Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:754

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-02-2015
Datum publicatie
24-02-2015
Zaaknummer
14_2734
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:3857, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft een aantal omgevingsvergunningen verleend voor het aanleggen van een natuurpark met een ecologische functie en beperkt verblijf ter realisatie van de Ecologische Verbindingszone (EVZ) Rosmalense Aa.

De rechtbank oordeelt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanvragen van vergunninghouder uitsluitend kunnen worden getoetst aan het vigerende bestemmingsplan en niet aan de afspraken die zijn vastgelegd in een convenant dat tussen het Rijk, de provincie, de gemeente en het waterschap is gesloten. Verweerder heeft op juiste wijze toepassing gegeven aan de toetsing aan de planregels. Niet is gebleken dat onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurwetenschappelijke en/of landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de gronden. Datzelfde geldt voor de archeologische waarden van de gronden. Als uitgangspunt bij die toetsing heeft te gelden de feitelijke situatie ter plaatse. Het betoog van eiseres over de “potentiële natuurwaarde” kan niet worden gevolgd.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2015/101 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummer: SHE 14/2734 en 14/4253 en 15/100

Uitspraak van de meervoudige kamer van 13 februari 2015 in de zaak tussen

Milieuvereniging Het Groene Hart Brabant, te Den Dungen, eiseres,

(gemachtigde: mr. J.E. Dijk),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder,

(gemachtigde: mr.drs. P.W. Elfring).

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2014 (het primaire besluit 1) heeft verweerder aan de Sector

Stadsbedrijven van de gemeente ’s-Hertogenbosch een omgevingsvergunning verleend voor

het aanleggen van een natuurpark met een ecologische functie en beperkt verblijf

(Kanaalpark deelgebied 1).

Bij besluit van 14 april 2014 (het primaire besluit 2) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een natuurpark met een ecologische functie beperkt verblijf (Kanaalpark deelgebied 2).

Bij besluit van 17 februari 2014 (het primaire besluit 3) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een natuurpark (Kanaalpark Rosmalen deelgebied 3).

Bij besluiten op bezwaar van respectievelijk 4 juli 2014, 20 oktober 2014 en 4 juli 2014 (de bestreden besluiten 1, 2 en 3) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen elk van de bestreden besluiten beroep ingesteld. De beroepen zijn bekend onder de nummers SHE 14/2734, SHE 14/4253 en SHE 15/100. Er is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2015. Voor eiseres is verschenen [persoon 1], bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De sector Stadsbedrijven R&B van de gemeente ’s-Hertogenbosch heeft bij verweerder in totaal vier aanvragen ingediend voor het verlenen van omgevingsvergunningen voor het aanleggen van een natuurpark met een ecologische functie en beperkt verblijf, waarvan thans een drietal aan de orde is. Het betreft deelgebied 1 (Maasdijk - Bruistensingel), deelgebied 2 (Bruistensingel - Tivoliweg) en deelgebied 3 (Tivoliweg - Graafsebaan en A59 - Oude Bosschebaan).

Gelet op de toelichting bij de aanvragen zien deze op de volgende werkzaamheden:

-het ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen en ophogen van gronden;

-het aanplanten of kappen van bomen en/of houtgewassen;

-het aanbrengen van oppervlakteverhardingen met een oppervlakte van meer dan 200 m2;

-het aanleggen van verharde en halfverharde wegen en paden;

-het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het recreatief medegebruik en het educatief medegebruik.

2. In dit geding is aan de orde de vraag of de bestreden besluiten, waarbij bezwaren tegen de verleende omgevingsvergunningen voor het ter plaatse uitvoeren van deze werkzaamheden ten behoeve van de realisatie van de Ecologische Verbindingszone (EVZ) Rosmalense Aa ongegrond zijn verklaard, in rechte stand kunnen houden.

3. Eiseres stelt dat de omgevingsvergunningen een gevolg zijn van een door de gemeente aangegane aanlegverplichting van een ecologische verbindingszone (EVZ) met daarin de Rosmalense Aa, volgens de randvoorwaarden zoals deze zijn vastgelegd in de tussen het Rijk, de provincie, de gemeente en het waterschap gesloten overeenkomst NB 6257 2007 (hierna: het convenant). De gemeente heeft de inspanningsverplichting om al haar voor de aanleg van de ecologische zone noodzakelijke bestuurlijke handelen af te stemmen op het convenant. Op grond daarvan gelden er restricties bij de uitoefening van de bevoegdheid tot het verlenen van omgevingsvergunningen binnen de begrensde zone, aldus eiseres.

Zij stelt dat de gemeente, ondanks de daartoe bestaande verplichting, geen aantoonbare inspanning tot nakoming van het convenant heeft geleverd, omdat uit de aanvragen kan worden opgemaakt dat de daarin voorgenomen werken en werkzaamheden afwijken van de overeenkomst, alsook deels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Kanaalpark”. Dit bestemmingsplan is in werking getreden op 1 november 2013 en door een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 juli 2014 op die datum onherroepelijk geworden (ECLI:NL:RVS:2014:2612).

4. Verweerder neemt, aldus eiseres, ten onrechte het standpunt in dat de gevraagde omgevingsvergunning verleend dient te worden indien geen formele weigeringsgrond bestaat ingevolge het omgevingsrecht. Er is sprake van een weigeringsgrond op basis van het convenant, waaraan primair getoetst dient te worden.

Het bestemmingsplan wijkt voor wat betreft de EVZ zonebreedte op enkele plaatsen zeer sterk af (tot circa 22 meter) van de gemiddeld aan te houden breedte van 60 meter waarin het convenant voorziet. Ook de in het convenant voorgeschreven breedte van de Rosmalense Aa van 10 meter is op plaatsen teruggebracht tot 8 meter.

Eiseres stelt dat de beperkte EVZ zonebreedten ter plaatse van de kunstwerken in het uitwerkingsplan Kanaalpark, anders dan verweerder meent, naast het convenant ook niet voldoen aan de inhoud van het bestemmingsplan, nu deze geen aanleg van een vrije doorgang van 40 meter tot gevolg hebben.

De bouwplannen voor de kunstwerken voorzien niet in een verlenging van ten minste
40 meter vanaf de waterlijn met vrije (onder)doorgang ten behoeve van de aanleg van de EVZ. De verlenging bedraagt slechts 23 meter, dus 40% minder dan was overeengekomen in het convenant. Toch heeft verweerder de omgevingsvergunningen verleend.

In het door de gemeente ontworpen uitwerkingsplan Kanaalpark haalt de voor de aanleg van de EVZ bedoelde groenbestemming op diverse plaatsen niet de overeengekomen zonebreedte.

Ter plaatse van de kruisende kunstwerken blijft de groenzone bedoeld voor natuurontwikkeling ten behoeve van de EVZ ruim onder de 40 meter vrije doorgang.

Voor de overige zone springt de situatie bij de Harense Smid het meest in het oog waar de zone tot een schamele 22 meter is teruggebracht. Dit is wel in overeenstemming met het bestemmingsplan “Kanaalpark” maar niet met de overeenkomst.

5. Buiten deze specifieke knelpunten binnen de EVZ is ook elders op het traject sprake van een zoneversmalling tot soms 26 meter, hetgeen sterk afwijkt van de gemiddelde zonebreedte van 60 meter.

Daarnaast blijkt het uitwerkingsplan de bouw mogelijk te maken van recreatieve bruggen binnen de EVZ over de Rosmalense Aa. Daarbij wordt de vrije doorgang van de EVZ teruggebracht tot circa 10 meter. Dit valt niet te verenigen met de voorgeschreven vrije doorgang van minstens 40 meter bij de verkeerskunstwerken, aldus eiseres.

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uitsluitend het vastgestelde bestemmingsplan “Kanaalpark” bepalend is voor de vraag of de omgevingsvergunningen terecht zijn verleend en niet het door eiseres aangehaalde convenant. De werkzaamheden zijn erop gericht om de ter plaatse geldende bestemmingen te realiseren. Niet aannemelijk wordt geacht dat met de vergunde werkzaamheden onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurweten-schappelijke en/of landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de gronden. Daarnaast is ter plaatse een archeologisch onderzoek uitgevoerd waarbij geen archeologisch relevante sporen zijn aangetroffen. Op grond hiervan stelt verweerder zich op het standpunt dat de uit te voeren werkzaamheden geen enkele afbreuk doen aan de archeologische waarden van de gronden.

Verweerder is van mening in redelijkheid de vergunningen te hebben kunnen verlenen.

7. Het wettelijk en planologisch kader is als volgt.

8. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b. van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald.

9. Ingevolge artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, waaromtrent regels zijn gesteld in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, de omgevingsvergunning geweigerd indien het werk of de werkzaamheid daarmee in strijd is of in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

10. Op 23 april 2013 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan “Kanaalpark” vastgesteld.

Het doel van het plan is om de omlegging van de Zuid Willemsvaart -zoals die wordt mogelijk gemaakt met het Tracébesluit- ook vast te leggen in een bestemmingsplan. Verder wordt in het bestemmingsplan de aanleg van een ecologische verbindingszone met de Rosmalense Aa mogelijk gemaakt. Bij uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2014 zijn de beroepen tegen het bestemmingsplan ongegrond verklaard en is het bestemmingsplan geheel onherroepelijk geworden.

11. Op de gronden waarop de aangevraagde en vergunde plannen zien, rusten ingevolge het bestemmingsplan de bestemmingen “Natuur” en “Waarde-Archeologie-2”.

12. Artikel 14.1 van de planregels luidt als volgt:

De voor “Natuur” aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. ecologische verbindingszone met waterlopen;

b. natuurgebied;

c. aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen zoals sportvoorzieningen, speelvoor-zieningen, openbare verblijfsvoorzieningen, verkeersvoorzieningen, straatmeubilair, nutsvoorzieningen bijbehorende verhardingen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen en dergelijke.

13. Artikel 14.3 van de planregels luidt als volgt:

a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren:

1. het ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen en ophogen van gronden;

2. het aanplanten of kappen van bomen en/of houtgewassen;

3. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen met een oppervlakte van meer dan 200 m2;

4. het aanleggen van verharde en halfverharde wegen en paden;

5. het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het recreatief medegebruik en het educatief medegebruik;

6. t/m 8. (..).

b. (..).

c. De onder a. genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurwetenschappelijke en/of landschappelijke en cultuur-historische waarden van de gronden.

14. Artikel 23.1 van de planregels luidt als volgt:

De voor “Waarde-Archeologie-2” aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en te verwachten archeologische waarden van de gronden.

15. Artikel 23.6.1 van de planregels luidt als volgt:

a. Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en/of werkzaamheden, geen bouwwerkzaamheden, uit te voeren of te laten uitvoeren:

1. grondwerkzaamheden, groter dan 100 m² en dieper dan 0,50 meter onder het maaiveld zoals

afgraven, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanbrengen van oppervlakteverhardingen,

aanleg van drainage;

2. graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;

3. aanleggen van leidingen dieper dan 0,50 meter onder maaiveld;

4. alle overige bodemverstorende werkzaamheden die de archeologische waarden in het terrein kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van het terrein.

b. (..).

16. Ingevolge artikel 23.6.3 van de planregels kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden.

17. Hetgeen partijen verdeeld houdt is de vraag welk toetsingskader heeft te gelden bij het beoordelen van de aanvragen om omgevingsvergunningen en van welke uitgangspunten verweerder daarbij dient uit te gaan.

18. Verweerder heeft in dit verband, onder verwijzing naar artikel 8:58 van de Awb, bezwaar gemaakt tegen het feit dat eiseres in een laat stadium nog stukken aan de rechtbank heeft toegezonden. De rechtbank zal deze stukken evenwel toelaten in de procedure aangezien zij slechts een, ter zitting ook aan de orde gestelde en besproken, nadere verduidelijking vormen van de reeds aangevoerde beroepsgronden, waarop verweerder adequaat heeft kunnen reageren. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder door het toelaten van deze stukken in de vertegenwoordiging van zijn belangen zou zijn geschaad.

19. Voorts heeft te gelden dat, voor zover de gronden van eiseres zijn gericht tegen het bestemmingsplan “Kanaalpark”, deze thans buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Die argumenten horen thuis in de procedure tegen de vaststelling van het bestemmingsplan en zijn overigens -voor zover aldaar ingebracht- ook in die procedure behandeld.

20. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanvragen van vergunninghouder uitsluitend kunnen worden getoetst aan het vigerende bestemmingsplan. Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2014 houdt het convenant, dat eiseres bij de toetsing betrokken wenst te zien, niet meer in dan een inspanningsverplichting. Aan in dat kader gemaakte afspraken, wat daar ook van zij, kunnen niet de gevolgtrekkingen worden verbonden die eiseres daaraan -naar de rechtbank begrijpt- wenst te verbinden. Het oordeel van de Afdeling over de status van het convenant ziet niet alleen op de vaststelling van het bestemmingsplan, maar strekt zich naar het oordeel van de rechtbank ook uit over de onderhavige procedure.

21. Ook de vraag of verweerder op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de toetsing aan de planregels beantwoordt de rechtbank bevestigend.

Anders dan eiseres voorstaat heeft als uitgangspunt bij die toetsing te gelden de feitelijke situatie ter plaatse. Het betoog van eiseres over de “potentiële natuurwaarde”, waarmee zij bedoelt de maximale invulling van de in het bestemmingsplan neergelegde bestemming voor de gronden waarop de besluiten zien, kan niet worden gevolgd. De uitvoering of ontwikkeling van een krachtens het bestemmingsplan geldende bestemming kan immers niet door eiseres worden afgedwongen. Dat laat verweerder geen andere mogelijkheid dan, zoals hij in casu heeft gedaan, de gevolgen van de gevraagde ontwikkeling, mits in overeenstemming met de gegeven bestemming, af te zetten tegen de toestand zoals die op het moment van het indienen van de aanvraag is.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat, door het in stand laten van de primaire besluiten, onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurwetenschappelijke en/of landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de gronden. Datzelfde geldt voor de archeologische waarden van de gronden.

Het betoog faalt.

22. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, en mr. J. Heijerman en

mr. F.P.J.M. Otten, leden, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.