Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:6561

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
16-11-2015
Datum publicatie
17-11-2015
Zaaknummer
C/01/299047 / KG ZA 15-589
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding inzake vordering wedertewerkstelling toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-1146
AR 2015/2238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/299047 / KG ZA 15-589

Vonnis in kort geding van 16 november 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. M.M.C. van de Ven te Boxmeer,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NUTRECO NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Boxmeer,

gedaagde,

advocaat R. Olde te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiser] en Nutreco genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 6 oktober 2015 met producties, genummerd 1 tot en 7;

  • -

    de conclusie van antwoord van Nutreco van 28 oktober 2015 met producties, genummerd 1 tot en met 25;

  • -

    de brief van mr. Van de Ven van 29 oktober 2015 met een productie;

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 2 november 2015;

  • -

    de pleitnota van Schellenberg

  • -

    de pleitnota van Nutreco.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] , thans [leeftijd] oud, is op 1 juni 2000 in dienst getreden bij Nutreco, blijkens de arbeidsovereenkomst in de functie van secretaresse (productie 3 bij de conclusie van antwoord).

2.2.

Per 1 mei 2009 is [eiser] werkzaam in de functie van lease-coördinator op de HR-afdeling van Nutreco.

2.3.

Op 1 december 2013 is heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) de leidinggevende geworden van [eiser] .

2.4.

Begin 2014 heeft Nutreco de HR-afdeling gereorganiseerd, in die zin dat de afdeling een HR Shared Service Center (hierna: HRSSC) is geworden. Daarbij zijn de HR-medewerkers niet langer verantwoordelijk voor één of meerdere specifieke taken, maar voor alle voorkomende administratieve HR-werkzaamheden. In dit HRSSC werken vijf “HR-Administators” (hierna: “HR-Admins”) onder leiding van [naam 1] .

2.5.

Tot maart 2014 waren de voornaamste taken van [eiser] : de communicatie tussen de medewerker en de leasemaatschappij en de controle van facturen.

2.6.

Op 11 maart 2014 verzocht [naam 1] [eiser] om haar leasewerkzaamheden voortaan in de helft van haar arbeidsuren te verrichten en de overige uren te besteden aan andere HR-werkzaamheden. [eiser] werd daarmee werkzaam in de functie van HR-Admin.

2.7.

Bij brief van 14 maart 2014 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen deze wijzigingen (productie 5 bij de conclusie van antwoord).

[eiser] heeft in haar brief onder meer het volgende vermeld.

“(…) Naast dat ik er van overtuigd ben dat de 50% een verkeerde inschatting is, ambieer ik ook geen functie als parttime HR Administrator. (…) ik wil ook heel graag blijven, maar dan wel op basis van hoofdtaak wagenparkbeheer als lease coördinator met 10% HRSSC projecten. (…)

Ik ben bereid om de 10% (…) in het gezamenlijk kantoor van het nieuwe HRSSC te gaan zitten, ik wil daar echter niet een vaste werkplek hebben. (…)”

2.8.

Op 10 april 2014 hebben [eiser] en [naam 1] overleg gevoerd. Tijdens dit overleg gaf [naam 1] [eiser] te kennen dat het niet aan [eiser] is om haar functie in te delen, maar dat zij zich ten aanzien daarvan moet conformeren aan de instructies van Nutreco. [naam 1] gaf hierbij tevens aan dat [eiser] de werkzaamheden prima zou moeten kunnen uitvoeren, gelet op haar opleiding en achtergrond. Verder gaf [naam 1] aan dat [eiser] ondersteund zou worden door [naam 1] en door haar collega’s. Voorts liet [naam 1] [eiser] weten dat zij niet langer op een eigen kamer kon zitten maar echt onderdeel van het team moest proberen te worden. Daar hoorde volgens [naam 1] ook bij dat [eiser] haar werkzaamheden zou gaan verrichten in de gemeenschappelijke HR-ruimte. Verder verzocht [naam 1] [eiser] niet langer thuis te werken omdat dit het verrichten van de HR-werkzaamheden en de communicatie zou bemoeilijken.

2.9.

Bij e-mail van 29 juni 2014 heeft [eiser] aan de heer [naam 2] (HR directeur Europe, Middle-East, Africa, hierna: [naam 2] ), haar bezwaren ten aanzien van haar voorgenomen werkplekwijziging kenbaar gemaakt (productie 7 bij de conclusie van antwoord). Die bezwaren komen er –kort weergegeven- op neer dat [eiser] ongelukkig wordt in een kamer met zoveel personen, dat zonder overleg met [eiser] haar functie is gewijzigd van lease coördinator naar HR Assistent en dat zij, gelet op haar lease-werkzaamheden haar HR-werkzaamheden slechts voor 10% kan verrichten, zodat het ook al om die reden niet wenselijk is dat zij al haar uren in de HR-ruimte zou moeten verblijven.

2.10.

De bedrijfsarts heeft op 2 juli 2014 aan [eiser] bericht als volgt (productie 8 bij de conclusie van antwoord).

“(…)

Oordeel:

Betrokkene is door medische redenen aangewezen op een werkplek die aan bepaalde klimatologische en fysische voorwaarden voldoet om optimaal te kunnen functioneren.

Door de voorgenomen wijziging dreigt hierdoor een duurzame balans verstoord te worden.

Advies:

Ga in gesprek over de voorwaarden waar de wekruimte/ werkplek aan moet voldoen.

(…)”

2.11.

Bij e-mail van 4 juli 2014 (productie 9 bij de conclusie van antwoord) heeft [naam 2] aan [eiser] onder meer als volgt bericht.

“Het is helder dat een deel van jouw taken anders ingericht zullen gaan worden. Dit door vereenvoudiging van processen, uitbesteden vaan een aantal deeltaken, waaronder nota’s naar finance, etc. Dat Nutreco deze route wil inslaan, is een gegeven. De hierdoor vrijgekomen uren willen wij graag met jou inzetten op HRSSC. Dit doen we om twee redenen: de organisatie profiteert van jouw specifieke vaardigheden (je bent immers sterk op structuur en processen, iets waar een HRSSC erg veel behoefte aan c.q. baat bij heeft) en wij willen jou graag voor de organisatie behouden.

Geconcludeerd kan worden is dat de functie deels zal wijzigen en het aan jou is om te besluiten of je hierin gemotiveerd mee wil gaan of niet (even los van vragen rondom arbeidsomstandigheden waarin e.e.a. zou moeten worden uitgeoefend).

ARBEIDSOMSTANDIGHEDEN:

Eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de terugkoppeling van de bedrijfsarts wel erg generiek is. Er wordt niet aangegeven wat de specifieke aandachtspunten in de arbeidsomstandigheden zijn en dus voor ons is het lastiger om in specifieke oplossingen te denken. Vanzelfsprekend zijn deze aandachtspunten aangegeven door jouzelf in onderstaande email, echter had toch graag specifieke punten gezien. Dit neemt niet weg dat ik e.e.a. zeer serieus oppak. [naam 3] heeft contact opgenomen met de bedrijfsarts om e.e.a. meer specifiek te bespreken en mogelijke oplossingen te bekijken.

De terugkoppeling hiervan zal via [naam 3] lopen: hij is immers verantwoordelijk voor een geslaagde invoering en invulling van de HRSSC organisatie (inclusief deeltaak Lease management). Daarnaast is hij ook jouw manager en behoort wat dat betreft sowieso via hem te verlopen.”

2.12.

Bij e-mail van 1 oktober 2014 heeft [naam 1] aan [eiser] bericht dat zij niet meer vast kan thuiswerken (productie 11 bij de conclusie van antwoord).

2.13.

[eiser] heeft hierop bij e-mail van 2 oktober 2014 (productie 11 bij de conclusie van antwoord) als volgt gereageerd.

“(…) Ik wil vasthouden aan eerdere afspraken die er met mij gemaakt zijn: ik zou 4 uur thuis werken tot het facturensysteem volledig geautomatiseerd is. Dat is nog niet het geval. (…)”

2.14.

Op 26 februari 2015 vond het beoordelingsgesprek van [eiser] over 2014 plaats met [naam 1] . Nutreco heeft [eiser] over het jaar 2014 negatief beoordeeld (productie 12 bij de conclusie van antwoord). Daarbij heeft [naam 1] [eiser] tevens medegedeeld dat hij het dienstverband met [eiser] wil beëindigen.

2.15.

Bij e-mail van 27 februari 2015 heeft [eiser] aan [naam 2] aangegeven dat zij met [naam 2] over een aantal zaken/vragen in gesprek wil (productie 13 bij de conclusie van antwoord), te weten:

  1. Waarom kan wagenpark nu al niet volledig bij mij weg worden gehaald en dat ik al mijn uren admin/projecten werk voor HR SSC ga uitvoeren?

  2. Waarom kan er geen stappenplan van outsourcing wagenpark en geleidelijke overstap naar admin/projecten werk voor HR SSC gemaakt worden?

  3. Waarom heb ik tussen mijn laatste werkgesprek van juli 2014 en nu februari 2015 geen evaluatie moment, sturing of schriftelijke waarschuwing gehad? Ik heb ook geen schriftelijke bevestiging van afspraken uit het gesprek van juli 2014. Van alle 15 jaren heb ik 14 zeer positieve beoordelingen en nu 1 negatieve beoordeling en hoe kan ik dan daar ontslag op krijgen vanwege niet voldoende functioneren?

  4. Zijn er nog andere werkplekken beschikbaar of te creëren bij Nutreco gezien over alle entiteiten en niet alleen binnen [naam 3] of je eigen scope?

  5. Proces van de komende weken.

2.16.

[naam 2] heeft [eiser] bij e-mail van 2 maart 2015 (productie 14 bij de conclusie van antwoord) onder meer als volgt bericht.

“(…) Ik heb aangegeven dat er binnen Nutreco (wereldwijd) met een kaasschaaf langs de organisatie gegaan zal worden en dat er dus wat dat betreft geen andere posities aan de orde zullen zijn. Dit even los van het wel/niet hebben van de juiste competenties. Wat ik nu uit jouw uitnodiging voor een vervolggesprek opmaak is het wederom bespreken van mogelijke andere functies binnen Nutreco. (…) is dit reeds een gepasseerd station en ik zal derhalve jouw uitnodiging om een gesprek om onderstaande punten door te nemen niet accepteren. (…)

Vanzelfsprekend begrijpen wij dat het een hard gelag is om een dergelijk boodschap te moeten ontvangen en dat je naar ‘oplossingen’ zoekt. Ik kan hierbij bevestigen dat deze er niet zijn (…)”

2.17.

Bij brief, gedateerd 6 maart 2015 (productie 16 bij de conclusie van antwoord), heeft [naam 1] aan [eiser] onder meer bericht:

“(…)

Op 26 februari jl. hebben we jouw functioneren besproken in het jaarlijkse eindbeoordelingsgesprek. Helaas hebben we moeten constateren dat het functioneren onvoldoende was en dat er geen vertrouwen meer is voor de toekomst.

(…)

Vorig jaar hebben we (…) gesproken over de verandering van de HR afdeling (…). Er is toen heel duidelijk aangegeven dat jij net als de anderen onderdeel bent van dit HRSSC in de functie van HR-Admin. (…) Er is duidelijk aangegeven dat de taken die bij de lease coordinatie horen terug moeten kunnen naar minimaal 50% per week (…). In je brief van 14 maart gaf je aan dat je dat veel te weinig vond en geen functie als HR Admin ambieert. (…).

Jouw reactie was dat je dit eigenlijk niet wilde omdat je je geen HR Admin voelde en de werkzaamheden vanwege gebrek aan ervaringen interesse niet aan zou kunnen. Er is uitgelegd dat je met jouw opleiding en achtergrond deze werkzaamheden makkelijk aan kunt en daar ondersteuning in krijgt van de teamleden (…).

Vervolgens ben jij op eigen houtje in de organisatie bij andere managers gaan informeren of je met de lease werkzaamheden niet op een andere afdeling kon werken. Dit werd afgewezen (…). Toen dit geen optie bleek heb je de wens uitgesproken om alleen op een kamer te blijven werken. Hieraan hebben we, na een positief oordeel van de bedrijfsarts, gehoor gegeven. Voor wat betreft jouw thuiswerkdag hebben we aangegeven dat dit niet meer kon (…). Tot op heden heb jij hier geen enkel gehoor aan gegeven.

Tijde ns het opzetten van het HRSSC (…) heb jij je bijna geheel afzijdig gehouden (…). Dit tot grote ergernis van je collega’s (…).

(…)

Nog steeds pak je geen HR Admin werkzaamheden op, je maakt geen enkele brief of contract, ondersteunt niet met vragen te beantwoorden op het gebied van het Global HR Informatie Systeem, je werkt nog steeds uren thuis, en je collega’s moeten nog steeds alle zeilen bijzetten (…) om het werk gedaan te krijgen. Hiermee is een onhoudbare situatie ontstaan en we betreuren het dat ons geen andere keuze rest dan het aanbieden van een vaststellingsovereenkomst, (…).

(…)”

2.18.

Bij e-mail van 9 maart 2015 (productie 15 bij de conclusie van antwoord) heeft [eiser] [naam 2] verzocht om [eiser] aan te horen en de beslissing om afscheid van [eiser] te nemen te heroverwegen.

2.19.

Bij brief van 12 maart 2015 (productie 3 bij de dagvaarding) heeft [naam 1] aan [eiser] onder meer bericht als volgt.

“(…)

Je bent sinds 1 juni 2000 in dienst bij Nutreco in de functie van HR Admin.

(…)

Helaas hebben we moeten constateren dat je een ongewenste houding en gedrag vertoont door herhaaldelijk onze redelijke instructies niet op te volgen. Nutreco heeft daarom geen vertrouwen meer in een vruchtbare samenwerking. Wij zien ons daarom genoodzaakt jouw arbeidsovereenkomst te beëindigen. (…)

(…) Er is duidelijk aangegeven dat dat de taken die bij leasecoördinatie horen terug moeten en volgens onderzoek ook terug naar minimaal 50% per week. (…). De overige 50% van jouw arbeidsuren zou je moeten besteden aan andere HR-werkzaamheden, zoals het beantwoorden van vragen van andere afdelingen over het Global HR informatiesysteem, het opmaken van contracten enz. (…)

Per brief van 14 maart 2014 gaf he aan dat je de taken rondom de leaseauto’s niet kon uitvoeren in 50% van de tijd. (…) Ook liet ik je weten dat Nutreco verwacht dat jij de taken rondom de lease coördinatie én de andere HR-werkzaamheden zou uitvoeren.

Jouw reactie was opnieuw dat je dit eigenlijk niet wilde omdat je je geen (allround) HR Admin voelde en de HR-werkzaamheden vanwege gebrek aan ervaring en interesse niet aan zou kunnen. Ik heb jou toen uitgelegd dat je met jouw opleiding en achtergrond deze werkzaamheden makkelijk aan kunt en daar ondersteuning in krijgt van de andere teamleden. Ik benadrukte verder dat je je ook niet langer kunt afzonderen van het team, maar moest proberen echt onderdeel van het team te worden. Je bent overigens ook altijd al onderdeel van het team geweest maar had alleen een andere kamer.

Ondanks deze gesprekken (…) ben jij op eigen houtje in de organisatie bij andere managers gaan informeren of je met de lease werkzaamheden niet op een andere afdeling kon werken. (…)

(…)

Tijdens het opzetten van het HRSSC (…) heb je je (…) bijna geheel afzijdig gehouden in tegenstelling tot wat ik je vroeg en (…) tot de met jou afgesproken jaardoelen voor 2014. Dit, tot grote ergernis van je collega’s die (…) tot meer dan over hun oren in het werk zaten (…)

Nog steeds pak je geen HR-werkzaamheden op. (…)

Hiermee is een onhoudbare situatie ontstaan. Nutreco verwacht van een werknemer dat zij zich houdt aan de redelijke instructie van een werkgever en de taken uitvoert, die aan haar gevraagd worden. Nutreco accepteert dan ook niet langer dat je zelf bepaalt welke taken je uitvoert en wanneer. (…)

Helaas hebben onze gesprekken geen enkel effect gehad en blijf je je eigen plan trekken. (…)”

Tevens heeft [naam 1] [eiser] bij dit schrijven een vaststellingsovereenkomst aangeboden.

2.20.

[eiser] heeft bij e-mailbericht van 20 maart 2015 (productie 17 bij de conclusie van antwoord) aan Nutreco onder meer bericht:

“(…)

Van [naam 3] ontving ik een brief van 13 maart 2015 en een beëindigingsvoorstel. (…)

Met de inhoud van de brief kan ik mij niet verenigen. Met het daaruit voortvloeiende voorstel dus evenmin. Ten aanzien van het laatste benadruk ik dat ik mij onverminderd blijf richten op continuering van mijn arbeidsovereenkomst. (…)

Ik stel dus voor dat een mediator wordt ingeschakeld (…).

(…)”

2.21.

Op 25 maart 2015 hebben [eiser] en [naam 1] met elkaar gesproken over mediation. Tijdens dit gesprek gaf [naam 1] aan akkoord te gaan met mediation indien het zou gaan om een exit-mediation traject. [eiser] heeft op haar beurt aangegeven in het kader van mediation geen exit-gesprekken met [naam 1] te willen voeren.

2.22.

Bij schrijven van 8 april 2015 heeft de advocaat van [eiser] Nutreco verzocht om haar weigering tot medewerking aan mediation te heroverwegen (productie 19 bij de conclusie van antwoord). Hierop is Nutreco akkoord gegaan met het volgen van een mediationtraject (productie 20 bij de dagvaarding)

2.23.

Eind mei 2015 zijn partijen en mediationtraject gestart. Dit mediationtraject heeft voor partijen niet tot resultaat geleid. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt.

2.24.

Nutreco heeft [eiser] bij brief van 31 augustus 2015 (productie 7 bij de dagvaarding) onder meer bericht:

“(…)

Afgelopen donderdag (27 augustus 2015) hadden wij ons laatste mediationgesprek. Tijdens dat gesprek bleek dat onze standpunten nog steeds onverenigbaar zijn met elkaar. Het lukte mij opnieuw niet jou inzicht te laten krijgen in de problemen, zoals bijvoorbeeld de samenwerking met mij en jouw collega’s. De mediation is dan ook niet met positief resultaat afgesloten. Jouw laatste verzoek was het voeren van een gesprek met de heer [naam 4] , Corporate Director HR.

Tegen de achtergrond dat jij de problemen blijft ontkennen, lijkt het Nutreco niet zinvol om derden bij deze kwestie te betrekken. Zolang jij niet inziet wat de problemen zijn, heeft Nutreco er geen vertrouwen in dat een gesprek jou nieuwe mogelijkheden zal opleveren en/ of d ontstane situatie zal oplossen. Nutreco is van oordeel dat er sprake is van een forse vertrouwensbreuk, die niet meer te repareren valt. Wij blijven dan ook bij onze beslissing dat jouw arbeidsovereenkomst moet worden beëindigd.

(…)

Zowel collega’s als ik kunnen en willen niet meer met jou samenwerken. We zien ons derhalve genoodzaakt jou met ingang van heden op non-actief te stellen. (…).

Nutreco is bereid jou (nogmaals) op hoofdlijnen het volgende voorstel te doen:

  1. De arbeidsovereenkomst wordt met wederzijds goedvinden beëindigd per 1 februari 2016;

  2. Je wordt tot het einde van het dienstverband met behoud van salaris vrijgesteld van de verplichting om werkzaamheden te verrichten;

  3. Je ontvangt een beëindigingsvergoeding ter grootte van € 20.000,00 bruto. (…);

  4. Je ontvangt een vergoeding in de kosten rechtsbijstand ter grootte van € 750,00 exclusief btw.

  5. Finale kwijting.

Nutreco doet dit voorstel gestand tot en met 4 september a.s. (…)

(…)

2.25.

Op 1 september 2015 is [eiser] op haar werk verschenen, waarop [naam 1] haar naar huis heeft gestuurd.

2.26.

Bij e-mail van 4 september 2015 (productie 24 bij de conclusie van antwoord) heeft [eiser] de heer [naam 4] , corporate HR director bij Nutreco (hierna: [naam 4] ), benaderd om met hem een gesprek te voeren.

2.27.

Bij e-mail van 7 september 2015 heeft [naam 4] aangegeven het niet zinvol te achten een dergelijk gesprek te voeren aangezien er geen oplossingen zijn voor de tussen partijen gerezen problemen (productie 25 bij de conclusie van antwoord).

2.28.

Nutreco is inmiddels een ontbindingsprocedure gestart. Deze ontbindingsprocedure dient op 4 december 2015.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. Nutreco te veroordelen om –na betekening van dit vonnis- [eiser] binnen 24 uur in de gelegenheid te stellen haar gebruikelijke werkzaamheden als medewerker HR Administratie overeenkomstig de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te hervatten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat zij niet aan deze veroordeling voldoet;

  2. Nutreco in de proceskosten te veroordelen.

3.2.

[eiser] legt hieraan –kort weergegeven- het volgende ten grondslag.

[eiser] heeft nooit geweigerd om welke opdracht dan ook voor Nutreco uit te voeren. [eiser] heeft een onberispelijk dienstverband van meer dan vijftien jaar, met louter goede beoordelingen. 3,5 maanden na de aanstelling van [naam 1] zijn de doelen van de functie van [naam 1] eenzijdig gewijzigd. Nadat Nutreco op 26 februari 2015 aan [eiser] kenbaar had gemaakt over te willen gaan tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst, heeft [eiser] zonder enige wanklank doorgewerkt tot de op non-actiefstelling van 31 augustus 2015. De op non-actiefstelling heeft een diffamerend karakter en [eiser] voelt zich in haar eer en goede naam aangetast. [eiser] is nooit gewaarschuwd om te stoppen met bepaald gedrag of een bepaalde houding met aanzegging van consequenties. [eiser] heeft wel degelijk HR-Admin werk gedaan en haar collega’s ondersteund. Nutreco had [eiser] een waarschuwing en kans op verbetering moeten geven. Dat is niet gebeurd. [eiser] werkt graag voor Nutreco en doe niets liever dan haar werkzaamheden zo snel mogelijk weer oppakken.

3.3.

Nutreco heeft ten verwere –samengevat- het volgende naar voren gebracht.

Met de invoer van het HRSSC diende ook [eiser] zich toe te legen op andere HR-werkzaamheden dan alleen de coördinatie van leaseauto’s. Dat was ook mogelijk daar het leasewagenpark van Nutreco in 2012 was gehalveerd in verband met de verkoop van een onderdeel van Nutreco aan een derde. [eiser] heeft echter steeds geweigerd om 50% van haar werktijd te besteden aan andere HR-werkzaamheden dan de coördinatie van leaseauto’s. [eiser] heeft zich voorts afzijdig gehouden bij het opzetten van het HRSSC terwijl haar collega’s zich een slag in de rondte werkten.

Ook heeft [eiser] geweigerd het thuiswerken op te geven, hoewel Nutreco haar daar herhaaldelijk om had verzocht teneinde ervoor te zorgen dat alle HR Admin’s op dezelfde wijze hun werkzaamheden van het HRSSC zouden leren en uitvoeren.

Verder heeft [eiser] herhaaldelijk haar direct-leidinggevende, [naam 1] , gepasseerd door achter diens rug om managementleden en hogere HR-functionarissen te benaderen met het verzoek het beheer van het leasewagenpark bij een andere afdeling onder te brengen dan wel [naam 1] “terug te fluiten”. Ten slotte zijn de mediationgesprekken die Nutreco met [eiser] heeft gevoerd, op niets uitgelopen.

Als Nutreco gedwongen zou worden [eiser] toe te laten tot de werkvloer, zouden haar collega’s haar moeten inwerken, hetgeen niet van hen gevergd kan worden. Bovendien is er inmiddels iemand anders aangesteld om de werkzaamheden van [eiser] uit te voeren. Door de breuk die is ontstaan tussen [eiser] en het HR-management van Nutreco, alsook tussen [eiser] en haar directe collega’s, is een onwerkbare situatie ontstaan.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het op non-actief stellen van een werknemer, voorafgaand aan een door de werkgever voorgenomen/gewenste beëindiging van de arbeidsovereenkomst, een ingrijpende maatregel is, die niet zonder noodzaak mag worden genomen. Goed werkgeverschap brengt immers in beginsel mee dat de werknemer een ontbindingsprocedure mag afwachten vanuit een werkende situatie. Een maatregel als het op non-actief stellen mag slechts genomen worden als toelating van de werknemer op het werk aan de goede gang van zaken bij de werkgever grote schade zou toebrengen of wanneer vanwege andere zwaarwegende redenen, waartegen de belangen van de werknemer niet opwegen, in redelijkheid van de werkgever niet gevergd kan worden dat hij de werknemer nog langer op het werk duldt. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.2.

Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de wens van Nutreco om tot een einde van de arbeidsovereenkomst met [eiser] te komen, met name gelegen in een verschil van inzicht tussen partijen over de invulling van de functie van [eiser] vanaf maart 2014. Niet in geschil is dat [eiser] tot maart 2014 de aan haar opgedragen werkzaamheden immer naar behoren heeft uitgevoerd.

Met de invoering van het HRSSC, zo stelt Nutreco, bleek het noodzakelijk de inhoud van de functie van [eiser] te wijzigen in die zin dat [eiser] haar werkzaamheden met betrekking tot het leasewagenpark in 50% van haar werktijd zou gaan uitvoeren en dat zij zich voor de overige 50% van haar werktijd met andere (voor haar nieuwe) werkzaamheden zou gaan bezighouden. Dit heeft [eiser] steeds geweigerd, zo stelt Nutreco. Voorts heeft Nutreco als redenen voor de voorgenomen beëindiging van het dienstverband van [eiser] genoemd: het achter de rug van haar direct-leidinggevende benaderen van managementleden en hogere HR-functionarissen alsmede de weigering van [eiser] om collega’s te helpen, die “tot over hun oren” in het werk zaten.

4.3.

Na het gesprek tussen [eiser] en Nutreco van 26 februari 2015, waar Nutreco de wens heeft uitgesproken het dienstverband met [eiser] te beëindigen, is [eiser] haar gebruikelijke werkzaamheden blijven verrichten. [eiser] heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij in de periode van 26 februari 2015 tot aan haar op non-actiefstelling op

31 augustus 2015 geen wanklank van haar leidinggevende over die werkzaamheden heeft gehoord, noch ook is gewaarschuwd voor bepaald gedrag of voor haar houding en heeft zij ook anderszins geen commentaar gekregen.

4.4.

Hoewel tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor onder 4.2. is overwogen niet uitgesloten kan worden dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met [eiser] zal ontbinden, levert hetgeen Nutreco heeft aangevoerd geen zwaarwegende redenen op om [eiser] , vooruitlopend op een (eventueel) einde van haar arbeidsovereenkomst, niet langer tot het werk toe te laten. De door Nutreco aangevoerde feiten en omstandigheden zijn eerder klaarblijkelijk geen aanleiding geweest voor op non-actiefstelling van [eiser] . Niet valt in te zien waarom deze feiten en omstandigheden op 31 augustus 2015 opeens wel aanleiding voor op non-actiefstelling zouden zijn. Het enkele feit dat de mediationgesprekken tussen partijen zijn mislukt, levert daarvoor in ieder geval geen rechtsgeldige reden op.

4.5.

Nutreco heeft ook overigens niet aannemelijk gemaakt dat een dusdanig onwerkbare situatie tussen [eiser] en Nutreco is ontstaan, dat van Nutreco niet langer gevergd kan worden dat zij [eiser] nog op de werkvloer toelaat. Het enkele feit dat haar collega’s haar moeten inwerken op haar nieuwe taken maakt dit niet anders. Ook het feit dat Nutreco inmiddels een andere werknemer heeft aangesteld voor de taken van [eiser] , kan [eiser] niet worden tegengeworpen, maar behoort voor rekening en risico van Nutreco te komen.

4.6.

De conclusie is dat de vordering van [eiser] tot wedertewerkstelling moet worden toegewezen. Wel zal [eiser] zich moeten aanpassen aan de nieuwe manier van werken van Nutreco, met name het HRSSC, en zal zij de werkzaamheden die haar -als gevolg van die nieuwe manier van werken- in redelijkheid door Nutreco worden opgedragen, moeten uitvoeren. De advocaat van [eiser] heeft ter zitting aangegeven dat [eiser] hiervan ook niet langer een punt maakt. Tevens zal [eiser] niet langer mogen thuiswerken, nu duidelijk is dat Nutreco dat niet in het belang van het werk acht. Dit klemt te meer nu [eiser] zich andere (voor haar nieuwe) werkzaamheden zal moeten eigen maken, ten aanzien waarvan zij ook zelf aangeeft, begeleiding nodig te hebben. Die begeleiding zal [eiser] ongetwijfeld gedegener geboden wanneer zij op kantoor werkt dan wanneer zij thuis werkt. De voorzieningenrechter gaat er overigens van uit dat Nutreco voor de benodigde begeleiding zorg zal dragen. Nutreco heeft immers meerdere malen, met name in haar brieven van 6 maart 2015 en 12 maart 2015 aan [eiser] te kennen gegeven dat zij bij haar nieuwe taken ondersteuning zou krijgen van haar collega’s. De voorzieningenrechter gaat er tevens van uit dat, daar waar het gaat om een geschikte werkplek voor [eiser] , Nutreco niet voorbijgaat aan het oordeel en advies van de bedrijfsarts van 2 juli 2014.

4.7.

De ter versterking van de gevraagde veroordeling gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen, met dien verstande dat hieraan een matigingsbevoegdheid van na te melden inhoud zal worden verbonden. deze zal worden beperkt als na te melden.

4.8.

Nutreco zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 99,64

- griffierecht 613,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.528,64.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt Nutreco om [eiser] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis in de gelegenheid te stellen haar werkzaamheden als medewerker HR Administratie overeenkomstig de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te hervatten;

5.2.

veroordeelt Nutreco om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Nutreco niet aan de onder 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet;

5.3.

bepaalt dat geen dwangsommen zullen worden verbeurd voorzover dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht, in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;

5.4.

veroordeelt Nutreco in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.528,64;

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2015.