Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:7033

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-12-2015
Datum publicatie
17-12-2015
Zaaknummer
15_1518
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking, beëindiging en terugvordering bijstandsuitkering in verband met niet melden onroerend goed in buitenland. Strijd met de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de Wwb. Geen discriminatie bij onderzoek naar het bezit van onroerend goed. Temporele werking. Bij strijd met de inlichtingenplicht gold tot 1 juli 2013 een bevoegdheid en geldt vanaf 1 juli 2013 een verplichting tot intrekking en beëindiging over te gaan. Bij terugvordering van ten onrechte verstrekte uitkering wordt getoetst aan de geldende bepalingen ten tijde van het ontstaan van de vordering. Nu deze is ontstaan bij primaire besluit van na 1 januari 2013, is sprake van een verplichting tot terugvordering. Gelet hierop is voor een belangenafweging geen plaats. Geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummers: SHE 15/1518 en SHE 15/1519

Uitspraak van de meervoudige kamer van 10 december 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. B. Kaya),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.L.J. Martens).

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2014 (het primaire besluit 1) heeft verweerder zijn besluiten van 27 november 1996, 23 december 2005, 21 januari 2010, 30 november 2012 en

25 februari 2013, waarbij aan eiseres een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb), dan wel op grond van eerdere wetgeving, was toegekend ingetrokken en de aan eiseres verleende bijstandsuitkering over de periode van 1 juli 1997 tot en met

7 november 2014 ingetrokken. Bij dit besluit heeft verweerder tevens de aan eiseres toegekende bijstandsuitkering beëindigd.

Bij besluit van 21 november 2014 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de aan eiseres verleende bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 september 2014 teruggevorderd tot een brutobedrag van € 248.050,34.

Bij besluit van 1 mei 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit 1 en 2 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep betreffende het primaire besluit 1 is geregistreerd onder nummer SHE 15/1518 en het beroep betreffende het primaire besluit 2 is geregistreerd onder nummer SHE 15/1919.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2015. Eiseres en verweerder hebben zich ter zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De Wwb is met ingang van 1 januari 2015 gewijzigd en heet sindsdien Participatiewet. Met het oog op het overgangsrecht in artikel 78z, vierde lid, van de Participatiewet wordt op dit beroep beslist met toepassing van de Wwb zoals die luidde vóór 1 januari 2015.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres ontving sinds 2 december 1993 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. In 2010 is deze bijstandsuitkering omgezet naar de norm voor een alleenstaande. Verweerder heeft eiseres geselecteerd voor een themacontrole op bezit van onroerend goed in het buitenland. In het kader hiervan is op 14 augustus 2014 in opdracht van verweerder een rapportage uitgebracht van een door Tulip Law Office in Turkije uitgevoerd onderzoek. Bij deze rapportage horen ook een expertiserapport van 8 augustus 2014 en taxatierapport van

8 juli 2014. In deze rapportage staat dat eiseres in het kadastraal register van het district Tekkeköy vanaf 6 september 1994 als eigenaar van 1/2e deel van een woning/appartement geregistreerd staat en dat zij op 2 september 1982 door overerving voor 2/32e deel eigenaar van een stuk landbouwgrond is geworden. De gezamenlijke waarde van deze onroerende zaken is volgens het rapport, rekening houdend met het aan eiseres toegeschreven deel, getaxeerd op € 15.189,-. Verweerder is nadien uitgegaan van een bedrag van € 15.189,-.

3. Bij brief van 3 september 2014 heeft verweerder aangegeven dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden en haar in de gelegenheid gesteld om documenten met betrekking tot haar appartement en landbouwgrond in Turkije over te leggen. Naar aanleiding van deze brief heeft eiseres gereageerd dat het appartement in Turkije destijds is gekocht door haar ex-echtgenoot in een poging om eiseres voor zich terug te winnen. Het appartement is door haar ex-echtgenoot tevens op naam van eiseres gezet, maar zij heeft nooit enige documentatie met betrekking tot dit appartement ontvangen. Eiseres heeft gesteld dat zij er op basis van een mededeling van haar ex-echtgenoot vanuit is gegaan dat het appartement al was verkocht, zodat zij hiervan geen melding hoefde te maken en dat de landbouwgrond bovendien van haar moeder is en niet naar eiseres is vererfd, aangezien haar moeder nog leeft. Bij brief van 24 september 2014 heeft verweerder eiseres andermaal verzocht de gevraagde aanvullende gegevens over te leggen en in afwachting daarvan het recht op een uitkering vanaf 18 september 2014 opgeschort, welke opschorting nadien ongedaan is gemaakt. Met eiseres is voorts een spreekkamergesprek gehouden op

27 oktober 2014.

4. Verweerder heeft de intrekking van de uitkering gebaseerd op schending van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de Wwb. Eiseres heeft volgens verweerder ten onrechte geen melding gemaakt van de op haar naam staande onroerende zaken in Turkije. Volgens verweerder kan aldus het recht op uitkering niet worden vastgesteld. Aan de intrekking is ook ten grondslag gelegd dat het totale vermogen van eiseres, zoals dat volgt uit het rapport, de vermogensgrens die gold ten tijde van de toekenning van de uitkering alsook ten tijde van de intrekking ervan, overschrijdt.

5. Eiseres heeft in beroep, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Eiseres bestrijdt dat zij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Blijkens het door eiseres in bezwaar overgelegde eigendomsbewijs van de woning was zij voor 1/10e deel eigenaar (samen met haar toenmalige partner voor 1/5e deel eigenaar) van het huis in Turkije. Het huis en het perceel zijn op 22 oktober 2014 verkocht voor 34.000 Turkse Lira. Eiseres heeft uit de verkoop van dit huis geen geld ontvangen. Zij is van haar echtgenoot gescheiden en naar Turks recht worden vrouwen uitgesloten van (het delen in de opbrengst van de verkoop van) gemeenschappelijke onroerende goederen. Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres over het onroerend goed of de opbrengst van de verkoop hiervan kon beschikken en dat het op de verkoopakte vermelde bedrag van 34.000 Turkse Lira niet juist behoeft te zijn. Zij verwijst naar de in beroep overgelegde verklaring van

11 juli 2015 van haar ex-echtgenoot dat hij de woning heeft verkocht en van de opbrengst zijn gokschulden heeft voldaan en dat zij van de opbrengst niets heeft ontvangen. Verweerder had voorts alleen rekening dienen te houden met (de waarde van) de bouwgrond die op naam van eiseres stond, hetgeen een lager bedrag aan vermogen impliceert. De waarde van deze grond is bovendien onjuist, onvolledig en onzorgvuldig getaxeerd. Aangevoerd is verder dat de waarde van de Turkse Lira varieert. De waarde van de onroerende zaken had per datum in geding over het jaar 1997 tot en met heden afzonderlijk berekend en toegepast moeten worden.

Het bestreden besluit berust bovendien niet op een betrouwbaar (taxatie)rapport. Eiseres vraagt zich af of de taxateur die de taxatie heeft verricht wel bevoegd is in Nederland. Zij heeft voorts vraagtekens gezet bij de door verweerder gegeven opdracht tot onderzoek. In dat verband is betoogd dat het bureau dat het onderzoek heeft verricht - ‘Tulip Law Office’ van advocaat A. Hakan Gürdal - niet onafhankelijk en onpartijdig is en onbevoegd en onrechtmatig onderzoek heeft verricht. Het wordt weliswaar een vermogensonderzoek genoemd, maar het betreft een fraude-onderzoek. Eiseres stelt dat verweerder bewijsstukken dient over te leggen waaruit blijkt hoe vaak dit bureau is ingeschakeld en hoe het Turkse ID-nummer van de betrokkenen is bemachtigd. Eiseres bestrijdt dat er voor verweerder aanleiding bestond om een onderzoek in Turkije in te stellen en dat een dergelijk onderzoek verdragsrechtelijk gezien is toegestaan. Het besluit is bovendien door een daartoe onbevoegde ambtenaar ondertekend. Het bestreden besluit is voorts onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Het besluit is genomen in strijd met onder meer de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de artikelen 1, 6 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van de Grondwet.

Eiseres voert verder aan dat verweerder ten onrechte de teveel verstrekte uitkering terugvordert en dat verweerder dit bedrag onjuist heeft berekend. Ter zitting is toegelicht dat het een minimale overschrijding van de vermogensgrens betreft en dat dit een belangenafweging door verweerder rechtvaardigt.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Met betrekking tot de beroepsgrond van eiseres dat verweerder door het verrichten van een themacontrole in strijd met het bepaalde in artikelen 1, 6 en 14 van het EVRM, het verbod op discriminatie, heeft gehandeld, overweegt de rechtbank als volgt.

Anders dan eiseres meent, betreft de intrekking van haar bijstandsuitkering geen ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 van het EVRM, waardoor dit artikel niet op het onderhavige geval van toepassing is. Kortheidshalve verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 12 april 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2054) en hetgeen ter zake onder rechtsoverweging 4 is overwogen in de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 mei 2015 (ECLI:NL:RBZWB:2015:3648). Voor zover is gesteld dat er geen concrete aanleiding was voor een onderzoek merkt de rechtbank op dat de in artikel 53a van de Wwb bedoelde bevoegdheid (algemene onderzoeksbevoegdheid) steeds en spontaan kan worden uitgeoefend ten aanzien van alle bijstandsgerechtigden en dat daartoe dus geen daaraan voorafgaand en redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist is. Verwezen wordt tevens naar de uitspraak van de CRvB van 14 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1229). Met de door verweerder gehanteerde doelgroep, zoals door verweerder ook toegelicht ter zitting, die niet uitsluitend ziet op bijstandsgerechtigden van Turkse afkomst, en het op grond daarvan verrichten van onderzoek in het buitenland, heeft verweerder niet gehandeld in strijd met het verbod op ongerechtvaardigde discriminatie. Verweerder was daarom bevoegd om naar aanleiding van de gegevens voortkomend uit de themacontrole nader onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verleende bijstand. De niet nader onderbouwde stellingen die door eiseres daartegen zijn ingebracht maken dit oordeel niet anders. De rechtbank ziet voorts niet in op welke wijze artikel 1 van het EVRM door verweerders handelen met betrekking tot eiseres geschonden is.

Dat verweerder door het onderzoek door Bureau Buitenland te laten verrichten een kerntaak van verweerder ten onrechte heeft uitbesteed, volgt de rechtbank niet. De rechtbank overweegt dat het inschakelen van particulieren voor het uitvoeren van onderdelen van het onderzoek niet op voorhand ongeoorloofd is en dat uit jurisprudentie van de CRvB niet blijkt van een ander oordeel. Verweerder heeft - onbetwist - toegelicht dat Bureau Buitenland door verweerder is ingeschakeld om onderzoek te verrichten in openbare registers, en derhalve voor de uitvoering van een deeltaak, waarbij geen bijzondere bevoegdheden zijn overgedragen of gebruikt. Er is geen sprake van het laten verrichten van een kerntaak van verweerder door derden. Toezicht op de naleving van de Wwb blijft in handen van de daartoe door verweerder aangewezen ambtenaren, zoals ook in het geval van eiseres is gebeurd. Verweerder heeft ter zitting gezegd dat Bureau Buitenland per opdracht door verweerder betaald wordt en de betaling niet afhankelijk is van het resultaat. Van een ‘no-cure-no-pay-afspraak’ is geen sprake, aldus verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op het voorgaande en ook anderszins, niet gebleken dat verweerder ten onrechte onderzoek heeft laten verrichten dan wel daarbij een kerntaak ongeoorloofd heeft uitbesteed aan Bureau Buitenland. De gemachtigde van eiseres heeft weliswaar de suggestie opgeworpen dat dit anders zou zijn, maar dit niet onderbouwd. De gelijksoortige suggesties aan het adres van Gürdal Law Office over de rechtmatigheid en aard van het onderzoek en de betrouwbaarheid van dit bureau in het algemeen heeft de gemachtigde van eiseres evenmin van een onderbouwing voorzien, zodat zij reeds daarom niet tot een ander oordeel leiden. Dat het primaire besluit onbevoegd is genomen, zoals eiseres ongemotiveerd stelt, is de rechtbank evenmin gebleken.

8. Met betrekking tot de beroepsgronden van eiseres dat de taxatie onrechtmatig tot stand is gekomen, overweegt de rechtbank dat voor dit oordeel geen aanleiding bestaat. Door eiseres is verder geen contrataxatie uitgevoerd, zodat er ook in dat opzicht geen aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid van de in opdracht van verweerder uitgevoerde taxatie.

9. De rechtbank overweegt voorts dat het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering een voor eiseres belastend besluit is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan de in dit kader op hem rustende verplichtingen heeft voldaan. Door een onderzoek uit te voeren, waarvan in de voorgaande rechtsoverwegingen is geoordeeld dat dit rechtmatig is, heeft verweerder afdoende aannemelijk gemaakt dat eiseres in de in geding zijnde periode in een officieel Turks eigendomsregister als eigenaar was aangemerkt van onroerende goederen. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1003) is, indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan geregistreerd, de vooronderstelling immers gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover betrokkene daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In dit geval betekent dit dat de vooronderstelling gerechtvaardigd is dat eiseres ten tijde van belang over de (helft van de) woning en het (1/16e) deel van de landbouwgrond beschikte of redelijkerwijs kon beschikken. Namens eiseres is niet aannemelijk gemaakt dat zij niet deels eigenaar was van het appartement en de landbouwgrond. De stelling van eiseres dat zij het deel van de landbouwgrond pas zal vererven indien haar moeder overlijdt, maakt niet dat niet van de inschrijving van eiseres als eigenaar van dit stuk land in het officiële eigendomsregister mag worden uitgegaan. Ook de verklaring van de ex-echtgenoot van eiseres over (de verkoop van) het appartement leidt niet tot een ander oordeel en onderschrijft feitelijk de inschrijving van eiseres in het register in de te beoordelen periode. De rechtbank wil overigens niet onvermeld laten dat in zijn verklaring melding wordt gemaakt van een verkoopbedrag van 34.000.000 in plaats van 34.000 Turkse Lira. Voor zover is gesteld dat verweerder voor de bouwgrond had moeten uitgaan van ‘de maximale vrijlating van de waarde van de eigen bouwgrond cq woning’, volgt de rechtbank verweerder in het standpunt dat een dergelijke vermogensvrijlating betrekking heeft op woningen in de Nederlandse gemeente jegens welk college recht op bijstand bestaat en hier niet van toepassing kan zijn.

10. Van eiseres had verwacht mogen worden dat zij zelfstandig begreep dat de inschrijving als eigenaar van invloed kon zijn op haar recht op bijstand. Door geen melding te maken van de (gedeelde) eigendom van het appartement en de landbouwgrond heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting zoals vastgelegd in artikel 17, eerste lid, van de Wwb geschonden.

11. Schending van de inlichtingenplicht levert op grond van artikel 54, derde lid, van de Wwb een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de beoordelingsperiode recht op volledige, dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Eiseres is hierin echter niet geslaagd. De stelling van eiseres dat verweerder per jaar diende te beoordelen of er recht op bijstand bestond volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft immers geen objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd, waaruit volgt dat zij in de bijstandsperiode niet als eigenaar van de onroerende goederen was aangemerkt, dan wel dat de taxatiewaarde van deze goederen de vermogensgrens die ten tijde van de verschillende toekenningsbesluiten gold niet te boven ging. Gelet op het voorgaande kon verweerder reeds op grond van de geconstateerde schending van de inlichtingenplicht overgaan tot intrekking en beëindiging van de bijstandsuitkering van eiseres.

12. Herziening en intrekking van het recht op bijstand is ingevolge de Wwb geregeld in artikel 54 van de Wwb. Dit artikel is met ingang van 1 juli 2013 gewijzigd. Tot die datum was de herziening en intrekking van bijstand een bevoegdheid. Vanaf die datum is het bestuursorgaan verplicht tot herziening of intrekking over te gaan. Gelet op de temporele werking van wetgeving worden de rechten en verplichtingen van een belanghebbende in beginsel beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop de rechten en verplichtingen betrekking hebben. Verweerder was aldus tot 1 juli 2013 bevoegd en vanaf 1 juli 2013 gehouden de toegekende bijstandsuitkering over de betrokken periode in te trekken. Van feiten en omstandigheden, dan wel dringende redenen op grond waarvan verweerder geheel of gedeeltelijk van intrekking had moeten afzien, is de rechtbank niet gebleken.

13. De vraag die zich vervolgens voordoet is of verweerder over heeft kunnen gaan tot het terugvorderen van het bedrag aan teveel betaalde bijstandsuitkering.

14. Ten aanzien van terugvordering van bijstand en de daarbij te hanteren toetsingsmaatstaf stelt de rechtbank voorop dat artikel 58, eerste lid, van de Wwb per 1 januari 2013 is gewijzigd in die zin dat verweerders bevoegdheid tot terugvordering vanaf die datum een verplichting is geworden. Deze wijziging is ingevolge artikel XXV, zesde lid, van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving niet van toepassing op vorderingen die zijn ontstaan vóór die datum. Naar vaste jurisprudentie ontstaat een vordering pas met het terugvorderingsbesluit. Nu het besluit tot terugvordering in het geval van eiseres ná 1 januari 2013 is genomen, en de vordering daarom ook na die datum is ontstaan, is op dit geval artikel 58, eerste lid, van de Wwb van toepassing zoals dat luidt na de wijziging van 1 januari 2013.

15. Artikel 58, eerste lid, van de Wwb luidt als volgt: Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

16. De rechtbank oordeelt dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58 van de Wwb is voldaan, zodat verweerder gehouden was de te veel gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen. Voor een belangenafweging is onder de hiervoor genoemde bepalingen geen plaats. Gesteld noch gebleken is verder dat dringende redenen aanwezig zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Eiseres heeft in dit verband weliswaar aangevoerd dat het terugvorderingsbedrag onjuist is berekend en ten onrechte vastgesteld, maar heeft deze stellingen niet nader onderbouwd. Hetgeen is aangevoerd slaagt dus niet.

17. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F.E. van Olden-Smit, voorzitter, mr.drs. S. van Lokven en mr. L. Soeteman, rechters, in aanwezigheid van drs. M.T. Petersen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.