Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:7376

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
08-01-2016
Zaaknummer
15_2087
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verhouding tussen tegemoetkoming in de schade op grond van de Wet ruimtelijke ordening en die op grond van de Waterwet.

Doel van de voorrangsregeling in artikel 7.16 van de Water wet is, volgens de wetgever, om ook de door de uitoefening van taken of bevoegdheden in het kader van het waterbeheer veroorzaakte planologische schade onder de werking van de Waterwet af te handelen.

Uit de wetsgeschiedenis en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW3861, 31 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1730 en 25 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:530 leidt de rechtbank af dat er zich situaties kunnen voordoen waarin de aanwijzing van een waterbergingsgebied voor vergoeding op grond van de Waterwet in aanmerking komt en dat die schadevergoeding mede een vergoeding betreft van eventuele nadelige planologische gevolgen van die aanwijzing. Hiervan is met name sprake, wanneer zowel een aanwijzing in het planologische spoor als een aanwijzing in het waterspoor - door opname op de legger - heeft plaatsgevonden. In dat geval biedt artikel 7.16 van de Waterwet een voorrangsregeling.

Er kunnen zich situaties voordoen dat een aanwijzing in het ruimtelijke spoor heeft plaatsgevonden, maar een aanwijzing in het waterspoor (nog) achterwege is gebleven. In dat geval is er mogelijk al schade opgetreden. Bij het ontbreken van een aanwijzing van de waterberging op de legger is echter (nog) geen sprake van een situatie waarin een belanghebbende met betrekking tot die schade een beroep kan doen op een schadevergoeding als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid. In een dergelijk geval biedt afdeling 6.1 van de Wro de grondslag voor een verzoek om een tegemoetkoming in de schade.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Waterwet
Waterwet 7.14
Waterwet 7.16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWA 2016/1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 15/2087

SHE 15/2148

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2015 in de zaken tussen

[eisers 1], eisers 1,

(gemachtigde: mr. R. Brouwer),

[eisers 2], eisers 2,

(gemachtigde: mr. F.H. Damen),

allen te Valkenswaard, hierna gezamenlijk te noemen: eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenswaard,

verweerder,

(gemachtigden: drs. C. Evers en J.A.W.M. Loeffen).

Procesverloop

Bij besluiten van 25 november 2014, verzonden op 27 november 2015, heeft verweerder de verzoeken van eisers om tegemoetkoming in de planschade afgewezen.

Tegen deze besluiten hebben eisers bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluiten van 16 juni 2015 heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Eisers 1 en eisers 2 hebben tegen het hen betreffende besluit op 23 juli 2015, respectievelijk 27 juli 2015, beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft naar aanleiding van de beroepen de op zaak betrekking hebbende stukken en verweerschriften ingediend.

De zaken zijn gezamenlijk behandeld ter zitting van 27 oktober 2015, waar eisers 1 zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en M.J.T. Roosen. Eisers 2 zijn eveneens verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Eisers hebben aanvragen om een tegemoetkoming in de planschade ingediend, in verband met schade ten gevolge van de vaststelling van het bestemmingsplan "Valkenswaard-Zuid" en het uitwerkingsplan "Lage Heide Natuur".

1.2

Eisers 1 zijn eigenaar van de volgende percelen:

  • -

    Valkenswaard, D 4747, groot 35 a en 10 ca;

  • -

    Valkenswaard, D 5006, groot 41 a en 15 ca;

  • -

    Valkenswaard, D 618, groot 22 a en 80 ca.

[eisers 2] zijn eigenaar van achtereenvolgens de volgende percelen:

  • -

    Valkenswaard, D 4754, groot 27 a en 30 ca;

  • -

    Valkenswaard, D 4753, groot 24 a en 5 ca;

  • -

    Valkenswaard, D 4752, groot 26 a en 15 ca.

1.3

Verweerder heeft het verzoek voor advies voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken te Rotterdam (SAOZ). Op 22 januari 2014 heeft de SAOZ advies uitgebracht. Verweerder heeft dit advies aan het primaire besluit ten grondslag gelegd.

Door de SAOZ zijn twee planvergelijkingen gemaakt. Het bestemmingsplan "Valkenswaard-Zuid" is op 26 april 2007 vastgesteld, op 24 april 2008 in werking getreden en op 25 maart 2009, na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over dit bestemmingsplan, onherroepelijk geworden. In dit bestemmingsplan is een uitwerkingsplicht opgenomen ten aanzien van de bestemming "Natuur-uit te werken". De SAOZ heeft in de eerste planvergelijking dit plan vergeleken met het voorafgaande bestemmingsplan "Buitengebied".

Op 1 februari 2012 is het uitwerkingsplan "Lage Heide natuur" (hierna: uitwerkingsplan) vastgesteld, dat op 24 maart 2011 in werking is getreden en op 13 juni 2012 onherroepelijk is geworden. De SAOZ heeft in de tweede planvergelijking het uitwerkingsplan vergeleken met het bestemmingsplan "Valkenswaard-Zuid".

2.1

Eisers 2 hebben betoogd dat verweerder een planschaderapport heeft laten opstellen, maar, anders dan ten aanzien van hen, in de zaken van andere belanghebbenden die ook een verzoek om planschadetegemoetkoming hebben ingediend, een second opinion heeft gevraagd, in verband met kanttekeningen bij de juistheid van de getaxeerde waarde. Verweerder twijfelt kennelijk alleen aan de betrouwbaarheid of zorgvuldigheid en deskundigheid van de SAOZ, als dit in zijn voordeel is. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van verweerder.

2.2

Eisers 2 hebben, voor zover hierin een beroepsgrond zou kunnen worden gelezen, deze grond ter zitting ingetrokken.

3.1

Verweerder heeft aan de bestreden besluiten, in navolging van de SAOZ, ten grondslag gelegd dat de gestelde schade door de aanwijzing van de gronden tot waterbergingsgebied niet op grond van artikel 6.1 van de Wro bij verweerder kan worden geclaimd, maar dat eisers zich met een verzoek op basis van artikel 7.14 van de Waterwet moeten richten tot waterschap De Dommel.

Volgens verweerder vormt de Waterwet het exclusieve kader voor schade als gevolg van waterberging. Verweerder verwijst voor de onderbouwing van dit standpunt naar de pagina's 36 en 37 van de Memorie van toelichting bij Invoeringswet Waterwet (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008-2009, 31 858, nr. 3).

3.2

Eisers voeren aan dat de aanwijzing van gronden in de nieuwe planologische regimes als waterbergingsgebied ten onrechte niet is meegenomen in de planologische vergelijkingen. Er dient volgens hen een onderscheid te worden gemaakt tussen de planologische aanwijzing, in het bestemmingsplan, van gronden ten behoeve van "Waterberging", waarvan de schade dient te worden vergoed op grond artikel 6.1 van de Wro, en de inrichting van het gebied, waarvan de schade valt onder de reikwijdte van artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet.

Eisers 1 wijzen in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1730.

Eisers 2 wijzen in dit verband op de uitspraken van de Afdeling van 13 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW8128, en van 25 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:530.

3.3

Ingevolge artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kennen burgemeester en wethouders degene die, in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak, schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

3.4

In artikel 7.14 van de Waterwet is bepaald dat, aan degene die als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer schade lijdt of zal lijden, op zijn verzoek door het betrokken bestuursorgaan een vergoeding wordt toegekend, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

Op grond van artikel 7.16 van de Waterwet blijft Afdeling 6.1 van de Wro buiten toepassing, voor zover een belanghebbende met betrekking tot de schade een beroep doet of kan doen op een schadevergoeding als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid.

3.5

In de Memorie van Toelichting bij artikel 7.12a (thans: artikel 7.16) van de Waterwet (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008-2009, 31 858, nr. 3. pagina 36-37), is aangegeven dat, om te voorkomen dat ten gevolge van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer tweeërlei schadevergoeding moet worden gevraagd - zowel een tegemoetkoming in de planologische schade op grond van Afdeling 6.1 van de Wro, als schadevergoeding op grond van artikel 7.11 (thans: artikel 7.14) van de Waterwet - een voorrangsregeling wordt opgenomen. Doel van deze voorrangsregeling is om ook de door de uitoefening van taken of bevoegdheden in het kader van het waterbeheer veroorzaakte planologische schade onder de werking van de Waterwet af te handelen.

3.6

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 25 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW3861, mede ten behoeve van de duidelijkheid in de bestuurspraktijk, over het stelsel van de Waterwet, voor zover deze wet betrekking heeft op waterbergingen, het volgende opgemerkt, daarbij een drietal elementen onderscheidend:

"Allereerst is er de aanwijzing van een gebied tot bergingsgebied. Dit is primair een kwestie van ruimtelijke ordening, een planologische aanwijzing. Het gewenste bergingsgebied moet als zodanig ruimtelijk worden ingepast. Voorts neemt de beheerder het bergingsgebied op op de legger als bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet. Bij deze aanwijzing op de legger worden de geografische ligging en de omvang van het bergingsgebied exact bepaald."

(…)

"Paragraaf 3 van hoofdstuk 7 van de Waterwet bevat een regeling voor vergoeding van schade. Schade als gevolg van de aanwijzing van een bergingsgebied, de aanleg of inrichting van een bergingsgebied en de ingebruikstelling van een gebied als waterberging, kan op grond van die regeling voor vergoeding in aanmerking komen."

3.7

In haar, door eisers 1 aangehaalde, uitspraak van 31 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1730, heeft de Afdeling, in rechtsoverweging 38.9, het volgende overwogen:

"Voor zover [appellant sub 29] aanvoert dat het onduidelijk is welke schade voor vergoeding in aanmerking komt, wordt overwogen dat de oorzaken van schade in dit verband moeten worden onderscheiden. Schade ten gevolge van de planologische aanwijzing van het bergingsgebied in het bestemmingsplan, zoals waardevermindering van agrarische gronden door de dubbelbestemming "Waterstaat-Waterbergingsgebied", kan op grond van artikel 6.1 van de Wro voor vergoeding in aanmerking komen. Daarnaast bevatten de artikelen 7.14 en 7.16 van de Waterwet regels voor de vergoeding van schade als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid van het waterschap. Het waterschap heeft invulling gegeven aan voormelde artikelen van de Waterwet en heeft voorzien in een nadeelcompensatieregeling waarbij schade als gevolg van de inrichting van het bergingsgebied en schade als gevolg van inundatie voor vergoeding in aanmerking kan komen. Het betoog faalt."

In dezelfde lijn overweegt de Afdeling in haar uitspraak van 25 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:530:

"Over de schade overweegt de Afdeling dat [appellant] op grond van de artikelen 7.14 en verder van de Waterwet om schadevergoeding kan vragen. Voorts kan schade ten gevolge van de planologische aanwijzing van het bergingsgebied in het bestemmingsplan, zoals waardevermindering van agrarische gronden door de dubbelbestemming "Waterstaat-Waterbergingsgebied", op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening voor vergoeding in aanmerking komen".

3.8

De rechtbank leidt uit deze uitspraken, in combinatie met de geschiedenis van de totstandkoming van de Waterwet, af dat er zich situaties kunnen voordoen waarin de aanwijzing van een waterbergingsgebied voor vergoeding op grond van de Waterwet in aanmerking komt en dat die schadevergoeding mede een vergoeding betreft van eventuele nadelige planologische gevolgen van die aanwijzing. Hiervan is met name sprake, wanneer zowel een aanwijzing in het planologische spoor als een aanwijzing in het waterspoor - door opname op de legger - heeft plaatsgevonden. In dat geval biedt artikel 7.16 van de Waterwet een voorrangsregeling.

Er kunnen zich situaties voordoen dat een aanwijzing in het ruimtelijke spoor heeft plaatsgevonden, maar een aanwijzing in het waterspoor (nog) achterwege is gebleven. In dat geval is er mogelijk al schade opgetreden. Bij het ontbreken van een aanwijzing van de waterberging op de legger is echter (nog) geen sprake van een situatie waarin een belanghebbende met betrekking tot die schade een beroep kan doen op een schadevergoeding als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid. In een dergelijk geval biedt afdeling 6.1 van de Wro de grondslag voor een verzoek om een tegemoetkoming in de schade.

3.9

In dit geval is sprake van een aanwijzing van gronden voor waterberging in het uitwerkingsplan dat op 24 maart 2011 in werking is getreden. Deze gronden, die in het uitwerkingsplan de dubbelbestemming "Waterberging" hebben gekregen, zijn op de laatste versie van de legger, van 24 juli 2015, nog niet als zodanig aangewezen.

Dit betekent dat eisers geen aanspraak kunnen maken op een vergoeding van eventueel ontstane schade door een aanwijzing op grond van artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet.

Verweerder heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat de voorrangsregeling van artikel 7.16 van de Waterwet van toepassing is en eisers zich met een verzoek om schadevergoeding tot waterschap De Dommel moeten richten.

Deze beroepsgrond slaagt.

4.1

Verweerder heeft, met betrekking tot de eerste planvergelijking, overwogen dat de gronden die voorheen waren bestemd tot "Verkeersdoeleinden, verharde weg" niet ten behoeve van een agrarische functie mochten worden aangewend, omdat dit gebruik in een gebruiksbepaling was verboden. Omdat dit gebruik op grond van het bestemmingsplan "Valkenswaard-Zuid" evenmin is toegestaan, is geen sprake van een planologisch nadeel. De omstandigheid dat het agrarische gebruik zowel in het oude als in het nieuwe plan op grond van het overgangsrecht mocht voortduren, mag in de planologische vergelijking geen rol spelen.

Dat aan een gedeelte van het tracé goedkeuring is onthouden, heeft volgens verweerder niet logischerwijze tot gevolg dat het tracé niet had kunnen worden aangelegd. Een verkeersverbinding in noordelijke richting - zoals een rondweg - was niet uitgesloten.

Ook de omstandigheid dat voor de realisering van de bestemming "Verkeersdoeleinden" aanlegvergunningen nodig waren, betekent niet dat sprake is van een waardedaling. De vergunningplicht als zodanig houdt geen planologische beperking in.

4.2

Volgens eisers had de bestemming "Verkeersdoeleinden, verharde weg" met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid nooit als zodanig kunnen worden ingevuld.

Volgens eisers 1 is het niet redelijk om daarvan wel uit te gaan, omdat vijftig jaar na dato de weg nog steeds niet is gerealiseerd. Eisers 1 zijn niet bekend met enige poging tot verkrijging of onteigening door de gemeente. Zonder verwerving kon de weg nooit worden gerealiseerd. Omdat door de planologische wijziging de gronden nooit meer voor dit doel zullen worden verworven, zullen eisers 1 nooit meer een vergoeding daarvoor kunnen krijgen. Ook daarom leidt die wijziging tot een planologisch nadeel.

Volgens eisers 2 staat het, gelet op het Koninklijk Besluit van 26 juni 1986, nr. 27, waarbij alsnog gedeeltelijk goedkeuring is onthouden aan het bestemmingsplan "Buitengebied", vast dat de verbindingsweg waarvoor de verkeersbestemming was opgenomen, nimmer zou kunnen worden gerealiseerd. Ook de omstandigheid dat in de gemeente Waalre nimmer goedkeuring is gegeven aan het tracé van de rondweg wijst hierop. Verder verwijzen eisers 2 in dit verband naar het gespreksverslag van een overleg met de gemeente, in welk overleg van de zijde van de gemeente zou zijn erkend, dat de bestemming "Verkeersdoeleinden-verharde weg" buiten de planvergelijking had moeten worden gehouden.

Dat een andere vorm van verkeersverbinding had kunnen worden gerealiseerd, achten eisers 2 niet aannemelijk. Daarvoor had een nieuw bestemmingsplan vastgesteld moeten worden.

4.3

De rechtbank volgt verweerder in zijn opvatting dat de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring door de Kroon niet logischerwijze tot gevolg had dat het tracé niet meer had kunnen worden aangelegd. In het Koninklijk Besluit is alsnog goedkeuring verleend aan artikel 3 "Verkeersdoeleinden, verharde weg", behoudens wegprofiel no. 1. Ook als de realisering van de bestemming niet meer had kunnen leiden tot de totstandbrenging van een gedeelte van de rondweg, kon niet worden uitgesloten dat de als zodanig bestemde gronden wel hadden kunnen worden gebruikt voor de realisering van een andere weg. Dat in de gemeente Waalre daardoor nimmer goedkeuring is gegeven aan het tracé van de rondweg, doet hieraan geen afbreuk. Aan de, door eisers 1 als illustratie bij hun aanvullende gronden van 15 oktober 2015 gevoegde luchtfoto, met daarop een indicatie van het volgens hen onlogische verloop van het traject bij realisering van een rondweg, komt dan ook geen doorslaggevende betekenis toe.

Ook de omstandigheid dat de uit te werken bestemming, op grond van het bestemmingsplan "Valkenswaard-Zuid", zou hebben moeten worden voorzien van een stelsel van aanlegvergunningen leidt niet tot het oordeel dat de bestemming "Verkeersdoeleinden, verharde weg" met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid nooit als zodanig had kunnen worden ingevuld. Dat de uitvoering van bepaalde werken en werkzaamheden aan een vergunningplicht zijn onderworpen, maakt niet dat die werkzaamheden geen doorgang kunnen vinden. Een dergelijke vergunningplicht is enkel opgenomen om met andere door het bestemmingsplan beschermde belangen in het bijzonder rekening te kunnen houden.

Dat eisers 1, ten gevolge van de planologische wijziging, nooit meer een vergoeding kunnen krijgen voor de verwerving van hun gronden, is juist vervat in de eventuele schade die op grond van afdeling 6.1 van de Wro voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen. Deze afdeling biedt geen grondslag voor een aanvullende schadevergoeding.

Omdat agrarisch gebruik van de gronden met de bestemming "Verkeersdoeleinden, verharde weg" niet was toegestaan, volgt de rechtbank eisers 1 niet in hun standpunt met betrekking tot het verschil in het agrarisch gebruik in het bestemmingsplan "Valkenswaard-Zuid", ten opzichte van dat in het voorafgaande bestemmingsplan "Buitengebied".

Deze beroepsgrond faalt.

5.1

Verweerder heeft zich, in het kader van de tweede planvergelijking, op het standpunt gesteld dat, als de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van het moederplan "Valkenswaard-Zuid" worden vergeleken met die van het uitwerkingsplan "Lage Heide natuur", kan worden vastgesteld dat wat met het uitwerkingsplan mogelijk is geworden, niet wezenlijk afwijkt van wat op grond van het moederplan naar redelijke verwachting aan invulling mocht worden verwacht. Dat in het uitwerkingsplan onderscheid is gemaakt tussen de bestemmingen "Natuur-1" en "Natuur-2" ligt, gezien de ligging van de gronden, in de lijn der verwachting; bij gronden direct tegen de watergang hoort een striktere bescherming.

5.2

Eisers 1 voeren aan dat een duidelijke vergelijking, door de SAOZ en door verweerder, tussen de uit te werken bestemming en de uitgewerkte bestemming ontbreekt. Het enkel benoemen van bepalingen en een korte opmerking dat geen sprake is van een nadeliger situatie is volgens eisers onvoldoende.

5.3

De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt van een afdoende motivering is voorzien. Het gaat er bij de vergelijking tussen een uit te werken plan en een uitgewerkt plan om, in hoeverre de uitgewerkte bestemming overeenkomt met wat op grond van de uit te werken bestemming redelijkerwijs mocht worden verwacht. Uit de motivering blijkt dat er een onderscheid is gemaakt tussen "Natuur-1" en "Natuur-2" en dit onderscheid verband houdt met de ligging. Uit deze motivering, in combinatie met de planverbeelding, kunnen eisers 1 daarom afleiden wat de consequenties voor hun percelen zijn. Eisers 1 hebben niet betoogd dat een natuurbestemming niet in de lijn der verwachting lag.

Deze beroepsgrond faalt.

6.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een planologisch nadeel dat moet leiden tot een tegemoetkoming in de schade. De waarde van de gronden bedroeg, onder het oude planologische regime, met de bestemming "Verkeersdoeleinden, verharde weg", omdat agrarisch gebruik van deze gronden niet was toegestaan, € 1,00 per m2. De nieuwe waarde bedraagt eveneens € 1,00 per m2, gebaseerd op de bestemming "Natuur-1", deels bestaande uit bos. Binnen deze bestemming is het agrarisch medegebruik beperkt tot extensieve beweiding.

6.2

Eisers 1, onder verwijzing naar het door hen in de beroepsfase ingebrachte taxatierapport van taxateur Roosen, en eisers 2, onder verwijzing naar het door hen in de bezwaarfase ingebrachte taxatierapport van taxateur Berkhof, betogen dat de waarde van de grond met de bestemming "Verkeersdoeleinden, verharde weg" € 6,00 per m2 bedroeg, zodat verweerder van een onjuiste waarde is uitgegaan. Zij hebben hierbij betrokken dat van een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat de bestemming zou worden gerealiseerd, geen sprake is en daarom van agrarisch gebruik had moeten worden uitgegaan.

6.3

Eisers hebben niet betwist dat de waarde van de grond, na de planologische wijziging, € 1,00 per m2 bedraagt. De rechtbank is van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat verweerder bij de taxatie is uitgegaan van onjuiste gegevens over de waarde voorafgaande aan de planologische wijzigingen. De rechtbank betrekt hierbij dat de taxateurs van eisers bij de waardebepaling van de grond voorafgaande aan de planologische vergelijking zijn uitgegaan van agrarisch medegebruik van de gronden. Omdat dit niet was toegestaan, komt aan het feitelijke agrarische gebruik van deze gronden geen betekenis toe.

Deze beroepsgrond faalt.

7. Uit het voorafgaande volgt dat de beroepen gegrond zijn. De bestreden besluiten komen voor vernietiging in aanmerking.

8. Omdat verweerder alsnog zal moeten beoordelen of ten gevolge van de bestemming "Waterberging" een tegemoetkoming in de schade op grond van artikel 6.1 van de Wro moet worden toegekend en verweerder daarvoor opnieuw een planschadeadvies zal moeten vragen, leent deze zaak zich niet voor het zelf voorzien door de rechtbank of voor een bestuurlijke lus. De rechtbank zal verweerder opdragen om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen.

9. De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling, bestaande uit de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de beroepsfase en de bezwaarfase. Deze kosten worden, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor eisers 1 begroot op in totaal € 1.960,00 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, waarde per punt € 490,00, wegingsfactor 1) en voor eisers 2 op in totaal € 1.470,00 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, waarde per punt € 490,00, wegingsfactor 1).

Omdat de door eisers in het geding gebrachte (taxatie)rapporten geen betrekking hebben op het ten onrechte buiten de beoordeling laten van de gronden die zijn bestemd tot "Waterberging", komen de kosten hiervan niet voor vergoeding in aanmerking.

10. Verder zal de rechtbank bepalen dat verweerder eisers het door hen betaalde griffierecht moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    draagt verweerder op om, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw op het bezwaar van eisers te beslissen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten, voor eisers 1 begroot op € 1.960,00 en voor eisers 2 op € 1.470,00;

  • -

    bepaalt dat verweerder eisers 1 en eisers 2 elk het door hen betaalde griffierecht van € 167,00 moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.