Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:6777

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-11-2015
Datum publicatie
31-12-2015
Zaaknummer
14_721
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Planschade. Bepaling planologisch nadeel aan de hand van blootstelling

De zaak betreft een gestelde planschade als gevolg van de verlening van een planologische vrijstelling ten behoeve van een mestvergister in agrarisch gebied. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld hoe het planologisch nadeel moet worden bepaald.De enkele omstandigheid dat klachten zijn ingediend, wil nog niet zeggen dat reeds daarom sprake is van een zodanig nadeliger planologische situatie dat schade in de vorm van waardevermindering ontstaat. chter, ook de omstandigheid dat zou worden voldaan aan de richtafstanden in de VNG systematiek wil nog niet zeggen dat reeds daarom geen sprake is van een nadeliger positie, zelfs niet als de woning van eiser is gelegen op meer dan 2,5 keer de richtafstand van de installatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de StAB de bepaling van het planologisch nadeel vanwege geur kunnen baseren op een vergelijking van de blootstellingsduur tussen het maximaal toegelaten planologische gebruik van de gronden in de oude planologische situatie (het gebruik ten behoeve van het uitrijden van dierlijke mest) en de nieuwe planologische situatie. Aldus is geen sprake van planologisch nadeel.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening, geldigheid: 2015-12-31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/721

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 november 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. drs. J.M. Stedelaar),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint Anthonis, verweerder

(gemachtigde: G. Kusters).

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om een tegemoetkoming in geleden planschade afgewezen.

Bij besluit van 6 maart 2013 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 11 november 2013 (SHE 13/3073, B4) heeft de rechtbank het beroep van eiser daartegen gegrond verklaard en bepaald dat verweerder een nieuw besluit moet nemen.

Bij besluit van 17 december 2013 heeft verweerder het bezwaar van eiser onder aanvulling van de motivering opnieuw ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen weer beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2014. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na de behandeling heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. De zaak is wederom behandeld op 2 december 2014 gelijktijdig met de zaken SHE 14/225 en SHE 14/2494. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft vervolgens de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak ingeschakeld (StAB). De StAB heeft op 26 augustus 2015 advies uitgebracht. Partijen hebben op het advies gereageerd. Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven voor afdoening zonder nadere zitting.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser is sinds oktober 1992 eigenaar van het perceel met woonhuis aan de [adres 1] (hierna ook: het object). Het object van eiser betreft een vrijstaande woonboerderij met bijgebouwen (voormalige agrarische schuren) en tuin. Het object is gelegen ten noordwesten van de [straatnaam 1] en ten noordoosten van de weg [straatnaam 2] . Eiser is geconfronteerd met twee planologische wijzigingen: de eerste wijziging betreft de wijziging van de bestemmingsplannen “Buitengebied eerste gedeeltelijke herziening” en “Buitengebied, tweede herziening” naar het bestemmingsplan “Molenveld, tweede fase”. Dit plan is gedeeltelijk goedgekeurd en dit goedkeuringsbesluit is gedeeltelijk onherroepelijk geworden. De tweede wijziging betreft het verlenen van vrijstellingen ingevolge artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor de mestverwerkingsinstallaties van Cleanergy en Cobemi van het bestemmingsplan “Buitengebied, eerste gedeeltelijke herziening”, “Buitengebied, tweede herziening” en “Molenveld, tweede fase”. Het object van eiser is met de voorgevel gericht naar de [straatnaam 1] en bevindt zich op een kortste afstand van 283 meter van Cleanergy.

1.2

Op 18 augustus 2010 heeft eiser bij verweerder een verzoek tot vergoeding van planschade ingediend. Bij brief van 2 november 2010 heeft verweerder de Stichting advies onroerende zaken (de SAOZ) verzocht advies uit te brengen over eisers aanvraag tot vergoeding van planschade. In maart 2012 heeft de SAOZ een definitief advies uitgebracht. In januari 2013 heeft de SAOZ een herzien advies uitgebracht.

1.3

In de uitspraak van deze rechtbank van 11 november 2013 heeft de rechtbank geoordeeld dat de SAOZ de juiste planologische vergelijkingen heeft gemaakt. SAOZ heeft terecht geconcludeerd dat er geen sprake is van een, in het kader van het verzoek om vergoeding van planschade, relevante aantasting van het uitzicht van eiser. De SAOZ heeft voorts terecht aangenomen dat de mestverwerkingsinstallaties van Cleanergy en Cobemi gelijk kunnen worden gesteld met bedrijven in milieucategorie 3. In de uitspraak is evenwel ook het volgende overwogen (voor zover relevant in deze zaak): “Verweerder miskent (..) dat de omstandigheid dat in het kader van de beoordeling of de vrijstellingen ex art 19 WRO en de bouwvergunningen konden worden verleend, is geconcludeerd dat geen sprake is van onaanvaardbare hinder, hetgeen er toe heeft geleid dat het oprichten van de mestverwerkingsinstallaties mogelijk is geworden, onverlet laat dat er niettemin sprake kan zijn van een relevante toename van hinder in het kader van de planologische vergelijking die moet worden gemaakt bij de vergelijking van de planologische regimes bij een verzoek om vergoeding van planschade. De SAOZ concludeert weliswaar dat geen sprake is van een in relevante mate toegenomen hinder maar die conclusie is slechts gebaseerd op het standpunt dat sprake is van een installatie die gelijk kan worden gesteld met milieucategorie 3 en de afstand van de woning van eiser tot de installatie meer bedraagt dan 100 meter. De SAOZ heeft bij die conclusie niet betrokken of de geur- en geluidhinder door de wijziging van het planologische regime is toegenomen en of eiser dientengevolge schade lijdt. De vraag of een (planologische) wijziging toegenomen overlast en schade oplevert is een fundamenteel andere dan de vraag of een dergelijke wijziging planologisch kan worden toegestaan en de omstandigheid dat in het kader van de milieuvergunning geen sprake is van onaanvaardbare hinder betekent niet dat er derhalve ook in planologisch opzicht geen sprake is van een toename van geur- of geluidhinder die als schadefactor in aanmerking dient te worden genomen.” De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de door eiser gemaakte vergelijking met het perceel [adres 2] niet opgaat, omdat gelet op het evidente verschil in afstand tot de mestverwerkings-installaties niet kan worden gesproken van gelijke gevallen. De uitspraak van deze rechtbank van 11 november 2013 is onherroepelijk.

1.4

Op verzoek van verweerder heeft SAOZ op 27 november 2013 een nader advies uitgebracht. Hierin is aangegeven dat, nu het bedrijf kan worden gekwalificeerd als een categorie 3 bedrijf in de VNG systematiek, hinder van het bedrijf op een afstand van 100 meter als planologisch aanvaardbaar kan worden gekwalificeerd. Omdat de woning op meer dan 2,5 keer de planologische normafstand is gelegen, is volgens SAOZ in redelijkheid geen sprake meer van een in relevante mate toegenomen hinder, althans van een zodanig nadeliger planologische situatie dat schade in de vorm van waardevermindering ontstaat. Dit advies heeft verweerder ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit.

De milieucategorie

2.1

Eiser stelt dat het hier om mestverwerkingsinstallaties gaat die volgens de VNG systematiek in milieucategorie 3.2 (en geen 3 zoals SAOZ stelt) vallen. Eiser merkt op dat de afstanden richtafstanden betreffen.

2.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een relevante toename van geur- en geluidhinder, althans niet zodanig dat sprake is van een dusdanig nadeliger positie dat schade in de vorm van waardevermindering ontstaat.

2.3

De rechtbank stelt voorop dat de milieucategorie niet meer ter discussie staat. In de uitspraak van 11 november 2013 heeft de rechtbank geoordeeld dat het om categorie 3 gaat. Deze beroepsgrond faalt.

De verkeersdrempel

3.1

De omstandigheid dat in het schadeveroorzakende planologische besluit dwingende aanvoerroutes voor het bedrijventerrein en de mestverwerking zijn voorgeschreven, moet volgens eiser bij de beoordeling worden betrokken, hetgeen niet is gebeurd. Als gevolg van de verkeersdrempels voor zijn woning, ondervindt hij trillinghinder en schade aan de woning.

3.2

SAOZ heeft in het eerste advies hierover opgemerkt dat, voor zover sprake is van een toegenomen verkeersintensiteit, schade als gevolg van trillingen door verkeersdrempels voor de woning van eiser niet het gevolg is van de planologische mutaties die ten grondslag liggen aan het verzoek van eiser.

3.3

De verkeersdrempels maken geen onderdeel uit van de planologische mutaties die ten grondslag liggen aan het verzoek van eiser. Reeds daarom kan schade door trillingen als gevolg van deze drempels (voor zover daarvan sprake is), niet als planschade worden aangemerkt. De rechtbank is voorts van oordeel dat niet valt in te zien dat sprake is van een toegenomen verkeersintensiteit ten opzichte van de maximaal planologisch toegelaten situatie onder het oude planologische regime. Bovendien is de Peelstraat verboden voor vrachtverkeer met uitzondering van bestemmingsverkeer en valt het verkeer van en naar de beide mestverwerkingsinstallaties niet als bestemmingsverkeer aan te merken. Daarbij komt dat het bestemmingsplan “Molenveld 2e fase” voorziet in een mogelijkheid om de mestverwerkingsinstallaties via een andere weg te bereiken. Deze beroepsgrond faalt.

Geurhinder

4.1

Eiser merkt op dat hij en andere bewoners in de omgeving van de mestverwerkings-installaties veel klachten hebben door geuroverlast. Hij refereert aan een informatie-bijeenkomst die op 13 juli 2009 plaatsvond, de meer dan 1000 klachten die zijn ingediend en die verband houden met de mestverwerkingsinstallaties, een artikel uit binnenlands bestuur en gesprekken die hij met meerdere makelaars heeft gevoerd en die beamen dat er sprake is van een forse waardevermindering als gevolg van de vestiging van de bedrijven. De cumulatie van de geurhinder als gevolg van de omliggende agrarische bedrijven speelt hierbij ook een rol, aldus eiser, en moet bij de beoordeling van de schade worden meegenomen. Eiser refereert voorts aan een onderzoek van TOG Nederland dat in de beroepsprocedure is overgelegd. Hierin concludeert TOG Nederland dat, ondanks de omstandigheid dat een milieuvergunning is verleend voor de installaties en dat de planologische vrijstelling onherroepelijk is, desalniettemin sprake kan zijn van geurhinder. Ook is van belang dat de geurontwikkeling van de mestverwerkingsinstallaties gebiedsvreemd is. Door deze omstandigheid is sprake van een nadeliger positie en een waardevermindering van het object van eiser van € 13.000,00. Eiser stelt ook geluidsoverlast te ondervinden van de mestverwerkingsinstallaties.

4.2

Verweerder verwijst naar de adviezen van SAOZ. Verweerder is van mening dat cumulatie van de geurhinder van de installatie met de geurhinder van aanwezige agrarische bedrijven niet aan de orde kan zijn bij de beoordeling of sprake is van een planologisch verslechterde situatie. Verweerder verwijst naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: Afdeling) van 6 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS: 2014:2935).

4.3

De enkele omstandigheid dat klachten zijn ingediend, wil nog niet zeggen dat reeds daarom sprake is van een zodanig nadeliger planologische situatie dat schade in de vorm van waardevermindering ontstaat.

Echter, ook de omstandigheid dat zou worden voldaan aan de richtafstanden in de VNG systematiek wil nog niet zeggen dat reeds daarom geen sprake is van een nadeliger positie, zelfs niet als de woning van eiser is gelegen op meer dan 2,5 keer de richtafstand van de installatie. Verweerder verliest hierbij de aard en de omvang van de installatie zelf uit het oog alsmede verzuimt de invloed van het gebruik dat in de oude planologische situatie van de gronden kon worden gemaakt te kwantificeren. In de VNG systematiek blijft de relevante richtafstand bij een categorie 3 installatie gelijk ongeacht de aard en omvang van de installatie. Dit laat zich niet rijmen met de omstandigheid dat er een grote diversiteit is in categorie 3 bedrijven. Zo is een meubelfabriek ook een categorie 3 bedrijf met een richtafstand van 100 meter. Op voorhand kan echter niet worden ingezien dat een redelijk denkend koper zich niet laat leiden door de aard van het bedrijf dat in zijn omgeving ligt. Bovendien is de omvang van het bedrijf wel relevant voor de vraag of sprake is van een aanvaardbare hinder. De omvang (en capaciteit) van een mestverwerkingsinstallatie kan bepalend zijn voor de geurcontour van het bedrijf en reeds daarom kan niet worden uitgegaan van een standaard richtafstand. De rechtbank is van oordeel dat een individuele beoordeling van het planologische nadeel met betrekking tot de relevante schadefactoren voor de hand had gelegen. Deze individuele beoordeling mist de rechtbank in het advies van SAOZ dat verweerder ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit. Deze beroepsgrond slaagt.

5. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

Advies StAB

6.1

Gelet op de lange duur van de procedure en de omstandigheid dat eiser in de beroepsprocedure het rapport van TOG Nederland heeft overgelegd en daarmee zijn stellingen heeft geprobeerd te onderbouwen, heeft de rechtbank de StAB om advies gevraagd.

6.2.1

In het advies heeft de StAB ten aanzien van de schadefactor geur het volgende opgemerkt. De StAB heeft cumulatie van de geurhinder van de installaties met omliggende agrarische bedrijven achterwege gelaten omdat voor deze bedrijven ruim voor de peildatum vergunningen zijn afgegeven, zodat de aanwezigheid van deze omliggende agrarische bedrijven zowel voor als na de peildatum een gegeven is. De StAB heeft vervolgens een vergelijking gemaakt tussen het gebruik van de gronden als landbouwgrond voor de peildatum en de situatie na de planwijziging waarbij op de gronden twee mestverwerkingsinstallaties aanwezig zijn. In de oude situatie wordt de bodem bemest hetgeen een tijdelijke geurbelasting voor de omgeving oplevert. In de nieuwe situatie is sprake van een geurbelasting door het gehele jaar heen maar wordt deze beperkt door het toepassen van geurreducerende maatregelen. Wegens het ontbreken van een gelijksoortige geurnorm als voor een inrichting kan geen één op één vergelijking worden gemaakt met het uitrijden van dierlijke mest. Gelet hierop en in aanmerking nemende dat het ervaren van geurhinder afhankelijk is van een aantal (subjectieve) factoren zoals hedonische waardering, adaptatie en incidenteel of continu optredend, heeft de StAB aansluiting gezocht bij een in haar ogen objectiever criterium in de vorm van blootstellingsduur. De StAB heeft onderzocht hoe lang de geur vanwege beide activiteiten kan worden waargenomen bij de woning van eiser (de blootstellingsduur in de vorm van geur in uren per jaar). De StAB heeft berekend dat de maximale periode dat de geurdrempel door de mestverwerkingsinstallaties bij de woning [adres 1] mag worden overschreden en dus geur waarneembaar is, gelijk is aan 9 uren per jaar. De blootstellingsduur door het uitrijden van mest op landbouwgrond heeft de StAB berekend op 10 uur per jaar. Daarom is volgens de StAB geen sprake van een planologisch nadeel voor eiser vanwege geur.

6.2.2

De StAB heeft ten aanzien van de schadefactor geur aansluiting gezocht bij de maatstaf van ‘een goed akoestisch klimaat’, waarbij op basis van de ‘Handreiking industrielawaai’ een richtwaarde van 40 dB(A) als etmaalwaarde wordt gehanteerd. De StAB heeft vastgesteld dat bij een equivalente geluidsnorm van 40 dB(A) etmaalwaarde kan worden gesproken van een goed akoestisch klimaat dat geen aanleiding geeft voor de veronderstelling dat een redelijk denkend koper zich bij zijn bod zal laten beïnvloeden. Deze norm wordt niet overschreden door de cumulatieve geluidbijdrage van beide mestverwerkingsinstallaties. Ook het vergunde maximale geluidniveau van 50 dB(A) is geen reden om aan te nemen dat sprake is van verstoring van een goed akoestisch klimaat. De fakkelinstallatie is wel hinderlijk zodra deze hoorbaar is en wordt door de StAB beschouwd als een planologische verslechtering, met dien verstande dat – ervan uitgaande dat het fakkelen slechts incidenteel plaatsvindt – het planologisch nadeel betrekkelijk gering is.

6.2.3

De StAB merkt ten aanzien van de schadefactor trillingen op dat, zelfs al is sprake van een causaal verband tussen zwaar passerend vrachtverkeer en de scheurvorming in de woning van eiser, er geen reden is om aan te nemen dat het verkeer van en naar de mestverwerkingsinstallaties hiervoor verantwoordelijk is; er vindt ook transport plaats van en naar de op enige afstand van het object van eiser gelegen rundveehouderij en twee varkenshouderijen. De StAB heeft ook vastgesteld dat de waarde voor aanvaardbare trillinghinder (tabel 3 van de SBR richtlijn B) niet wordt overschreden. De StAB ziet geen planologisch nadeel door trillinghinder voor eiser.

6.3

Verweerder heeft de conclusies van de StAB onderschreven. Onder verwijzing naar een nader advies van de SAOZ van 24 september 2015 heeft verweerder in het door de StAB geconstateerde betrekkelijk geringe planologische nadeel vanwege de fakkelinstallatie geen reden voor een vergoeding gezien. De SAOZ wijst er op dat de geluidhinder van de fakkelinstallatie een incidenteel karakter heeft in een situatie met een goed akoestisch klimaat.

6.4

Eiser heeft in zijn reactie verwezen naar een rapport van TOG Nederland van 29 september 2015. Hierin is ten aanzien van de factor geur opgemerkt dat de StAB voorbij gaat aan de hedonische waardering van de geurbelasting vanwege de mestverwerkingsinstallaties. De geur vanwege deze installaties is gebiedsvreemd, de geur vanwege het uitrijden van mest niet. Er wordt te weinig ingegaan op de invloed van de diverse weertypen. In de praktijk is meer sprake van geurhinder door de vele storingen in de installaties. Ten aanzien van de factor geluid wordt door de StAB ten onrechte voorbijgegaan aan de verkeerstoename van en naar het plangebied. Er is geen rekening gehouden met de verkeersdrempel. Dit kan ook leiden tot geluidhinder. Het maximaal toegelaten aantal vrachtwagenbewegingen in de nieuwe planologische situatie is niet in kaart gebracht. Deze toename leidt ook tot trillinghinder.

6.5

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de StAB de bepaling van het planologisch nadeel vanwege geur kunnen baseren op een vergelijking van de blootstellingsduur tussen het maximaal toegelaten planologische gebruik van de gronden in de oude planologische situatie (het gebruik ten behoeve van het uitrijden van dierlijke mest) en de nieuwe planologische situatie. De berekening door de StAB van de blootstellingsduur in beide situaties is door eiser onvoldoende bestreden. Weliswaar wordt geopperd dat onduidelijk is in hoeverre verschillende windsnelheden in de berekening zijn betrokken, maar hierbij wordt voorbij gegaan aan de opmerking in het StAB advies dat gebruik is gemaakt van de berekenings-methodiek in het Stacks-rekenmodel voor het gebied waar de inrichting is gesitueerd. De StAB is bij de berekening van de blootstellingsduur terecht uitgegaan van de normering zoals deze is opgenomen in de milieuvergunningen van beide mestverwerkingsinstallaties op de peildatum. Weliswaar heeft de StAB daardoor geen rekening gehouden met de hedonische waardering van de geur van een mestverwerkingsinstallatie maar eisers hebben evenmin onderbouwd dat de hedonische waarde van mest die wordt uitgereden over het land verschilt van de hedonische waarde van een mestverwerkingsinstallatie. De rechtbank ziet evenmin in dat de hedonische waarde van mest kan verschillen naar gelang de plaats waar deze mest wordt toegepast. Bij de berekening van de blootstellingsduur heeft de StAB de mogelijkheid van storingen in de installatie niet hoeven betrekken. Er dient vanuit te worden gegaan dat de installaties in werking zijn conform de vergunning. Voor zover dit niet het geval is, kan hiertegen handhavend worden opgetreden en de mogelijke aanwezigheid van storingen vormt daarom geen aspect dat een redelijk denkend koper bij zijn beslissing omtrent aankoop zal betrekken. Bovendien biedt artikel 49 van de WRO geen grondslag voor de vergoeding van schade die het gevolg is van het niet naleven door betrokkenen van de voor hen geldende voorschriften (zie de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2005, ECLI:NL:RVS:2005:
AU5005). Mede gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen met betrekking tot de afwezigheid van planologisch nadeel vanwege trillinghinder en vermeende toename van de verkeersintensiteit, ziet de rechtbank in hetgeen eiser op deze onderdelen heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van planologisch nadeel als gevolg van trillinghinder of geluidhinder vanwege toegenomen verkeer. De rechtbank is tot slot van oordeel dat, gelet op het advies van SAOZ naar aanleiding van het advies van de StAB, verweerder in het betrekkelijk geringe planologische nadeel in de vorm van de geluidhinder vanwege de fakkelinstallatie geen aanleiding heeft hoeven zien om over te gaan tot een schadevergoeding.

6.6

Gelet op het bovenstaande laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand.

7.1

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7.2

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.225,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze op het deskundigenadvies met een waarde per punt van € 490,00 en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet ook aanleiding een vergoeding toe te kennen voor het in opdracht van eiser gemaakte deskundigenadvies van TOG Nederland van € 1.228,15.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,00 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.453,15.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. M. Senden, leden, in aanwezigheid van mr. E.A.C. Spoormakers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.