Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:6586

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
19-11-2015
Zaaknummer
15_82
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De zaak gaat over de verlening van een vergunning in twee fasen voor het bouwen, het afwijken van het bestemmingsplan en het uitbreiden van een inrichting van een bedrijf (een covergistingsinstallatie en een melkrundveehouderij) dat ligt op de grens tussen de gemeente Bergen op Zoom en de gemeente Roosendaal. De rechtbank is van oordeel dat het project in hoofdzaak is gelegen in Bergen op Zoom en dat GS ten onrechte een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad van Roosendaal hebben gevraagd. Niet de ligging van de inrichting maar de ligging van het project (inclusief alle activiteiten die het project vormen) is doorslaggevend. De vergunning is niet in strijd met de Verordening Ruimte 2014. GS hebben meer waarde kunnen hechten aan het advies van de welstandscommissie van Roosendaal dan aan het advies van de welstandscommissie van Bergen op Zoom. Bij vergunningverlening hebben GS ten onrechte de BREF Afvalbehandeling en de Handreiking Co-vergisting niet in acht genomen. De vergunning voldoet wel aan de eisen met betrekking tot externe veiligheid. De rechtbank vernietigt de gehele vergunning.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, geldigheid: 2015-11-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2016/35 met annotatie van Y. van Hoven

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/82 en SHE 15/163

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 november 2015 in de zaak tussen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom,

eiser 1,

(gemachtigde: J.M.E.M. Verpaalen),

Stichting tot Behoud van het Halsters Laag en het buitengebied Wouw,

te Bergen op Zoom,

Milieuvereniging Benegora,

te Bergen op Zoom,

Natuur- en Milieuvereniging Namiro Hoogerheide,

te Hoogerheide,

Stichting De Brabantse Wal,

te Woensdrecht,

IVN Vereniging voor Natuur- en Milieueducatie, afdeling Bergen op Zoom en Omstreken,

te Bergen op Zoom,

eisers, hierna gezamenlijk te noemen: eisers 2

(gemachtigde: mr. J.E. Dijk),

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant,

te 's-Hertogenbosch,

verweerder,

(gemachtigden: J. Bertens, W.A.J.M. Michels en mr. M. van der Stappen).

Aan het geding hebben als partij deelgenomen [bedrijf] , te [vestigingsplaats] ,

vergunninghouder, (gemachtigden: mr. D.J.K. Kochx en mr. S van Hengel) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, (gemachtigde:
mr. J.C.P.J.M. Vergouwen).

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2014 heeft verweerder aan vergunninghouder een beschikking eerste fase verleend voor de activiteiten ‘afwijken van het bestemmingsplan’, ‘uitbreiden van de inrichting’ en ‘natuur’ voor het uitbreiden van een co-vergistingsinstallatie aan [adres] (de projectlocatie).

Eiser 1 en eisers 2 hebben tegen dit besluit beroep ingesteld. Het beroep van eiser 1 is geregistreerd onder zaaknummer SHE 15/82, dat van eisers 2 onder zaaknummer SHE 15/163.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 9 april 2015 heeft een inlichtingencomparitie plaatsgevonden waar partijen zijn verschenen. De rechtbank heeft vervolgens de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) ingeschakeld.

Op 7 mei 2015 heeft verweerder het besluit van 28 november 2014 gewijzigd. Het beroep van eiser 1 en eisers 2 richt zich, ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede tegen dit gewijzigd besluit. Eisers hebben nadere beroepsgronden ingediend tegen het gewijzigde besluit.

Op 7 mei 2015 heeft verweerder aan vergunninghouder een beschikking tweede fase verleend voor de activiteit ‘bouwen’ voor het uitbreiden van een co-vergistingsinstallatie aan [adres] .

Eisers 2 hebben hiertegen beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder zaaknummer SHE 15/163.

Op 15 augustus 2015 heeft de StAB advies uitgebracht. Eisers 2, verweerder en vergunninghouder hebben reacties op dit advies ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2015. Eiser 1 en eisers 2 zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens vergunninghouder zijn verschenen
[persoon 1] en [persoon 2] , bijgestaan door de gemachtigden en vergezeld door [persoon 3] . Namens de gemeente Roosendaal is de gemachtigde verschenen. Ing. T. van der Meulen en Y. Flietstra (beiden werkzaam bij de StAB) zijn verschenen.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten. De inrichting van vergunninghouder is gelegen aan [adres] , kadastraal bekend als gemeente Roosendaal, sectie A, [nummering 1] en gemeente Bergen op Zoom, sectie L, [nummering 2] (de locatie). Voorafgaand aan de bestreden vergunningverlening bedroeg de oppervlakte van het bouwvlak van de inrichting 17.300 m². Daarvan was 13.600 m² gelegen op het grondgebied van Roosendaal en 3.700 m² op het grondgebied van Bergen op Zoom. De locatie is gelegen in de Groen Blauwe Mantel als aangeduid in de Verordening Ruimte 2014 van Noord-Brabant (VR 2014) en in een gebied met de aanduiding ‘beperking veehouderij’ in de VR 2014. Nabij de locatie ligt het Pottersbos. Dit is géén Natura 2000 gebied maar wel een kwetsbaar verzuringsgevoelig gebied. Verder weg, op ruim 3,5 kilometer van de locatie, ligt het Natura 2000 gebied ‘Brabantse Wal’.

1.2

Ten behoeve van de inrichting zijn in het verleden reeds milieuvergunningen verleend, namelijk een revisievergunning van 8 april 2008, twee uitbreidingsvergunningen van 16 december 2008 en 26 oktober 2010 en een omgevingsvergunning voor een milieuneutrale wijziging van 31 oktober 2013. Genoemde vergunningen zijn onherroepelijk en, voor zover deze zijn verleend onder het regime van de Wet milieubeheer, gelijk gesteld met omgevingsvergunningen als bedoeld in 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Tot de inrichting behoort een IPPC-installatie.

1.3

Vergunninghouder heeft op 2 augustus 2011 een aanvraag voor een beschikking eerste fase ingediend bij de gemeente Roosendaal ten behoeve van de activiteiten ‘uitbreiden van de inrichting’ en ‘afwijken van het bestemmingsplan’ ten behoeve van een project als bedoeld in artikel 19d van de Wet natuurbescherming 1998. De aanvraag is enkele malen aangevuld. De ontwerpbeschikking heeft ter inzage gelegen en eisers 2 hebben hier zienswijzen tegen aangevoerd op de onderdelen ‘afwijken van het bestemmingsplan’ en ‘uitbreiden van de inrichting. In het midden kan blijven of dit toereikend is voor het oordeel dat zienswijzen tegen de activiteit ‘uitbreiden van de inrichting’ zijn ingediend nu de betreffende activiteit onlosmakelijk is verbonden met de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’. De gemeenteraad van Roosendaal heeft een verklaring van geen bedenkingen afgegeven, waarvan een nota beantwoording zienswijzen deel uitmaakt.

1.4

Op 8 juni 2012 heeft vergunninghouder een aanvraag voor een beschikking tweede fase ingediend.

2.1

De beschikking eerste fase heeft betrekking op de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3 van de Wabo, artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo alsmede op de aangehaakte activiteit ‘natuur’ ingevolge artikel 19d van de Wet natuurbescherming 1998. Voorts heeft verweerder in dit besluit de voorschriften van de geldende omgevingsvergunningen ambtshalve gewijzigd met toepassing van artikel 2.31, eerste lid, onder b, alsmede het tweede lid, onder b van de Wabo.

De beschikking tweede fase heeft betrekking op de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. De beschikking eerste fase en de beschikking tweede fase vormen tezamen de omgevingsvergunning.

Gelet op de omstandigheid dat eisers 2 beroep hebben ingesteld tegen zowel de eerste als de tweede fase worden beide beschikkingen ingevolge artikel 6.3, tweede lid, van de Wabo als één besluit aangemerkt (verder: het bestreden besluit). Op het bestreden besluit is de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing.

2.2

De beroepsgronden van eiser 1 zien uitsluitend op de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’. De beroepsgronden van eisers 2 zien niet op de activiteit ‘natuur’. Ter zitting hebben eisers 2 de beroepsgrond ingetrokken dat geen ondertekende nota van zienswijzen aan de verklaring van geen bedenkingen is gehecht.

Ontvankelijkheid

3.1

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van eisers heeft verweerder betoogd dat niet alle eisers 2 als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt. De omschrijvingen van de doelstellingen in hun statuten zouden te algemeen geformuleerd zijn om op grond daarvan aan te kunnen nemen dat hun belangen rechtstreeks bij het bestreden besluit zijn betrokken.

3.2

Naast de statutaire doelstelling(en) van de betreffende stichting/vereniging is, om te kunnen bepalen of haar belang rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit, van belang of zij feitelijke werkzaamheden verricht met het oog op de behartiging van haar doestelling(en).

3.3

De rechtbank oordeelt dat, op Natuur- en Milieuvereniging NAMIRO na, alle eisers 2 voldoen aan de hiervoor genoemde criteria. De statutaire doelstellingen en activiteiten zoals op zitting aan de orde gesteld acht zij (ruim) voldoende om de toets van belanghebbendheid te doorstaan. Met betrekking tot de Stichting tot Behoud van het Halsters Laag en het buitengebied Wouw, waarvan verweerder en vergunninghouder hebben gesteld dat deze enkel is opgericht met het oog op het ageren tegen de vergunde activiteit(en), overweegt de rechtbank dat deze stelling geen steun vindt in de feiten. De stichting heeft een lijst met door haar in het recente verleden ontplooide activiteiten overgelegd, waaruit een breder scala van werkzaamheden blijkt. Verweerder heeft deze opgave niet weersproken en zich ter zake gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor de door verweerder bepleite beperkte uitleg van het gebied dat wordt bestreken door de activiteiten van Stichting De Brabantse Wal ziet de rechtbank, mede gelet op de begrenzing van het gebied De Brabantse Wal in verweerders eigen informatievoorziening, geen aanleiding.

3.4

Dit ligt anders voor Natuur- en Milieuvereniging NAMIRO. Blijkens de statutaire doelstelling neergelegd in artikel 5 van haar statuten stelt deze vereniging zich ten doel: “het bevorderen van natuurbehoud en milieuhygiëne en de leefbaarheid in de gemeente Woensdrecht en omstreken”. Ter zitting is aan de orde geweest dat de vergunde activiteiten worden ontplooid op een afstand van meer dan negen kilometer van de meest nabijgelegen gemeentegrens van Woensdrecht. Daarmee staat de vereniging naar het oordeel van de rechtbank in een te ver verwijderd verband om haar als belanghebbende te kunnen aanmerken. De beroepen van Natuur- en Milieuvereniging NAMIRO tegen het bestreden besluit zullen om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard.

Bevoegdheid verklaring geen bedenkingen

4.1

Eisers 2 stellen dat niet de gemeenteraad van Roosendaal maar de gemeenteraad van Bergen op Zoom bevoegd was om te beslissen omtrent de afgifte van een verklaring van geen bedenkingen. Zij zijn van mening dat het project uitsluitend betrekking heeft op de uitbreiding van de vergistingsinstallatie en dat deze uitbreiding bijna geheel op het grondgebied van Bergen op Zoom plaatsvindt. De berekeningen van de gemeente Roosendaal van de oppervlakte van het totale perceel en het bouwperceel zijn onjuist. In de eerste plaats is bij het akoestisch onderzoek slechts de co-vergistingsinstallatie beoordeeld en niet de veehouderij. Ook heeft de gemeente Roosendaal ten onrechte de bedrijfswoning bij de inrichting gerekend, nu deze woning niet op de tekening ‘overzicht inrichtingsterrein’ bij het akoestisch onderzoek staat. Als beide oppervlakten buiten beschouwing worden gelaten ligt het grootste deel van het perceel en het bouwperceel in Bergen op Zoom. Eisers 2 wijzen er in hun nadere memorie op dat het bouwvlak wel wordt uitgebreid en dat er geen bouwvlak was in Bergen op Zoom. Subsidiair voegen eisers 2 hier aan toe dat vooral op het grondgebied van Bergen op Zoom wordt afgeweken van het bestemmingsplan. De gemeenteraad van Roosendaal heeft volgens eisers 2 het negatieve advies van de gemeente Bergen op Zoom te lichtvaardig gepasseerd.

4.2

Verweerder en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal stellen zich op het standpunt dat de gemeenteraad van Roosendaal bevoegd is te beslissen omtrent de verklaring van geen bedenkingen omdat de inrichting voor het grootste deel in Roosendaal is gelegen. Zij zien een bevestiging van dit standpunt in de omstandigheid dat de gemeente Bergen op Zoom op dit punt geen beroep heeft ingesteld. Het standpunt van eisers 2 dat gekeken moet worden naar de locatie van de uitbreiding is niet juist omdat dat zou betekenen dat, afhankelijk van de aangevraagde activiteiten, er verschillende bevoegde gezagen zijn voor één inrichting. Dat is in strijd met de systematiek van de Wabo. De omstandigheid dat bij het akoestisch onderzoek is gekeken naar de gevolgen van de vergistingsinstallatie omdat de geluidsbelasting door rundveeactiviteiten ondergeschikt is, maakt volgens verweerder nog niet dat de veehouderij niet tot de inrichting behoort.

4.3

Vergunninghouder voegt hier nog aan toe dat de gemeente Bergen op Zoom in de brief van 7 juli 2011 zelf erkent dat de bouw van biogasinstallatie in hoofdzaak wordt uitgevoerd in Roosendaal. Voorts stelt vergunninghouder dat met ‘in hoofdzaak’ in artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) niet alleen de oppervlakte wordt bedoeld maar dat tevens de aard en omvang van de activiteit op het grondgebied van een gemeente moet worden meegenomen. In die zin ligt de inrichting voor het grootste deel in Roosendaal omdat zich daar de stallen, het hoofdgebouw en de vergistingsinstallatie bevinden.

4.4

In artikel 1.1 van de Wabo is het begrip ‘activiteit’ gedefinieerd als ‘activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid of 2.2, eerste lid van de Wabo. Het begrip ‘project’ is gedefinieerd als een project als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid of 2.2, eerste lid van de Wabo.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het verboden een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit de in de afzonderlijke leden genoemde activiteiten.

Ingevolge artikel 6.5 van het Bor wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.

4.5

Uit de memorie van toelichting van de Wabo (TK 30844, nr. 3) blijkt dat de wetgever een project ziet als een optelsom van de activiteiten.

4.6

De rechtbank stelt op basis van de inrichtingstekening bij het bestreden besluit vast dat de bedrijfswoning behoort bij de inrichting. Dat was eveneens het geval in de daarvoor verleende omgevingsvergunningen. De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat de bedrijfswoning niet zou moeten worden meegenomen bij de oppervlakteberekening van het bouwperceel. De rechtbank stelt voorts vast dat qua oppervlakte de grootste planologische afwijking plaatsvindt op grondgebied van Bergen op Zoom. Daar vindt de toevoeging van een bouwvlak plaats van 4.516 m². De verandering en uitbreiding van de inrichting vindt vooral plaats in Bergen op Zoom. Zoals ook blijkt uit de beschikking tweede fase worden ten behoeve van deze uitbreiding vooral bouwwerken op grondgebied van Bergen op Zoom gebouwd. Na vergunningverlening ligt van het bouwperceel (bouwvlak inclusief sleufsilo) 9.024 m² in Roosendaal en 8.991 m² in Bergen op Zoom. Tot slot stelt de rechtbank vast dat de inrichting waarvoor het bestreden besluit is genomen, na vergunningverlening nog steeds, voor het grootste deel is gelegen in Roosendaal. De voornaamste toegang tot het terrein van de inrichting ligt eveneens in Roosendaal.

4.7

Anders dan voor de inwerkingtreding van de Wabo onder artikel 8.2 eerste lid, van de Wet milieubeheer (oud) het geval was, is niet langer de ligging van de inrichting doorslaggevend maar de ligging van het project. Naar het oordeel van de rechtbank dienen alle activiteiten die samen het project vormen in ogenschouw te worden genomen. Dit volgt uit de tekst van de Wabo. Verweerder gaat daarom ten onrechte geheel voorbij aan de omstandigheid dat de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’, de activiteit waarvoor een verklaring van geen bedenkingen is vereist, voornamelijk betrekking heeft op een afwijking op het grondgebied van Bergen op Zoom. Verweerders standpunt heeft als opmerkelijke consequentie dat de gemeenteraad van Bergen op Zoom, die bij uitstek bevoegd is te beslissen omtrent de vaststelling van bestemmingsplannen op haar grondgebied, in deze buitenspel wordt gezet. Overigens hecht verweerder eveneens onvoldoende waarde aan de omstandigheid dat de activiteit ‘uitbreiden en veranderen van de inrichting’ vooral plaatsvindt in Bergen op Zoom. De beschikking eerste fase betreft immers géén revisievergunning maar een uitbreidingsvergunning. Verweerders standpunt dat een dergelijke uitleg zou kunnen leiden tot een wisselend bevoegd gezag naar gelang het project, wordt door de rechtbank niet gedeeld. Het betreft hier in de eerste plaats niet het bevoegd gezag inzake vergunningverlening maar het bevoegd gezag inzake de beslissing omtrent een verklaring van geen bedenkingen. Ongeacht de ligging van de inrichting blijft verweerder het bevoegd gezag inzake vergunningverlening. Voorts moet het ervoor worden gehouden dat de wetgever deze keuze bewust heeft gemaakt door als onderscheidend criterium niet langer de locatie van de inrichting maar de locatie van het project als uitgangspunt te kiezen voor het toebedelen van de bevoegdheid een verklaring van geen bedenkingen af te geven. De rechtbank hecht daarom minder waarde aan de omstandigheden dat het adres van de inrichting en het grootste deel van de inrichting na vergunningverlening nog steeds zijn gelegen in Roosendaal. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat voor wat betreft de afgifte van een verklaring van geen bedenkingen, het project in hoofdzaak is gelegen in Bergen op Zoom. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft verzuimd de gemeenteraad van Bergen op Zoom te vragen een verklaring van geen bedenkingen af te geven. Dat eiser 1 op dit onderdeel geen beroep heeft ingediend, leidt niet tot een ander oordeel. De bevoegdheid volgt uit artikel 6.5, eerste lid, van het Bor, en staat los van het feit of de gemeenteraad van Bergen op Zoom al dan niet rechtsmiddelen aanwendt. Deze beroepsgrond slaagt. Daarom kan in het midden blijven of in het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd waarom is afgeweken van het advies van Bergen op Zoom.

Activiteit ‘Afwijken van het bestemmingsplan’

5.1

Eisers zijn van mening dat een co-vergistingsinstallatie niet is toegelaten in de Groen Blauwe Mantel omdat in hoofdstuk 6 van de VR 2014 in tegenstelling tot in hoofdstuk 7 van de VR 2014, geen specifieke regels voor mestbewerking zijn opgenomen.

5.2

Volgens verweerder biedt de Groen Blauwe Mantel grotendeels ruimte voor dezelfde ontwikkeling van functies als het gemengd landelijk gebied, maar onder striktere voorwaarden. De activiteit die vergund is, levert een positieve bijdrage en voldoet ook voor het overige aan de eisen ter bescherming van de Groen Blauwe Mantel.

5.3

In de VR 2014 zijn in hoofdstuk 7, vooral in artikel 7.3 van de VR 2014 eisen met betrekking tot mestverwerking opgenomen. In paragraaf 4.23.5 van de toelichting op de
VR 2014 (zoals deze is te lezen op www.ruimtelijkeplannen.nl) is het volgende vermeld:

“Binnen de Groen Blauwe Mantel hanteert de provincie een 'ja, mits' benadering. De 'mits' is daarbij vooral gericht op de voorwaarde dat een ontwikkeling een positieve bijdrage levert aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken in het gebied.(…)”.

De Groen Blauwe Mantel biedt grotendeels ruimte voor ontwikkeling van dezelfde functies als binnen het gemengd landelijk gebied; de omvang van de ruimte verschilt daarbij wel. In de Groen Blauwe Mantel is het beleid met name gericht op functies die de groene waarden in de omgeving ondersteunen. Dat betekent dat functies die geen binding (meer) hebben met de groene omgeving minder ontwikkelingsruimte krijgen. Binnen de Groen Blauwe Mantel zijn ook veel agrarische bedrijven gevestigd. Bij de totstandkoming van de VR 2014 heeft er een belangrijke beleidswijziging plaatsgevonden. Deze is nader toegelicht bij artikel 7 Gemengd landelijk gebied. In de toelichting van artikel 6 zijn alleen de hoofdlijnen van het beleid geschetst voor zover deze bedrijven in de Groen Blauwe Mantel zijn gevestigd. In paragraaf 4.32 is het volgende vermeld: “Binnen de groenblauwe mantel zijn geen afwijkende regels opgenomen voor de vestiging van agrarisch technische - en agrarisch verwante bedrijven of mestbewerking. In het gemengd landelijk gebied zijn daarvoor wel specifieke regels opgenomen (artikel 7.11 en artikel 7.12). Het opnemen van afwijkende regels voor die functies is binnen de groenblauwe mantel niet gewenst. Dit betekent dat vestiging van dergelijke functies alleen mogelijk is mits aan de voorwaarden van artikel 6.10 wordt voldaan.”

In paragraaf 4.53 is het volgende vermeld: “Om een overaanbod aan mestbewerking tegen te gaan, is sturing op provinciaal niveau gewenst. Daarom zijn er in de verordening regels opgenomen over mestbewerking op bedrijventerreinen (artikel 4.7) en op locaties in het gemengd landelijk gebied. De vestiging van mestbewerking in de Groen Blauwe Mantel is niet gewenst.”

5.4

In de tekst noch de toelichting van de VR 2014 is steun te vinden voor het oordeel dat provinciale staten mestbewerking (zoals een co-vergistingsinstallatie als de onderhavige) categorisch hebben willen uitsluiten in de Groen Blauwe Mantel. Deze bedoeling blijkt niet uit paragraaf 4.32 van de toelichting op de VR 2014. Dat de gemeente Roosendaal op een andere locatie een nieuw mestverwerkend bedrijf niet heeft toegelaten, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat het hier om een bestaand mestverwerkend bedrijf gaat. Hieronder zal worden nagegaan of aan de voorwaarden in hoofdstuk 6 van de VR 2014 is voldaan. Deze beroepsgrond faalt.

6.1

Eisers stellen voorts dat sprake is van strijd met artikel 25.1 van de VR 2014 waarin uitbreiding van een veehouderij in een gebied met de aanduiding ‘beperking veehouderij’ niet is toegelaten. Hen is niet duidelijk of sprake is van een grondgebonden bedrijf en bovendien is sprake van een toename van bebouwing. Er is sprake van een uitbreiding van de veehouderij in strijd met artikel 6.3 van de VR 2014, want er is niet voldaan aan alle vereisten van dat artikel 6.3. Zo heeft geen zorgvuldige dialoog plaatsgevonden en is er geen goede informatie verstrekt. Bovendien vindt een uitbreiding van het bouwvlak plaats en niet uitsluitend een vormverandering. Tot slot is in het bestreden besluit niet geborgd dat de sleufsilo’s (die door verweerder worden toegerekend aan de veehouderij) uitsluitend ten behoeve van de veehouderij worden gebruikt.

6.2

Volgens verweerder is sprake van een grondgebonden bedrijf. Dit volgt uit een rapport van Bergs Advies BV van 6 februari 2015. Uitbreiding van bebouwing is mogelijk binnen artikel 6.3 van de VR 2014. In dit geval is sprake van uitbreiding van het bouwperceel ten behoeve van de veehouderij ter grootte van de sleufsilo, hetgeen past binnen artikel 6.4, derde lid, van de VR 2014. Op 24 november 2011 heeft een bijeenkomst plaatsgevonden teneinde de omgeving te betrekken bij de aangevraagde ontwikkelingen. De uitbreiding van de co-vergistingsinstallatie betreft een uitbreiding van een bestaande nevenfunctie. Het bouwperceel wordt hiertoe niet uitgebreid.

6.3

Artikel 25.1, eerste lid van de VR 2014 bepaalt dat een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding 'Beperkingen veehouderij' inhoudt dat uitbreiding van een veehouderij niet is toegestaan en dat toename van de bestaande bebouwing, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning(en), niet is toegestaan. Ingevolge het tweede lid is het eerste lid niet van toepassing indien er sprake is van een grondgebonden veehouderij, waarop artikel 6.3 of artikel 7.3 van de VR 2014 van toepassing is.

Ingevolge artikel 6.3, eerste lid, van de VR 2014 kan een bestemmingsplan gelegen in de Groen Blauwe Mantel voorzien in een uitbreiding van een veehouderij, mits:

(…);

b. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt;

c. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in

artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving;

(…)

g. de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige

dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de

planontwikkeling.

Ingevolge artikel 6.4, derde lid, van de VR 2014 kan een bestemmingsplan, in afwijking van artikel 6.3, eerste lid onder b, van de VR 2014 bepalen dat de omvang van het bouwperceel met ten hoogste 0,5 hectare wordt vergroot indien het bedrijf vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer, de ruimte binnen het bouwperceel niet aanwezig is en het bestemmingsplan borgt dat deze 0,5 hectare uitsluitend gebruikt wordt ten behoeve van voorzieningen -geen gebouwen zijnde- voor de opslag van ruwvoer.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de VR 2014 wordt onder een bestemmingsplan in de VR 2014 tevens begrepen een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, sub 3 van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken.

6.4

De rechtbank is van oordeel dat eisers, in het licht van de door verweerder aangevoerde onderbouwing, onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat geen sprake is van een grondgebonden veehouderij. Dit betekent dat toename van bestaande bebouwing mogelijk is onder de voorwaarden van artikel 6.3 van de VR 2014. De omstandigheid dat een co-vergistingsinstallatie deel uitmaakt van de inrichting, leidt niet tot een ander oordeel zolang de co-vergistingsinstallatie kan worden aangemerkt als een nevenfunctie.

6.5

Desgevraagd heeft verweerder bevestigd dat in de beschikking eerste fase uitsluitend beoogd is een uitbreiding van het bouwvlak te vergunnen met toepassing van artikel 6.4, derde lid, van de VR 2014 ten behoeve van de opslag van ruwvoer. De rechtbank stelt vast dat er per saldo sprake is van een uitbreiding van het bouwperceel en dat het bouwperceel daarnaast van vorm verandert. De rechtbank plaatst hierbij de kanttekening dat door het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c, van de Wabo het onderliggende bestemmingsplan niet wordt gewijzigd. In het midden kan blijven welk deel van het bouwperceel voor en na vergunningverlening in gebruik was ten behoeve van de co-vergistingsinstallatie zolang de uitbreiding van het bouwperceel uitsluitend ten dienste staat van de veehouderij en, meer in het bijzonder, de opslag van ruwvoer. Niet in geschil is dat de veehouderijtak in overwegende mate is aangewezen op ruwvoer. Weliswaar is de omstandigheid dat de ruimte binnen het bouwperceel niet aanwezig is een gevolg van de uitbreiding van de co-vergistingsinstallatie, maar niet in geschil is dat de ruimte voor de sleufsilo’s voor de opslag van ruwvoer niet binnen het bouwperceel beschikbaar is. In de voorschriften bij de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’ is niet geborgd dat de sleufsilo’s uitsluitend mogen worden gebruikt ten behoeve van de veehouderij. Dit neemt echter niet weg dat de sleufsilo’s wel als zodanig zijn aangevraagd en zijn vergund in kader van artikel 2.1, eerste lid, onder c en onder e, van de Wabo. Een andersoortig gebruik leidt niet alleen tot een wijziging van de werking van de inrichting maar leidt ook tot een gebruik in strijd met het bestemmingsplan. Weliswaar kan dit gebruik worden vergund door middel van een vergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid onder a, sub 2 van de Wabo in samenhang met artikel 4, negende lid, bijlage II van het Bor, maar verweerder zal er ook voor moeten waken dat dit andersoortig gebruik niet achteraf leidt tot strijd met de VR 2014. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden verweerder het gebruik als ruwvoeropslag door middel van een voorschrift achterwege heeft kunnen laten.

6.6

Niet in geschil is dat een bijeenkomst ter voorlichting van de omgeving heeft plaatsgevonden. Dat deze bijeenkomst niet heeft geresulteerd in draagvlak voor het bestreden besluit dan wel dat de omgeving van mening is dat hun belangen onvoldoende zijn betrokken bij de planontwikkeling, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van strijd met artikel 6.3, eerste lid, onder g, van de VR 2014.

6.7

Deze beroepsgrond faalt.

7.1

Eisers 2 zijn van mening dat niet wordt voldaan aan artikel 6.10, eerste lid, van de VR 2014 want er is sprake van twee zelfstandige bedrijven, mede gelet op de uittreksels van het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Voorts staat uitbreiding niet in redelijke verhouding tot de bestaande omvang en de vereiste zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit. Verweerder heeft niet onderbouwd dat verplaatsing naar een bedrijventerrein niet haalbaar was en er heeft geen zorgvuldige dialoog met de omgeving plaatsgevonden. Het bedrijf wordt qua omvang tweemaal zo groot en ligt in de Groen Blauwe Mantel waar alleen bestemmingsplannen kunnen worden vastgesteld waar behoud, herstel en duurzame ontwikkeling van ecologische en maatschappelijk waarden centraal staan.

Ook eiser 1 stelt dat verplaatsing naar een bedrijventerrein voor de hand ligt. De specifieke voordelen van de voorgenomen locatie wegen niet op tegen de vestiging op een daartoe uitgerust bedrijventerrein met een veel betere infrastructuur en andere faciliteiten. Eiser 1 vindt de uitbreiding onacceptabel gelet op de landschappelijke impact.

7.2

Verweerder stelt, in navolging van de reactie van de gemeente Roosendaal op de zienswijzen die zijn ingebracht tegen de verklaring van geen bedenkingen, dat het om uitbreiding van een sinds 2008 bestaande nevenactiviteit gaat. Aan de locatie zijn voordelen verbonden, waaronder de synergie met de aanwezige veehouderij en een nabijgelegen glastuinbouwbedrijf. De aard van de activiteiten wijzigt niet zodanig dat er door de uitbreiding een tweede zelfstandig bedrijf ontstaat in de zin van VR 2014. Er is sprake van één inrichting en daarmee van één bedrijf. De organisatiestructuur (met verschillende besloten vennootschappen in een vennootschap onder firma) doet daar volgens verweerder niet aan af zeker nu de zeggenschap over de vennootschap waaronder de co-vergistingsinstallatie is ondergebracht, berust bij dezelfde personen als die de melkveehouderij drijven. Anders dan eisers 2 stellen wordt het bouwperceel niet twee maal zo groot. Voor wat betreft de mestverwerking blijft het bouwperceel hetzelfde. Voor de hele inrichting neemt het met 775 m² toe (5% uitbreiding). Verweerder acht uitbreiding verantwoord gelet op de bijdrage van de andere bedrijven. Vergunninghouder heeft zich hierbij aangesloten.

7.3

Ingevolge artikel 6.10, eerste en tweede lid, van de VR 2014 kan een bestemmingsplan voorzien in een uitbreiding van een bestaande niet agrarische functie mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot twee of meer zelfstandige bedrijven of een grootschalige ontwikkeling en ingevolge het tweede lid onder meer overeenkomstige toepassing is gegeven aan artikel 4.6, tweede lid, van de VR 2014 (uitbreiding bedrijven in kern landelijk gebied) indien vestiging van het bedrijf vanwege de aard van de activiteiten op een bedrijventerrein in de rede ligt.

7.4

In zijn uitspraak van 24 december 2014 (ECLI:NL:RBOBR:2014:8021) heeft deze rechtbank het volgende overwogen: ”Het begrip ‘zelfstandig bedrijf’ is niet gedefinieerd. Uit de tekst van de VR 2014, de toelichting op de VR 2014 noch de toelichtingen op de daarvoor geldende provinciale verordeningen valt eenduidig af te leiden wat provinciale staten hebben bedoeld met de eis in artikel 7.10, eerste lid, onder e, van de VR 2014. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank zich genoodzaakt aan te sluiten bij het normale dagelijkse spraakgebruik. De rechtbank beperkt zich niet tot een interpretatie op basis van de ruimtelijk relevante betekenis van de woorden, zoals door eiseres is bepleit. Dit gebeurt evenmin bij de interpretatie van een bestemmingsplan als dat aan de orde is. Onder ‘zelfstandig’ verstaat de rechtbank dat men zonder hulp van anderen kan en niet van iets of iemand afhankelijk is. Voor de invulling van ‘bedrijf’ sluit de rechtbank aan bij het begrip inrichting in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer.” Weliswaar ziet deze uitspraak op toepassing van artikel 7.10 van de VR 2014 maar het betreft hetzelfde inhoudelijke geschil.

7.5

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht vastgesteld dat de co-vergistingsinstallatie en de melkveehouderij tezamen één inrichting vormen. Ze liggen in elkaars onmiddellijke nabijheid. Er is sprake van een functionele, technische en organisatorische samenhang. In de co-vergistingsinstallatie worden producten van de veehouderij verwerkt. Dat hiernaast ook producten van derden worden verwerkt doet aan de functionele samenhang niet af. De veehouderij en de co-vergistingsinstallatie liggen door elkaar verspreid op hetzelfde terrein en zijn aangewezen op dezelfde technische voorzieningen. Dat de installaties in verschillende besloten vennootschappen zijn ondergebracht, leidt niet tot een ander oordeel nu verweerder onweersproken heeft gesteld dat de gehele inrichting wordt gedreven door dezelfde personen. Reeds hierom is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van strijd met artikel 6.10, eerste lid, onder e, van de VR 2014. In zoverre verschilt deze zaak van de uitspraak van 24 december 2014, waarin de rechtbank betwijfelde of de horecagelegenheid en de hoefsmederij tezamen kunnen worden beschouwd als één inrichting.

7.6

Verder is de rechtbank van oordeel dat, zeker in het licht van de betreffende stellingen van eisers 2 en eiser 1, verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom verplaatsing naar een bedrijventerrein niet aan de orde is en waarom voorrang is gegeven aan de locatiespecifieke voordelen. Verweerder heeft tot slot voldoende gemotiveerd waarom de beoogde uitbreiding in verhouding staat tot de bestaande omvang. Zoals hierboven reeds is aangegeven vindt qua oppervlakte slechts een beperkte uitbreiding ten behoeve van de veehouderij plaats en vindt voor het overige een vormverandering plaats. Verweerder en de gemeente Roosendaal hebben tot slot voldoende gemotiveerd dat de landschappelijke impact wordt gerelativeerd door het (inhoudelijk niet door eiser 1 en eisers 2 bestreden) landschappelijk inpassingsplan met een versterking van het coulissenlandschap.

7.7

Deze beroepsgrond faalt.

8.1

Eisers 2 stellen dat het nabij gelegen Pottersbos schade aan de natuurwaarden zal ondervinden door de uitbreiding. Zo zal de stikstofdepositie toenemen en zal er een toename van geluidsbelasting en verkeersbewegingen optreden. In het bestreden besluit is onvoldoende op de negatieve effecten op de nabijgelegen ecologische hoofdstructuur (EHS)-gebieden ingegaan. Dit is volgens eisers 2 in strijd met artikel 5.1, zesde lid, van de VR 2014.

8.2

Verweerder stelt dat een toetsing op zeer kwetsbare gebieden zoals bedoeld in de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) niet aan de orde is omdat de Wav ziet op depositie van ammoniak uit dierenverblijven. Daarvan is hier geen sprake want de aanvraag ziet op uitbreiding van een co-vergistingsinstallatie en niet op wijziging van de melkveehouderij. De bescherming die de VR 2014 biedt aan de EHS gaat niet zover dat buiten de exclusieve toetsing aan de Wav de ammoniakdepositie van een veehouderij bij de besluitvorming dient te worden betrokken. Dit geldt ook voor stikstofdepositie. Bovendien acht verweerder het niet nodig om per project de eventuele gevolgen voor de EHS te berekenen en eventueel te compenseren. Verweerder is verder van licht- en geluidhinder niet gebleken.

8.3

Ingevolge artikel 5.1, zesde lid, van de VR 2014 zoals deze gold ten tijde van het bestreden besluit dient een bestemmingsplan dat is gelegen buiten de EHS en dat leidt tot een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de EHS, ertoe te strekken dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd overeenkomstig artikel 5.6 van de VR 2014. In de toelichting op de VR 2014 (zoals deze luidde ten tijde van het bestreden besluit) staat het volgende: “Indien een activiteit of ontwikkeling plaatsvindt buiten de EHS, kan er nog steeds sprake zijn van aantasting van de EHS. Denk aan aantasting door geluid, geur of vervuiling. In dit lid is bepaald dat de negatieve effecten, waar mogelijk, worden beperkt en als dat niet mogelijk is, worden gecompenseerd. Omdat het hier gaat om een ontwikkeling buiten de EHS, is artikel 3.2 (kwaliteitsverbetering landschap) van toepassing. Per geval wordt bekeken of de verplichte compensatie voldoende is om aan de verplichte kwaliteitsverbetering te voldoen of dat er aanvullend maatregelen nodig zijn. Voorop staat dat de compensatie van de EHS altijd gebeurt.”

8.4

Per 1 juli 2015 is de VR 2014 aangepast en luidt artikel 5.1, zesde lid van de VR 2014 als volgt: “Een bestemmingsplan dat is gelegen buiten de ecologische hoofdstructuur en dat leidt tot een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de ecologische hoofdstructuur door verstoring (cursivering rechtbank), strekt ertoe dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd overeenkomstig artikel 5.6 (compensatieregels)”. In de toelichting op deze wijziging staat het volgende vermeld: ”Ook wanneer een activiteit of ontwikkeling plaatsvindt buiten de EHS, kan er sprake zijn van aantasting van de EHS door verstoring. Dit is in ieder geval aan de orde als een ontwikkeling effect heeft op de waarden van de EHS vanwege geluid, licht of betreding. Deze opsomming is niet uitputtend bedoeld, ook schaduwwerking, windturbulentie of het oprichten van een afscheiding langs een natuurgebied waardoor migratie niet langer mogelijk is, kan negatieve effecten hebben op de aanwezige waarden in de EHS. Voor zover externe effecten op de EHS gereguleerd worden door specifieke wetgeving, zoals ammoniakuitstoot/depositie door de Natuurbeschermingswet en de PAS, valt dit nadrukkelijk niet onder de werking van deze verordening.”

8.5

Niet in geschil is dat geen sprake is van een toename van de ammoniakdepositie op het Pottersbos vanwege de veehouderij en dat in het bestreden besluit in het kader van het vergunnen van de uitbreiding van de inrichting terecht niet is getoetst aan de Wav.

8.6

De rechtbank is van oordeel dat uit de tekst noch de toelichting op de VR 2014 blijkt dat artikel 5.1, zesde lid, van de VR 2014 ten tijde van de beschikking eerste fase uitsluitend betrekking had op geluids- of lichteffecten op de EHS en niet de effecten met een exclusief wettelijk toetsingskader. Zo wordt het geureffect in de toelichting genoemd, waar ook een exclusief wettelijk toetsingskader voor geldt. Artikel 5.1 zesde lid, was destijds algemeen geformuleerd. In zoverre had het op de weg van verweerder gelegen te motiveren of er negatieve effecten vanwege ammoniak- of stikstofdepositie op het Pottersbos zouden optreden die voor compensatie in aanmerking zouden komen. De rechtbank kan echter niet voorbij gaan aan de omstandigheid dat de VR 2014 op dit onderdeel is gewijzigd, mede vanwege onderhavige procedure. De toevoeging ‘door verstoring’ is voor meerdere uitleg vatbaar, zodat de rechtbank bij de interpretatie van deze toevoeging aansluiting moet zoeken bij de toelichting op de VR 2014 zoals deze luidt na 1 juli 2015. Hieruit blijkt expliciet dat is beoogd het artikel te beperken tot effecten waarvoor geen exclusief wettelijk toetsingskader geldt en worden negatieve effecten vanwege ammoniak- en stikstofdepositie expliciet uitgezonderd. Dit is voor de rechtbank aanleiding om op dit onderdeel te concluderen dat het uitblijven van maatregelen ter compensatie van negatieve effecten op de EHS vanwege een toename van ammoniak- of stikstofdepositie geen reden meer is om de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren.

9.1

Eiser 1 en eisers 2 stellen dat de uitbreiding van de inrichting voor een aanzienlijke toename van verkeersbewegingen zal zorgen. Niet alleen omdat er meer mest en cosubstraten worden aangevoerd, maar ook omdat laagwaardige cosubstraten minder compact zijn dat bijvoorbeeld mais zodat voor eenzelfde gewicht aan bermgras veel meer vervoersbewegingen noodzakelijk zijn. De in de zienswijze voorgestelde maatregelen voor ontsluiting van het bedrijf zijn niet als voorwaarde aan de vergunning verbonden en niet voor derden rechtens afdwingbaar. Eiser 1 en eisers 2 hebben niets aan de in dit kader tussen verweerder en vergunninghouder gesloten overeenkomst, omdat zij geen partij zijn bij deze overeenkomst. Bovendien ziet deze overeenkomst alleen op het uitsluiten van verkeer via Het Laag en niet via de verderop gelegen (te) smalle ventweg langs de rijksweg.

9.2

Verweerder heeft opgemerkt dat het aspect verkeer primair wordt geregeld door de verkeerswetgeving. Er is een overeenkomst gesloten die waarborgt dat ontsluiting van het bedrijf uitsluitend zal geschieden via de Luienhoekweg in de richting van de Moerstraatsebaan. De uitweg van de inrichting is ook zodanig ingericht dat het niet mogelijk is om de kant van Het Laag (op grondgebied van Bergen op Zoom) op te rijden. Tegen de tijd dat het verkeer op de Schansbaan (de ventweg langs de A4) komt, is het opgenomen in het normale verkeersbeeld.

9.3

Vergunninghouder heeft aangegeven dat hij door middel van goede afspraken met zijn leveranciers en afnemers kan bewerkstelligen dat alle verkeer van en naar de inrichting via de Luienhoekweg zal verlopen.

9.4

Ofschoon verkeersveiligheid inderdaad geen aspect meer is dat bij de vergunningverlening voor het veranderen van een inrichting dient te worden betrokken, blijft het wel een aspect van goede ruimtelijke ordening. De rechtbank is wel van oordeel dat dit beperkt blijft tot het verkeer van en naar het bedrijf voordat dit verkeer is opgenomen in het heersend verkeersbeeld. In zoverre heeft verweerder geen voorschriften behoeven te stellen met betrekking tot het verkeer vanwege de inrichting over de Schansbaan omdat daar het verkeer is opgenomen in het normale verkeersbeeld.

9.5

Verweerder merkt terecht op dat de gemeente Bergen op Zoom uiteraard een verkeersbesluit kan nemen inzake transport via Het Laag (gelegen op grondgebied van Bergen op Zoom). In zoverre valt niet in te zien in hoeverre eiser 1 is gebaat bij een extra borging door middel van een vergunningsvoorschrift. Eisers 2 kunnen geen verkeersbesluit nemen en zijn geen partij in de tussen verweerder en vergunninghouder gesloten overeenkomst. Niet valt in te zien waarom verweerder uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening heeft nagelaten om vergunninghouder door middel van een voorschrift te verplichten de verkeersafwikkeling over de Luienhoekweg te laten plaatsvinden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat langs civielrechtelijke weg niet hetzelfde resultaat kan worden bereikt, omdat eisers 2 of andere derden geen beroep kunnen doen op de overeenkomst tussen verweerder en vergunninghouder en hieraan dus ook geen bescherming kunnen ontlenen. Deze beroepsgrond slaagt.

10.1

Eisers 2 hebben in hun zienswijzen gewezen op het gemeentelijk beleid van de gemeente Bergen op Zoom. Verlening van de vergunning is in strijd met het beleid van de gemeente Bergen op Zoom, maar aan dat beleid is niet getoetst. Met name niet in de verklaring van geen bedenkingen van de gemeente Roosendaal. Eisers 2 stellen voorts dat de gemeente Roosendaal ook niet aan haar eigen gemeentelijke beleid, in het bijzonder de Structuurvisie 2025, heeft getoetst.

10.2

Verweerder en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal verwijzen naar de weerlegging in de Nota beantwoording zienswijzen bij de verklaring van geen bedenkingen. In deze Nota staat vermeld dat voor het gebied tussen het noordelijk en zuidelijk buitengebied geen specifiek beleid is vastgesteld in de structuurvisie Roosendaal 2025. Verder wordt verwezen naar de inleiding bij de zienswijzennota en de reactie op de gestelde landschappelijke impact alsmede de relativering daarvan door middel van landschappelijke inpassing in overeenstemming met de Structuurvisie Bergen op Zoom 2030 en het daarna genoemde coulissenlandschap.

10.3

Naar het oordeel van de rechtbank geeft de Nota beantwoording zienswijzen wel voldoende blijk van toetsing aan de gemeentelijke structuurvisies van Bergen op Zoom en Roosendaal. Het had op de weg van eisers 2 gelegen om te motiveren met welk gemeentelijk beleid in Roosendaal deze ontwikkeling in strijd is, nu volgens de gemeente Roosendaal geen specifiek beleid is vastgesteld. Eisers 2 hebben daarnaast niet onderbouwd waarom de voorgestane landschappelijke inpassing tekort zou schieten om de aantasting van ruimtelijke kwaliteit te compenseren. Deze beroepsgrond faalt.

Activiteit Bouwen

11.1

Door eisers 2 is aangevoerd dat ten onrechte geen verklaring van geen bedenkingen is afgegeven door het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom. Verwezen wordt naar de artikelen 2.27 van de Wabo en 6.5 van het Bor. Ter zitting heeft eisers gemachtigde toegelicht dat deze beroepsgrond dezelfde is als die tegen de activiteit ‘afwijken van het bestemmingplan’ naar voren is gebracht. Aangezien die beroepsgrond is geslaagd (zie kopje ‘bevoegdheid verklaring van geen bedenkingen’), behoeft deze beroepsgrond thans geen bespreking meer.

Voorts is door eisers 2 aangevoerd dat nu het bouwplan met name op het grondgebied van Bergen op Zoom gelegen is, verweerder zwaarder gewicht had moeten toekennen aan het (negatieve) advies dat door de Welstands- Monumenten Commissie (WMC) van de gemeente Bergen op Zoom is uitgebracht. Onder verwijzing naar dat advies zijn eisers van mening dat sprake is van strijd met de redelijke eisen van welstand.

11.2

Door verweerder is daartegen ingebracht dat er geen wettelijke bepaling is waaruit volgt hoe geoordeeld moet worden indien een bouwplan op het grondgebied van meer dan één gemeente ligt. Daarom is aan beide gemeenten advies gevraagd. De adviezen zijn niet volledig eenduidig en er is meer waarde toegekend aan het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) van de gemeente Roosendaal, omdat de WMC heeft aangegeven, dat na afweging van alle belangen toch medewerking kan worden verleend aan het bouwplan.

11.3

De rechtbank stelt vast dat op 27 februari 2014 de CRK verweerder geadviseerd heeft over de aanvraag. Het betreft een positief advies dat verweerder overgenomen heeft.

Op 1 december 2014 heeft de WMC ook geadviseerd over de aanvraag. Deze commissie vindt het bouwplan in strijd met het welstandbeleid van de gemeente Bergen op Zoom. Het bouwplan verhoudt zich niet of in onvoldoende mate tot de geldende criteria op het gebied van de inpassing van de aanwezige landschappelijke waarden in schaal, hoofdvorm en kleurstelling. Maar gezien de uitzonderlijke situatie (gelegen binnen 2 gemeenten met verschillende criteria), het bouwplan is gelegen binnen de structuur van het bestaande complex, het ruimtelijk silhouet verandert niet ingrijpend en de voorziene groenstructuur rondom de silo’s, kan de commissie zich voorstellen dat toch medewerking wordt verleend aan het bouwplan.

11.4

Ingevolge vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 8 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9738), mag verweerder aan een advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen, hoewel hij niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het algemeen bestuur in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

11.5

De rechtbank stelt vast dat door eisers 2 geen tegenadvies is overgelegd. Evenmin is aangegeven, ondanks daartoe ter zitting uitdrukkelijk in de gelegenheid te zijn gesteld, op welke punten strijd bestaat met de Welstandsnota van de gemeente Bergen op Zoom. Gezien de uitzonderlijke situatie, die zoals verweerder terecht opmerkt, niet wettelijk is geregeld, dat het bouwplan in twee gemeenten gelegen is, heeft verweerder aan beide gemeenten advies gevraagd. De CRK heeft vervolgens uitgesproken positief geadviseerd en de WMC heeft een negatief advies uitgebracht, met daarbij een aantal overwegingen op grond waarvan de WMC zich kan voorstellen dat toch voor uitvoering van het bouwplan gekozen wordt. Nu aan verweerder enige vrijheid toekomt voor wat betreft het te volgen advies, geen tegenadvies is overgelegd, het advies van de WMC onderbouwd is weerlegd en voorts niet is gebleken van zodanige gebreken in het advies van de CRK dat verweerder dit niet aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, heeft verweerder dat laatste advies mogen overnemen.

11.6

De beroepsgrond van eisers 2 dat sprake is van een onaanvaardbaar plan omdat niet is voldaan aan de eis van de WMC dat de daken van de silo’s een op de achterliggende bosrand afgestemde kleur horen te hebben, slaagt evenmin. De uitleg van verweerder dat vanuit het oogpunt van welstand de situatie van drie grijze daken en één donker dak op de silo’s onwenselijk is, acht de rechtbank, wederom bij gebrek aan een tegenadvies, alleszins redelijk.

Activiteit uitbreiden van de inrichting

12.1

Eisers hebben in de eerste plaats gesteld dat de Best available techniques reference documents (BREF) Afvalbehandeling van augustus 2006 van toepassing is op de inrichting, alsmede de BREF Op- en overslag bulkgoederen en de Handreiking (co)-vergisting van mest (Handreiking).

12.2

Verweerder heeft in de beschikking eerste fase rekening gehouden met de BREF Afvalbehandeling, de BREF Op- en overslag bulkgoederen, de informatiedocumenten, de Handreiking, de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR), de Nederlandse richtlijn bodembescherming (NRB) en de oplegnotitie BREF Afvalbehandeling. In het besluit van
7 mei 2015 tot wijziging van de beschikking eerste fase, is verweerder tot het inzicht gekomen dat de BREF Afvalbehandeling en BREF Op -en overslag bulkgoederen niet van toepassing zijn op de inrichting, maar dat de inrichting in overeenstemming dient te zijn met de BREF Intensieve veehouderij en de Handreiking die is gebaseerd op de BREF Intensieve veehouderij. De BREF Afvalbehandeling is niet van toepassing is omdat in paragraaf 2.2.1. van deze BREF het proces van anaerobe vergisting voor de afbraak van organisch materiaal in de afvalverwerkende industrie is beschreven, terwijl het om een geheel ander proces gaat. De BREF Op- en overslag bulkgoederen is niet van toepassing omdat deze vooral ziet op op- en overslag in tanks en niet op op- en overslag in niet daarmee te vergelijken betonnen silo’s. In het nader verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat de BREF Afvalbehandeling wel van toepassing is maar niet het primaire toetsingskader vormt. Het toetsingskader wordt gevormd door de Handreiking.

12.3

Volgens vergunninghouder is de BREF Afvalbehandeling niet van toepassing omdat de vergunde methode niet onder de reikwijdte daarvan valt.

12.4

De StAB heeft in het advies aangegeven dat de inrichting valt onder de BREF Afvalbehandeling. Deze heeft ook betrekking op de vergisting van afvalstoffen. In hoofdstuk 5 van de BREF Afvalbehandeling, waarin de best beschikbare technieken (BBT) staan beschreven, zijn ook de maatregelen vermeld met betrekking tot de biologische behandeling van afvalstoffen. De BREF Intensieve veehouderij is niet van toepassing want een melkrundveehouderij kan niet worden beschouwd als een intensieve veehouderij. Verder is een vergistingsinstallatie een industriële installatie waarop de BBT maatregelen in de BREF Intensieve veehouderij niet van toepassing zijn.

12.5

Het betreft een inrichting als bedoeld in artikel 5.3, onder b, van bijlage 1 van de Richtlijn industriële emissies (RIE) met een installatie voor de nuttige toepassing (of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering) van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag. De BREF Afvalbehandeling is vastgesteld voor
6 januari 2011. Hoofdstuk 5 van de BREF Afvalbehandeling bevat de conclusies omtrent BBT. Bepalend voor de vraag of de BREF Afvalbehandeling van toepassing is, is het in de BREF aangegeven toepassingsgebied (scope). Ingevolge de scope bij de BREF Afvalbehandeling en de oplegnotitie is deze BREF van toepassing op de volgende activiteiten:
5.1 Installaties voor de verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in de lijst van artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG in de zin van de bijlagen II A en II B (handelingen R1, R5, R6, R8 en R9) van Richtlijn 75/442/EEG en van Richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie (3) met een capaciteit van meer dan 10 ton per dag; en
5.3 Installaties voor de verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen in de zin van bijlage II A van Richtlijn 75/442/EEG, rubrieken D8, D9, met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag.

In de oplegnotitie wordt voorts aangegeven dat in de BREF meer handelingen worden vervat dan genoemd in activiteiten 5.1 en 5.3 van Bijlage I van de IPPC-richtlijn en wordt een aantal afvalbehandelingen specifiek genoemd in de scope, waaronder de behandeling R1: Hoofdgebruik als brandstof of een andere wijze van energieopwekking en R13: Opslag van afvalstoffen bestemd voor één van de onder R1 tot en met R12 genoemde behandelingen (met uitsluiting van voorlopige opslag voorafgaande aan inzameling op de plaats van productie). Gelet op de brede scope alsmede de oplegnotitie is de rechtbank van oordeel dat de BREF Afvalbehandeling van toepassing is omdat binnen de co-vergistingsinstallatie in ieder geval de handelingen R1 en R13 plaatsvinden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de opslag van ongevaarlijke afvalstoffen wel binnen een IPPC installatie plaatsvindt. De rechtbank acht hierbij niet van belang of de gebruikte afvalstoffen gevaarlijke afvalstoffen betreffen respectievelijk of deze afvalstoffen in rubrieken D8 en D9 vallen.

12.6

Naast de BREF Afvalbehandeling is tevens de BREF Op- en overslag van bulkgoederen van toepassing. In de oplegnotitie bij deze BREF is aangegeven dat deze BREF van toepassing is op de opslag, het transport en de verlading van vloeistoffen, vloeibare gassen en vaste stoffen bij IPPC-installaties onafhankelijk van de sector of industrie.

12.7

Voorts zijn de Handreiking, de NeR en de NRB relevante BBT documenten van toepassing. De BREF Intensieve veehouderij is niet van toepassing. De melkveehouderij is geen IPPC installatie.

12.8

De rechtbank stelt vast dat verweerder in de oorspronkelijke beschikking eerste fase de juiste BBT documenten van belang heeft geacht. In het besluit tot wijziging van de beschikking eerste fase, heeft verweerder ten onrechte de BREF intensieve veehouderij van toepassing geacht en de BREF Afvalbehandeling en de BREF Op- en overslag van bulkgoederen niet van toepassing geacht. De hiertegen gerichte beroepsgrond van eisers 2 slaagt.

13.1

Eisers 2 stellen dat de BREF Afvalbehandeling niet in acht wordt genomen met betrekking tot de opslag van cosubstraat producten. De vergunning bevat geen voorschriften waaraan het afdekmateriaal van de sleufsilo met opgeslagen cosubstraat moet voldoen. Ook het aantal handelingen waarbij de producten onbedekt liggen of de duur daarvan is niet gereguleerd. De broei die bij continue opslag optreedt veroorzaakt permanente geuremissie en uitstoot van ammoniak en methaangas. Deze wijze van opslag is geen BBT. Deze vereist gesloten opslag en verwerking van procesonderdelen waarin biogas aanwezig is in een grote hal met een luchtsluis. Een dergelijke opslag heeft een te zware landschappelijke impact op de Groen Blauwe Mantel en is niet vergunbaar

13.2

Verweerder verwijst naar de vergunningvoorschriften, in het bijzonder voorschrift 11.2.1 op grond waarvan de geuremissie- en immissiesituatie dient te voldoen aan de geursituatie zoals vastgesteld in het rapport van Blauw van 1 maart 2012 (het Rapport Blauw). Op grond van dit voorschrift moeten in de daarin genoemde situaties aanvullende maatregelen worden getroffen. Voorts is als voorschrift 11.3.1 opgenomen dat vergunninghouder binnen zes maanden na ingebruikname van de uitbreiding door middel van geurmetingen en -berekeningen moet aantonen dat de emissies de opgenomen normen niet overschrijden met de verplichting (in voorschrift 11.3.2) dat indien uit geurmetingen en berekeningen blijkt dat de geurnormen worden overschreden, er binnen twee maanden een plan van aanpak moet worden gemaakt over tenminste de geur-reducerende maatregelen die getroffen moeten worden, het effect van die maatregelen, de fasering van die maatregelen en investerings- en exploitatiekosten van elk van die maatregelen. Tot slot dient vergunninghouder een acceptatie- en afvalverwerkingsbeleid te voeren waarbij verweerder er op toe zal zien dat bij gebleken overlast een stof van de positieve lijst niet meer mag worden geaccepteerd en verwerkt.

13.3

Volgens vergunninghouder is de BBT die voorschrijft dat geurende afvalstoffen moeten worden opgeslagen in een afgesloten ruimte met luchtsluis niet van toepassing omdat voorschrift 65, waarin dit is bepaald, ziet op opslag en gebruik in biologische systemen. Daarvan is geen sprake omdat het cosubstraat bij opslag (nog) niet wordt gebruikt in het biologisch systeem. Dat is pas het geval na het mengen met mest en andere cosubstraten. Overigens worden nauwelijks sterk geurende afvalstoffen gebruikt.

13.4

De StAB heeft het volgende geadviseerd: Het afgedekt opslaan in de buitenlucht van niet sterk geurende cosubstraten is in lijn met de BBT-maatregel uit de BREF Afvalbehandeling, mits dit wordt afgedekt met plastic of een ander passend materiaal en mits de blootstelling aan de buitenlucht zo kort mogelijk is. De vergunning staat er echter niet aan in de weg dat sterk geurende materialen worden opgeslagen. Deze moeten in een gesloten gebouw met luchtsluis worden opgeslagen. De BREF Op- en overslag van bulkgoederen stelt geen specifieke maatregelen met betrekking tot opslag in sleufsilo’s. De opslag van cosubstraten voldoet evenmin aan de aanbeveling in de Handreiking om voorafgaand aan vergunningverlening te identificeren welke cosubstraten worden gebruikt, om in geval van stoffen in categorie A en B van bijlage Aa bij artikel 4 van de uitvoeringsregeling Meststoffenwet (de positieve lijst) te verplichten een acceptatiebeleid te voeren en om bij stoffen in hogere categorieën uitsluitend voor de aangevraagde stromen vergunning te verlenen, dan wel bij nieuwe (niet op de positieve lijst vermelde stoffen) vergunninghouder te verplichten toestemming te vragen. De StAB adviseert in de vergunning of het acceptatiebeleid de restrictie op te nemen dat slechts stoffen uit categorieën A en B van de positieve lijst mogen worden geaccepteerd.

13.5

Verweerder en vergunninghouder hebben in reactie op het StAB advies aangegeven dat de door de StAB voorgestelde beperking tot stoffen in categorieën A en B arbitrair is en dat niet alle stoffen uit hogere categorieën sterk geurend zijn. Eisers 2 hebben nog steeds bedenkingen bij de afdeklaag van organisch materiaal omdat hier ook veel vogels en ongedierte op afkomen en omdat de periode, waarin het materiaal wordt blootgesteld aan de buitenlucht, niet is beperkt in de vergunning.

13.6

Desgevraagd heeft vergunninghouder ter zitting aangegeven niet alleen stoffen uit categorie A en B te gebruiken maar ook stoffen uit hogere categorieën. Vergunninghouder heeft behoefte aan een zekere flexibiliteit gelet op het wisselende aanbod van cosubstraten. De StAB heeft op zitting aangegeven dat in de praktijk niet alleen met plastic wordt afgedekt, maar ook met organisch materiaal en dat deze afdekking voldoende kan worden geacht, ondanks vogels en ongedierte.

13.7

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de BBT Afvalbehandeling en de Handreiking onvoldoende in acht heeft genomen. Op voorhand is niet uitgesloten dat sterk geurende afvalstoffen worden geaccepteerd en opgeslagen in afwijking van de BREF Afvalbehandeling. Anders dan vergunninghouder veronderstelt, wordt de opslag van geurende materialen in gesloten gebouwen ook in conclusie 24b als BBT genoemd en niet alleen bij biologische afvalverwerking. Het had op de weg van verweerder gelegen om voorafgaand aan vergunningverlening de te gebruiken cosubstraten te identificeren en voorafgaand aan vergunningverlening vast te stellen of deze cosubstraten sterk geurend zijn of niet, alsmede in de vergunning slechts het gebruik van, met name genoemde, niet sterk geurende cosubstraten toe te laten. Dat heeft verweerder niet gedaan. Verweerder kan niet volstaan met een verwijzing naar de grenswaarde voor geuremissie en geurimmissie in de vergunning. In de praktijk is deze grenswaarde niet eenvoudig te handhaven, temeer nu ook immissiewaarden zijn gesteld. Dit heeft verweerder ter zitting ook bevestigd. Verweerders verwijzing naar het door vergunninghouder op te maken rapport zes maanden na het in gebruik nemen van de uitbreiding van de installatie voldoet evenmin. Dit betreft slechts een momentopname. De situatie kan echter verschillen naar gelang de categorie cosubstraat die op een bepaald moment wordt opgeslagen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat vergunninghouder zelf heeft verklaard dat er een wisselend aanbod is van cosubstraten in diverse categorieën. Bovendien is de opslag van sterk geurende cosubstraten niet verboden en is onvoldoende op voorhand duidelijk of bij opslag van dergelijke cosubstraten in strijd met de BREF Afvalbehandeling kan worden voldaan aan de grenswaarde in de vergunning, temeer omdat niet van iedere stof op voorhand bekend is hoeveel geuroverlast deze veroorzaakt. Verweerders verwijzing naar het door vergunninghouder op te stellen afvalacceptatiebeleid gaat ook niet op, omdat in het vergunningvoorschrift met betrekking tot dit beleid geen koppeling is gelegd tussen het criterium voor acceptatie en geurhinder. Onder deze omstandigheden had verweerder de aanvraag moeten weigeren wegens strijd met de BREF Afvalbehandeling en de Handreiking. De rechtbank acht, zeker in het licht van de aanbeveling in de Handreiking, het door de StAB gekozen onderscheid tussen categorieën A en B en hogere categorieën niet arbitrair. Verweerder noch vergunninghouder hebben aangegeven of onderbouwd welke stoffen uit de overige categorieën niet sterk geurend zijn. In navolging van de StAB acht de rechtbank de opslag van niet sterk geurende cosubstraten onder een afdekking anders dan plastic toelaatbaar. Wel had het op de weg van verweerder gelegen om de duur van blootstelling aan de buitenlucht in een voorschrift te limiteren. De vergunning is in zoverre verleend in strijd met artikel 2.14, eerste lid onder c onder 1, van de Wabo. De beroepsgrond dat de opslag in een gesloten gebouw niet vergunbaar is, behoeft geen verdere bespreking nu verweerder deze vorm van opslag niet verplicht heeft willen stellen. Deze beroepsgrond slaagt.

14.1

Eisers 2 stellen dat de BREF Afvalbehandeling niet in acht wordt genomen met betrekking tot de opslag van dikke fractie digestaat.

14.2

Verweerder en vergunninghouder wijzen er op dat dit een niet sterk geurende stof is.

14.3

De StAB heeft aangegeven dat bij opslag dikke fractie digestaat in afgedekte containers wordt voldaan aan BREF Afvalbehandeling. Het bestreden besluit bevat echter geen voorschrift dat verplicht tot het afdekken van de containers.

14.4

In reactie op het StAB advies hebben eisers 2 opgemerkt dat dit digestaat ook zware metalen zou kunnen bevatten en dat een bemonsteringsvoorschrift aan de vergunning zou moeten worden toegevoegd. Verweerder heeft opgemerkt dat in het Rapport Blauw reeds is uitgegaan van een niet afgedekte opslag van digestaat en dat desondanks uit het rapport volgt dat geen sprake is van onaanvaardbare geurhinder.

14.5

De rechtbank is niet gebleken dat dikke fractie digestaat een sterk geurende stof is. Eisers hebben dit onvoldoende aannemelijk gemaakt. Derhalve wordt de BBT in acht genomen indien de dikke fractie digestaat afgedekt wordt opgeslagen. Dit is echter door verweerder niet verplicht gesteld en uit de reactie op het StAB advies blijkt dat verweerder een dergelijk middelvoorschrift ook niet heeft willen stellen. Hiermee neemt verweerder de toepasselijke BBT dus niet in acht. De vergunning is in zoverre verleend in strijd met artikel 2.14, eerste lid, onder c onder 1, van de Wabo. Zelfs als wordt voorbijgezien aan het feit dat eisers 2 hun wens voor een bemonsteringsvoorschrift van de dikke fractie digestaat buiten de beroepstermijn hebben uitgesproken en de rechtbank dit als een nieuwe beroepsgrond in strijd met artikel 1.6a Chw beschouwt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder, gelet op de hem toekomende zekere beoordelingsvrijheid heeft kunnen afzien van het stellen van een bemonsteringsvoorschrift. Desondanks slaagt deze beroepsgrond vanwege het (niet) afdekken.

15.1

Volgens eisers 2 zag de oorspronkelijke aanvraag op een opslagcapaciteit van 1.000 m³ voor van buiten de inrichting afkomstige cosubstraten die tevens afvalstoffen zijn. Er is op een aanvraag van vergunninghouder na terinzagelegging van het ontwerpbesluit opslag vergund tot 11.470 m³ dus voor veel meer dan gevraagd hetgeen ook tot meer geurhinder zal leiden.

15.2

Verweerder stelt dat aanvrager na het ontwerpbesluit de aanvraag inderdaad heeft gewijzigd. De oorspronkelijke aanvraag maakte een onderscheid tussen cosubstraten zijnde afvalstoffen en cosubstraten zijnde niet afvalstoffen. Dit onderscheid is op verzoek van aanvrager vervallen. Deze wijziging van de aanvraag na het ontwerpbesluit is slechts toegestaan indien sprake is van een wijziging waardoor de belangen van derde-belanghebbende en van het milieu niet worden geschaad. Aan deze uitzonderingssituatie wordt volgens verweerder voldaan.

15.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd wat de oorspronkelijke achtergrond was voor vergunninghouder om een onderscheid te maken tussen cosubstraten zijnde afvalstoffen en cosubstraten zijnde niet afvalstoffen en waarom verweerder heeft ingestemd met het laten vervallen van het onderscheid. De rechtbank is in navolging van verweerder van oordeel dat het hier een wijziging van ondergeschikte aard betreft. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de omstandigheid of een cosubstraat als afvalstof moet worden aangemerkt niets te maken heeft met de omstandigheid of een cosubstraat een sterk geurende stof is of niet. Deze beroepsgrond faalt.

16.1

Eisers 2 merken op dat het bestreden besluit voorziet in het mengen van cosubstraten en mest omdat de opbrengst uit de vergistingsinstallatie in dat geval hoger is dan bij het vergisten van mest alleen. Er zijn volgens eisers 2 echter in strijd met paragraaf 2.1.5 van de BREF Afvalbehandeling geen, althans onvoldoende, voorschriften opgenomen om hinder en gevaar door het mengen van mest en cosubstraten te voorkomen. Bovendien is onduidelijk welke stoffen mogen worden gemengd.

16.2

Verweerder stelt dat uit de aanvulling op de aanvraag blijkt dat co-producten worden vergist die op de positieve lijst staan. Daarmee staat volgens verweerder voldoende vast welke co-producten mogen worden vergist. In de handreiking co-vergisting wordt ook naar bedoelde lijst verwezen. Verweerder heeft in het verweerschrift opgemerkt dat niet is getoetst aan de BREF Afvalbehandeling.

16.3

De StAB heeft aangegeven dat de wijze waarop in de installatie wordt voorzien in het mengen van cosubstraten en mest in overeenstemming is met de BBT conclusies in de BREF Afvalbehandeling. De StAB wijst er op dat cosubstraten niet zijn aan te merken als gevaarlijke afvalstoffen, dat het mengen van afvalstoffen leidt tot een nuttige toepassing en dat uitsluitend in hoofdstuk 5 van de BREF Afvalbehandeling BBT maatregelen staan beschreven. Aan deze maatregelen wordt voldaan.

16.4

De rechtbank is in navolging van de StAB van oordeel dat de wijze waarop in de installatie wordt voorzien in het mengen van cosubstraten en mest in overeenstemming is met de conclusies in de BREF Afvalbehandeling. In zoverre is de beschikking eerste fase, waarin verweerder heeft geconcludeerd dat de installatie voldoet aan BBT, juist. De opmerking in het verweerschrift van verweerder doet hieraan niet af. Deze beroepsgrond faalt.

17.1

Eisers 2 stellen dat het foliedak niet aan BBT voldoet want het is niet duidelijk waaruit het dak van de silo bestaat. Een flexibel dak is onvoldoende want dergelijke daken laten wel 5 tot 10% van het ongezuiverde biogas door. Dat veroorzaakt geurhinder, is schadelijk voor de luchtkwaliteit, brengt risico’s voor de volksgezondheid mee en verhoogt het broeikaseffect. Eisers 2 verwijzen naar de BREF Op- en overslag bulkgoederen en de Handreiking. De vergistingstanks moeten volgens eisers 2 worden voorzien van betonnen gasdichte daken, een betonnen bassin met een waterslot en er dient een aarden wal om de vergisters te worden aangebracht.

17.2

Verweerder stelt dat het gebruik van een foliedak niet in afwijking is van de Handreiking. Het lekken van 5 tot 10% gas wordt niet onderbouwd en door verweerder bestreden. Volgens de fabrikant is de gasdoorlaat 0,001079 m³ per dag, hetgeen verwaarloosbaar klein is. Op grond van voorschrift 12.1.1. van de vergunning moeten de gasopslag, de gasbehandelingsinstallatie, het leidingwerk en alle overige voorzieningen die in aanraking komen met biogas, voldoen aan de GASTEC eisen voor biogasinstallaties. Daarmee wordt vrijkomen van methaan en H2S voorkomen.

17.3

Blijkens het advies van deStAB is sprake van een betonnen opslagtank met een wanddikte van 26 centimeter beton, vloeistofdicht uitgevoerd en voorzien van een dubbele membraam afdekking. Zolang sprake is van een vloeistofdichte voorziening wordt volgens de StAB voldaan aan de BREF Afvalbehandeling. Daarmee wordt tevens voldaan aan de NRB en automatisch aan de BREF Op- en overslag bulkgoederen. Afdekking door middel van een folie is één van de technieken genoemd in de Handreiking zodat daar ook aan wordt voldaan. Door de dubbele uitvoering van het membraam zal geen milieuschade optreden bij een reguliere bedrijfsvoering. Het gevolg van het falen van het dak en de daaruit voortvloeiende risico’s voor calamiteiten zijn een aspect van externe veiligheid.

17.4

Eisers 2 betwisten in reactie op het advies van de StAB dat er sprake is van betonnen vloeistofdichte wanden. De aanleg van een aarden wal om de vergisters is noodzakelijk gelet op de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 december 2014 (ECLI:NL:RBGEL:2014:7797) en Duitse regelgeving.

17.5

Op basis van het StAB advies alsmede de beschikking tweede fase stelt de rechtbank vast dat de betonnen opslagtanks vloeistofdicht worden uitgevoerd. In zoverre verschilt deze zaak van de kwestie in de uitspraak van de rechtbank Gelderland omdat uit die uitspraak niet kan worden opgemaakt of sprake was van een vloeistofdichte voorziening en of de tanks in beton waren uitgevoerd. In navolging van de StAB is de rechtbank van oordeel dat de uitvoering van de vergunde uitbreiding van de installatie voldoet aan de BBT. Deze beroepsgrond faalt.

18.1

Eisers 2 stellen voorts dat sprake is van een onaanvaardbaar veiligheidsrisico voor de omgeving. De inrichting valt volgens eisers onder het Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo). Ook als dit niet het geval zou zijn, achten eisers 2 de maatregelen die zijn genomen om de externe veiligheid te vergroten onvoldoende. Zo wordt er geen permanente monitoring van de emissie van H2S geëist. De silo’s staan dicht bij elkaar en hebben een foliedak. Deze daken zijn kwetsbaar en scheuren gemiddeld eens per 4 jaar. Er is een risico bij vallend vuurwerk. De dichtstbij gelegen woning ligt op 100 meter. Als gevolg van de mogelijkheid van een kettingreactie is de sterftekans nog hoger. Om dat te voorkomen moet volgens eisers de afstand tussen de silo’s worden vergroot of moeten speciale afscheidingen verplicht worden gesteld. Ook moet het methaangehalte permanent worden gemonitord en moet worden gestuurd op het maximaal toegestane gehalte.

18.2

Verweerder stelt dat de maximale in de vergunning toegestane hoeveelheid biogas van 3.800 m³ niet leidt tot een overschrijding van de drempelwaarden van Bijlage 1 van het Brzo. Het monitoren van de emissie van H2S wordt als maatregel in het onderliggende rapport van Cauberg Huygen inzake externe veiligheid genoemd. Dit rapport maakt deel uit van de beschikking eerste fase en verplicht vergunninghouder het betreffende onderzoek te laten uitvoeren. Verweerder is voor wat betreft de effect- en risicoafstand uitgegaan van de effecten van de opslag van de afzonderlijke tanks. De betreffende woning ligt ver buiten de berekende PR10-6 contour van 41 meter. De kans op een gasexplosie door vuurwerk is volgens verweerder nihil en als zich een explosie voordoet kan de druk weg omdat een foliedak veel zwakker is dan de betonnen silo.

18.3

De StAB heeft in haar advies aangegeven dat de inrichting niet valt onder de werkingssfeer van het Brzo zoals dat luidde ten tijde van de beschikking eerste fase en niet is genoemd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het betreft wel een complexe inrichting zodat externe veiligheid wel in ogenschouw moet worden genomen mede gelet op een aantal aanbevelingen in de Handreiking en het rapport ‘Veiligheid grootschalige productie biogas’ van het RIVM (RIVM-rapport). Het laatstgenoemde rapport bevat de meest actuele inzichten omtrent veiligheidsrisico’s. De kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten liggen ruim buiten de risicocontour van 50 meter zoals genoemd in het RIVM rapport.

18.4

In reactie op het StAB advies merken eisers 2 op dat de drempelwaarde voor opslag van biogas in het Brzo op 4.000 m³ ligt. Daar wordt maar ternauwernood aan voldaan. Deze drempelwaarde is, gelet op het RIVM rapport, niet absoluut.

18.5

Naar het oordeel van de rechtbank wordt de drempelwaarde in het Brzo niet overschreden. De inrichting is niet genoemd in het Bevi. In navolging van de StAB is de rechtbank van oordeel dat de inrichting op het gebied van externe veiligheid voldoet aan de meest actuele inzichten nu de risico-afstand genoemd in het RIVM rapport niet wordt overschreden. Dat in Duitse regelgeving mogelijk zwaardere eisen worden gesteld, leidt niet tot een ander oordeel nu het RIVM rapport heeft te gelden als de meest actuele inzichten. De rechtbank hecht geen waarde aan de overschrijding van de effectafstanden omdat deze afstanden niet bepalend zijn. Daargelaten in hoeverre ingevolge de vermelding van monitoring in het rapport van Cauberg Huygen een verplichting op vergunninghouder rust voor monitoring, valt niet in te zien dat niet aan de risico-afstand in het RIVM rapport kan worden voldaan als geen monitoring plaatsvindt. Deze beroepsgrond faalt. De rechtbank laat in het midden in hoeverre de rechtsnorm waar eisers 2 zich op beroepen strekt tot bescherming van hun belangen.

19.1

Eisers 2 stellen tot slot dat het roerwerk van de vergisters in de geluidsmetingen niet is meegenomen. De bewoners van Luienhoekweg 2 ondervinden met name hinder van het roerwerk in de vergisters. Het onderzoek is onvolledig en er wordt ten onrechte de conclusie getrokken dat aan de geluidsnormen kan worden voldaan.

19.2

Verweerder herhaalt dat bij het akoestisch onderzoek de gehele inrichting is bekeken maar dat de geluidsbelasting door rundveeactiviteiten ondergeschikt is aan die van de co-vergistingsinstallatie.

19.3

Daargelaten in hoeverre de belangen van slechts de bewoners van [adres 1] behoren tot de belangen die de statuten van eisers 2 beogen te beschermen, is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van eisers 2 had gelegen om hun beroepsgronden op dit onderdeel nader te onderbouwen. Dat hebben zij niet gedaan. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in het akoestische rapport van Cauberg Huygen geluidbronnen zijn opgenomen ten behoeve van de vier tanks van de vergistingsinstallatie. Deze beroepsgrond faalt.

20.1

De beroepen van eisers 2 (met uitzondering van het beroep van Natuur- en Milieuvereniging Namiro Hoogerheide) zijn gegrond. Het beroep van eiser 1 tegen de beschikking eerste fase is gegrond. Het bestreden besluit (zowel de beschikking eerste fase als de beschikking tweede fase) komt geheel voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het bouwen onlosmakelijk is verbonden met de uitbreiding van de inrichting.

20.2

De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien en de omgevingsvergunning te weigeren. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Gelet op de omstandigheid dat eiser 1 beroep heeft ingesteld, valt niet op voorhand te verwachten dat de gemeenteraad van Bergen op Zoom een verklaring van geen bedenkingen zal afgeven. Dit is desgevraagd door eiser 1 ter zitting bevestigd. De rechtbank kan evenmin overzien of het in rechtsoverweging 13.7 geconstateerde gebrek kan worden hersteld, laat staan hoeveel tijd hiermee is gemoeid. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 6 maanden.

20.3

Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser 1 en eisers 2 het door hun betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers 2 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.960,00 (2 punten voor het indienen van twee beroepschriften, 0,5 punt voor het verschijnen op de inlichtingencomparitie, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze op het StAB advies, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen die zijn ingesteld door Natuur- en Milieuvereniging NAMIRO niet-ontvankelijk.

  • -

    verklaart de beroepen van eisers 2 en eiser 1 gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 318,00 aan eisers 2 te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers 2 tot een bedrag van € 1.960,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. J.D. Streefkerk en mr. C.A.F. van Ginneken, leden, in aanwezigheid van R.G. van der Korput, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.