Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:6562

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-11-2015
Datum publicatie
17-11-2015
Zaaknummer
C/01/299262 / KG ZA 15-605
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering sterkt ertoe dat Raad voor de Kinderbescherming moet wachten met afronden rapport in GO onderzoek en aanbieden aan rechtbank totdat klachtencommissie heeft beslist op klachten eiser die betrekking hebben op wijze waarop de Raad het onderzoek heeft uitgevoerd. Geen rechtsregel die Raad verplicht beslissing af te wachten. Uit hoofde Kwaliteitskader grote mate autonomie Raad bij onderzoek. Wel verplichting om onderzoek af te ronden met rapport. Aan Raad wanneer zij dat doet. Vrees dat klachten door Raad omzeild worden door eerst rapport uit te brengen ongegrond. Eiser kan nog reageren op conceptrapport en klachtenprocedure voorziet in voldoende waarborgen voor eiser: rechtbank moet van klachten op de hoogte worden gesteld. Het is dan aan de rechtbank om te beslissen of zij maatregelen wil nemen bijvoorbeeld door alsnog de beslissing van de klachtencommissie af te wachten. Vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/299262 / KG ZA 15-605

Vonnis in kort geding van 12 november 2015

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. L. Hoogstad te Veldhoven,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN, meer speciaal het ministerie van Veiligheid en Justitie/Raad voor de Kinderbescherming/regio Zuidoost-Nederland,

zetelend te ’s-Gravenhage, mede kantoorhoudende te Eindhoven,

gedaagde,

vertegenwoordigd door de heer H. Werger.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Raad genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 1 oktober 2015 met producties 1 tot en met 23

  • -

    de akte vermeerdering van eis met producties 24 tot en met 40c

  • -

    de mondelinge behandeling

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is de vader van [naam 1] (hierna te noemen: [naam 1] ), geboren op [datum] .

2.2.

[naam 1] is geboren uit de relatie die [eiser] op dat moment had met [naam 2] (hierna te noemen: de vrouw), die de Braziliaanse nationaliteit heeft.

2.3.

Op 10 april 2013 hebben [eiser] en de Raad de afspraak gemaakt dat [naam 1] haar hoofdverblijf heeft bij [eiser] . Die afspraak is bevestigd in een kort-gedingvonnis van 15 april 2013.

2.4.

Medio april 2013 is de vrouw met medeneming van haar andere dochter uit een eerdere relatie, zonder overleg met [eiser] en in strijd met de gemaakte afspraken, vertrokken naar Brazilië.

2.5.

Eind 2013 is de vrouw teruggekeerd naar Nederland. Sindsdien zijn [eiser] en de vrouw verwikkeld in een strijd met als inzet de hoofdverblijfplaats van en omgang met [naam 1] .

2.6.

Bij beschikking van 23 april 2014 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een Gezag- en Omgangsonderzoek (hierna aangeduid als GO onderzoek) te verrichten.

2.7.

[eiser] is tegen de beschikking in appel gegaan.

2.8.

Bij brief van 11 juni 2014 heeft de Raad voor de Kinderbescherming Regio Zuidwest Nederland (hierna te noemen: de Raad Breda) aan [eiser] bericht dat zij het noodzakelijk acht dat eerst het oordeel van het gerechtshof in appel wordt afgewacht voordat wordt gestart met het onderzoek zodat er geen discussie bestaat over de opdracht aan de Raad.

2.9.

Nadat de Raad op 20 februari 2015 van de rechtbank nogmaals een verzoek had ontvangen om een GO onderzoek uit te voeren, is het onderzoek ingeboekt bij de Raad te Eindhoven (hierna: de Raad Eindhoven).

2.10.

Bij e-mail van 24 juni 2015 heeft [eiser] aan de Raad Eindhoven onder meer verzocht te bevestigen dat zij op de hoogte is van de afspraken die [eiser] heeft gemaakt met de Raad Breda en te bevestigen dat de Raad Eindhoven die afspraken respecteert.

2.11.

Bij brief van 29 juni 2015 heeft de Raad Eindhoven aan [eiser] geantwoord dat zij de door [eiser] verzochte bevestiging niet kan geven omdat zij werkt volgens een ministerieel vastgesteld kwaliteitskader en dat zij geen andere afspraken maakt over haar werkwijze.

2.12.

[eiser] heeft vervolgens diverse klachten ingediend bij de Raad over de wijze waarop het onderzoek door haar wordt uitgevoerd. In totaal zijn door [eiser] 10 klachten ingediend waarvan er inmiddels één (klacht 6) is komen te vervallen.

2.13.

Nadat de Raad klachten 1 en 2 van [eiser] op 7 juli 2015 ongegrond had verklaard heeft de klachtencommissie deze op 7 september 2015 alsnog gegrond verklaard.

2.14.

Op 29 september 2015 heeft de Raad klacht 3 deels gegrond verklaard. De andere klachten zijn alle ongegrond verklaard.

2.15.

[eiser] heeft de ongegrond verklaarde klachten voorgelegd aan de klachtencommissie van De Raad. De klachtencommissie heeft nog niet op de klachten beslist.

2.16.

De Raad Eindhoven heeft haar (concept)rapport inzake het GO onderzoek inmiddels gereed en wil dat aanbieden aan de rechtbank. De Raad Eindhoven is niet bereid om eerst de beslissing van de klachtencommissie af te wachten.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, samengevat en na vermeerdering van eis, te bepalen dat de Raad niet mag overgaan tot afronding van het (GO) raadsrapport met betrekking tot [naam 1] respectievelijk toezending daarvan aan de rechtbank, totdat de klachtencommissie afwijzend zal hebben beslist op de klachten 3 tot en met 10 (exclusief klacht 6, welke is komen te vervallen), op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag met een maximum van € 25.000,--, dan wel een vonnis af te geven, in goede justitie, op een wijze die de voorzieningenrechter juist acht.

3.2.

[eiser] legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

De Raad Eindhoven is voornemens op zeer korte termijn het GO rapport af te ronden. [eiser] is het echter niet eens met de wijze waarop De Raad Eindhoven het onderzoek heeft uitgevoerd. [eiser] heeft afspraken gemaakt met de Raad Breda over onder meer het meenamen van stukken in het onderzoek en het verstrekken van informatie aan [eiser] . De Raad Eindhoven is ook aan die afspraken gebonden maar legt deze naast zich neer. Daarmee handelt zij in strijd met het toepasselijke kader. [eiser] heeft er belang bij dat het onderzoek zorgvuldig wordt uitgevoerd en dus dat eerst de beslissing van de klachtencommissie wordt afgewacht alvorens het rapport wordt afgerond. De Raad heeft ook geen enkele reden om het onderzoek, dat al anderhalf jaar loopt, nu ineens dringend af te ronden.

3.3.

De Raad voert daartegen, zakelijk weergegeven, het volgende verweer.

De afspraken die [eiser] met de Raad Breda heeft gemaakt zijn louter van praktische aard. De Raad Eindhoven is daar niet aan gebonden. De Raad Eindhoven houdt zich bij het onderzoek aan de geldende regels.

[eiser] werkt niet samen met de Raad. Hij bestookt de Raad met e-mails vol vragen en klachten en verschijnt niet als hij wordt uitgenodigd voor een gesprek.

Het conceptrapport van de Raad is inmiddels gereed. De Raad kan en hoeft niet te wachten op de beslissing van de klachtencommissie alvorens het rapport uit te brengen. De Raad wil het rapport tijdig bij de rechtbank indienen. De klachten hebben uitsluitend betrekking op de wijze waarop [eiser] is bejegend. De inhoudelijke klachten liggen bij de rechter.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] heeft voldoende spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening die ertoe strekt dat de Raad de beslissing van de klachtencommissie afwacht alvorens zij aan de rechtbank haar (definitieve) rapport inzake het GO onderzoek toezendt. De Raad heeft namelijk aangegeven dat zij haar haar concept-rapport inmiddels gereed heeft en dat zij de beslissing van de klachtencommissie niet wenst af te wachten.

4.2.

Het belang van [eiser] bij de gevorderde voorziening is erin gelegen dat het GO onderzoek “op een juiste wijze, binnen de afspraken die met hem zijn gemaakt, wordt uitgevoerd en afgewikkeld” (dagvaarding onder 23). [eiser] vreest dat de Raad thans het onderzoek wil afronden voordat de klachtencommissie zijn klachten (deels) gegrond zal verklaren in een poging om daarmee de klachten van [eiser] , die betrekking hebben op de wijze waarop de Raad het onderzoek heeft uitgevoerd, te omzeilen.

4.3.

Voorop gesteld zij dat dit kort geding niet is bedoeld om vooruit te lopen op de beslissing van de klachtencommissie. Voor een inhoudelijke beoordeling van de klachten is dit kort geding niet bedoeld. Die beoordeling is voorbehouden aan de klachtencommissie die daarvoor speciaal in het leven is geroepen. Uitgangpunt is voorts dat er geen rechtsregel bestaat op grond waarvan de Raad gehouden is de beslissing van de klachtencommissie af te wachten alvorens zij haar onderzoek mag afronden. Het bestaan van een dergelijke rechtsregel is door [eiser] ook niet gesteld. Het kader waarbinnen de Raad haar onderzoek dient uit te voeren wordt bepaald door het Kwaliteitskader van de Raad voor de Kinderbescherming 2015 (de voorzieningenrechter gaat er op basis van de thans beschikbare informatie van uit dat het GO onderzoek is opgestart ná 1 januari 2015 en dat daarom versie 2015 van het Kwaliteitskader van toepassing is) dat is vastgesteld door de Directeur-Generaal Jeugd en Sanctietoepassing (DGJS) van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en het Protocol gezag en omgang na scheiding 2013. Dit protocol is in feite een aanvulling op het Kwaliteitskader. Uit het toepasselijke kader volgt dat de Raad een grote mate van autonomie heeft bij de uitvoering van een GO onderzoek. Zo kan de Raad het onderzoek desnoods ongevraagd en tegen de wil van de ouders uitoefenen (2.2. van het Kwaliteitskader). Een verplichting voor de Raad om te wachten met de afronding van haar onderzoek totdat de klachtencommissie heeft beslist op klachten die betrekking hebben op het onderzoek, is in het Kwaliteitskader noch in het Protocol opgenomen. Daarentegen is de Raad wel verplicht om het onderzoek af te ronden door eerst een conceptrapport en later een definitief rapport uit te brengen (3.2.12 en 3.3. van het Kwaliteitskader). Het is binnen grenzen van het kader aan de Raad om te bepalen wanneer zij haar onderzoek als afgerond beschouwt en een conceptrapport uitbrengt. Dat er nog een klachtenprocedure aanhangig is die betrekking hebben op de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd staat in beginsel aan de afronding niet in de weg.

4.4.

De vrees van [eiser] dat zijn klachten zinledig zullen worden indien de Raad haar (definitieve) rapport uitbrengt nog voordat de klachtencommissie heeft beslist op de klachten, acht de voorzieningenrechter voorshands ongegrond. Daarbij wijst de voorzieningenrechter er allereerst op dat [eiser] nog de gelegenheid heeft om op het conceptrapport te reageren voordat de Raad haar definitieve rapport aan de rechtbank uitbrengt. Daarin kan [eiser] dan zijn onvrede uiten over het feit dat de uitkomst van de klachtenprocedure niet is afgewacht. De reactie van [eiser] zal dan in het definitieve rapport moeten worden opgenomen (3.2.12 Kwaliteitskader), zodat deze kenbaar is voor de rechtbank.

4.5.

Daarnaast is de positie van de klager in de toepasselijke klachtenregeling op dit punt naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gewaarborgd. In het Besluit van 19 september 2006, houdende regels ter zake van de behandeling van klachten over de raad voor de kinderbescherming door een externe klachtencommissie (Besluit externe klachtencommissie raad voor de kinderbescherming) Stbl 2006, 402 (hierna aangeduid als het Besluit), is vastgelegd hoe de klachten door de klachtencommissie moeten worden behandeld. In het derde lid van artikel 4 van het Besluit is bepaald dat indien de klacht verband houdt met een aangelegenheid waarover de Raad de rechter adviseert, zoals in dit geval, de Raad na ontvangst van bericht van de klachtencommissie, de rechter onverwijld schriftelijk in kennis stelt van het indienen van de klacht bij de klachtencommissie. Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit is de strekking van die bepaling dat de rechter die over een zaak beslist waarmee de klacht verband houdt, op de hoogte dient te zijn van het indienen van een klacht. Nu is gesteld noch gebleken dat de Raad zich niet aan de verplichting van artikel 4 lid 3 van het Besluit heeft gehouden, gaat de voorzieningenrechter er voorshands van uit dat de rechtbank op de hoogte is van de klachten die van [eiser] heeft ingediend bij de klachtencommissie. Het is dan vervolgens aan de rechtbank om te beslissen of zij daarin aanleiding ziet om maatregelen te nemen, bijvoorbeeld door de beslissing van de klachtencommissie alsnog af te wachten.

4.6.

In dat verband wijst de voorzieningenrechter ook nog op het vierde lid van artikel 13 van het Besluit is bepaald dat indiende rechter nog geen beslissing heeft genomen in de aangelegenheid waarmee de klacht verband houdt, zoals in dit geval, de Raad onverwijld de bevindingen en het oordeel van de klachtencommissie aan de rechter zendt, tenzij de klager hiertegen gemotiveerd zijn bedenkingen kenbaar heeft gemaakt dan wel redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze bevindingen geen invloed zullen hebben op de aangelegenheid waarover de rechter nog moet beslissen. In die gevallen deelt de Raad de rechter schriftelijk mee dat op de klacht is beslist. Op verzoek van de rechter stelt de Raad de rechter in kennis van de inhoud van de klacht en van de bevindingen van het onderzoek naar de klacht en het oordeel daarover van de klachtencommissie. De rechtbank zal er dus van op de hoogte worden gesteld als de klachtencommissie heeft beslist en kan desgewenst in kennis worden gesteld van de inhoud van de beslissing. Daarmee is het risico dat de Raad de klachten van [eiser] feitelijk omzeilt door het rapport er nog snel door te drukken voordat de klachtencommissie heeft beslist, zoals [eiser] stelt, naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende afgedekt.

4.7.

Voor het treffen van een voorziening op grond waarvan de Raad zou moeten wachten met de afronding van haar onderzoek totdat op de klachten van [eiser] is beslist, bestaat gelet op het vorenstaande onvoldoende grond. Dat leidt tot de slotsom dat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen.

4.8.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Raad worden begroot op een bedrag van € 613,00 aan vast recht.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Raad tot op heden begroot op € 613,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2015.