Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:7087

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-12-2015
Datum publicatie
15-12-2015
Zaaknummer
01/879542-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor het mede exploiteren van drie hennepkwekerijen met een totaal van 2645 planten, wordt verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/879542-15

Datum uitspraak: 15 december 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Vietnam) op [geboortedatum] 1981,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 september 2015 en 1 december 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 5 augustus 2015.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 7 september 2015 is gewijzigd (bijlage 1) is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij in of omstreeks de periode van 01 mei 2015 tot en met 01 juni 2015 te Sterksel, gemeente Heeze-Leende, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening van beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 1] te Sterksel) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 703 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2. hij in of omstreeks de periode van 01 mei 2015 tot en met 15 juni 2015 te Handel, gemeente Gemert-Bakel, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,in de uitoefening van beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] te Handel) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 813 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

3. hij in of omstreeks de periode van 28 april 2015 tot en met 22 juni 2015 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening van beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 3] te Eindhoven) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1129 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Bron.

Een eindproces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, team ondermijning, onderzoek BURU, inhoudende:

- map 1

o een inhoudsopgave en een algemeen dossier, nummer 81, afgesloten d.d. 6 augustus 2015, aantal doorgenummerde bladzijden: 429;

- map 2

o het zaaksdossier hennepkwekerij [adres 1] te Sterksel (p. 1 t/m 209);

o het zaaksdossier hennepkwekerij [adres 2] te Handel (p. 1 t/m 176);

o het zaaksdossier hennepkwekerij [adres 3] te Eindhoven (p. 1 t/m 59);

- map 3

o het persoonsdossier inhoudende ambtshandelingen en verklaringen van verdachten binnen het onderzoek BURU.

Dit eindproces-verbaal bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede andere bescheiden.

De hieruit door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte (bewijs)bijlage A.

Vaststaande feiten.

1. Op 1 juni 2015 is in de loods aan de [adres 1] in Sterksel een in werking zijnde hennepkwekerij met 703 hennepplanten aangetroffen (feit 1).

2. Op 15 juni 2015 is in de garage/schuur, behorend bij de woning aan [adres 2] in Handel een in werking zijnde hennepkwekerij met 813 hennepplanten aangetroffen (feit 2).

3. Op 22 juni 2015 is in de woning aan [adres 3] in Eindhoven een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met 1129 hennepplanten.

Op de verdachte rust de verdenking dat hij betrokkenheid heeft bij voornoemde hennep-kwekerijen.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten op basis van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de tenlastegelegde feiten, omdat niet bewezen kan worden dat hij als medepleger betrokken is geweest bij de aangetroffen hennepkwekerijen.

Het oordeel van de rechtbank.

Op grond van de uitgewerkte bewijsmiddelen stelt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden vast.

Ten aanzien van feit 1.

Op de [adres 1] in Sterksel, gemeente Heeze-Leende, is medeverdachte [medeverdachte 1] woonachtig. Op 1 juni 2015 is in een loods, behorend bij de woning van de medeverdachte een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met 703 hennepplanten. Voorafgaand aan het binnentreden in de loods hebben er intensieve telefonische contacten plaatsgevonden tussen verdachte en medeverdachte. De rechtbank stelt vast dat die gesprekken onder meer gaan over hennepplanten en/of een hennepkwekerij en/of het regelen van mensen voor het knippen van hennepplanten door verdachte. Ook na de inval van de politie in de loods hebben er intensieve telefonische contacten plaatsgevonden tussen verdachte en medeverdachte. Uit alle gesprekken komt naar voren dat verdachte een dominante en sturende rol heeft ten opzichte van de medeverdachte. Opvallend is dat verdachte de eerste persoon is die de medeverdachte belt, nadat zij op de hoogte is geraakt van de politie-inval. Verdachte geeft bovendien instructies en aanwijzingen die door medeverdachte opgevolgd moeten worden. Zo moet de medeverdachte direct na de politie-inval het telefoonnummer van verdachte wissen en vraagt de verdachte aan de medeverdachte of ze toch wel gewoon verder wil, naar wat de rechtbank begrijpt, in de samenwerking met verdachte en in het telen van hennepplanten.

Hoewel de medeverdachte heeft verklaard dat zij geen wetenschap had van de aanwezigheid van de hennepkwekerij in de loods bij haar woning en dat ze de loods heeft verhuurd aan Poolse mensen, acht de rechtbank – gelet op de bewijsmiddelen – die verklaring niet aannemelijk. De medeverdachte heeft immers nimmer een huurcontract tussen haar en de vermeende Poolse huurders overgelegd. Verder is in de loods een agenda aangetroffen waarin aantekeningen zijn gemaakt die inzicht geven in hoe de teelt is verlopen vanaf 27 maart 2015 tot en met 1 juni 2015. Het handschrift van die aantekeningen vertoont grote gelijkenis met het handschrift van de medeverdachte, zoals daarvan blijkt uit aantekeningen die zij heeft gemaakt toen zij, op verzoek van de verbalisanten tijdens haar verhoor, een schets maakte van de situering van haar woning, de meterkast en de loods bij de woning. De medeverdachte is ook steeds degene geweest met wie verdachte telefonisch heeft gesproken over het telen van de hennep. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de medeverdachte degene is geweest die de hennepplanten in de loods bij haar woning heeft verzorgd, de benodigde voedingsstoffen en water heeft gegeven en daarmee een bijdrage heeft geleverd aan het kweekproces van de hennepplanten.

Over de rol van de verdachte heeft de rechtbank reeds overwogen dat hij een dominante en sturende rol heeft gehad ten opzichte van de medeverdachte. De rechtbank acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ook een organiserende rol heeft gehad. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de afgeluisterde telefoongesprekken naar voren komt dat verdachte degene was die zorg zou dragen voor hennepknippers. Daarnaast zijn er in de door verdachte gehuurde loods in Helmond een aantal hennep gerelateerde goederen aangetroffen, die ook in de hennepkwekerij in de loods in Sterksel zijn aangetroffen. In dat kader wijst de rechtbank op de geurolie, groeistoffen en bamboestokken die in de hennepkwekerij zijn aangetroffen. Dezelfde goederen zijn ook aangetroffen in de door verdachte gehuurde loods in Helmond. In de auto van verdachte is verder een bestrijdingsmiddel aangetroffen tegen de schimmelinfectie meeldauw. Opgemerkt dient te worden dat gebleken is dat de hennepplanten in de loods in Sterksel besmet waren met de schimmelinfectie meeldauw. Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte, zodat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen is als na te melden.

Ten aanzien van feit 2.

Op [adres 2] in Handel, gemeente Gemert-Bakel, is medeverdachte [medeverdachte 2] woonachtig. Op 15 juni 2015 is in de schuur bij de woning een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met in totaal 813 hennepplanten. Voorafgaand aan het binnentreden in de woning hebben er intensieve telefoongesprekken plaatsgevonden tussen verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Uit die gesprekken is het de rechtbank gebleken dat er gesproken wordt over hennepplanten en/of het kweekproces en/of attributen voor een hennepkwekerij en dat de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in opdracht van verdachte de verzorging van de hennepplanten dan wel het kweekproces op zich hebben genomen. Zo moet [medeverdachte 2] de hennepplanten alleen water geven en geen groeistoffen toevoegen en houdt [medeverdachte 3] de verdachte op de hoogte van het feit dat ze (naar de rechtbank begrijpt de hennepplanten), weer een stukje groter waren.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte betrokkenheid heeft bij deze hennepkwekerij en ook hier een dominante en sturende rol heeft ten opzichte van de medeverdachten. Zo houdt verdachte medeverdachte [medeverdachte 2] aan de telefoon voor dat hij nooit meer de deur moet openen als er iemand aan de deur staat en zegt hij tegen hem dat als zij komen dat ze dan eerst zullen bellen. De medeverdachte [medeverdachte 2] moet verder de jaloezieën aan de voorkant van de woning naar beneden doen. Verdachte geeft de instructie aan medeverdachte [medeverdachte 2] dat hij niet naar de woning terug moet gaan, als hij van medeverdachte [medeverdachte 2] verneemt dat er politieagenten in de straat rijden. Ook informeert hij bij medeverdachte [medeverdachte 3] hoe het staat met de hennepplanten. Verdachte wil dat [medeverdachte 3] kijkt of de filter/pomp het weer doet. Dat verdachte betrokkenheid heeft bij deze hennepkwekerij blijkt tevens uit de bevindingen van het observatieteam van de politie. Zij hebben waargenomen dat verdachtes voertuig geparkeerd heeft gestaan op [adres 2] in Handel ter hoogte van nummer [huisnummer] .

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een organiserende rol heeft gehad. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de telefoongesprekken naar voren komt dat verdachte zijn medeverdachten instructies geeft hoe zij dienen te handelen. Daarnaast zijn er in de door verdachte gehuurde loods in Helmond een aantal hennep gerelateerde goederen aangetroffen die ook in de hennepkwekerij in Handel zijn aangetroffen. In dat kader wijst de rechtbank op de aangetroffen groeistoffen en bamboestokken in de hennepkwekerij. Dezelfde goederen zijn in de door verdachte gehuurde loods in Helmond aangetroffen. In de auto van verdachte is voorts een geurolie aangetroffen. Een soortgelijke geurolie is ook aangetroffen in de woning in Handel. Verder is in de auto van verdachte een bestrijdingsmiddel aangetroffen tegen de schimmelinfectie meeldauw. Opgemerkt dient te worden dat gebleken is dat de hennepplanten in de woning en schuur in Handel besmet waren met de schimmelinfectie meeldauw. Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten, zodat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen is als na te melden.

Ten aanzien van feit 3.

Op 22 juni 2015 is in de woning aan [adres 3] in Eindhoven een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met in totaal 1129 hennepplanten. Bij haar oordeel dat verdachte betrokkenheid heeft bij deze hennepkwekerij baseert de rechtbank zich mede op de volgende feiten en omstandigheden. Het observatieteam heeft op 28 april 2015 gezien dat verdachte een dompelpomp heeft gekocht bij de Praxis in Eindhoven. Met die dompelpomp is verdachte diezelfde dag naar de woning aan [adres 3] in Eindhoven gegaan. Verdachte heeft de toegangsdeur van de woning geopend met een in zijn bezit zijnde sleutel. Vastgesteld is dat bij de woning aan [adres 3] in Eindhoven geen vijver aanwezig was. Tijdens de ontmanteling van de hennepkwekerij op 22 juni 2015 is een soortgelijke dompelpomp aangetroffen als die verdachte op 28 april 2015 bij de Praxis heeft gekocht. In de woning is medeverdachte [medeverdachte 4] aangetroffen en aangehouden. Hij heeft verklaard dat hij de woning moest bewaken. In de auto van verdachte werden sleutels aangetroffen die passen op de achterdeur en de poort van de woning.

De betrokkenheid van verdachte bij deze hennepkwekerij blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de volgende feiten en omstandigheden. In de door verdachte gehuurde loods in Helmond is een aantal hennep gerelateerde goederen aangetroffen die ook in de hennepkwekerij in de woning in Eindhoven zijn aangetroffen. In dat kader wijst de rechtbank op de aangetroffen geurolie, groeistoffen en bamboestokken in de hennepkwekerij. Dezelfde goederen zijn in de door verdachte gehuurde loods in Helmond aangetroffen. In de auto van verdachte is een bestrijdingsmiddel aangetroffen tegen de schimmelinfectie meeldauw. Opgemerkt dient te worden dat gebleken is dat de hennepplanten in de woning in Eindhoven besmet waren met de schimmelinfectie meeldauw. Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat er sprake is gewest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 4] , zodat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen is als na te melden.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat tussen de hennepkwekerijen onder feit 1 tot en met feit 3 een aantal opvallende overeenkomsten zijn aan te wijzen, die doen vermoeden dat een en dezelfde persoon al deze hennepkwekerijen heeft opgezet. De rechtbank acht het aannemelijk dat deze persoon verdachte [verdachte] betreft. Daartoe overweegt de rechtbank dat diverse hennep gerelateerde goederen uit de hennepkwekerijen ook zijn aangetroffen in de woning van verdachte, in de door hem gehuurde loods in Helmond dan wel in zijn auto. Naast hetgeen hiervoor is overwogen, houdt de rechtbank ook daarom verdachte verantwoordelijk voor de drie hennepkwekerijen.

De overtuiging van de rechtbank dat verdachte een van de daders is van de tenlastegelegde feiten wordt verder versterkt door het beroep van verdachte op zijn zwijgrecht. De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf, maar zeker in samenhang bezien, wijzen zodanig sterk in de richting van verdachte dat ze vragen om een redelijke verklaring van de zijde van verdachte. Verdachte heeft deze verklaring niet willen geven.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. in de periode van 01 mei 2015 tot en met 01 juni 2015 te Sterksel, gemeente Heeze-Leende, tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres 1] te Sterksel een hoeveelheid van in totaal 703 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

2. in de periode van 01 mei 2015 tot en met 15 juni 2015 te Handel, gemeente Gemert-Bakel, tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld in een pand aan [adres 2] te Handel een hoeveelheid van in totaal 813 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

3. in de periode van 28 april 2015 tot en met 22 juni 2015 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld in een pand aan [adres 3] te Eindhoven een hoeveelheid van in totaal 1129 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 18 maanden met aftrek van het reeds ondergane voorarrest (bijlage 2).

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft bepleit dat door de rechtbanken en hoven in den lande voor soortgelijke feiten doorgaans een werkstraf en een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. Bij een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten dient dan ook overeenkomstig gestraft te worden. Indien de rechtbank anders oordeelt, dan dient in ieder geval het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf gelijk te zijn aan de duur van het reeds ondergane voorarrest.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het telen van 2645 hennepplanten op drie verschillende locaties in Nederland. Door verdachte en zijn medeverdachten zijn deze hennepkwekerijen op een zeer professionele wijze opgezet en in stand gehouden. Verdachte heeft daar een coördinerende en organiserende rol in gehad en was de spreekwoordelijke spin in het web. Het gebruik van hennepproducten brengt risico's mee voor de gezondheid van gebruikers en veroorzaakt mede daardoor schade van velerlei aard in de samenleving. Bekend is bovendien dat het telen van hennep gepaard gaat met andere, ook zware vormen van criminaliteit. De verdachte heeft daaraan door zijn handelen bijgedragen en zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd. Verdachte heeft zich slechts laten leiden door financieel gewin met veronachtzaming van de maatschappelijke gevolgen van zijn handelen. De rechtbank zal met dit alles ten nadele van verdachte rekening houden.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank ten nadele van verdachte ook rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten meerdere malen werd veroordeeld tot taakstraffen en voorwaardelijke gevangenisstraffen. Deze veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden om wederom soortgelijke strafbare feiten te plegen.

Gelet op het voren overwogene is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Een taakstraf of een voorwaardelijke gevangenisstraf zou geen recht doen aan de ernst van het bewezen verklaarde en is een te geringe straf, ook omdat verdachte al eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van langere duur op zijn plaats.

De rechtbank zal de duur van de gevangenisstraf vaststellen op 4 maanden per hennepkwekerij en aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van 12 maanden met aftrek van de te tijd die verdachte reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De rechtbank zal hiermee een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat het verzoek van de verdediging tot opheffing dan wel schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte afgewezen dient te worden.

Beslag.De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn met behulp van welke de feiten zijn begaan en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorden.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan het verkeer onttrokken dienen te worden verklaard, omdat blijkens het onderzoek ter terechtzitting deze voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven zijn aangetroffen, terwijl deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of ter voorbereiding van soortgelijke misdrijven, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan, de voorwerpen toebehoren aan verdachte en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

De rechtbank zal tot slot de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 27, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57 Wetboek van Strafrecht;

3, 11 Opiumwet.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel ten aanzien van feit 2: medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel ten aanzien van feit 3:

medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen en/of maatregel.

ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3:

- een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht;

- verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten een TomTom navigatiesysteem (goednummer [goednummer 1] ) en een Apple Iphone 6 (goednummer [goednummer 2] );

- onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten een gereedschapskar (goednummer [goednummer 3] ), 27 schaartjes/snoeischaartjes (goednummer [goednummer 3] ) en een notitieboekje (goednummer [goednummer 5] );

- teruggave inbeslaggenomen goederen, te weten sleutels [adres 3] Eindoven (goednummer [goednummer 6] ) aan [verdachte] voornoemd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.J.H. Van Dellen, voorzitter,

mr. B.A.J. Zijlstra en mr. B. Damen, leden,

in tegenwoordigheid van Ş. Altun, griffier,

en is uitgesproken op 15 december 2015.

mr. B. Damen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.