Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:6580

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-11-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
WR 15-027
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wrakingsverzoek afgewezen. Geen sprake van vooringenomenheid of partijdigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Wrakingskamer

Zittingsplaats 's‑Hertogenbosch

Zaaknummer: WR 15-027

Beschikking van 13 november 2015

in de zaak van

[verzoeker],

[gemachtigde],

verzoeker,

tegen

mr. P.P.M. van Reijsen,

in haar hoedanigheid van rechter, tevens kinderrechter, in de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, bij de behandeling van de zaak met zaaknummer C/01/291714 / FA RK 15-1612, verweerder.

Partijen zullen hierna respectievelijk verzoeker en de rechter worden genoemd.

1 Procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

  • -

    het proces-verbaal van de zitting van 12 oktober 2015 met daarin opgenomen het voorliggende wrakingsverzoek;

  • -

    de schriftelijke reactie van de rechter op het wrakingsverzoek, gedateerd 19 oktober 2015;

  • -

    het dossier in de hoofdzaak.

1.2.

De mondelinge behandeling van het voorliggende wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op 5 november 2015. Verschenen zijn [gemachtigde] met [verzoeker].

1.3.

In haar schriftelijke reactie heeft de rechter voorafgaand aan de zitting reeds aangegeven niet ter zitting aanwezig te zullen zijn om te worden gehoord. In de schriftelijke reactie heeft de rechter wel haar standpunt ten aanzien van het wrakingsverzoek naar voren gebracht.

2 Het verzoek en het verweer

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de procedure met zaaknummer C/01/291714 / FA RK 15-1612.

2.2.

Verzoeker heeft betoogd dat de rechter niet onbevooroordeeld het geschil kan beoordelen. Verzoeker stelt – kort weergegeven – onder meer dat hij op vrijdagmiddag, zijnde de 11e dag voor de zitting, een verweerschrift van de wederpartij tevens houdende een zelfstandig verzoek met betrekking tot kinderalimentatie heeft ontvangen. Verzoeker heeft vervolgens een brief gestuurd naar de rechtbank, waarin hij vraagt om uitstel omdat hij nog niet beschikte over de financiële stukken van [verzoeker]. De rechtbank heeft telefonisch laten weten dat er geen uitstel zal worden verleend. De rechter heeft op zitting aan verzoeker medegedeeld dat hij mondeling verweer kan voeren. De huidige schriftelijke reactie van de rechter vindt verzoeker vreemd. Verzoeker begrijpt uit de schriftelijke reactie van de rechter dat hij mondeling verweer kon voeren en eventueel later nog stukken zou kunnen indienen, maar dit was volgens verzoeker op zitting absoluut niet duidelijk. Verzoeker heeft de rechter gewraakt. Er is volgens verzoeker meer besproken op de zitting van 12 oktober 2015 dan dat in het proces-verbaal staat vermeld. Volgens verzoeker heeft hij aan de rechter uitgelegd dat het ging om jaarstukken over 2014 en dat deze stukken van de boekhouder moesten komen. Het is niet eenvoudig om deze stukken te krijgen. Verzoeker geeft aan dat hij een maand geleden ook een probleem heeft gehad met deze rechter, het ging toen om een bewindszaak. De rechter heeft kennelijk iets tegen verzoeker, waardoor [verzoeker] nu wordt benadeeld. Verzoeker geeft desgevraagd aan dat nu de rechter hem niet heeft toegestaan om verweer te voeren en om stukken in te dienen, hij er 100% van overtuigd is dat de rechter partijdig is. Ook al is kinderalimentatie eenvoudig te doorgronden, hij moet zich zorgvuldig en gedegen kunnen voorbereiden. Verzoeker is van mening dat er sprake is van (schijn van) partijdigheid.

2.3.

De rechter heeft aangegeven niet in de wraking te berusten en concludeert tot afwijzing van het verzoek. De rechter heeft in dat kader – kort weergegeven – onder meer aangevoerd dat zij op 1 oktober 2015, dus voor het verstrijken van de zogenoemde tien dagen-termijn, een verweerschrift van de wederpartij heeft ontvangen tevens houdende een zelfstandig verzoek met betrekking tot de vaststelling van kinderalimentatie. Op 9 oktober 2015 heeft de rechter het verzoek van verzoeker om de behandeling van het verzoek om kinderalimentatie aan te houden dan wel af te splitsen ontvangen. Dit verzoek is niet gehonoreerd, hetgeen telefonisch aan de secretaresse van verzoeker is doorgegeven. De rechter geeft aan dat verzoeker ter zitting op 12 oktober 2015 stelt dat zijn verzoek anders opgevat moet worden, in die zin dat hij vraagt om een verweertermijn van 4/5 weken. De rechter heeft vervolgens aan verzoeker medegedeeld dat zijn verzoek om aanhouding, afsplitsing dan wel een termijn voor verweer niet zal worden gehonoreerd. Zij heeft verzoeker er op gewezen dat hij mondeling verweer kan voeren, waarna verzoeker haar heeft gewraakt. De rechter geeft aan dat verzoeker haar direct na deze mededeling heeft gewraakt en dat zij er niet aan is toegekomen om aan te geven dat, mocht tijdens het verweer blijken dat het wenselijk is dat verzoeker nadere stukken ter onderbouwing van zijn stellingen in het geding brengt, de rechter hem hiervoor dan alsnog een termijn kan verlenen. Volgens de rechter is haar processuele beslissing om verzoeker de gelegenheid te bieden om op zitting verweer te voeren, ingegeven door de omstandigheid dat verzoeker voldoende tijdig op de hoogte was van het zelfstandig verzoek van de wederpartij tot het vaststellen van kinderalimentatie. Verzoeker heeft voldoende gelegenheid gehad om zijn verweer voor te bereiden en om verweer te voeren, schriftelijk voor de zitting of mondeling ter zitting. Daarbij komt dat kinderalimentatie eenvoudig is te doorgronden, er is slechts een beperkt aantal financiële gegevens noodzakelijk.

3 De beoordeling

3.1.

Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dient te worden beoordeeld of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2.

De rechtbank stelt voorop dat de rechter uit hoofde van haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter met betrekking tot een procespartij vooringenomen is, althans dat de dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid is bij de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang.

3.3.

De stelling van verzoeker dat hij eerder een probleem heeft gehad met deze rechter in een bewindszaak, ligt niet ten grondslag aan het voorliggende wrakingsverzoek. Ook is dit eerst ter zitting door verzoeker aangevoerd. Het vorenstaande zal door de rechtbank buiten beschouwing worden gelaten.

3.4.

De gang van zaken zoals verzoeker deze beschrijft komt niet geheel overeen met de gang van zaken zoals blijkt uit het proces-verbaal van de zitting en zoals de rechter deze beschrijft in haar schriftelijke reactie. Uitgaande van de weergave van verzoeker, betekent dit dat verzoeker ter zitting aan de rechter kenbaar heeft gemaakt dat hij wel verweer wil voeren maar dat hij in de gelegenheid wilde worden gesteld om nog financiële stukken in te dienen, hetgeen de rechter heeft geweigerd. Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit een procedurele beslissing. Het rechtsmiddel van wraking is niet gegeven om op te komen tegen onwelgevallige procesbeslissingen van de rechter, daarvoor is het stelsel van rechtsmiddelen bedoeld. De wrakingskamer behoort ook niet te treden in de vraag of de procesbeslissing juist is.

3.5.

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank van voornoemde uitzonderlijke omstandigheden en zwaarwegende aanwijzingen geen sprake en niet gebleken is dat de rechter enige vooringenomenheid tegenover verzoeker heeft gekoesterd of dat er sprake is van een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid van de rechter. Hetgeen overigens door verzoeker is aangevoerd, maakt het vorenstaande niet anders.

3.6.

Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijst af het verzoek tot wraking van mr. P.P.M. van Reijsen in de zaak met zaaknummer C/01/291714 / FA RK 15-1612.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A. Bik, voorzitter, en mr. A.G.A.M. van de Ven en mr. J. van der Weij, leden, en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.