Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:6581

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
C/01/291560 / HA ZA 15-233
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

tweede testament nietig en/of vernietigbaar is dan wel dat gedaagde sub 1 gelet op het bepaalde in artikel 4:59 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geen voordeel uit dit tweede testament kan trekken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0362
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/291560 / HA ZA 15-233

Vonnis in de hoofdzaak en in het incident ex art. 843a Rv van 18 november 2015

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats 1] ,

3. [eiser sub 3],

overleden, bij leven wonende te [woonplaats 1] ,

4. [eiser sub 4]

voor zichzelf en in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen, te weten,

a. [kind 1] ,

b. [kind 2]

c. [kind 3]

allen wonende te [woonplaats 2] ,

eiseressen in de hoofdzaak en in het incident,

advocaat mr. drs. T. van Kooten,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

gedaagde in de hoofdzaak tevens verweerder in het incident,

advocaat mr. N.M. Lindhout-Schot,

2. het rechtspersoonlijkheid bezittende kerkgenootschap

ROOMS-KATHOLIEKE ANGELUSPAROCHIE ASTEN,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. M.A.W. Ketelaars LLM.,

3. het rechtspersoonlijkheid bezittende kerkgenootschap

BISDOM VAN 'S-HERTOGENBOSCH,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. M.A.W. Ketelaars LLM.,

4. [gedaagde sub 4], in zijn hoedanigheid van bisschop van [woonplaats 3] ,

wonende te 's- [woonplaats 3] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. M.A.W. Ketelaars LLM.,

5. de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK PEELLAND ZUID U.A.,

gevestigd te Deurne,

gedaagde in de hoofdzaak,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [eisers] en aan de zijde van gedaagden respectievelijk [gedaagde sub 1] (gedaagde sub 1), de kerk (gedaagden sub 2 tot en met 4) en de bank (gedaagde sub 5) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de tussenvonnissen van 8 en 29 juli 2015

  • -

    de schriftelijke toelichting ten behoeve van de comparitie met overlegging bijlagen van 15 september 2015 van [eisers]

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 15 september 2015

  • -

    het vonnis in incident van 7 oktober 2015 waarbij definitief is beslist op één van de twee incidentele vorderingen van [eisers]

  • -

    de akte overlegging bijlage 28 van 7 oktober 2015 van [eisers] , waarbij tevens melding is gemaakt van het overlijden van eiseres sub 3, mevrouw [eiser sub 3] ,

  • -

    de (antwoord)akte van 21 oktober 2015 van [gedaagde sub 1]

  • -

    de (antwoord)akte van 21 oktober 2015 van de kerk.

1.2.

Het onder 1.1 genoemde overlijden van eiseres sub 3 heeft niet geleid tot schorsing van het geding als bedoeld in artikel 225 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), zodat het geding op naam van de oorspronkelijke partij is voortgezet.

Dit laatste - geen schorsing maar voortzetting op naam van de oorspronkelijke partij - geldt ook met betrekking tot de gedaagde sub 2, welke parochie inmiddels is opgegaan in de rooms-katholieke parochie Heilige Franciscus, ingeschreven in het handelsregister te Utrecht onder nummer [nummer] .

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Mevr. [erflaatster] (hierna: erflaatster) is op [datum] overleden.

2.2.

Erflaatster heeft bij uiterste wilsbeschikking van 17 april 2009 (hierna: het eerste testament) de minderjarige kinderen (eisers sub 4a, 4b en 4c) van haar nicht (eiseres sub 4) benoemd tot enige erfgenamen, aan [gedaagde sub 1] een geldsom gelegateerd en eiseres sub 4 tot executeur benoemd.

2.3.

Erflaatster heeft bij uiterste wilsbeschikking van 4 mei 2010 (hierna: het tweede testament) alle vroeger door haar gemaakte uiterste wilsbeschikkingen herroepen, aan eisers sub 4, 4a, 4b en 4c ieder een geldsom gelegateerd (ter grootte van het vrijgestelde bedrag voor de erfbelasting) en [gedaagde sub 1] benoemd tot enig erfgenaam en executeur.

2.4.

Eiseressen sub 1 tot en met 3 zijn zussen van erflaatster. Erflaatster had geen kinderen.

2.5.

Erflaatster woonde bij leven in [woonplaats 1] en was rooms-katholiek. [gedaagde sub 1] is 15 augustus 2008 benoemd tot pastoor van de Angelusparochie te [woonplaats 1] .

2.6.

De echtgenoot van erflaatster is overleden in 2008. [gedaagde sub 1] heeft hem als pastoor de laatste sacramenten toegediend en heeft de uitvaart verzorgd.

2.7.

Na het overlijden van haar echtgenoot heeft erflaatster regelmatig contact gehad met [gedaagde sub 1] onder andere doordat zij regelmatig de pastorie bezocht om daar te spreken met [gedaagde sub 1] dan wel de aan de pastorie verbonden gastvrouw. Erflaatster bezocht ook meermalen per week de mis.

2.8.

[gedaagde sub 1] heeft op enig moment € 12.000 van erflaatster geleend.

2.9.

Een half jaar voor haar overlijden werd bij erflaatster kanker geconstateerd. Erflaatster is vervolgens tweemaal in het ziekenhuis opgenomen geweest en heeft de laatste fase van haar leven in een hospice doorgebracht, waar zij is overleden.

2.10.

Enkele weken voor haar overlijden heeft erflaatster via eiseres sub 4 haar familie op de hoogte gesteld van het feit dat zij [gedaagde sub 1] tot enig erfgenaam had benoemd. Erflaatster heeft haar familie verteld waar zij het testament bewaarde en de familie heeft het daar gevonden. De familie heeft vervolgens nog dezelfde dag een notaris benaderd om erflaatster in de gelegenheid te stellen haar testament opnieuw te wijzigen. Erflaatster is in dat kader door een notaris bezocht, maar dat heeft niet tot wijziging van het testament geleid omdat erflaatster tijdens dat bezoek regelmatig het bewustzijn verloor. Uiteindelijk is geen nieuw testament totstandgekomen.

De familie heeft in een reactie op de ontdekking van het tweede testament bij brief van 16 december 2014 - met het tweede testament als bijlage - de bisschop (gedaagde sub 4) verzocht om [gedaagde sub 1] te bevelen zich te onthouden van verdere bemoeienis met erflaatster. Het bisdom heeft bij brief van 18 december 2014 geantwoord geen aanleiding tot actie te zien omdat volgens het bisdom mevrouw [erflaatster] (noot: op dat moment nog in leven) volledig uit eigen beweging en vrije wil heeft gehandeld.

2.11.

[gedaagde sub 1] heeft na het overlijden van erflaatster de nalatenschap beneficiair aanvaard en heeft zijn taak als executeur ter hand genomen.

2.12.

De nalatenschap bestaat hoofdzakelijk uit een geldsom van (vermoedelijk) ongeveer € 120.000, een garagebox en de inboedel uit de (huur)woning.

2.13.

Erflaatster beschikte bij leven over een betaalrekening, een spaarrekening en een safeloket bij de Rabobank. In het jaar 2009 stonden op de genoemde rekeningen bedragen in de orde van grootte van circa € 5.000 en € 117.000.

De familie heeft beslag laten leggen op een aantal tot de nalatenschap behorende goederen. Uit de beslagstukken blijkt dat op de (overgebleven) rekening van erflaatster bij de bank nog een bedrag van € 8.791,97 aanwezig was en dat het safeloket leeg was.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert na eiswijziging,

in de hoofdzaak:

1. een verklaring voor recht dat het tweede testament van 4 mei 2010 van erflaatster, nietig is, althans dat de rechtbank dit testament vernietigt;

2. een verklaring voor recht dat de nalatenschap van erflaatster moet worden afgewikkeld en verdeeld overeenkomstig de bepalingen van het eerste testament van 17 april 2009;

3. veroordeling van [gedaagde sub 1] tot:

a. afgifte van de goederen behorende tot de nalatenschap aan [eisers] ;

b. betaling aan [eisers] van € 12.000 ter zake van een door [gedaagde sub 1] aangegane lening, vermeerderd met wettelijke rente en kosten;

c. het doen van rekening aan [eisers] over het door hem gevoerde beheer in de periode vanaf 1 januari 2009 tot aan de dag waarop dit beheer zal zijn geëindigd over het vermogen van erflaatster en het afleggen van verantwoording daarover;

d. vergoeding van de schade aan [eisers] , nader op te maken bij staat;

4. indien [gedaagde sub 1] nalatig is aan de veroordelingen op grond van de vorderingen sub 3 binnen 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis te voldoen, gedaagden sub 2, 3 en 4 hoofdelijk te veroordelen tot betaling van hetgeen [gedaagde sub 1] aan [eisers] verschuldigd is,

5. veroordeling van gedaagden sub 3 en 4 tot het treffen van maatregelen jegens [gedaagde sub 1] een en ander overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Canoniek Recht, zulks te doen binnen 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis bij gebreke waarvan gedaagden sub 3 en 4 hoofdelijk een dwangsom verbeuren van € 500 per dag tot aan de dag dat gedaagden de ter zake noodzakelijke decreten heeft genomen en tevens de inhoud daarvan aan eisers bekend heeft gemaakt;

en subsidiair:

[gedaagde sub 1] te veroordelen tot verwerping van de nalatenschap van erflaatster althans tot afgifte van de goederen van de nalatenschap aan [eisers] binnen 14

dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis bij gebreke waarvan [gedaagde sub 1] een dwangsom verbeurt van € 1.000 per dag tot aan de dag dat [gedaagde sub 1] hieraan volledig heeft voldaan;

in het incident ex artikel 843a Rv:

[gedaagde sub 1] te veroordelen om aan [eisers] afschriften te verstrekken van:

a. de mutaties en tijdstippen van die mutaties op de aan erflaatster toebehorende bankrekeningen vanaf 1 januari 2009 tot aan de dag dat het beheer van [gedaagde sub 1] zal zijn geëindigd;

b. de bezoekgegevens en tijdstippen van die bezoeken alsmede van de personalia van bezoekers, van het safeloket van erflaatster vanaf 1 januari 2009 tot heden een en ander tegen vergoeding van de kosten hiervan door [eisers] , zulks te doen binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis bij gebreke waarvan [gedaagde sub 1] een dwangsom aan [eisers] verbeurt van € 500 per dag tot aan de dag dat [gedaagde sub 1] hieraan volledig heeft voldaan.

in de hoofdzaak en in het incident:

een en ander vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Na de wijziging van eis ligt er geen vordering meer voor jegens de bank. De bank is niet in rechte verschenen.

3.3.

[gedaagde sub 1] en de kerk voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in de hoofdzaak en in het incident ex artikel 843a Rv

4.1.

De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van [eisers] alle moeten worden afgewezen en heeft daartoe als volgt overwogen.

4.2.

Centraal in de stellingen van [eisers] staat dat het tweede testament nietig en/of vernietigbaar is dan wel dat [gedaagde sub 1] gelet op het bepaalde in artikel 4:59 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geen voordeel uit dit tweede testament kan trekken. [eisers] heeft deze juridische stellingen gebaseerd op feitelijke stellingen die naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijk en onvoldoende onderbouwd zijn. Deze feitelijke stellingen betreffen beweerde gedragingen van [gedaagde sub 1] en zijn speculatief in die zin dat zij niet of nauwelijks zijn gebaseerd op vaststaande of deugdelijk onderbouwd gestelde feiten. De rechtbank zal dit oordeel hierna - niet uitputtend - toelichten aan de hand van de meest belangrijke stellingen.

[eisers] heeft gesteld dat [gedaagde sub 1] het vermogen van erflaatster heeft beheerd, wat - zo begrijpt de rechtbank de stellingen – blijkt uit het feit dat de administratie van erflaatster zich bij [gedaagde sub 1] bevindt en dat de persoon die vroeger de administratie deed daar in 2009 mee is opgehouden. [gedaagde sub 1] heeft het vermogensbeheer betwist en heeft aangevoerd dat de administratie zich bij hem bevindt omdat hij als executeur optreedt. De rechtbank is van oordeel dat uit het enkele feit dat de persoon die tot 2009 de administratie deed daarmee is opgehouden, niet kan volgen dat die taak daarna door een ander - dan erflaatster - is overgenomen laat staan dat dit specifiek [gedaagde sub 1] zou zijn. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de verklaring die [gedaagde sub 1] heeft gegeven voor het feit dat hij de administratie onder zich heeft in beginsel toereikend is in die zin dat uit het beschikken over de administratie - zonder verdere toelichting die ontbreekt - geen steun voor de stelling van [eisers] volgt. Verder zijn er geen relevante feiten en omstandigheden door [eisers] aangevoerd waaruit zou kunnen blijken van enig vermogensbeheer door [gedaagde sub 1] . De slotsom is dan ook dat het gestelde vermogensbeheer onvoldoende is onderbouwd.

In samenhang met de stelling rond het vermogensbeheer heeft [eisers] gesteld dat gedurende dat vermogensbeheer het vermogen van erflaatster is gedecimeerd. Ter comparitie is gebleken dat deze stelling louter en alleen is gebaseerd op de omstandigheid dat op de bankrekeningen van erflaatster grotendeels zijn verdwenen de bedragen die zich daarop in 2009 nog bevonden. [eisers] heeft daaraan - zo begrijpt de rechtbank de stellingen - de conclusie verbonden dat [gedaagde sub 1] deze heeft laten verdwijnen. Ter comparitie heeft [gedaagde sub 1] gesteld dat hij geen geld van de rekeningen heeft gehaald (niet als vermogensbeheerder, wat hij ontkent te zijn geweest, en niet als executeur), maar dat er wel contant geld in enveloppen in het safeloket lag en dat dat waarschijnlijk het geld van de spaarrekening is. De strekking van deze stelling is dat van decimering van het vermogen überhaupt geen sprake is. [eisers] heeft geen nadere feiten of omstandigheden kunnen aanvoeren waaruit kan blijken dat wel sprake is van een dergelijke decimering van het vermogen. De rechtbank is van oordeel dat aldus is gebleken dat de gestelde vermogensdecimering speculatief is en door [gedaagde sub 1] eenvoudig is ondergraven, zodat deze stelling dient te worden gepasseerd. Daarmee zijn zowel het gestelde vermogensbeheer als de gestelde vermogensafname van tafel.

[eisers] heeft verder een aantal stellingen betrokken met de strekking dat [gedaagde sub 1] erflaatster op onrechtmatige wijze heeft bewogen hem als enige erfgenaam aan te wijzen. Uiteindelijk is gebleken dat ook deze stellingen geen of een uitermate smalle feitelijke basis hebben. De stellingen zijn bijvoorbeeld gebaseerd op hetgeen erflaatster op haar sterfbed tegen haar nicht heeft verteld, namelijk dat ze een fout had gemaakt, dat ze onder druk was gezet en dat ze het aan de verkeerde had gegeven. Ter comparitie heeft eiseres sub 4 verklaard, dat erflaatster niet heeft verteld wat er precies is gebeurd en ook niet heeft verteld hoe ze onder druk was gezet. Dat biedt naar het oordeel van de rechtbank weinig tot geen aanknopingspunten voor de beweerde onrechtmatige gedragingen van [gedaagde sub 1] . Van groot belang in dat verband is ook dat erflaatster het tweede testament al in mei 2010 heeft opgesteld, waarna zij nog viereneenhalf jaar heeft geleefd. Uitgaande van de door [eisers] gestelde druk of anderszins onrechtmatige gedragingen van [gedaagde sub 1] jegens erflaatster, is dan de vraag waarom een en ander al die tijd onopgemerkt is gebleven door de familie, die immers stelt een goed en frequent contact met erflaatster te hebben gehad. Een dergelijke vraag komt niet op indien wordt uitgegaan van de lezing van [gedaagde sub 1] namelijk dat erflaatster uit vrije wil - en ondanks tegenstribbelen van [gedaagde sub 1] - is overgegaan tot opstelling van het tweede testament. Een andere stelling in dit verband is die dat [gedaagde sub 1] het testament onder bedreiging met schade aan het zielenheil van erflaatster tot stand heeft doen komen en dat erflaatster bang was voor [gedaagde sub 1] . Ter comparitie heeft de advocaat van [eisers] desgevraagd erkend dat dit niet meer is dan een vermoeden gebaseerd op het belang van het geloof voor erflaatster en de machtspositie die [gedaagde sub 1] daaraan zou kunnen ontlenen. De rechtbank is van oordeel dat voor dergelijke speculatieve stellingen in rechte geen plaats is.

De slotsom is dat de stellingen met betrekking tot de beweerdelijk onrechtmatige gedragingen van [gedaagde sub 1] als onvoldoende onderbouwd - en gedeeltelijk zelfs als louter speculatief - moeten worden gepasseerd, waardoor de grondslag van het gevorderde reeds grotendeels komt te vervallen. Daarnaast geldt dat ook het beroep op artikel 4:59 BW niet kan slagen. Artikel 4:59, eerste lid, BW luidt:

“De beroepsbeoefenaren op het gebied van de individuele gezondheidszorg, die iemand gedurende de ziekte waaraan hij is overleden, bijstand hebben verleend, alsmede de geestelijk verzorgers die hem gedurende die ziekte hebben bijgestaan, kunnen geen voordeel trekken uit de uiterste wilsbeschikkingen die zodanig persoon gedurende de behandeling of de bijstand te hunnen behoeve heeft gemaakt.”

Het beroep op dit artikel slaagt niet reeds vanwege de omstandigheid dat erflaatster het testament niet heeft opgesteld gedurende de ziekte waaraan zij is overleden in de zin van dit artikel. Erflaatster is immers overleden viereneenhalf jaar na de opstelling van het tweede testament aan een ziekte die zich eerst een half jaar voor het overlijden - en dus vier jaar na opstelling van dat tweede testament - heeft geopenbaard. Ook dit deel van de grondslag van het gevorderde houdt derhalve geen stand.

4.3.

In rechtsoverweging 4.2 heeft de rechtbank haar oordeel gemotiveerd dat [eisers] niet aan de stelplicht heeft voldaan ten aanzien van de stellingen ter onderbouwing van de vorderingen gericht tegen de geldigheid van de tweede testament. Gelijktijdig met deze dagvaardingsprocedure is een procedure aanhangig op basis van een door [eisers] bij deze rechtbank ingediend verzoekschrift gericht op het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Mede tegen die achtergrond ligt de vraag voor of [eisers] in de gelegenheid moet worden gesteld om haar stellingen - die nu onvoldoende zijn - nader te ontwikkelen, wat kennelijk de bedoeling is van [eisers] .

De rechtbank is van oordeel dat die gelegenheid niet moet worden geboden en heeft daartoe als volgt overwogen. Het burgerlijk procesrecht legt op de partij die een vordering jegens een ander instelt de plicht om ter onderbouwing van die vordering voldoende te stellen en om dit tijdig te doen. Het element van tijdigheid wordt bijvoorbeeld gevonden in de verplichting vervat in artikel 111, derde lid, Rv dat vereist dat de dagvaarding de door de gedaagde tegen de eis aangevoerde verweren en de gronden daarvoor vermeldt en ook de bewijsmiddelen noemt waarover eiser kan beschikken. Deze bepaling veronderstelt een pre-processueel debat tussen partijen en een tijdig beraad aan de zijde van de eisende partij over haar bewijspositie. Daarnaast moet worden gewezen op het basismodel van het burgerlijk proces dat uitgaat van een enkele schriftelijke ronde en een afronding van het partijdebat ter comparitie. Het is duidelijk dat bij deze uitgangspunten niet past een werkwijze waarin een dagvaarding wordt uitgebracht en dat eerst daarna de daarin opgenomen globale stellingen dan wel vermoedens feitelijk worden onderzocht. Dat feitenonderzoek dient te worden uitgevoerd vóór de dagvaarding bijvoorbeeld door een daartoe bestemd voorlopig getuigenverhoor. De rechtbank merkt in dat verband op dat is gesteld noch gebleken dat een dergelijke werkwijze in het onderhavige geval niet mogelijk was. [eisers] heeft in dit geval echter gekozen voor een geheel andere werkwijze door de dagvaarding uit te brengen in januari 2015 en eerst in maart 2015 een verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor in te dienen. In dat verband wijst de rechtbank er ook op dat het vaste rechtspraak is dat verzoeken tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor in beginsel niet worden gehonoreerd als de hoofdzaak inmiddels zover gevorderd is dat getuigen niet kunnen worden gehoord op een tijdstip gelegen vóór een (tussen)vonnis in de hoofdzaak of als de beslissing op het verzoekschrift in tijd min of meer zou samenvallen met de in de hoofdzaak te houden comparitie. Een en ander brengt met zich dat de door [eisers] gekozen werkwijze zich niet verdraagt met de procesrechtelijke uitgangspunten die zijn gericht op een vlotte behandeling van de zaak en dat pleit op zichzelf al voldoende tegen het geven van een nadere kans tot verdere ontwikkeling van de nu ontoereikende stellingen. Ook een andere invalshoek leidt tot dezelfde conclusie. [gedaagde sub 1] heeft aangevoerd dat naar zijn mening sprake is van onware, lasterlijke en smadelijke aantijgingen aan zijn adres, dat hij daarvan veel hinder ondervindt en dat hij vindt dat de hele zaak inmiddels al veel te lang duurt. Vaststaat dat de kwestie in regionale kranten aan de orde is geweest. De rechtbank verbindt aan een en ander de conclusie dat [gedaagde sub 1] onredelijk in zijn belangen zou worden geschaad als [eisers] alsnog in de gelegenheid zou worden gesteld nader onderzoek te doen naar het waarheidsgehalte van de door haar ingenomen stellingen en uitgesproken vermoedens. De door [eisers] geformuleerde verwijten zijn immers vergaand van aard en omvatten niet alleen de hierboven reeds genoemde - welke misbruik van het ambt van pastoor impliceren - maar omvatten ook beschuldigingen van ouderenmishandeling. Deze beschuldigingen zijn in deze openbare procedure naar voren gebracht en het is duidelijk dat dergelijke beschuldigingen schade toebrengen aan de persoon tegen wie zij zijn gericht. Dat is in sterkere mate het geval indien die persoon een publieke functie bekleedt zoals het geval is bij [gedaagde sub 1] . Dat betekent dat niet alleen de hoofdregels van het burgerlijk procesrecht maar ook de persoonlijke belangen van [gedaagde sub 1] - en in mindere mate en daarvan afgeleid die van de kerk - in de weg staan aan het bieden van de gelegenheid aan [eisers] tot nader feitenonderzoek. Dat betekent in deze procedure dat geen plaats is voor daarop gerichte nadere proceshandelingen en dat evenmin plaats is voor toewijzing van de incidentele vordering ex artikel 843a Rv, die immers gericht is op het (alsnog) verzamelen van de nodige informatie. Terzijde wordt hier opgemerkt dat deze overwegingen in de verzoekschriftprocedure eveneens zullen moeten leiden tot een afwijzing van het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Dit voorlopig getuigenverhoor had eerder kunnen - en gelet op de procesrechtelijke uitgangspunten en de belangen van [gedaagde sub 1] en de kerk - ook eerder behoren plaats te vinden.

4.4.

Uit de rechtsoverwegingen 4.2 en 4.3 volgt dat het eindoordeel in deze procedure moet zijn dat [eisers] niet heeft voldaan aan de op haar rustende stelplicht met betrekking tot de stellingen ter onderbouwing van de vorderingen gericht tegen de geldigheid van het tweede testament. Daaruit volgt dat de vorderingen sub 1 en 2 voor afwijzing gereed liggen. Verder betekent dit, dat hier moet worden uitgegaan van de geldigheid van het tweede testament. Daarvan uitgaande hebben de eisers sub 4, 4a, 4b en 4c recht op de hen toegekende legaten (waarvan [gedaagde sub 1] als executeur heeft verklaard dat deze overeenkomstig het testament kunnen worden uitgekeerd). Voor het overige heeft [eisers] geen rechten op de nalatenschap van erflaatster. Dat betekent dat [eisers] geen recht heeft op afgifte van goederen, geen recht heeft op terugbetaling van de lening (nog daargelaten dat [gedaagde sub 1] heeft gesteld dat deze reeds is terugbetaald), geen belang heeft bij het door [gedaagde sub 1] afleggen van rekening en verantwoording (nog daargelaten dat [gedaagde sub 1] heeft gesteld dat van vermogensbeheer geen sprake is geweest en dit overigens ook onvoldoende is onderbouwd) en tot slot dat er geen grondslag aanwijsbaar is voor enige schadevergoedingsverplichting van [gedaagde sub 1] jegens [eisers] Daaruit volgt dat de vordering sub 3 eveneens voor afwijzing gereed ligt. Nu uit het vorenoverwogene volgt dat [gedaagde sub 1] niet kan worden veroordeeld tot enige betaling aan [eisers] is daarmee eveneens de grondslag van het gevorderde sub 4 komen te vervallen, zodat ook dit dient te worden afgewezen. Omdat onvoldoende is gesteld omtrent onrechtmatige of anderszins rechtens relevante ongeoorloofde gedragingen van [gedaagde sub 1] , ontvalt mede de grondslag voor het gevorderde sub 5 en dient ook dit te worden afgewezen. Datzelfde geldt - zoals hierboven reeds is overwogen - voor de incidentele vordering op de grondslag van artikel 843a Rv.

4.5.

De slotsom is dat de vorderingen integraal moeten worden afgewezen.

4.6.

[eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4.7.

De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] worden - inclusief het incident waarin reeds eerder is beslist maar waarvan de kostenbeslissing is aangehouden - begroot op:

- griffierecht € 285,00

- salaris advocaat € 4.263,00 (drie punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 4.548,00

4.8.

De kosten aan de zijde van de kerk worden begroot op:

- griffierecht € 613,00

- salaris advocaat € 2.842,00 (twee punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 3.455,00

4.9.

De kosten aan de zijde van de bank worden begroot op nihil.

4.10.

De beslissingen van de rechtbank zijn gebaseerd op de overwegingen die hierboven staan. Alles wat partijen meer of anders hebben aangevoerd blijft verder buiten beschouwing omdat het voor de beslissing van de rechtbank niet (langer) relevant is.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen in de hoofdzaak af,

5.2.

wijst de vordering in het incident af,

5.3.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1] tot op heden begroot op € 4.548,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [eisers] in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] , begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van de kerk tot op heden begroot op € 3.455,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kluin en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2015.