Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:7573

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-12-2015
Datum publicatie
29-12-2015
Zaaknummer
01/879728-15
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:2226, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto, terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, een verkeersongeval veroorzaakt waarbij een persoon is overleden en ander persoon zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft de plaats van het ongeval verlaten zonder zijn identiteit bekend te maken of hulp aan de slachtoffers te bieden.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en tot een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 4 jaar. De personenauto waarin verdachte reed wordt verbeurd verklaard.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2016/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/879728-15

Datum uitspraak: 29 december 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 september 2015 en 15 december 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 25 augustus 2015.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 15 december 2015 is gewijzigd en daarmee in overeenstemming is gebracht met de in de leden 1 en 2 van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 17 mei 2015 in de gemeente 's-Hertogenbosch als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (te weten een [automerk] ) daarmede rijdende over de weg, [straat ongeval] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend

- de ter plaatse geldende maximumsnelheid in ernstige mate te overschrijden en/of

- die maximumsnelheid te blijven overschrijden op het moment dat hij een (scherpe) bocht met adviessnelheid 30 km/h is ingegaan, althans met een te hoge snelheid gelet op de plaatselijke situatie deze bocht is ingegaan en/of

- (vervolgens) zijn personenauto in/bij deze bocht niet onder controle heeft weten te houden en/of

- (op) de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer is opgereden/terecht is gekomen en/of

- in botsing en/of aanrijding is gekomen met een tegemoetkomende personenauto, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ), zijnde een inzittende van laatstgenoemde personenauto, werd gedood en/of waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] ), zijnde een inzittende van laatstgenoemde personenauto, zwaar lichamelijk letsel, te weten diverse botbreuken waaronder onder meer een gebroken borstbeen en/of een gebroken heupkom,of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

2.

hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in de gemeente 's-Hertogenbosch op de [straat ongeval] op of omstreeks 17 mei 2015, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden,

- een ander (te weten [slachtoffer 1] ) is gedood en/of een ander (te weten [slachtoffer 2] ) letsel en/of schade was toegebracht en/of

- een ander ( te weten voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;

3. hij in of omstreeks de periode van 16 april 2015 tot en met 17 mei 2015 in de gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, [straat ongeval] , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Vaststaande feiten. 1

Op 17 mei 2015 reed verdachte in een personenauto ( [automerk] ) over [straat] en vervolgens over de [straat ongeval] binnen de gemeente ’s-Hertogenbosch.2 De ter plaatse geldende maximumsnelheid bedroeg 60 kilometer per uur. Gezien vanuit de rijrichting van verdachte was er in de weg een bocht naar rechts gelegen met een daarvoor geldende adviessnelheid van 30 kilometer per uur.3 Verdachte overschreed voorafgaand aan en in deze bocht de ter plaatse geldende maximumsnelheid.4 Bij het doorrijden van de bocht kwam verdachte te rijden op de rijbaan bestemd voor het hem tegemoetkomend verkeer. Op deze rijbaan kwam het voertuig van verdachte, gezien vanuit de rijrichting van verdachte net na de bocht, vrijwel frontaal in aanrijding met een hem tegemoetkomende personenauto [automerk slachtoffers] ) met als inzittenden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .5 Ten gevolge van deze aanrijding is het voertuig dat werd bestuurd door [slachtoffer 2] met de achterzijde in de naastgelegen sloot beland. [slachtoffer 1] is ten gevolge van dit verkeersongeval overleden. [slachtoffer 1] liep lichamelijk letsel op.6 Na het verkeersongeval stapte verdachte uit zijn auto en verliet na korte tijd de plaats van het ongeval.7

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 1 bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich zeer onvoorzichtig heeft gedragen, waardoor een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, aan de gevolgen van welk ongeval één persoon, [slachtoffer 1] , is overleden, terwijl een ander, [slachtoffer 2] , daardoor zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft volgens de officier van justitie de ter plaatse geldende maximum snelheid en de adviessnelheid in de bocht in ernstige mate overschreden. De officier van justitie acht dan ook het onder feit 1 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte roekeloos heeft gereden. Evenmin kan bewezen worden verklaard dat verdachte ten tijde van het ongeval verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), dan wel dat hij na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid, van de WVW 1994, zodat verdachte van dat deel van de tenlastelegging vrijgesproken dient te worden.

Voorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde onder feit 2 en feit 3 bewezen kan worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 1 bepleit dat sprake is geweest van aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag door verdachte, waardoor een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, ten gevolge waarvan één persoon is komen te overlijden en een ander zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Weliswaar heeft verdachte de maximumsnelheid overschreden, maar volgens de raadsman is dit niet – zoals betoogd door de officier van justitie – in ernstige mate geschied. Bovendien is de snelheidsovertreding het enige verwijt dat verdachte gemaakt kan worden. Niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed verkeerde van een stof die de rijvaardigheid kon verminderen, zodat verdachte voor dat deel van de tenlastelegging vrijgesproken dient te worden.

Voor wat betreft het tenlastegelegde onder feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 3 heeft de raadsman bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken, nu hij niet wist of redelijkerwijs diende te vermoeden dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Verdachte was feitelijk in het bezit van zijn rijbewijs en heeft het besluit van het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs niet ontvangen, noch van de inhoud daarvan op een ander manier kennis genomen.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt op grond van de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende.

Ten aanzien van feit 1.

Vrijspraak strafverzwarende omstandigheid.

Onder feit 1 heeft de officier van justitie als strafverzwarende omstandigheid tenlastegelegd dat verdachte, kort gezegd, zijn personenauto heeft bestuurd terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde of dat verdachte niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn alcoholgebruik. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewijs voor deze strafverzwarende omstandigheid ontbreekt. De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken.

Snelheid van de auto van verdachte.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld met welke snelheid verdachte direct voorafgaand aan het ongeval (in de desbetreffende bocht) heeft gereden. Ter beantwoording van die vraag overweegt de rechtbank het volgende.

In het dossier bevinden zich een Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse van 20 november 2015 (hierna: de VOA) en een Aanvullend Proces-verbaal Snelheidsanalyse van 23 november 2015 (hierna: het Aanvullend Proces-verbaal).

De rechtbank stelt voorop dat uit de VOA blijkt dat op het desbetreffende weggedeelte een maximumsnelheid gold van 60 kilometer per uur, terwijl vóór de bocht een adviessnelheid is aangegeven van 30 kilometer per uur. Dit is ter plaatse door middel van borden aangegeven.8

In het Aanvullend Proces-verbaal is de snelheid van de auto van verdachte op het moment van de aanrijding op drie verschillende wijzen berekend. Deze berekeningen hebben als einduitkomst dat de auto van verdachte voorafgaand aan het ongeval respectievelijk minimaal 87 en maximaal 120 kilometer per uur, minimaal 74 en maximaal 104 kilometer per uur en minimaal 76 en maximaal 99 kilometer per uur heeft gereden.9 De rechtbank acht de in het Aanvullend Proces-verbaal uitgewerkte berekeningen inzichtelijk en concludent. De rechtbank zal de resultaten van deze berekeningen daarom mede tot het bewijs van het tenlastegelegde bezigen.

Blijkens het Aanvullend Proces-verbaal zijn er verder rijproeven gehouden op de plaats van het ongeval. Daarbij is gebruik gemaakt van een auto van hetzelfde merk en type als de auto van verdachte.10 De verdediging heeft betoogd dat onvoldoende duidelijk is of sprake is van vergelijkbare auto’s. De verdediging heeft daarbij concreet gewezen op de banden van beide auto’s en voorts gesuggereerd dat er ook andere verschillen kunnen zijn geweest, bijvoorbeeld met betrekking tot de aandrijving van beide auto’s (voorwielaandrijving of achterwielaandrijving). De rechtbank begrijpt deze stellingen van de verdediging aldus dat daarom de rijproeven niet kunnen meewerken tot bewijs van het tenlastegelegde.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat er nieuwe banden op zijn auto zaten.11 Zonder nadere toelichting, die daar ontbreekt, valt deze verklaring redelijkerwijs niet anders te begrijpen dan dat alle banden van de auto nieuw waren. Pas ter zitting heeft verdachte gesteld dat alleen de beide achterbanden van zijn auto nieuw waren. De beide voorbanden lagen er twee tot drie jaar op. Volgens verdachtes verklaring ter zitting waren de voorbanden besteld, maar moesten deze nog vervangen worden. Verdachte heeft nagelaten ter zitting een onderbouwing te verschaffen voor zijn aangepaste verklaring. Gelet op het late tijdstip waarop verdachte zijn stelling over de voorbanden naar voren brengt, voor welk tijdstip geen redelijke verklaring is gegeven, alsmede op het gebrek aan onderbouwing van deze stelling, acht de rechtbank deze stelling niet aannemelijk. De rechtbank gaat er daarom – uitgaande van de verklaring van verdachte bij de politie – van uit dat de auto van verdachte recent was voorzien van vier nieuwe banden. De rechtbank constateert voorts op grond van het Aanvullend Proces-verbaal dat de bij de rijproeven gebruikte auto aan de voorzijde was voorzien van nieuwe banden. Deze banden zijn, zo leidt de rechtbank uit dit proces-verbaal af, van een vergelijkbaar type als de banden welke op de personenauto van verdachte aanwezig waren ten tijde van het ongeval.12

Voor wat betreft de achterbanden van de auto waarmee de rijproeven zijn uitgevoerd valt in het Aanvullend Proces-verbaal te lezen dat dit gebruikte exemplaren betreft.13 Niet toegelicht is waarom in zoverre geen gebruik is gemaakt van nieuwe banden. Voor wat betreft de achterbanden kan de rechtbank hierdoor niet vaststellen dat de auto waarmee de rijproeven zijn uitgevoerd vergelijkbaar is met de auto van verdachte. Dit brengt de rechtbank echter niet tot de conclusie dat de uitkomsten van de rijproeven niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs. Daarbij is van belang dat de opstellers van het Aanvullend Proces-verbaal, waarvan de deskundigheid als zodanig niet in geschil is en ook door de rechtbank wordt aangenomen, er kennelijk vanuit gaan dat de auto waarmee de rijproeven zijn uitgevoerd voldoende vergelijkbaar is met de auto van verdachte. De rechtbank acht in dit verband van belang dat de uitgevoerde rijproeven betrekking hebben op het rijden/sturen door een bocht. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij het rijden/sturen door een bocht de conditie (grip) van de voorbanden van aanmerkelijk meer belang is dan de conditie (grip) van de achterbanden.

Voor het overige berust de stelling van de verdediging dat onduidelijk of sprake is van vergelijkbare auto’s op louter suggestie. De door de politie gebruikte auto betreft een auto van het zelfde merk en type en gelet op de kentekens en de openbare gegevens van het RDW, zelfde bouwjaar. Het is ongebruikelijk dat de klant een keuze heeft tussen een voorwiel of achterwiel aangedreven versie van het zelfde model. De stelling van de verdediging is onvoldoende om twijfel te zaaien over de bruikbaarheid van de rijproeven voor het bewijs. De rijproeven kunnen daarom meewerken tot het bewijs.

Bij de gehouden rijproeven is door de bewuste bocht gereden met snelheden van, volgens de boordsnelheidsmeter van de auto, 80 tot (één maal) ongeveer 90 kilometer per uur.14 Bij deze snelheden bleek dat het goed mogelijk was om de bocht te nemen. Voorts is geverbaliseerd dat de op de boordsnelheidsmeter aangegeven snelheid tot 100 kilometer per uur niet meer dan vijf kilometer per uur afwijkt van de werkelijke snelheid.15 De werkelijk gereden snelheid in de bocht bij de rijproeven heeft daarmee, zo valt aan te nemen, ongeveer 75 tot (één maal) ongeveer 85 kilometer per uur bedragen. Op grond van de gehouden rijproeven kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden aangenomen dat de bewuste bocht met een auto vergelijkbaar met de auto van verdachte met snelheden tot 85 kilometer per uur is te nemen zonder op de weghelft van de tegenligger te raken en zonder sporen op het wegdek af te tekenen.

In het dossier bevinden zich voorts verklaringen van getuigen van het ongeval die verklaren over de snelheid waarmee de auto van verdachte kort voor het ongeval reed. De verdediging heeft betoogd dat deze verklaringen over de snelheid onbetrouwbaar zijn en daarom niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs, behoudens de verklaring van [slachtoffer 2] . De rechtbank acht echter juist de verklaring van [slachtoffer 2] niet bruikbaar voor het bewijs ten aanzien van de gereden snelheid, nu die verklaring geen betrekking heeft op de situatie kort voor het ongeval. De rechtbank wijst er daarbij op dat de getuige verklaart over de snelheid van de auto bij het naderen van een rotonde, terwijl de getuige in de richting van de [locatie getuige] fietste. In de nabijheid van de plaats van het ongeval is echter geen rotonde aanwezig.16 De getuige heeft het ongeval zelf ook niet waargenomen.

Andere getuigen hebben echter wel een concrete inschatting gemaakt van de snelheid van de auto van verdachte kort vóór het ongeval. De rechtbank wijst op de volgende verklaringen:

- [getuige 1] vermoedt dat de [automerk] met een snelheid van 100 tot 110 kilometer per uur reed;17

- [getuige 2] schat dat de snelheid waarmee de auto reed zeker 140 kilometer per uur moest zijn;18

- [getuige 3] gokt dat de [automerk] ongeveer 110 à 120 kilometer per uur reed;19

- [getuige 4] zag dat de auto echt met hele hoge snelheid door de bocht kwam en vermoedt dat de auto wel 100 kilometer per uur reed.20

Ter beantwoording van de vraag of deze verklaringen kunnen worden gebezigd voor het bewijs van de snelheid van de auto van verdachte kort voor het ongeval heeft de rechtbank, evenals de officier van justitie, acht geslagen op hetgeen over een soortgelijke kwestie is overwogen door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch:21

“Hoewel de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] vervoegingen van het werkwoord ‘vermoeden’, ‘denken’ en/of ‘schatten’ gebruiken als zij verklaren over de snelheid van verdachte, acht het hof deze verklaringen bruikbaar voor het bewijs, omdat zij over de snelheid verklaren op basis van eigen zintuiglijke waarnemingen ter plaatse. Het gebruik van voormelde werkwoordsvormen duidt niet zozeer op door de getuigen getrokken conclusies, maar dient veeleer als aanduiding dat het moeilijk is om de snelheid van een voertuig aan de hand van zintuiglijke waarnemingen exact aan te geven. Het hof acht het niet uitgesloten dat getuigen in het algemeen, aan de hand van wat zij zien, horen of voelen, een iets te hoge of te lage inschatting van snelheid kunnen maken. Het aantal verklaringen, alsmede de inhoud en de onderlinge consistentie daarvan, rechtvaardigen echter hier de conclusie dat verdachte met een hoge, namelijk aanmerkelijk hoger dan de ter plaatse toegestane snelheid de bocht waar het hier om gaat is in en/of door gereden.

Bij dat oordeel heeft het hof mede in aanmerking genomen dat de [getuige 3] naar aanleiding van verdachtes verkeersgedrag zeer kort voorafgaand aan het ongeval heeft opgemerkt: “Kijk wat hij hard gaat, wat een gek”, of woorden van gelijke strekking, en de [getuige 1] heeft verklaard: “Ik zag hem met een bepaalde snelheid aankomen en ik dacht toen al ‘hij gaat die bocht niet redden’” en “Ik zag hem rijden en ik dacht toen al ‘dat gaat hij niet houden in de bocht’”. Van dergelijke verklaringen kan niet gezegd worden dat de daarin gerelateerde waarnemingen zijn gekleurd door het uiteindelijk verwezenlijkte gevolg.”

In de onderhavige zaak gebruiken de vier voornoemde getuigen en ook [getuige 5]22 gelijke of vergelijkbare bewoordingen als in deze door het gerechtshof berechte zaak als zij verklaren over de snelheid van (de auto van) verdachte. Voorts is sprake van vier verklaringen die (in ieder geval) op het punt van de snelheid consistent zijn te noemen. Drie van de vier voornoemde getuigen en ook [getuige 5] verklaren bovendien in de trant van dat zij toen de auto van verdachte de bocht naderde al de indruk hadden dat de auto de bocht niet zou halen.23 [getuige 5] verklaart bovendien dat hij zag dat de auto van verdachte (kort vóór het ongeval) over de brug reed en hier “met zijn wielen los kwam van de grond, zo hard reed hij”. Gelet hierop acht de rechtbank ook de vier hier bedoelde getuigenverklaringen, die worden ondersteund door de verklaring van [getuige 5] , bruikbaar voor het bewijs van de te hoge snelheid van de auto van verdachte.

Op grond van de gehouden rijproeven concludeert de rechtbank dat kan worden aangenomen dat verdachte heeft gereden met een snelheid van meer dan 85 kilometer per uur. Deze snelheid past binnen de snelheden zoals deze uit de overige hier bedoelde bewijsmiddelen blijken. De rechtbank acht aldus bewezen dat verdachte heeft gereden met een snelheid van ten minste 86 kilometer per uur.

Daarmee staat vast dat verdachte de ter plaatse geldende maximumsnelheid heeft overschreden met tenminste 26 kilometer per uur. De vraag is of daarmee sprake is van een ernstige mate van overschrijding van de maximumsnelheid zoals door de officier van justitie tenlastegelegd. Het begrip ‘ernstige overschrijding van de maximumsnelheid’ is een wettelijke strafverzwarende omstandigheid, opgenomen in artikel 175, derde lid, van de WVW 1994. In dat artikel noch elders in het gestelde bij of krachtens de WVW 1994 is dit begrip gedefinieerd. In de Aanwijzing Verkeersongevallen van het College van Procureurs-Generaal24 is dit begrip wel gedefinieerd: van een ernstige overschrijding van de maximumsnelheid is sprake bij overschrijding van de maximumsnelheid met 50 kilometer per uur of meer. Weliswaar is deze aanwijzing per 1 juni 2015 ingetrokken, maar de rechtbank is niet gebleken dat nadien door het College van Procureurs-Generaal een andere definitie aan het begrip is gegeven. De rechtbank ziet verder geen grond om af te wijken van deze definitie in de Aanwijzing Verkeersongevallen. De rechtbank constateert dat in dit geval niet te bewijzen is dat sprake is geweest van een overschrijding van de maximumsnelheid met meer dan 50 kilometer per uur. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat sprake is geweest van een ernstige overschrijding van de maximumsnelheid in de juridische betekenis die hier aan de orde is.

Het voorgaande neemt niet weg dat naar het oordeel van de rechtbank wel sprake is geweest van een aanzienlijke overschrijding van de maximumsnelheid ter plaatse. Het gegeven dat in de desbetreffende bocht naast een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur ook een adviessnelheid van 30 kilometer per uur is aangegeven, verhoogt daarbij de mate van onvoorzichtigheid waarmee verdachte ter plaatse heeft gereden.

Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] , de verklaring van verdachte bij de politie en de bevindingen van [verbalisant] valt voorts op te maken dat verdachte, zoals onder 1 tenlastegelegd, zijn personenauto bij de desbetreffende bocht niet onder controle heeft weten te houden en vervolgens op de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen.2526 Dat daarbij sprake was van een technisch mankement aan de auto van verdachte, zoals verdachte bij de rechter-commissaris lijkt te suggereren, acht de rechtbank niet aannemelijk. Daarbij wijst de rechtbank erop dat volgens de VOA zowel de reminrichting als de stuurinrichting van de auto van verdachte voor het ongeval waarschijnlijk naar behoren functioneerden en de auto ook overigens, voor zover na te gaan, in een voldoende rijtechnische staat van onderhoud verkeerde.27 Verdachte heeft bovendien ter zitting zelf verklaard dat hij de auto goed onderhield, dat de auto APK-gekeurd was en dat hem tot aan het verkeersongeval geen bijzonderheden tijdens het rijden met de auto waren opgevallen.28

Voorts is duidelijk dat als gevolg van de bewezen te verklaren gedragingen van verdachte een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met een tegemoetkomende personenauto, waardoor één inzittende van die tegemoetkomende auto, [slachtoffer 1] , zeer kort na het ongeval is overleden en de andere inzittende van die auto, [slachtoffer 2] , gewond is geraakt. [slachtoffer 2] is na het ongeval naar het ziekenhuis vervoerd29 en heeft bij het ongeval ribbreuken, een kneuzing van beide longen, een klaplong, een heupbreuk, een knieschijfbreuk, een borstwervelbreuk en een hoofdwond opgelopen.30 Op 20 mei 2015 verbleef [slachtoffer 2] nog in het ziekenhuis.31 Reeds de heupbreuk en de borstwervelbreuk leveren naar het oordeel van de rechtbank zwaar lichamelijk letsel in de hier bedoelde zin op.

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of sprake is van schuld in juridische zin bij verdachte aan het verkeersongeval. Bij de beoordeling van deze vraag stelt de rechtbank voorop dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van buiten verdachte gelegen feiten of omstandigheden die de schuld van verdachte wegnemen. Daarbij noemt de rechtbank met name weersomstandigheden, het feit dat er geen relevante bijzonderheden voor wat betreft de wegsituatie zijn geconstateerd,32 dat het uitzicht van verdachte vermoedelijk niet werd belemmerd33 en, zoals al eerder overwogen, dat de auto van verdachte voor zover na te gaan in voldoende rijtechnische staat van onderhoud verkeerde.

Op de tenlastelegging staan drie gradaties van schuld vermeld. Primair is aan verdachte tenlastegelegd dat hij zich roekeloos heeft gedragen. Dit is de hoogste gradatie van schuld die in verkeerszaken wordt onderscheiden. Aan het bewijs van roekeloos rijgedrag worden zeer hoge eisen gesteld. Van roekeloos rijgedrag is alleen sprake bij, in de woorden van de rechtbank, extreem verkeersgevaarlijk gedrag. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bewezen te verklaren gedragingen onvoldoende om van roekeloos rijgedrag te kunnen spreken. Van dit verwijt zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken.

Subsidiair is aan verdachte tenlastegelegd dat hij zich zeer onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de aard en ernst van de bewezen te verklaren gedragingen, sprake geweest van zeer onvoorzichtig rijgedrag van verdachte. Dit is reeds het geval gelet op de snelheid waarmee verdachte heeft gereden. Hij is immers met een snelheid van tenminste 86 kilometer per uur een scherpe bocht ingegaan waarvoor een adviessnelheid gold van 30 kilometer per uur. Daarnaast is verdachte echter ook nog op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer terechtgekomen34 en daarbij heeft hij een doorgetrokken streep overschreden. Anders dan de verdediging lijkt te stellen is er dus sprake van meerdere door verdachte overtreden verkeersvoorschriften.

Gelet op de voorgaande overwegingen komt de rechtbank ter zake van het onder 1 tenlastegelegde tot de hierna te vermelden bewezenverklaring.

Ten aanzien van feit 2.

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde heeft overwogen, kan tevens worden bewezen dat verdachte op 17 mei 2015 op de [straat ongeval] in de gemeente ’s-Hertogenbosch als bestuurder van een motorrijtuig een gedraging heeft verricht waardoor een verkeersongeval is veroorzaakt, zoals onder 2 tenlastegelegd. Uit diverse getuigenverklaringen en de verklaring van verdachte zelf blijkt voorts dat verdachte kort na het verkeersongeval de plaats van het ongeval heeft verlaten.35 Gelet op de, ook van enige afstand zichtbare, schade die door het ongeval aan de auto van de slachtoffers was ontstaan, is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist of had moeten vermoeden dat bij dit ernstige verkeersongeval aan de inzittende(n) van de [automerk] letsel en schade was toegebracht en voorts dat de inzittende(n) in hulpeloze toestand verkeerde(n). Nu verdachte ondanks dit alles de plaats van het ongeval heeft verlaten zonder zich om de inzittenden van de [automerk] te bekommeren, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat verdachte de inzittenden van de [automerk] in hulpeloze toestand heeft achtergelaten. De rechtbank verwijst voor wat betreft de inhoud van het bestanddeel ‘achterlaten in hulpeloze toestand’ nog naar de conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad voor het arrest van de Hoge Raad van 1 september 2015.36 De rechtbank acht het onder 2 tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen als na te melden.

Ten aanzien van feit 3.

De rechtbank ziet zich tot slot voor de vraag gesteld of verdachte wist dan wel redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en dat hij op 17 mei 2015 geen motorrijtuig mocht besturen. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende.

In het dossier bevindt zich een besluit van het CBR van 9 april 2015 inhoudende de ongeldigverklaring van het rijbewijs van verdachte per 16 april 2015. Dit besluit is blijkens de adressering per aangetekende post verzonden naar het adres [adres verdachte]

.37 Blijkens de in het dossier aanwezige ID-staat omtrent verdachte stond verdachte van 3 februari 2014 tot 2 mei 2015 ook ingeschreven op dit adres. Uit de verzendgegevens behorende bij voornoemd besluit volgt dat het besluit op 11 april 2015 is bezorgd. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij aangetekende verzending door of namens de geadresseerde voor ontvangst van het desbetreffende poststuk dient te worden getekend. De bezorging van het besluit op 11 april 2015 vormt daarmee in deze zaak weliswaar geen (sluitend) bewijs, maar wel een aanwijzing voor de bekendheid bij verdachte met het besluit tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs voorafgaand aan 17 mei 2015.

Dat verdachte wist van het besluit tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs blijkt naar het oordeel van de rechtbank echter zonder meer uit de verklaringen van [getuige 6] en [getuige 7] . De [getuige 6] heeft verklaard dat verdachte aan hem op 9 mei 2015 heeft gezegd dat hij zijn rijbewijs kwijt was, maar dat hij dat ook niet nodig had en dat hij ook wel zonder kon.38 [getuige 7] heeft verklaard dat verdachte aan hem begin mei heeft gezegd dat hij zijn rijbewijs kwijt was, maar dat hij toch bleef rijden.39

De verdediging heeft vraagtekens geplaatst bij de betrouwbaarheid van de verklaringen van laatstgenoemde twee getuigen. Daarbij heeft de verdediging de suggestie opgeworpen dat deze getuigen als gevolg van de media-aandacht voor de onderhavige zaak tot het afleggen van een onjuiste, voor verdachte belastende, verklaring zijn gekomen. Verder heeft de verdediging in dit verband aandacht gevraagd voor de achternaam van getuige [getuige 6] en de mogelijkheid geopperd dat de getuige familie is van de slachtoffers van het ongeval. De rechtbank ziet echter geen grond om aan de betrouwbaarheid van de beide getuigenverklaringen te twijfelen. De door de verdediging geopperde familieband acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Echter, ook indien het bestaan van een familieband aannemelijk zou zijn, zou dit enkele gegeven onvoldoende zijn om de verklaring van [getuige 6] onbetrouwbaar te achten. Ook de gestelde media-aandacht acht de rechtbank onvoldoende om tot onbetrouwbaarheid van de beide getuigenverklaringen te concluderen. De rechtbank gebruikt de verklaringen dan ook voor het bewijs.

Voor zover aan verdachte is tenlastegelegd dat hij ook in de periode vóór 17 mei 2015 een personenauto heeft bestuurd terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard acht de rechtbank voor het autorijden door verdachte in die periode onvoldoende bewijs aanwezig, zodat verdachte in zoverre van het onder 3 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, bezien in het licht van de hiervoor vermelde overwegingen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. op 17 mei 2015 in de gemeente 's-Hertogenbosch als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (te weten een [automerk] , [type auto] ) daarmede rijdende over de weg, [straat ongeval] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer onvoorzichtig

- de ter plaatse geldende maximumsnelheid te overschrijden en

- die maximumsnelheid te blijven overschrijden op het moment dat hij een scherpe bocht met adviessnelheid 30 km/h is ingegaan en

- vervolgens zijn personenauto in deze bocht niet onder controle heeft weten te houden en

- op de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen en

- in aanrijding is gekomen met een tegemoetkomende personenauto, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer 1] , zijnde een inzittende van laatstgenoemde personenauto, werd gedood en waardoor een ander, genaamd [slachtoffer 2] , zijnde een inzittende van laatstgenoemde personenauto, zwaar lichamelijk letsel, te weten diverse botbreuken, waaronder onder meer een gebroken borstwervel en een gebroken heup werd toegebracht.

2.

als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in de gemeente 's-Hertogenbosch op de [straat ongeval] op 17 mei 2015, de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden,

- een ander of anderen letsel en schade was toegebracht en

- een ander of anderen aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd of werden achtergelaten.

3. op 17 mei 2015 in de gemeente ’s-Hertogenbosch, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, [straat ongeval] , als bestuurder een motorrijtuig, personenauto, van die categorie heeft bestuurd.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 jaren.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft bepleit dat door de rechtbanken en hoven in het land voor soortgelijke feiten doorgaans lagere straffen worden opgelegd dan de door de officier van justitie gevorderde straffen. Naar het oordeel van de verdediging kan volstaan worden met het opleggen van een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest en/of een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf. Voorts heeft de raadsman er op gewezen dat de verdachte de ernstige gevolgen van het ongeval nooit heeft gewild en dat hij zijn spijt heeft betuigd richting de nabestaanden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarbij wijst de rechtbank er voor een goed begrip op dat het strafmaximum voor het onder 1 bewezenverklaarde aanzienlijk lager ligt dan voor doodslag. Dit hangt ermee samen dat aan verdachte niet wordt verweten dat hij opzettelijk (willens en wetens) de dood van het slachtoffer heeft veroorzaakt. Verdachte treft het verwijt dat hij zeer onvoorzichtig is geweest. Dit laatste verwijt wordt strafrechtelijk minder zwaar gewogen dan het opzettelijk plegen van een strafbaar feit. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 17 mei 2015 als bestuurder van een personenauto zeer onvoorzichtig gedragen. Als gevolg van zijn verkeersgedrag is hij met de door hem bestuurde auto in aanrijding gekomen met een tegemoetkomende personenauto van het bejaarde echtpaar [naam] . Ten gevolge van deze aanrijding is [slachtoffer 1] komen te overlijden. [slachtoffer 2] heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waarvan hij, volgens mededeling van de officier van justitie ter terechtzitting, tot op heden nog steeds niet volledig is hersteld. Door het ongeval is een groot verdriet en onherstelbaar leed toegebracht aan [slachtoffer 2] , aan wie zijn echtgenote is komen te ontvallen, en aan de andere nabestaanden. Ook buiten de kring van de nabestaanden veroorzaken feiten zoals deze gevoelens van angst, boosheid, ongerustheid en onbehagen.

Des te schrijnender zijn de gevolgen van het ongeval als wordt bedacht dat verdachte op 17 mei 2015 als gevolg van de hem bekende ongeldigverklaring van zijn rijbewijs helemaal geen personenauto mocht besturen. Als verdachte zich had neergelegd bij het besluit tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs, zou het ongeval nooit hebben plaatsgehad. Verdachte heeft echter een andere keuze gemaakt.

Ook nadat het ongeval had plaatsgevonden heeft verdachte verkeerde keuzes gemaakt. Verdachte had op de plaats van het ongeval moeten blijven en zijn verantwoordelijkheid voor het veroorzaken van dit ongeval moeten nemen. Verdachte is echter gevlucht. Dat verdachte daarbij enkel heeft gehandeld in blinde paniek, zoals hij stelt, acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank ziet in het dossier aanwijzingen dat verdachte weliswaar erg geschrokken was, maar dat hij er niettemin bewust voor heeft gekozen de plaats van het ongeval te verlaten en zich aan de naspeuringen door de politie te onttrekken. De rechtbank wijst in dit verband op de verklaring van een [getuige 8] , die heeft gezien dat een jongen met een bebloede arm (de rechtbank concludeert dat dit verdachte moet zijn geweest) een tijdje achter een aldaar geparkeerde auto heeft gezeten, op de omstandigheid dat verdachte op zijn vlucht zijn – bebloede – jas heeft uitgetrokken en heeft achtergelaten, op de omstandigheid dat een bekende van verdachte vertelde dat verdachte bij hem aan de deur kwam en binnen gelaten wilde worden en hem zei dat hij zojuist een ongeluk had gehad. Het vluchtgedrag kan als laf en laakbaar worden betiteld. Immers, verdachte wist of moest vermoeden dat de inzittenden van de [automerk] , welke auto door de aanrijding in de sloot was beland, bij het ernstige ongeval gewond waren geraakt en dat zij in hulpeloze toestand verkeerden. Hij heeft zich echter niet om hen bekommerd, maar heeft voor zichzelf gekozen en is, ondanks dat omstanders hem riepen terug te komen, weggerend. Overigens heeft verdachte ook na zijn aanhouding door de politie niet direct en niet volledig zijn medewerking verleend aan het opsporingsonderzoek. Hij heeft niet meegewerkt aan een ademanalyse en zich grotendeels beroepen op zijn zwijgrecht.

Uit alle drie de bewezenverklaarde feiten, maar meer nog uit de combinatie ervan, spreekt naar het oordeel van de rechtbank een zorgwekkend gebrek aan normbesef en verantwoordelijkheidsgevoel bij verdachte in het verkeer.

In strafverzwarende zin heeft de rechtbank verder meegewogen dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister al meerdere malen eerder onherroepelijk voor verkeersfeiten strafrechtelijk is veroordeeld, dan wel een strafbeschikking is opgelegd. Zo heeft verdachte zich al vier maal, waarvan twee maal in de laatste vijf jaren, schuldig gemaakt aan rijden onder invloed. Ook zijn aan verdachte in de laatste vijf jaren twee maal strafbeschikkingen opgelegd voor kennelijk aanmerkelijke snelheidsovertredingen. Uit een door de officier van justitie verstrekt overzicht van het CJIB betreffende verdachte blijkt voorts dat verdachte ook buiten het strafrecht reeds tientallen malen is bekeurd ter zake van verkeersovertredingen. Al deze maatregelen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich opnieuw niets aan te trekken van verschillende essentiële verkeersvoorschriften. Uiteindelijk heeft een andere weggebruiker zijn onverantwoorde en zelfzuchtige verkeersgedrag met de dood moeten bekopen.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Deze oriëntatiepunten resulteren alleen al voor het onder 1 bewezen verklaarde in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden in geval van een dodelijk slachtoffer. Daar komt nog bij dat in dit geval ook sprake is van een zwaar gewond slachtoffer. De rechtbank ziet echter grond om in voor verdachte negatieve zin af te wijken van deze oriëntatiepunten. De redenen hiervoor zijn gelegen in de combinatie en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, het strafblad van verdachte en de aan hem ook buiten het strafrecht opgelegde veelheid aan verkeersboetes en de daaruit sprekende mentaliteit van verdachte met betrekking tot de naleving van verkeersvoorschriften.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte het door verdachte ondergane voorarrest overschrijdt. De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Daarnaast ziet de rechtbank reden om – ondanks dat verdachte thans niet beschikt over een geldig rijbewijs en om die reden niet mag rijden – verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van lange duur. De rechtbank vindt het passend en geboden dat verdachte, ook nadat hij op enig moment mogelijk weer over een geldig rijbewijs beschikt, door middel van de op te leggen ontzegging daarna ook in zoverre nog de strafrechtelijke gevolgen van zijn handelen zal ondervinden.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte – anders dan de officier van justitie wenst – vrijspreekt van het in ernstige mate overschrijden van de maximumsnelheid en van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het wel bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Beslag. De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit een voorwerp is met behulp van welke de feiten zijn begaan en dit voorwerp ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorde.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 14a, 14b, 14c, 27 en 57 Wetboek van Strafrecht;

6, 7, 9, 175, 176 en 179 Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

ten aanzien van feit 1: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;

ten aanzien van feit 2:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994; ten aanzien van feit 3:

overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en bijkomende straf.

ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 3:

- een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

ten aanzien van feit 1:

- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van 4 jaar.

Verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen goed, te weten een [automerk] [type auto] personenauto voorzien van het kenteken [kenteken].

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.G. Vos, voorzitter,

mr. B.A.J. Zijlstra en mr. T. van de Woestijne, leden,

in tegenwoordigheid van Ş. Altun, griffier,

en is uitgesproken op 29 december 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Verwijzingen naar paginanummers betreffen paginanummers van het proces-verbaal met bijlagen van de politie Eenheid Oost-Brabant, genummerd PL2100-2015108524, afgesloten en ondertekend d.d. 6 oktober 2015, behoudens indien achter die verwijzing uitdrukkelijk is vermeld dat deze betrekking hebben op andere bronnen.

2 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 15 december 2015.

3 Relaas van bevindingen [verbalisant] , zie proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse d.d. 20 november 2015, p. 4.

4 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 15 december 2015.

5 Relaas van bevindingen [verbalisant] , zie proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse d.d. 20 november 2015, p. 4.

6 Medische informatie [medicus] , p. 236.

7 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 15 december 2015.

8 Relaas van bevindingen [verbalisant] , zie proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse d.d. 20 november 2015, p. 4, 6, 9.

9 Relaas van bevindingen verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant] , zie aanvullend proces-verbaal snelheidsanalyse d.d. 23 november 2015, p. 11-16.

10 Relaas van bevindingen verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant] , zie aanvullend proces-verbaal snelheidsanalyse d.d. 23 november 2015, p. 4-8.

11 Verklaring verdachte, p. 224.

12 Relaas van bevindingen verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant] , zie aanvullend proces-verbaal snelheidsanalyse d.d. 23 november 2015, p. 4-8.

13 Relaas van bevindingen verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant] , zie aanvullend proces-verbaal snelheidsanalyse d.d. 23 november 2015, p. 5.

14 Relaas van bevindingen verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant] , zie aanvullend proces-verbaal snelheidsanalyse d.d. 23 november 2015, p. 7.

15 Relaas van bevindingen verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant] , zie aanvullend proces-verbaal snelheidsanalyse d.d. 23 november 2015, p. 8.

16 Relaas van bevindingen [verbalisant] , zie proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse d.d. 20 november 2015, p. 6-10.

17 Verklaring getuige [getuige 1] , p. 121.

18 Verklaring getuige [getuige 2] , p. 123.

19 Verklaring getuige [getuige 3] , p. 133.

20 Verklaring getuige [getuige 4] , p. 145.

21 Arrest van 23 september 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3709, bewijsoverweging C.3.

22 Verklaring [getuige 5] , p. 135

23 Verklaring getuige [getuige 3] , p. 131, verklaring getuige [getuige 2] , p. 123, en verklaring getuige [getuige 4] , p. 146.

24 Staatscourant 2013, 4861.

25 Verklaring verdachte, p. 109.

26 Relaas van bevindingen [verbalisant] , zie proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse d.d. 20 november 2015, p. 4.

27 Relaas van bevindingen [verbalisant] , zie proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse d.d. 20 november 2015, p. 24.

28 Verklaring verdachte ter terechtzitting 15 december 2015

29 Relaas van bevindingen [verbalisant 3] , p. 22.

30 Medische informatie [medicus] , p. 236.

31 Verklaring aangever [slachtoffer 2] , p. 118.

32 Relaas van bevindingen [verbalisant] , zie proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse d.d. 20 november 2015, p. 11, 12.

33 Relaas van bevindingen [verbalisant] , zie proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse d.d. 20 november 2015, p. 26.

34 Relaas van bevindingen [verbalisant] , zie proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse d.d. 20 november 2015, p. 14, 15 en 26.

35 O.a. verklaring getuige [getuige 1] , p. 121, verklaring getuige [getuige 2] , p. 123, en verklaring verdachte ter terechtzitting van 15 december 2015.

36 Conclusie P-G, ECLI:NL:PHR:2015:1307, alinea 18 e.v.

37 Besluit van het CBR d.d. 9 april 2015, dossiernummer 2014022791, los opgenomen in het dossier.

38 Verklaring getuige [getuige 6] [slachtoffer 2] , p. 243.

39 Verklaring getuige [getuige 7] , p. 245.