Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:7254

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
01/845469-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn levensgezel op straat meerdere keren tegen het hoofd en het lichaam geschopt en met een fles tegen het hoofd van het slachtoffer geslagen. De rechtbank vindt een poging tot zware mishandeling bewezen en legt een gevangenisstraf van 8 maanden met aftrek voorarrest op. Daarnaast moet verdachte € 1.000,-- immateriële schade vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845469-15

Datum uitspraak: 16 december 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [1986] ,

wonende te [adres] te [woonplaats] ,

thans gedetineerd te: PI Vught, Vosseveld 2 HvB Regulier.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 september 2015 en 2 december 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 augustus 2015.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 2 december 2015 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 juni 2015 te Helmond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] , zijnde verdachtes levensgezel

opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt en/of meermalen, althans eenmaal met een fles tegen/op het hoofd heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 juni 2015 te Helmond zijn levensgezel, [slachtoffer] ,

heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te schoppen en/of door voornoemde [slachtoffer] aan haar haren te trekken;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat zich in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevindt om te komen tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging tot doodslag. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van de onder primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De onder primair (impliciet subsidiair) ten laste gelegde poging tot zware mishandeling is wettig en overtuigend te bewijzen.

Het standpunt van de verdediging.

De verklaringen van de getuigen stemmen niet overeen en worden weersproken door verdachte. Bovendien sluit het letsel niet uit dat er iets anders is gebeurd. Aangeefster verklaart ongeloofwaardig over het slaan met de fles. De verdediging stelt zich op het standpunt dat zich in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevindt voor het met een fles slaan tegen het hoofd en het schoppen in het gezicht, zodat de poging tot zware mishandeling niet bewezen kan worden. De verdediging verzoekt de rechtbank derhalve om verdachte integraal vrij te spreken van het primair ten laste gelegde.

Het oordeel van de rechtbank.1

Betrouwbaarheid van de verklaringen.

Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] betrouwbaar. Dat hun verklaringen deels verschillen, onder meer in de volgorde van bepaalde handelingen van verdachte, doet aan de betrouwbaarheid van die verklaringen niet af, omdat de verklaringen elkaar op specifieke punten ondersteunen. De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat de verklaring van aangeefster en [getuige 1] voor wat betreft het slaan met de fles wordt ondersteund door de medische verklaring. De rechtbank zal de verklaringen dan ook gebruiken voor het bewijs. De rechtbank verwerpt het verweer.

Op 13 juni 2015 omstreeks 21:30 uur heeft verdachte op de [straat] te Helmond zijn partner, [slachtoffer] , met gebalde vuist tegen haar linkeroog geslagen, waardoor die [slachtoffer] op de grond viel. Toen [slachtoffer] op de grond lag, heeft verdachte haar met kracht vijf keer in haar gezicht, rug en buik getrapt. [slachtoffer] ondervond hiervan veel pijn. Vervolgens pakte verdachte een fles die op de grond lag en sloeg haar een paar keer met kracht met de fles op haar voorhoofd.2

[getuige 1] was op voornoemde datum en tijdstip zijn hond aan het uitlaten toen hij een meisje om hulp hoorde roepen. Hij ging kijken waar het geluid vandaan kwam en hij zag een jongen achter een meisje aanrennen. [getuige 1] zag dat de jongen het meisje met gebalde vuist tegen het gezicht sloeg, waardoor het meisje op de grond viel. Toen het meisje op de grond lag, pakte de jongen een fles en [getuige 1] zag dat de jongen opzettelijk en met kracht met de fles tegen het voorhoofd van het meisje sloeg. Verder sloeg hij nog meermalen met de fles tegen het hoofd van het meisje. Vervolgens schopte de jongen, terwijl het meisje op de grond lag, meermalen met geschoeide voet opzettelijk en met kracht tegen het lichaam van het meisje. Het meisje werd ook op haar hoofd geraakt.3

[getuige 2] was op 13 juni 2015 omstreeks voornoemd tijdstip op de [straat] te Helmond toen hij zag dat een man kwaad en agressief werd, met zijn vuist uithaalde en tegen het gezicht van een meisje sloeg. [getuige 2] zag dat het meisje hierdoor op de grond viel. Voorts zag [getuige 2] dat de man meermalen met geschoeide voet tegen het lichaam van het meisje schopte.4

Uit de geneeskundige verklaring van [arts] blijkt dat zij op 13 juni 2015 [slachtoffer] heeft onderzocht. [arts] heeft – onder meer – na te noemen letsel bij die [slachtoffer] waargenomen: een bloedneus, een kleine schaafwond achter het rechteroor, links frontaal op het voorhoofd een circa acht centimeter ronde zwelling (drukpijnlijk) en een kleine schaafwond op haar rechter bovenarm.5

Voorwaardelijk opzet

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte het slachtoffer, terwijl het slachtoffer op de grond lag, met geschoeide voet tegen haar gezicht heeft geschopt en dat verdachte het slachtoffer met kracht met een fles tegen haar hoofd heeft geslagen. De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich hiermee willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer ten gevolge van zijn gedragingen zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. Het is een feit van algemene bekendheid dat het trappen tegen het hoofd van een persoon een aanmerkelijk risico op zwaar lichamelijk letsel met zich meebrengt. Hetzelfde geldt voor het slaan met een (glazen) fles tegen het hoofd van een persoon. Deze gedragingen van verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans, dat zijn handelen zwaar lichamelijk letsel tot gevolg zou hebben, bewust heeft aanvaard.

De rechtbank acht de primair – impliciet subsidiair– ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 13 juni 2015 te Helmond, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] , zijnde verdachtes levensgezel, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [slachtoffer] meermalen tegen het hoofd en het lichaam heeft geschopt en meermalen met een fles tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling eist de officier van justitie een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging verzoekt de rechtbank om de eis te matigen en aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Verdachte volgt de training Kies voor Verandering in de P.I. Vught en heeft hier veel vertrouwen in. Hij wil na zijn detentie zelf de hulp zoeken die hij nodig heeft. Dat voelt beter dan wanneer dat moet vanuit een justitieel kader. Indien de rechtbank een verplicht reclasseringscontact en bijvoorbeeld een agressieregulatietraining aan verdachte oplegt, dan is hij wel bereid om daaraan mee te werken.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 13 juni 2015 omstreeks 21:30 uur op de openbare weg, de [straat] te Helmond, in het bijzijn van omstanders, schuldig gemaakt aan een brute, nietsontziende, mishandeling van zijn toenmalige partner.

Verdachte heeft door zijn gedragingen welbewust een groot gevaar voor zijn toenmalige partner in het leven geroepen en heeft zich niets aangetrokken van haar belangen. Verdachte heeft een grote inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer gemaakt en haar lichamelijke integriteit aangetast. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij van 1 december 2015 blijkt ook dat het toegepaste geweld een grote indruk op het slachtoffer heeft gemaakt. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan.

Een delict als het onderhavige veroorzaakt voorts veel maatschappelijke onrust en leidt tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 november 2015 volgt dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten werd veroordeeld. Voorts betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat verdachte, naar eigen zeggen, tijdens het plegen van het feit verkeerde onder invloed van alcohol, waarvan hij de negatieve werking op zijn gedrag kende of moest begrijpen. Desondanks heeft hij toch alcohol gebruikt.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf.

Nu verdachte niet heeft mee willen werken aan het tot stand komen van een reclasseringsadvies en reclasseringstoezicht in het verleden nimmer positief is afgerond, ziet de rechtbank geen aanleiding een gedeelte van deze straf voorwaardelijk op te leggen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] integraal dient worden toegewezen met daarbij toepassing van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging.

De vordering van de benadeelde partij dient aanzienlijk te worden gematigd, omdat uit de onderbouwing van de vordering niet zonder meer volgt dat bij de benadeelde partij een hersenschudding en/of een PTSS is vastgesteld als gevolg van het incident. De bij de vordering aangehaalde jurisprudentie is niet passend.

Beoordeling. De rechtbank acht de vordering van de benadeelde partij deels toewijsbaar. De rechtbank begroot het als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte immateriële schade op een bedrag van € 1.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van de vordering, gelet op de betwisting, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2015 tot de dag der algehele voldoening.

Beslag.De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerp vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit een voorwerp is met betrekking tot welke het feit is begaan.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de in beslag genomen goederen.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerp aan de rechthebbende, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van het in beslag genomen goed.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36b, 36c, 36f, 45, 63, 302, 304.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair:

poging tot zware mishandeling. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

Ten aanzien van primair:gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van primair:maatregel van schadevergoeding van € 1.000,00 subsidiair 20 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van € 1.000,-- (zegge: duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , van een bedrag van € 1.000,-- (zegge: duizend euro). Het bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding. Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij, tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Ten aanzien van primair:teruggave in beslag genomen goed aan de rechthebbende, te weten:- een Apple i-Phone, goednummer 824338.Ten aanzien van primair:teruggave in beslag genomen goederen aan [verdachte] , te weten:- een Samsung Gt-18190, inclusief lader en simkaart van het merk T-Mobile,

goednummer 823262;

- een Samsung Gt-E1190, kleur zwart met simkaart van het van het merk Lica,

goednummer 823266;

- een zwarte jas, goednummer 822863;

- één paar zwarte schoenen, goednummer 822865;

- een blauwe broek, goednummer 822867;

- een paar zwarte sokken, merk Lotto, goednummer 822875;

- een blauw shirt, merk Lacoste, goednummer 822878.

Ten aanzien van primair: onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen goed, te weten: - een lege sherryfles, goednummer 822027.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,

mr. C.J. Sangers- de Jong en mr. M.M.J. Nuijten, leden,

in tegenwoordigheid van J. Kapteijns, griffier,

en is uitgesproken op 16 december 2015.

Mr. M.M.J. Nuijten is buiten staat dit vonnis (mede) te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces- verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, district Helmond, genummerd PL2100-2015130791, opgemaakt en ondertekend d.d. 9 juli 2015, aantal doorgenummerde bladzijden: 217

2 Als verklaring van [slachtoffer] , aangeefster, aan verbalisanten, opgemaakt en ondertekend d.d. 14 juni 2015 p. 43, 44

3 Als verklaring van [getuige 1] , getuige, aan verbalisant, opgemaakt en ondertekend d.d. 14 juni 2015 p. 68 t/m 70

4 Als verklaring van [getuige 2] , getuige aan verbalisant, opgemaakt en ondertekend d.d. 14 juni 2015 p. 63 t/m 65

5 Geneeskundige verklaring [arts] , opgemaakt en ondertekend d.d. 1 juli 2015 ter zake [slachtoffer] [slachtoffer] p. 59 t/m 62