Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:6808

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-11-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
01/845845-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een ongeval veroorzaakt, terwijl hij onder invloed van alcoholhoudende drank en lorazepam verkeerde. Daarbij is hij in aanrijding gekomen met twee andere personenauto's. De inzittende van een van die personenauto's is overleden. De inzittende van de andere personenauto hadden geen noemenswaardig letsel. Verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van in totaal 24 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845845-14

Datum uitspraak: 30 november 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1970] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 september 2015 en 16 november 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 augustus 2015.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 15 september 2015 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 09 november 2014 te Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Kanaaldijk (in de richting van Helmond, komend uit de richting van Beek en Donk), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend:

- terwijl hij verkeerde onder invloed van een stof (lorazepam) die de rijvaardigheid nadelig kan beïnvloeden en/of in combinatie met alcoholhoudende drank (85 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht) en aldus verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en/of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

- in een voor hem naar rechts lopende bocht op een slingerende wijze en/of met (nagenoeg) gesloten ogen heeft gereden en/of

- (waarbij) hij met zijn, verdachtes, (personen)auto over de middenstreep van de rijbaan is gereden waardoor een hem over die Kanaaldijk over dezelfde rijbaan tegemoetkomende personenauto (bestuurd door [slachtoffer 1] ) middels een uitwijkmanoeuvre een (frontale) aanrijding wist te voorkomen en/of

- (vervolgens) (wederom) op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen en/of op die weghelft voor het tegemoetkomend verkeer is blijven rijden en/of

- (daarbij) niet althans onvoldoende is uitgeweken en/of geremd voor een hem over die Kanaaldijk over dezelfde rijbaan tegemoetkomende personenauto bestuurd door [slachtoffer 2] en/of

- zonder dat er enige te rechtvaardigen aanleiding of reden was om op dat weggedeelte voor het tegemoetkomende verkeer te gaan rijden en/of te blijven rijden, in elk geval niet, althans onvoldoende, heeft voldaan aan zijn verplichting zoveel mogelijk rechts te houden en/of

- (vervolgens) tegen die hem tegemoetkomende (door die [slachtoffer 2] bestuurde) personenauto is gebotst, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer 2] , werd gedood, zulks onder de strafverzwarende omstandigheid dat hij, verdachte, toen daar dat motorvoertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 85 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn en/of in combinatie met het gebruik van lorazepam, een medicijn, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, dat de rijvaardigheid nadelig kan beïnvloeden;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 november 2014 te Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek, als bestuurder van een voertuig (personenauto (Landrover)), daarmee rijdende op de weg, de Kanaaldijk

- terwijl hij verkeerde onder invloed verkeerde van een stof (Lorazepam) die de rijvaardigheid nadelig kan beïnvloeden en/of in combinatie met alcoholhoudende drank (85 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht) en aldus verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en/of twee lid van de Wegenverkeerswet 1994

- in een voor hem naar rechts lopende bocht op een slingerende wijze en/of met (nagenoeg) gesloten ogen heeft gereden en/of - (waarbij) hij met zijn, verdachtes, (personen)auto over de middenstreep van de rijbaan is gereden waardoor een hem over die Kanaaldijk over dezelfde rijbaan tegemoetkomende personenauto (bestuurd door [slachtoffer 1] ) middels een uitwijkmanoevre een (frontale) aanrijding wist te voorkomen en/of - (vervolgens) (wederom) op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen en/of op die weghelft voor het tegemoetkomend verkeer is blijven rijden en/of - (daarbij) niet althans onvoldoende is uitgeweken en/of geremd voor een hem over die Kanaaldijk over dezelfde rijbaan tegemoetkomende personenauto bestuurd door [slachtoffer 2] en/of - zonder dat er enige te rechtvaardigen aanleiding of reden was om op dat weggedeelte voor het tegemoetkomende verkeer te gaan rijden en/of te blijven rijden, in elk geval niet, althans onvoldoende, heeft voldaan aan zijn verplichting zoveel mogelijk rechts te houden en/of

- (vervolgens) tegen die hem tegemoetkomende (door die [slachtoffer 2] bestuurde) personenauto is gebotst, waardoor die [slachtoffer 2] is overleden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij op of omstreeks 09 november 2014 te Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek, als bestuurder van een voertuig (personenauto (Land Rover)), daarmee rijdende op de weg, de Kanaaldijk,

- terwijl hij verkeerde onder invloed verkeerde van een stof (Lorazepam) die de rijvaardigheid nadelig kan beïnvloeden en/of in combinatie met alcoholhoudende drank (85 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht) en aldus verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en/of twee lid van de Wegenverkeerswet 1994

- in een voor hem naar rechts lopende bocht op een slingerende wijze en/of met (nagenoeg) gesloten ogen heeft gereden en/of - (waarbij) hij met zijn, verdachtes, (personen)auto over de middenstreep van de rijbaan is gereden waardoor een hem over die Kanaaldijk over dezelfde rijbaan tegemoetkomende personenauto (bestuurd door [slachtoffer 1] ) middels een uitwijkmanoevre een (frontale) aanrijding wist te voorkomen en/of - (vervolgens) (wederom) op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen en/of op die weghelft voor het tegemoetkomend verkeer is blijven rijden en/of - (daarbij) niet althans onvoldoende is uitgeweken en/of geremd voor een hem over die Kanaaldijk over dezelfde rijbaan tegemoetkomende personenauto (kia Picanto) bestuurd door [slachtoffer 3] en/of - zonder dat er enige te rechtvaardigen aanleiding of reden was om op dat weggedeelte voor het tegemoetkomende verkeer te gaan rijden, in elk geval niet, althans onvoldoende, heeft voldaan aan zijn verplichting zoveel mogelijk rechts te houden en/of

- (vervolgens) met zijn linker voorzijde tegen de linkerflank van die hem tegemoetkomende personenauto (Kia Picanto) is gebotst,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt voor de in die Kia Picanto zittende [slachtoffer 3] en./of [slachtoffer 4] , althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

3.

hij op of omstreeks 09 november 2014 te Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek, als bestuurder van een voertuig, (personenauto (Landrover)), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten Lorazepam, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs1

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het aan verdachte onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde, waarbij de officier van justitie het rijgedrag van verdachte, zoals onder feit 1 primair is ten laste gelegd, als zeer onvoorzichtig kwalificeert.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman bepleit verdachte te veroordelen voor het onder feit 1 subsidiair en onder feit 2 ten laste gelegde en verdachte voor het overige vrij te spreken.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 1:

Het rijgedrag en de aanrijding.

Op zondag 9 november 2014 kwam bij de meldkamer van de politie om 11.48 uur een melding binnen van een verkeersongeval op de Kanaaldijk te Aarle Rixtel.2

Bij het ongeval waren drie personenauto’s betrokken, te weten een Land Rover, bestuurd door verdachte, een Renault Twingo, bestuurd door [slachtoffer 2] en een Kia Picanto, bestuurd door [slachtoffer 3] met als bijrijder [slachtoffer 4] .3

Uitgaande van de rijrichting van de Land Rover, rijdende over de Kanaaldijk in de richting van Helmond, heeft het ongeval plaatsgevonden in een bocht naar rechts op de Kanaaldijk, plaatselijk gelegen buiten de bebouwde kom van Aarle-Rixtel in de gemeente Laarbeek.4

Verdachte heeft verklaard dat hij vanuit de richting van Beek en Donk kwam en dat hij reed in de richting van Helmond.5

De verdachte heeft met zijn auto op de rijbaan van het tegemoetkomende verkeer gereden en is daarbij met de linker voorzijde van zijn voertuig tegen de linkerflank van de hem tegemoetkomende Kia gebotst, waardoor deze van de weg raakte en in de rechterberm tot stilstand kwam. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] bleven ongedeerd.

Vervolgens botste de Land Rover met de voorzijde links tegen de linker voorzijde van de tegemoetkomende Renault. Door het grote massaverschil tussen beide voertuigen werd de Renault achteruit tegen de geleiderail geduwd, waarna deze links om zijn gieras draaide en vervolgens over de kop sloeg en op zijn dak tot stilstand kwam. Ten gevolge van de aanrijding kwam de bestuurder van de Renault om het leven.6

Het stoffelijk overschot werd op 9 november 2014 geïdentificeerd als [slachtoffer 2] .7

De botspositie was bij beide aanrijdingen geheel gelegen op de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomende verkeer. Tussen beide botsposities was een recht walkspoor (een bandenspoor met een aftekening van een lekke band) van 18.65 meter.8

In het proces-verbaal verkeersongevalanalyse is een situatietekening opgenomen, opgesteld op basis van de beschikbare verkeerstechnische gegevens, volgens welke de auto van verdachte zich bij beide botsposities (vrijwel) geheel op de rijstrook voor het tegemoetkomend verkeer bevond.9

Ten aanzien van de weg en de weersgesteldheid waren er geen omstandigheden aanwezig die de oorzaak, gevolgen of toedracht van het ongeval zouden kunnen hebben beïnvloed.10

De drie voertuigen die bij het ongeval waren betrokken zijn technisch onderzocht en bleken geheel te voldoen aan de in de Regeling Voertuigen gestelde eisen voor de categorie waartoe deze behoorden.11

Alcohol:

Bij verdachte is na het ongeval op 9 november 2014 om 12.59 uur een ademanalyseonderzoek verricht. Het resultaat hiervan betrof 85 μg/l.12 Verdachte heeft verklaard dat hij op de ochtend van het ongeval om ongeveer 11 uur in een restaurant twee slagroomlikeurtjes heeft gedronken.13

Medicatie:

Op 9 november 2014 om 14.55 uur is bij verdachte bloed afgenomen.14

Dr. K.J. Lusthof, als apotheker-toxicoloog verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), heeft toxicologisch onderzoek gedaan naar de in het bloed van verdachte aanwezige stoffen. In diens bloed werd onder meer 0,057 mg/l lorazepam aangetroffen.

De gebruikelijke therapeutische concentratie in serum van lorazepam varieert tussen 0,02 en 0,25 mg/l. De concentratie in bloed is voor lorazepam niet gelijk aan de concentratie in serum. Voor lorazepam is de omrekeningsfactor niet bekend. In het algemeen verschilt de concentratie in serum ten opzichte van de concentratie in bloed niet meer dan een factor 2.

In het bloed is verder 0,0095 mg/l desmethyldiazepam gemeten. De gebruikelijke therapeutische concentratie van (desmethyl)diazepam in bloed liggen tussen 0,1 en 0,5 mg/l.

Dr. Lusthof concludeert dat de rijvaardigheid ten tijde van de bloedafname waarschijnlijk negatief was beïnvloed door de aangetoonde stof lorazepam. ‘Waarschijnlijk’ is de hoogste variant op de schaal van aannemelijkheid die het NFI hanteert.15

Voorts heeft op verzoek van de officier van justitie nader onderzoek plaatsgevonden naar de aanwezigheid van de hoeveelheid Seroquel in het bloed van verdachte en de effecten hiervan op de rijvaardigheid. Drs. R. Oosting, eveneens als apotheker-toxicoloog verbonden aan het NFI, heeft hierover rapport uitgebracht. In het bloed is 0,014 mg/l quetiapine (het werkzame bestanddeel van Seroquel) gemeten. De gebruikelijke therapeutische concentratie van quetiapine in bloed ligt meestal tussen 0,06 en 0,35 mg/l.

Oosting concludeert dat de combinatie van lage concentraties quetiapine en desmethyldiazepine met een therapeutische concentratie lorazepam waarschijnlijk leidt tot een marginaal aanvullend negatief effect op het effect van lorazepam op de rijvaardigheid. Daarom kan volgens Oosting de conclusie van Lusthof in diens rapportage worden gehandhaafd.

Oosting heeft daarbij nog aangetekend dat autorijden bij dagelijks gebruik van lorazepam wordt afgeraden. Bij incidenteel gebruik van lorazepam wordt geadviseerd tot 72 uur na inname niet auto te rijden.16

Ter zitting van 15 september 2015 heeft Oosting verklaard dat lorazepam en alcohol beiden de rijvaardigheid beïnvloedende stoffen zijn. Zij kunnen elkaar versterken in dat effect. In dit geval is dat elkaar versterkende effect marginaal, omdat het gaat om een kleine hoeveelheid alcohol in het bloed van verdachte.17

Verweren van de verdediging

Volgens de verdediging is niet komen vast te staan dat de rijvaardigheid van verdachte negatief is beïnvloed door lorazepam. De omrekenfactor van lorazepam is niet bekend en wordt geschat op ongeveer 2, naar boven en naar beneden. De omrekenfactor zou zelfs hoger dan 2 kunnen zijn. Bij factor 3 zou men bij deling door 3 van de gemeten 0,057 mg/l beneden de ondergrens van de therapeutische concentratie komen. De conclusie van de beide NFI-deskundigen over het effect van lorazepam op de rijvaardigheid van verdachte is dan ook te stellig.

Bovendien is verdachte geen incidenteel gebruiker. De concentratie lorazepam was in samenhang met het gewenningspatroon van verdachte dusdanig laag, dat dit geen nadelige invloed meer heeft gehad op zijn rijgedrag.

Bij een inname ver voor het ongeval, kun je verdachte ook niet verwijten dat hij toch is gaan rijden. Hij nam steeds een dosis van 2 milligram lorazepam. Bij deze dosis is na 2 uur de maximale concentratie bereikt van 0,2 mg/l. Uitgaande van een halfwaardetijd (de tijd waarin de concentratie in het bloed halveert) van 12 tot 16 uur en een gemeten concentratie van 0,057 mg/l zou dit betekenen dat verdachte ongeveer 24 tot 32 uur vóór het ongeval lorazepam heeft ingenomen. De gemeten hoeveelheid alcohol is ook dermate gering, dat dit niet van invloed kan zijn geweest op de rijvaardigheid.

Verdachte heeft een verleden van drank- en drugsmisbruik. Gezien dat verleden is het niet onaannemelijk dat verdachte een moment van black out heeft gehad, veroorzaakt door bijvoorbeeld een tia. Dit had kunnen worden vastgesteld indien hij direct na het ongeval was onderzocht. Dat is echter niet gebeurd. Verdachte kan zelf niet verklaren hoe het komt dat hij op de verkeerde weghelft is gaan rijden. Hij heeft niet te hard gereden of gebeld onder het rijden. Verdachte is op onverklaarbare wijze op de verkeerde weghelft terecht gekomen. Dat is niet voldoende voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Verdachte valt ook niet het verwijt van gevaarzettend rijgedrag in de zin van artikel 5 WVW te maken.

Het oordeel van de rechtbank. .

De rechtbank dient primair te beoordelen of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW.

Bij de beoordeling van de schuldvraag komt het, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Eén enkele (grove) verkeersovertreding kan onder omstandigheden voldoende zijn voor het aannemen van schuld in de zin van artikel 6 WVW (Hoge Raad, 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822).

Laatstgenoemd arrest betrof een verdachte die met een snelheid van 80 km/u op een tweebaansweg reed en na een flauwe bocht zonder enige aanleiding zo ver naar links is gekomen dat zij daardoor op de verkeerde weghelft terecht kwam en daar frontaal in botsing kwam met een tegenligger. Deze omstandigheden zijn vergelijkbaar met de omstandigheden die zich in het onderhavige geval voordoen. De Hoge Raad overwoog in dat arrest:

“Zodanig verkeersgedrag kan in beginsel de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zich aanmerkelijk onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte als bedoeld in artikel 6 van de WVW is te wijten. Dat kan evenwel anders zijn indien omstandigheden zijn aangevoerd en aannemelijk zijn geworden – bijvoorbeeld dat verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde – waaruit volgt dat van schuld in vorenbedoelde zin niet kan worden gesproken.”

Naar het oordeel van de rechtbank zijn dergelijke omstandigheden niet of onvoldoende aannemelijk geworden. De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte wellicht een black out heeft gehad door bijvoorbeeld een tia. Er is geen medische informatie overgelegd waaruit de waarschijnlijkheid van een dergelijke black out zou kunnen blijken. Verdachte heeft zelf tegenover de politie verklaard dat hij geen black out heeft gehad.18

De verdediging heeft betwist dat de in het bloed van verdachte gemeten stoffen, met name lorazepam en alcohol, mede redengevend kunnen zijn voor de ten laste gelegde schuld in de zin van artikel 6 WVW. De rechtbank verwerpt dat verweer.

De rechtbank stelt voorop dat het gebruik van een stof die de rijvaardigheid kan verminderen, kan bijdragen aan het oordeel dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW (zie Hoge Raad 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3616). Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat verdachte ten tijde van het ongeval een therapeutische concentratie lorazepam in het bloed had.

Verdachte heeft zelf ter zitting verklaard dat hij ongeveer 2 maanden voor het ongeval lorazepam is gaan gebruiken. Sindsdien gebruikte hij het incidenteel, bij angst- en paniekaanvallen.19 Gelet hierop merkt de rechtbank verdachte aan als een incidenteel ,gebruiker van lorazepam en niet, zoals de verdediging heeft gesteld, als een gebruiker bij wie sprake was van gewenning aan lorazepam.

Oosting heeft in zijn rapportage erop gewezen dat bij incidenteel gebruik van lorazepam wordt geadviseerd tot 72 uur na inname niet auto te rijden. Tegenover de politie heeft verdachte aanvankelijk verklaard dat hij de avond voor het ongeval lorazepam had gebruikt.20 Ter zitting heeft hij verklaard dat hij de donderdag- of vrijdagavond voor het incident voor het laatst lorazepam heeft geslikt.21 Ook als dit op donderdagavond is gebeurd, is dat nog binnen 72 uur voor het ongeval.

Ter zitting heeft Oosting verklaard dat de omrekeningsfactor in de meeste gevallen rond factor 2 maximaal ligt. In theorie zou deze factor iets hoger kunnen zijn, maar hij is waarschijnlijk wat lager.22 Pas bij deling met omrekeningsfactor 3 zou de gemeten concentratie net onder de grens van de gebruikelijke therapeutische concentratie komen. Mede gezien het moment van inname (binnen de 72 uur waarbinnen autorijden wordt afgeraden) acht de rechtbank het niet aannemelijk, dat in dit geval de omrekeningsfactor zo ver afwijkt van factor 2 dat verdachte ten tijde van het ongeval geen therapeutische concentratie lorazepam meer in zijn bloed had. De rechtbank onderschrijft dan ook de conclusie van de deskundigen Lusthof en Oosting dat de rijvaardigheid van verdachte ten tijde van de bloedafname waarschijnlijk nadelig beïnvloed was door lorazepam. Dat nadelige effect is, zij het marginaal, versterkt door de vlak voor het incident ingenomen alcohol.

Naar het oordeel van de rechtbank verkeerde verdachte onder zodanige invloed van lorazepam, waarvan hij moest weten dat het gebruik daarvan, in combinatie met alcohol, de rijvaardigheid kan beïnvloeden, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht (een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, WVW).

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij op de verpakking van lorazepam een gele sticker had gezien en wist dat dit betekende dat deze stof de rijvaardigheid kon beïnvloeden. Ook heeft hij ter zitting verklaard dat hij de bijsluiter wel eens had gelezen.23 Juist van verdachte mocht ook worden verwacht, dat hij zich zou vergewissen van de invloed van lorazepam op zijn rijvaardigheid. Hij was immers recent, in 2012 en 2013, veroordeeld voor het rijden onder invloed van alcohol en was daardoor nog eens extra gewezen op het belang niet te gaan rijden onder invloed van stoffen die de rijvaardigheid beïnvloeden. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging, dat verdachte niet kan worden verweten dat hij is gaan autorijden.

De voorgaande overwegingen brengen de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, terwijl hij verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WVW, op de rijbaan voor het tegemoetkomend verkeer is gaan en blijven rijden zonder enige te rechtvaardigen aanleiding en vervolgens tegen de auto van [slachtoffer 2] is gebotst.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het rijgedrag van verdachte niet moet worden aangemerkt als zeer onvoorzichtig, maar als aanmerkelijk onvoorzichtig. Verdachte heeft op de weghelft van het tegemoetkomend verkeer gereden en verkeerde onder invloed van lorazepam in combinatie met alcohol. Het betrof echter een geringe hoeveelheid alcohol, die slechts marginaal een versterkend effect had op dat van lorazepam. Ook valt niet uit te sluiten dat verdachte de lorazepam al enkele dagen voor het ongeval heeft ingenomen. Andere omstandigheden ten nadele van verdachte (bijvoorbeeld te hard rijden, bellen onder het rijden, onverantwoord inhalen) zijn de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het primair ten laste gelegde rijgedrag, zoals dit door [getuige 1] is geverbaliseerd (slingerend rijden met gesloten ogen over de middenstreep van de rijbaan). Dit rijgedrag vond immers plaats op een eerder moment dan het ongeval en heeft dus niet mede de botsing met de auto van [slachtoffer 2] veroorzaakt.

Ten aanzien van feit 2:

De navolgende getuigenverklaringen dragen naar het oordeel van de rechtbank bij aan het bewijs.

Verbalisant [slachtoffer 1] , heeft verklaard dat hij 9 november 2014 omstreeks 11.45 uur op de Kanaaldijk reed. Ter plaatse maakt de Kanaaldijk- gezien in de rijrichting van getuige- een grote bocht naar links. In deze bocht zag getuige dat een personenauto, een Landrover, hem slingerend naderde. Hij zag dat de bestuurder met zijn auto over de middenstreep van de rijbaan reed. Getuige moest hierdoor naar rechts uitwijken om een aanrijding te voorkomen. In het voorbijrijden zag getuige dat de bestuurder van de Landrover de hem ambtshalve bekende [verdachte] was.24

Getuige [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij, als bestuurster, op 9 november 2014 omstreeks 12.00 uur samen met haar dochter in een Kia Picanto op de Kanaaldijk in de richting van Beek en Donk reed. Zij zag een grote auto aankomen die op de weghelft kwam waarop zij reden. Dit was dus voor die grote auto de verkeerde weghelft. Zij had telkens het idee dat de bestuurder van die auto van hen “weg zou sturen”. Zij voelde vervolgens dat die grote auto hen aan de zijkant raakte. Toen zij tot stilstand kwamen kon zij aan haar kant niet uit de auto.25

Getuige [slachtoffer 4] heeft verklaard dat zij op 9 november 2014 als bijrijder in de Kia Picanto zat en dat zij zag dat er uit de tegenovergestelde richting een grote personenauto “jeep-model” kwam. Zij zag dat deze op hun weghelft kwam en op hen af kwam. Getuige dacht “die zal wel terugsturen naar zijn eigen weghelft”. Ze zag echter dat de man die in de auto reed niet terug stuurde naar zijn eigen weghelft. Daarna vond er een aanrijding plaats tussen die auto en de auto waarin zij als bijrijder zat.26

Op grond van bovengenoemde getuigenverklaringen acht de rechtbank het onder feit 2 ten laste gelegde gevaarzettend gedrag wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3:

De rechtbank heeft reeds bij het onder feit 1 primair ten laste gelegde bewezen verklaard, dat verdachte heeft gereden in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WVW.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 09 november 2014 te Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Kanaaldijk (in de richting van Helmond, komend uit de richting van Beek en Donk), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend:

- terwijl hij verkeerde onder invloed van een stof (lorazepam) die de rijvaardigheid nadelig kan beïnvloeden in combinatie met alcoholhoudende drank (85 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht) en aldus verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994;

- op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen en op die weghelft voor het tegemoetkomend verkeer is blijven rijden en

- daarbij niet is uitgeweken voor een hem over die Kanaaldijk over dezelfde rijbaan tegemoetkomende personenauto bestuurd door [slachtoffer 2] en

- zonder dat er enige te rechtvaardigen aanleiding of reden was om op dat weggedeelte voor het tegemoetkomende verkeer te gaan rijden en te blijven rijden niet heeft voldaan aan zijn verplichting zoveel mogelijk rechts te houden en

- vervolgens tegen die hem tegemoetkomende (door die [slachtoffer 2] bestuurde) personenauto is gebotst, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer 2] , werd gedood, zulks onder de strafverzwarende omstandigheid dat hij, verdachte, toen daar dat motorvoertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 85 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn in combinatie met het gebruik van Lorazepam, een medicijn, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, dat de rijvaardigheid nadelig kan beïnvloeden;

2.

op 09 november 2014 te Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek, als bestuurder van een voertuig (personenauto (Land Rover)), daarmee rijdende op de weg, de Kanaaldijk,

- in een voor hem naar rechts lopende bocht op een slingerende wijze heeft gereden - waarbij hij met zijn, verdachtes, personenauto over de middenstreep van de rijbaan is gereden waardoor een hem over die Kanaaldijk over dezelfde rijbaan tegemoetkomende personenauto (bestuurd door [slachtoffer 1] ) middels een uitwijkmanoeuvre een (frontale) aanrijding wist te voorkomen en

- vervolgens wederom op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen en op die weghelft voor het tegemoetkomend verkeer is blijven rijden en - daarbij niet is uitgeweken voor een hem over die Kanaaldijk over dezelfde rijbaan tegemoetkomende personenauto (kia Picanto) bestuurd door [slachtoffer 3] en - zonder dat er enige te rechtvaardigen aanleiding of reden was om op dat weggedeelte voor het tegemoetkomende verkeer te gaan rijden niet heeft voldaan aan zijn verplichting zoveel mogelijk rechts te houden en

- vervolgens met zijn linker voorzijde tegen de linkerflank van die hem tegemoetkomende personenauto (Kia Picanto) is gebotst,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt voor de in die Kia Picanto zittende [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en het verkeer op die weg werd gehinderd;

3. op 09 november 2014 te Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek, als bestuurder van een voertuig, (personenauto (Landrover)), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten Lorazepam, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan in combinatie met het gebruik van een andere stof de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 1 en feit 3:

Een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 42 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179 lid 6 WVW.

Ten aanzien van feit 2:

Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht, indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring, de door de officier van justitie gevorderde straf aanzienlijk te matigen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is, terwijl hij onder invloed van lorazepam en alcohol verkeerde, op de weghelft van het tegemoetkomende verkeer gaan rijden, waarbij hij twee botsingen met medeweggebruikers heeft veroorzaakt. Een andere medeweggebruiker heeft een aanrijding met verdachte kunnen voorkomen door een uitwijkmanoeuvre.

Ten gevolge van de tweede botsing is de bestuurder van de betrokken personenauto overleden. Aan de nabestaanden van het slachtoffer is hierdoor groot en onherstelbaar leed toegebracht. Wat het overlijden van het slachtoffer voor de nabestaanden betekent is ter terechtzitting door de twee zussen van het slachtoffer verwoord. De rechtbank realiseert zich dat een strafoplegging, in welke vorm dan ook, het leed van de nabestaanden niet kan wegnemen.

De bestuurder en bijrijder van de personenauto bij de eerste botsing moeten verwerken dat zij zelf ternauwernood aan een ernstig ongeval zijn ontsnapt en direct daarna getuige zijn geweest van een dodelijk ongeval, veroorzaakt door dezelfde auto die ook hen heeft geraakt. De bijrijder was bovendien ten tijde van het ongeval hoogzwanger.

Kijkend naar de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat hij reeds driemaal, in 2012 en 2013, voor overtreding van artikel 8 WVW werd veroordeeld. Ook weegt de rechtbank mee dat verdachte ter zitting er blijk van heeft gegeven het verschrikkelijk te vinden wat er is gebeurd en ook zelf de psychische gevolgen van het ongeval heeft ondervonden.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van na te melden duur.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan waarop de officier van justitie zijn eis heeft gebaseerd.

Ten aanzien van feit 3 is sprake van eendaadse samenloop, als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht, met het bewezen verklaarde onder feit 1 primair.

De rechtbank is van oordeel dat de straf die zij zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 55, 57, 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 6, 8, 176, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven en de overtreding:

T.a.v. feit 1 primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994. (in eendaadse samenloop met feit 3)

T.a.v. feit 2: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. T.a.v. feit 3: overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. (in eendaadse samenloop met feit 1 primair)

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

T.a.v. feit 1 primair, feit 3: Gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1 primair, feit 3: Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179 lid 6 Wegenverkeerswet 1994.

T.a.v. feit 2: Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van 6 maanden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.J.H. Van Dellen, voorzitter,

mr. A.M. Kooijmans-de Kort en mr. H.F. Koenis, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,

en is uitgesproken op 30 november 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit de paginanummers van het proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, BZO afdeling Helmond Centrum, genummerd PL2100-2014162866.

2 Proces-verbaal relaas, d.d. 16 december 2014, p. 3.

3 Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse d.d. 18 december 2014, pag. 53.

4 Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse d.d. 18 december 2014, pag. 54.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 november 2014, pag. 102.

6 Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse d.d. 18 december 2014, pag. 65.

7 Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] d.d. 9 november 2014, pag. 73.

8 Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, pag. 55.

9 Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, pag. 68.

10 Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse d.d. 18 december 2014, pag. 55.

11 Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse d.d. 18 december 2014, pag. 62-64.

12 Proces-verbaal van bevindingen ademanalyse, pag. 35-36.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 9 november 2014, pag. 98.

14 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2014, pag. 37.

15 Rapport van het NFI, opgemaakt door dr. K.J. Lusthof d.d. 23 december 2014 , pag. 147-148.

16 Rapport van het NFI, opgemaakt door drs. Oosting, d.d. 29 oktober 2015, p. 6 en 7.

17 Proces-verbaal van de terechtzitting dd. 15 september 2015, p. 5.

18 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 9 november 2014, p. 96.

19 Verklaring van verdachte ter zitting van 16 november 2015.

20 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 9 november 2014, p. 38.

21 Verklaring van verdachte ter zitting van 16 november 2015.

22 Ibidem, p. 4.

23 Verklaring van verdachte ter zitting van 16 november 2015.

24 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [slachtoffer 1] d.d. 9 november 2014, pag. 34.

25 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 3] d.d. 10 november 2014, pag. 77.

26 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 4] d.d. 10 november 2014, pag. 79-80.