Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:7476

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
27-11-2015
Datum publicatie
28-07-2016
Zaaknummer
C/01/299770 / KG ZA 15-644
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

vordering geldsom

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/299770 / KG ZA 15-644

Vonnis in kort geding van 27 november 2015

in de zaak van

[eiseres 1],

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. M.A.J. Jansen te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALTIUS HORSES B.V,

gevestigd te Heusden,

gedaagde,

gemachtigde mr. M. Üffing te Coevorden.

Partijen zullen hierna [eiseres 1] en Altius genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 5 november 2015 met producties, genummerd 1 tot en met 29;

  • -

    de brief van mr. Jansen van 11 november 2015 met producties, genummerd 30 en 31;

  • -

    de brief van mr. Wensing, kantoorgenoot van mr. Üffing voornoemd, van 12 november 2015;

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 13 november 2015;

  • -

    de akte eisvermindering van [eiseres 1] ;

  • -

    de pleitnota van mr. Jansen;

  • -

    de pleitnota van mr. Üffing;

  • -

    de pleitnota van Altius.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Altius heeft een paard gefokt genaamd [het paard] , geslacht: hengst, ras: Oldenburger, kleur: zwartbruin, levensnummer: [nummers] (hierna: het paard).

2.2.

Op 1 april 2012 hebben partijen een koop & samenwerkingsovereenkomst gesloten (productie 2 bij de dagvaarding, hierna: de overeenkomst), waarin zij, voor zover in dit geding van belang, het volgende hebben opgenomen.

“(…)

verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

  1. Dat verkoper eigenaar is van het paard (…) en deze deels gaat verkopen aan de (…) koper.

  2. Dat verkoper aan koper 50% van de eigendom wil overdragen tegen een speciaal afgesproken bedrag van € 20.000. (De waarde van [het paard] op 28 maart 2012 bedraagt € 50.000)

  3. De koper heeft als doel het paard professioneel op te leiden voor de hogere dressuursport en op het hoogst haalbare niveau uit te brengen.

  4. [het paard] zal gestald worden bij een door koper voorgedragen pensionstal, de kosten van stalling hier ad € 400,- per maand komen voor rekening van verkopers en zullen rechtstreeks worden voldaan.

  5. Kosten van verzorging en training en de hierbij horende kosten voor [het paard] komen volledig ten laste van de koper.

(…)

Overige mogelijke kosten zullen in goed overleg worden gedeeld tussen beide eigenaren.

(…)”

2.3.

[eiseres 1] heeft het paard gestald bij [naam 1] . Altius heeft tot 1 april 2013 de maandelijks verschuldigde kosten ad € 400,00 voldaan conform artikel d van de overeenkomst. Daarna is Altius opgehouden met het verrichten van de betalingen.

2.4.

Bij vonnis in kort geding van 20 oktober 2014 heeft de voorzieningenrechter in conventie Altius onder meer veroordeeld tot betaling van de maandelijkse stallingskosten ad € 400,00 vanaf oktober 2014, één en ander conform het bepaalde onder d van de overeenkomst. Voorts heeft de voorzieningenrechter Altius veroordeeld om [eiseres 1] toestemming te verlenen voor het operatief laten verwijderen van de chipfragmenten en het paard te laten behandelen ter revalidatie van die operatie (productie 19 bij de dagvaarding). Tevens heeft de voorzieningenrechter bepaald dat, bij gebreke van die toestemming het vonnis in de plaats treedt van de toestemming van Altius voor de operatie en behandeling ter revalidatie.

2.5.

Altius heeft nadien betalingen verricht. De laatste betaling van [eiseres 1] vond plaats op 28 november 2014.

2.6.

Per 1 juni 2015 is het paard overgebracht naar een naburige stal, [naam 2] . [naam 2] heeft de maandelijkse stallingskosten steeds rechtstreeks aan Altius gefactureerd.

2.7.

Bij dagvaarding van 31 juli 2015 (productie 25 bij de dagvaarding) heeft [eiseres 1] bij de rechtbank Oost-Brabant verdeling van het paard gevorderd, met toedeling van het paard aan haar onder verrekening casu quo betaling van het door Altius verschuldigde.

2.8.

Bij brief van 16 september 2015 heeft mr. Jansen Altius gesommeerd om de stallingskosten van december 2014 tot en met september 2015 ad € 4.000,00 alsmede 50% van de kosten nabehandelingen revalidatie ad € 945,00 binnen veertien dagen aan [eiseres 1] te voldoen (productie 26 bij de dagvaarding) .

3 Het geschil

3.1.

[eiseres 1] vordert in dit geding na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. Altius te veroordelen om aan [eiseres 1] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

a. een bedrag van € 4.400,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 3 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

b. Een voorschot op maandelijks te betalen stallingskosten van € 400,00 ten bedrage van in totaal € 14.400,00, onder de verplichting voor [eiseres 1] om, indien en zodra op een eerder moment dan 1 november 2018 het paard, althans het aandeel van Altius van 50% in het paard, is verkocht of het paard is komen te overlijden, het alsdan resterende bedrag van dit voorschot terug te betalen aan Altius.

c. Een bedrag van € 945,35, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 3 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

2. Altius te in de proceskosten te veroordelen, alsmede in de nakosten (zowel zonder als met betekening), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

[eiseres 1] legt hieraan –kort weergegeven- het volgende ten grondslag. Altius schiet tekort in de nakoming met hetgeen partijen zijn overeengekomen in artikel d van de overeenkomst van 1 april 2012.

Vanaf 1 april 2013 is Altius opgehouden [naam 1] en [eiseres 1] de maandelijks verschuldigde kosten van € 400,00 te betalen, en overigens in de kosten te delen. [eiseres 1] was hierdoor vanaf dat moment genoodzaakt om uit hoofde van zaakwaarneming het door Altius uit de overeenkomst verschuldigde maandelijks te betalen. Altius dient deze door [eiseres 1] gemaakte kosten te vergoeden. Voor [eiseres 1] is het financieel niet langer haalbaar de stallingskosten te blijven voorschieten, zij is financieel niet in staat de uitkomst van de verdelingsprocedure af te wachten. [eiseres 1] heeft er geen vertrouwen in dat Altius de stallingskosten (alsnog) vrijwillig zal betalen, nu Altius zich eerder schuldig heeft gemaakt aan wanbetaling. De stallingskosten die Altius tot op heden heeft betaald voor [eiseres 1] bedragen, van 28 november 2014 tot en met oktober 2015, 11x € 400,00 = € 4.400,00.

Altius verkeert sedert 3 maart 2015 in verzuim. Uit oogpunt van een evenwichtige risicoverdeling tussen partijen heeft [eiseres 1] eveneens belang bij betaling door Altius van een voorschot op de door haar verschuldigde stallingskosten vanaf november 2015 tot 1 november 2018 ad 36 x € 400,00 = € 14.400,00. Weliswaar betreft deze vordering een toekomstige vordering, maar deze kan, gelet op de hardnekkige betalingsonwil van Altius Horses worden toegewezen. Altius heeft bovendien niet bijgedragen aan de nabehandelingen in het kader van de revalidatie van het paard na de verwijdering van de chipfragmenten, hoewel zij daartoe ingevolge artikel g van de overeenkomst wel gehouden is.

3.3.

Altius heeft ten verwere –kort weergegeven- het volgende naar voren gebracht.

Altius betwist de vorderingen van [eiseres 1] . Bovendien ontberen de vorderingen ieder spoedeisend belang. Daarbij komt dat er aan de zijde van [eiseres 1] sprake is van een aanzienlijk restitutierisico nu [eiseres 1] ook zelf aangeeft onbemiddeld te zijn.

3.3.1.

Het huidige staladres, [naam 2] , factureert een te hoog bedrag. Altius heeft hieromtrent aanpassing verzocht. Deze aanpassing is nog niet geschied. Het paard is voorts een aantal maanden gestald geweest bij de heer [naam 3] in België, hetgeen tot dubbele stallingskosten heeft geleid. Voor toewijzing van de toekomstige stallingskosten is geen grondslag. Deze kosten moeten immers per maand betaald worden en niet jaren vooruit.

3.3.2.

De gevorderde revalidatiekosten behoren geheel voor rekening van [eiseres 1] te komen. Bovendien is hierover geen overleg gepleegd en beroept Altius zich op verrekening.

[eiseres 1] heeft in het geheel geen overleg gevoerd met Altius over de verwijdering van de chipfragmenten, hoewel [eiseres 1] hiertoe uit hoofde van de overeenkomst verplicht was. In de bodemzaak zal uitgezocht moeten worden of er wel of niet sprake was van een chirurgische noodzaak voor het verwijderen van de chipfragmenten.

[eiseres 1] stelt weliswaar dat zij financieel niet in staat is de stallingskosten te dragen maar haar moeder is contractueel eveneens partij, zij is ook koper. Moeder kan wellicht de kosten dragen. Elk spoedeisend belang valt hiermee weg. Bovendien is de stelling van [eiseres 1] dat zij financieel niet in staat is tot voldoening van de stallingskosten überhaupt ongeloofwaardig, gelet op het feit dat zij een VIP tafel huurt van

€ 1.500,00 tot € 2.000,00 voor een dagdeel Jumping Amsterdam.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.2.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is genoegzaam gebleken dat [eiseres 1] een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. [eiseres 1] heeft gemotiveerd naar voren gebracht dat zij niet langer in staat is om de maandelijkse stallingskosten van het paard te voldoen. Altius heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiseres 1] , gelet op het feit dat zij voor een dagdeel Jumping Amsterdam een VIP-tafel heeft gehuurd van € 1.500,00 à € 2.000,00, wel degelijk tot betaling van de stallingskosten in staat is, en dat [eiseres 1] mitsdien geen spoedeisend belang heeft bij de door haar ingestelde vorderingen. Nog afgezien van het feit dat uit de gedingstukken niet is gebleken dat [eiseres 1] dit bedrag inderdaad heeft betaald, betekent het enkele feit dat [eiseres 1] eenmalig een behoorlijk bedrag aan een evenement heeft voldaan nog niet dat zij in staat is maandelijks € 400,00 aan stallingskosten te voldoen. Ook het feit dat de moeder van [eiseres 1] contractspartij is bij de overeenkomst maakt nog niet dat [eiseres 1] geen spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen, al was het maar omdat gesteld noch gebleken is dat moeder bereid en in staat is deze kosten voor haar rekening te nemen.

Ad a)

4.3.

De vordering van [eiseres 1] onder a is in dit geding voldoende aannemelijk geworden. Immers, de overeenkomst laat niets aan duidelijkheid te wensen over. Daarin staat met zoveel woorden vermeld dat de kosten van stalling ad € 400,00 per maand voor rekening van verkopers (lees: Altius, vzr.) komen. Altius moet derhalve maandelijks een bedrag ad € 400,00 aan stallingskosten voldoen. Het enkele feit dat het huidige staladres, [naam 2] , wellicht een te hoog bedrag factureert, ontslaat Altius geenszins van de verplichting om maandelijks een bedrag van € 400,00 aan stallingskosten voor haar rekening te nemen. Ook indien er gedurende een periode sprake is van dubbele stallingskosten, zal Altius de maandelijks door haar verschuldigde kosten ad € 400,00 moeten voldoen. Altius heeft niet weersproken dat zij de stallingskosten over de maanden november 2014 tot en met oktober 2015 niet heeft voldaan en dat [eiseres 1] uit hoofde van zaakwaarneming deze kosten gedurende elf maanden voor haar rekening heeft genomen. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:200 lid 1 BW zal Altius de aldus door [eiseres 1] geleden schade ad € 4.400,00 (11 x € 400,00) moeten vergoeden.

4.4.

Gelet op de hoge mate van aannemelijkheid van de vordering van [eiseres 1] behoeft de vraag of en in hoeverre sprake is van een restitutierisico aan haar zijde in dit geding niet te worden beantwoord. De vordering onder a) ligt voor toewijzing gereed.

Ad b)

4.5.

Het is de voorzieningenrechter voldoende gebleken dat Altius in het verleden herhaaldelijk heeft geweigerd te voldoen aan haar betalingsverplichtingen uit de overeenkomst. Niet kan worden uitgesloten dat Altius ook in de toekomst betaling van de stallingskosten weigert. In het kader van het onderhavige kort geding voert het echter te ver om Altius te veroordelen het hele bedrag ineens bij vooruitbetaling te voldoen. Mitsdien zal Altius worden veroordeeld om tot en met 31 oktober 2018 maandelijks

€ 400,00 aan Van de Wijngaarden betalen, die er vervolgens de stallingskosten van zal voldoen. Mitsdien zal de vordering onder b tot zover worden toegewezen.

Ad c)

Ten aanzien van de gevorderde revalidatiekosten overweegt de voorzieningenrechter dat partijen waren overeengekomen dat de overige mogelijke kosten in goed overleg zouden worden gedeeld tussen beide eigenaren (zie de overeenkomst onder g).

Tussen partijen is niet in geschil dat een dergelijk overleg nimmer heeft plaatsgevonden. Voorshands kan dan ook niet worden uitgesloten dat de bodemrechter zal oordelen dat Altius niet voor de gevorderde revalidatiekosten zal hoeven opdraaien.

De vordering onder c zal daarom worden afgewezen.

4.6.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt Altius om aan [eiseres 1] te betalen een bedrag van € 4.400,00 (vierduizendvierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 3 maart 2015 tot de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt Altius om aan [eiseres 1] vanaf november 2015 tot en met oktober 2018 telkens vóór de eerste dag van de volgende maand een bedrag van € 400,00 te betalen;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2015.