaal al voor de 32e keer plaatsvindt. Dit terwijl wanneer het door verweerder gevreesde gevaar voor verstoring van de openbare orde zich wel zou voordoen, die verstoring onomkeerbaar en ook onherstelbaar is. Bovendien heeft verweerder onweersproken gesteld dat tegen de overige zeven op de oorspronkelijke aankondiging vermelde gastsprekers geen bezwaren bestaan en, zo begrijpt de voorzieningenrechter uit verzoekers betoog ter zitting en uit het verzoekschrift, resteren in elk geval nog drie gastsprekers die de conferentie zullen bijwonen.

14.2.

Gelet op dit alles ziet de voorzieningenrechter geen grond aanwezig voor toewijzing van het verzoek. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

14.3.

Nu het verzoek wordt afgewezen, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.H. Rijken-Lie, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De beslissing is uitgesproken op 23 december 2015.

De griffier is verhinderd voorzieningenrechter

de uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.