Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:649

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-02-2015
Datum publicatie
09-02-2015
Zaaknummer
01/879063-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor diefstal van geld en sigaretten bij een tankstation en vernieling van een ruit van dat tankstation.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/879063-14

Datum uitspraak: 09 februari 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1985],

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

postadres: [woonplaats], [adres 1].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 oktober 2014 en 26 januari 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 september 2014. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 07 augustus 2013 te Valkenswaard met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen ongeveer 160 euro, althans geld en/of (een aantal verpakkingen met) sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [bedrijf 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte

  • -

    onverhoeds (de winkel bij) het tankstation in binnen gekomen en/of

  • -

    terwijl hij was gekleed in/voorzien van camouflerende, althans gelaatsbedekkende, althans gelaatsverhullende kleding/voorwerpen (capuchon, muts, zonnebril) en van handschoenen;

  • -

    tegen [slachtoffer 2] voornoemd riep: "Geld. Geld, ik wil geld" en/of

  • -

    (vervolgens) een tas/zak op de toonbank naar/voor die [slachtoffer 2] heeft gegooid en/of

  • -

    (vervolgens) zich onverhoeds naar het gebied achter de toonbank heeft begeven; en/of

  • -

    (vervolgens) onverhoeds geld uit de geldlade van de kassa en/of sigaretten heeft gepakt en/of

  • -

    (vervolgens) bij het verlaten van (de winkel bij) het tankstation de (gesloten) toegangsdeur heeft ingetrapt/geforceerd.

en/of

hij op of omstreeks 07 augustus 2013 te Valkenswaard opzettelijk en wederrechtelijk de (ruit van) de toegangsdeur naar (de winkel bij) het [bedrijf 1], [adres 2], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen 1 en de beoordeling daarvan.

  • -

    de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2], pag. 58 en 59,

  • -

    de erkennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 januari 2015 afgelegd.

Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.

Bewijsoverweging .

De feiten.

Op grond van de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een als zodanig aan te merken overval heeft gepleegd op het tankstation, gelegen aan de [adres 2] te Valkenswaard. Verdachte is de bij dat tankstation behorende winkel onverhoeds binnen gekomen terwijl hij was gekleed in camouflerende kleding en een gelaatsbedekkende capuchon, muts en bril droeg. Tevens droeg verdachte toen handschoenen. Bij het betreden van de winkel heeft verdachte tegen aangeefster [slachtoffer 2], medewerkster van het tankstation, “geld, geld, ik wil geld” geroepen, waarna hij een zwarte linnen tas op de toonbank heeft gedeponeerd. Toen aangeefster [slachtoffer 2] geen aanstalten maakte geld in die tas te doen, is verdachte achter de toonbank gekomen. Nadat aangeefster [slachtoffer 2] de kassa open had gemaakt, heeft verdachte het geld wat in de kassa zat uit de geldlade gepakt en in de tas gedaan. Tevens heeft verdachte pakjes sigaretten meegenomen.

Daarna wilde verdachte de winkel van het tankstation verlaten. Terwijl hij onderweg naar buiten was, heeft aangeefster [slachtoffer 2] de toegangsdeur gesloten, waardoor verdachte de winkel niet kon verlaten. Daarop heeft verdachte zodanig hard tegen de ruit van de toegangsdeur getrapt, dat die ruit daardoor is gebarsten. Volgens heeft aangeefster [slachtoffer 2] de toegangsdeur geopend en heeft verdachte de winkel verlaten.

Het oordeel van de rechtbank.

Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat verdachte voor aangeefster [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan. Echter, om het delict te kunnen kwalificeren als een diefstal met geweldpleging, moet wel op enig moment voorafgaande, tijdens of na de diefstal sprake zijn geweest van geweld of bedreiging met geweld tegen -in dit geval- aangeefster [slachtoffer 2]. De rechtbank is van oordeel dat uit de in de tenlastelegging genoemde handelingen, die op zich bewezen kunnen worden verklaard en waarmee zij bij de oplegging van een straf aan verdachte ook rekening zal houden, niet volgt dat verdachte bij deze overval geweld heeft gebruikt of dat hij daarmee heeft gedreigd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het aan verdachte ten laste gelegde aspect van geweldpleging niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Van dit onderdeel van het ten laste gelegde zal verdachte derhalve worden vrijgesproken, evenals van de verfeitelijking die de officier van justitie daaraan ten grondslag heeft gelegd.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hiervoor genoemde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 07 augustus 2013 te Valkenswaard met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen ongeveer 160 euro en een aantal verpakkingen met sigaretten, toebehorende aan [slachtoffer 1]

en

op 07 augustus 2013 te Valkenswaard opzettelijk en wederrechtelijk de ruit van de toegangsdeur naar de winkel bij het Tankstation [bedrijf 1], [adres 2], toebehorende aan [slachtoffer 1], heeft vernield.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met bedreiging met geweld en aan vernieling. Hij vordert dat verdachte daarvoor zal worden veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daaraan wenst de officier van justitie verbonden te zien de bijzondere voorwaarden als geadviseerd door de reclassering, bestaande in een meldplicht, deelname aan een cognitieve vaardigheidstraining, meewerken aan diagnostisch onderzoek. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht te bevelen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van de aan verdachte op te leggen straf alsmede ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

In het nadeel van verdachte weegt mee

Verdachte heeft een als zodanig aan te merken overval op de winkel van een tankstation gepleegd, waarbij hij onverhoeds de winkel heeft betreden in verhullende kleding. Hoewel verdachte bij deze overval geen gebruik heeft gemaakt van een wapen, zich niet heeft bediend van dreigementen en ook geen geweld heeft toegepast, is door zijn optreden de in de winkel werkzame medewerkster enorm geschrokken; zij heeft zich door de hele gang van zaken ontzettend bedreigd gevoeld. Het zegt iets over de mentaliteit van verdachte ten tijde van het delict dat hij er niet voor is teruggeschrikt enkel en alleen ter voldoening van zijn financiële behoeften over te gaan tot een dergelijk handelen. De ervaring leert dat slachtoffers van dit soort delicten vaak nog gedurende lange tijd de psychisch nadelige gevolgen daarvan ondervinden. Dat dit ook het geval is geweest bij het slachtoffer in deze zaak, aangeefster [slachtoffer 2], blijkt onder meer uit haar schriftelijke slachtofferverklaring. De rechtbank beschouwt het bewezen verklaarde dan ook als een ernstig feit. Daarnaast heeft verdachte met zijn handelen een negatieve bijdrage geleverd aan de in de samenleving heersende gevoelens van angst en onveiligheid.

Ook is verdachte, voordat hij de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd, in 2011 drie keer voor vermogensdelicten veroordeeld. Onder die veroordelingen bevonden zich een veroordeling tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Bovendien liep verdachte nog in een proeftijd toen hij deze feiten heeft gepleegd. Deze eerdere veroordelingen en de proeftijd hebben verdachte er niet van weerhouden de bewezen verklaarde feiten te plegen. Aldus maken de nu bewezen verklaarde feiten deel uit van een recent en hardnekkig gedragspatroon, waartegen de eerdere sanctieopleggingen kennelijk onvoldoende effect hebben gesorteerd.

De strafmodaliteit

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden. De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen, enerzijds om de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om door invloed uit te oefenen op het gedrag van verdachte tegen te gaan dat dat hij opnieuw een strafbaar feit pleegt . Daarom zullen aan deze voorwaardelijke straf de in het dictum nader te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

De dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden.

Gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. De op te leggen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht beogen recidive te voorkomen en naar het oordeel van de rechtbank duldt dit geen uitstel. De door de officier van justitie gevorderde dadelijke uitvoerbaarheid zal derhalve worden toegewezen.

Conclusie

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, onder de in het dictum van dit vonnis nader te noemen bijzondere voorwaarden passend en geboden is.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2].

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente zoals in het dictum van dit vonnis nader zal worden aangegeven.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente zoals in het dictum van dit vonnis nader zal worden omschreven.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 24c, 27, 36f, 57, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

diefstal

en

opzettelijk en wederechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

- Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht

Bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf van zes maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat veroordeelde voor het einde van een proeftijd van twee jaren [een van] de hierna te noemen voorwaarden heeft overtreden.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering en

  • -

    zich binnen twee dagen nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, zal melden bij Novadic-Kentron verslavingsreclassering op het volgende adres Dr. Poletlaan 74-76 te Eindhoven; hierna moet verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en

- aan de gedragsinterventie GI-RN Cognitieve vaardigheden zal deelnemen en

- zijn medewerking verleent aan de totstandkoming van een psychodiagnostisch onderzoek en zich naar aanleiding hiervan laat behandelen bij GGzE De Omslag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

De Reclassering Nederland, regio's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te

's-Hertogenbosch wordt opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

 Maatregel van schadevergoeding van € 590,09 subsidiair 11 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van € 590,09 (vijfhonderd negentig euro en negen eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het toegewezen bedrag bestaat uit € 500,-- immateriële schadevergoeding en € 90,09 materiële schadevergoeding. De immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum, 7 augustus 2013, tot de dag der algehele voldoening. De materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de indiening van de vordering, 19 september 2014, tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 590,09 (vijfhonderd negentig euro en negen eurocent).

Het toegewezen bedrag bestaat uit € 500,-- immateriële schadevergoeding en € 90,09 materiële schadevergoeding. De immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum, 7 augustus 2013, tot de dag der algehele voldoening. De materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de indiening van de vordering, 19 september 2014, tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Gelast de teruggave aan verdachte van de onder hem in beslag genomen goederen, te weten een zwart nylon tasje met ritssluiting, een paarse handschoen en een zwarte spijkerbroek van het merk G-Star Raw.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter,

mr. H.A. van Gameren en mr. H.F. Koenis, leden,

in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,

en is uitgesproken op 9 februari 2015.

1 Tenzij anders vermeld wordt verwezen naar de paginanummers uit het proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gezamenlijke recherche Valkenswaard, dossiernummer PL2233/22GRV13019, afgesloten op 21 januari 2014, aantal doorgenummerde bladzijden: 197.