Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:6486

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-11-2015
Datum publicatie
13-11-2015
Zaaknummer
01/889039-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming in de megazaak Begonia.

Vordering van de officier van justitie bedroeg EUR 1.206.822,-.

Handel in amfetamine(pasta) en soortgelijke feiten, waaronder hennephandel.

Het te ontnemen bedrag is door de rechtbank vastgesteld op EUR 766.234,-

Wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt een bedrag van EUR 5.000,- in mindering gebracht zodat als betalingsverplichting een bedrag van EUR 761.234,- wordt opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer ontneming: 01/889039-11 Datum uitspraak: 12 november 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1975] ,

thans gedetineerd te: PI Zuid West - De Dordtse Poorten.

Procesverloop en onderzoek van de zaak:

De vordering van 22 april 2014 is tijdig ingediend nu de officier van justitie ter terechtzitting van 8 mei 2012 kenbaar heeft gemaakt voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 mei 2014 en 1 oktober 2015.

Op verzoek van de verdediging heeft de rechter-commissaris in december 2014, februari 2015 en maart 2015 getuigen gehoord.

Met instemming van de officier van justitie en de verdediging is een schriftelijke procedure ex artikel 511d Wetboek van Strafvordering gevolgd.

Ter terechtzitting van 1 oktober 2015 zijn afsluitende opmerkingen gemaakt.

Arrest

Betrokkene is in de strafzaak bij arrest van het gerechtshof van 20 juni 2013 onder parketnummer 20-002330-12 onherroepelijk veroordeeld. Het gerechtshof heeft, verwijzend naar de betrokken parketnummers zoals de zaak bij de rechtbank bekend was, bewezen verklaard dat:

Ten aanzien van rechtbank parketnummer 01/889039-11:


1.
hij op de navolgende tijdstippen gelegen in de periode van 12 november 2010 tot en met 18 november 2010 te Breda telkens opzettelijk heeft afgeleverd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten:

- op 12 november 2010 een hoeveelheid van 34 kilogram van een materiaal bevattende amfetamine

en

- op 17 november 2010 een hoeveelheid van 44 kilogram van een materiaal bevattende amfetamine

en

- op 18 november 2010 een hoeveelheid van 44 kilogram van een materiaal bevattende amfetamine;


2.
hij op 05 april 2011 te [woonplaats] , gemeente Rucphen wapens van categorie III, te weten

  • -

    een gasrevolver, merk Reck, kaliber .380 knal 9 mm en

  • -

    een pistool, merk Walther P22, kaliber .22

en munitie van de categorie III, te weten 13 patronen, voorhanden heeft gehad;


Ten aanzien van rechtbank parketnummer 01-889101-11:

hij in de periode van 22 oktober 2010 tot en met 26 oktober 2010 in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- anderen heeft getracht te bewegen om dat feit mede te plegen,

immers heeft hij, verdachte, in voormelde periode aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , gevraagd om een hoeveelheid van 75 kilogram en 100 kilogram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor hem, verdachte, af te leveren.

Wettelijk kader

Dit zijn misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.

Op de vordering tot ontneming is artikel 36e Sr van toepassing zoals dit tot 1 juli 2011 luidde:

1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde strafbare feit of soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.
3. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en tegen wie als verdachte van dat misdrijf een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien gelet op dat onderzoek aannemelijk is dat ook dat feit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
4. De rechter stelt het bedrag vast waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. Onder voordeel is de besparing van kosten begrepen. De waarde van voorwerpen die door de rechter tot het wederrechtelijk verkregen voordeel worden gerekend, kan worden geschat op de marktwaarde op het tijdstip van de beslissing of door verwijzing naar de bij openbare verkoop te behalen opbrengst, indien verhaal moet worden genomen. De rechter kan het te betalen bedrag lager vaststellen dan het geschatte voordeel. Op het gemotiveerde verzoek van de verdachte of veroordeelde kan de rechter, indien de huidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van de verdachte of veroordeelde niet toereikend zullen zijn om het te betalen bedrag te voldoen, bij de vaststelling van het te betalen bedrag daarmee rekening houden. Bij het ontbreken van zodanig verzoek kan de rechter ambtshalve of op vordering van de officier van justitie deze bevoegdheid toepassen.
5. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.
6. Bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, worden aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht.
7. Bij de oplegging van de maatregel wordt rekening gehouden met uit hoofde van eerdere beslissingen opgelegde verplichtingen tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
8. Lijfsdwang kan met toepassing van artikel 577c van het Wetboek van Strafvordering door de rechter tot maximaal drie jaar worden bevolen en geldt als maatregel.

Stukken ontnemingsonderzoek

Het Openbaar Ministerie heeft in het kader van een ontnemingsonderzoek een rapportage opgemaakt teneinde het wederrechtelijk verkregen voordeel te berekenen. Dit heeft geresulteerd in

1. de ontnemingsrapportage, genummerd 29-885088, gedateerd 2 oktober 2012 met bijlagen;

Deze rapportage is aangevuld door

2) een rapportage van 14 juli 2014 (aangeduid “aanvullende ontnemingsrapportage [verdachte] in onderzoek Begonia”), doorgenummerd 5 blz;

Aan het dossier zijn verder toegevoegd de getuigenverklaringen, afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris.

De vordering

De (aangepaste) vordering van de officier van justitie, gebaseerd op voormelde rapportage, strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 1.206.822,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De officier van justitie hanteert de volgende uitgangspunten:

  • -

    het voordeel uit de door het gerechtshof bewezen verklaarde feiten bedraagt op basis van 122 kilo (34+44+44) amfetaminepasta bij een inkoopprijs van € 800,- per kilo en een verkoopprijs van € 2.000,- per kilo in totaal € 146.400,-;

  • -

    het voordeel uit de handel in amfetaminepasta voor soortgelijke feiten in de periode 22 oktober 2010 tot en met 18 november 2010 bedraagt, uitgaande van 362,5 kilo (187,50 te relateren aan een openstaand bedrag dat betaald moet worden aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] + 175 kilo dat verdiend is na voltooiing van de bewezen verklaarde voorbereidingshandelingen), in totaal € 435.000,-;

  • -

    het voordeel uit hennephandel in de periode 1 juni 2010 tot 22 oktober 2010 en de periode 19 november 2010 tot 5 april 2011 met een omvang van 499 kilo bedraagt

in totaal € 294.822,-;

- het voordeel uit de handel in amfetaminepaste en overige verdovende middelen in de periode 1 juni 2010 tot 22 oktober 2010 en de periode 19 november 2010 tot 5 april 2011 aan de hand van aangetroffen bescheiden bedraagt in totaal € 205.110,-.

Het standpunt van de verdediging

Namens veroordeelde is met betrekking tot de bewezen verklaarde leveringen het volgende aangevoerd:

  • -

    de partij die ziet op de levering van 44 kilo op 18 november 2010 is kort erna in beslag genomen en niet betaald; deze levering kan daarom niet worden meegenomen in de berekening;

  • -

    er zijn onvoldoende aanwijzingen voor de verkoopprijs die het OM hanteert, zijnde € 2.000,- per kilo; het OVC-gesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 22 oktober 2010 20:20:09 uur is daartoe niet redengevend omdat dit gesprek niets zegt over wat [verdachte] is overeengekomen. Volgens [verdachte] is hij slechts bemiddelaar geweest en is zijn opbrengst € 50,- per kilo.

Ten aanzien van de voorbereidingshandelingen van 175 kilo en het tegoed van € 150.000, waaraan een partij van 187,50 kilo te relateren zou zijn, is door de verdediging aangevoerd dat, nu [verdachte] voor deze transacties niet is veroordeeld, “beyond reasonable doubt” moet worden vastgesteld dat [verdachte] over het voordeel heeft beschikt dat hieruit zou zijn verkregen. In het dossier ontbreekt iedere aanwijzing hiervoor.

De verdediging heeft voorts gewezen op de omstandigheid dat tegen [verdachte] geen strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna SFO) is ingesteld zodat soortgelijke feiten buiten de periode van het strafrechtelijk onderzoek, zijnde 22 oktober 2010 tot en met 18 november 2010 niet kunnen worden betrokken bij de berekening van het voordeel.

Beoordeling van de vordering

De rechtbank beziet achtereenvolgens:

  1. het arrest en de bewezen verklaarde feiten;

  2. soortgelijke feiten

  3. verbeurdverklaring Audi Q7

  4. berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

  5. op te leggen betalingsverplichting en de redelijke termijn

I) Het arrest en de bewezen verklaarde feiten

De rechtbank gaat in de berekening uit van het arrest van het gerechtshof dat op 20 juni 2013 tegen de veroordeelde is gewezen.

Uit artikel 36e lid 1 (oud) Wetboek van Strafrecht volgt dat de veroordeling ter zake van een strafbaar feit een voorwaarde is voor het toewijzen van een vordering als bedoeld in art. 36e Sr en dat in de procedure naar aanleiding van de ontnemingsvordering niet meer aan de orde is of de veroordeelde het strafbare feit waaruit hij voordeel zou hebben genoten heeft begaan. In het kader van laatstbedoelde procedure dient de rechter slechts het bedrag vast te stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en te bepalen welk bedrag de veroordeelde ter ontneming van dat voordeel aan de staat dient te betalen.1

De rechtbank zal met betrekking tot de bewezen verklaarde feiten inclusief de voorbereidingshandelingen die zien op de hoeveelheden van 100 en 75 kilo vaststellen waarop het voordeel wordt geschat. De rechtbank baseert zich op het ontnemingsrapport dat dient voor de onderbouwing van de vordering van de officier van justitie (Hoge Raad 9 september 1997, JOW 1998, 2). Het ontnemingsrapport is opgemaakt door daartoe gekwalificeerde personen (Hoge Raad 28 mei 2002, JOW 2008, 29) en is verifieerbaar.

Het verweer dat geen voordeel is genoten uit de levering van 44 kilo op 18 november 2010 omdat deze niet betaald is, slaagt niet.

De rechtbank onderschrijft de opvatting van het OM dat het in de (inter)nationale drugshandel gebruikelijk is om vooraf of bij aflevering (boter bij de vis) te betalen in verband met het risico op inbeslagname. De rechtbank acht het aannemelijk dat veroordeelde vooraf of bij aflevering door zijn afnemer is betaald voor de transactie van 44 kilo, die hij zelf op 20 november 2010 heeft afgerekend bij de [familienaam] . De verdediging heeft haar stelling dat dit in dit geval anders zou zijn niet aannemelijk gemaakt. Veroordeelde heeft daarover geen verklaring afgelegd.

Het verweer dat geen voordeel is genoten uit de 100 en 75 kilo slaagt evenmin. Gelet op het bewijs, zoals weergegeven op de pagina’s 14 tot en met 21 van het ontnemingsrapport en zoals dit ook door het gerechtshof is gebezigd met betrekking tot de strafbare voorbereidingshandelingen, is het naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat de hoeveelheden van 100 en 75 kilo door [medeverdachte 1] / [medeverdachte 2] aan veroordeelde zijn geleverd en acht de rechtbank ook hier aannemelijk dat veroordeelde die betrokken is bij internationale drugshandel vooraf of bij aflevering is betaald voor die partijen. De verdediging heeft haar stelling dat niet betaald is, niet aannemelijk gemaakt.

De rechtbank acht in dit verband het OVC-gesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van 22 oktober 2010 om 20:20:09 uur, zoals weergegeven op de bladzijden 18 en 19 van het ontnemingsrapport [verdachte] en uitgewerkt op p. 128 en 129 redengevend:

[medeverdachte 1] : Nou, nou dat is niet slecht he?

[medeverdachte 2] : Nou, we hebben geen geld gehad. (…) Morgen beuren we geld, is het niet?

(…)

[medeverdachte 1] : 75. Schrijven we alles effe op denk ik, of niet.

[medeverdachte 2] : Ja, ik ga er dadelijk effe voor zitten, want we hebben nou uitstaan bij hem.

[medeverdachte 1] : Heel veel geld al.

[medeverdachte 2] : Hoeveel hebben we nou? Effen wachten, maandag moet ie die honderd hebben he?

[medeverdachte 1] : Ja.

[medeverdachte 2] : dat is zowiezo.

[medeverdachte 1] : morgen dan die 75.

(…)

[medeverdachte 2] : En maandag gaan er honderd mee. Dus 50 voor hun en 50 voor ons.

En voorts acht zij redengevend hetzelfde OVC-gesprek maar dan om 20:34 uur, weergegeven op p. 131 van het ontnemingsrapport [verdachte] :

[medeverdachte 2] : Maandag moet hij toch weer aangeleverd worden.

(…)

[medeverdachte 1] : Ja, ja. Dan hebben we, dan maken we in een keer 100 daar.

[medeverdachte 2] : We maken ze gewoon allemaal.

Tevens acht de rechtbank in dit verband redengevend de sms-berichten die [medeverdachte 1] met [persoon 1] voert op 22 oktober 2010 in wiens woning [medeverdachte 1] ging produceren.

De rechtbank noemt in het bijzonder het gesprek met nummer 277758144, delictdossier Productie en Opslag Drugs, p. 4:

Hey schat kan ik morgen langskomen om elf uur lekker gezellig lang bij jou zijn? Heb je gemist x x.

In navolging van het gerechtshof in zijn arrest (p. 85 arrest [verdachte] ) overweegt de rechtbank dat uit deze communicatie is gebleken dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 22 oktober 2010 in overleg zijn geweest met [verdachte] over de voorbereiding van de verkoop en/of levering aan [verdachte] van zeer grote partijen van een materiaal bevattende amfetamine: “morgen dan die 75”, en “maandag die honderd”.

Het sms-verkeer met [persoon 1] dat vervolgens plaats vond had tot doel de bestelde hoeveelheid amfetamine bevattend materiaal bij haar te bewerken.

Bij haar berekening zal de rechtbank uitgaan van een verkoopprijs van € 2.000,- (1.800 Engelse Ponden) en een inkoopprijs van € 800,-.

Hiertoe is redengevend het OVC-gesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van 22 oktober 2010 om 20:20:09 uur, zoals weergegeven op de bladzijden 10 en 11 van het ontnemingsrapport [verdachte] en uitgewerkt op p. 128 en 129:

[medeverdachte 2] : die 48…gehaald

[medeverdachte 1] : en dan die 25.

[medeverdachte 2] : die 25 staan nog open. En dat andere geld, als het goed is heeft ie morgen ook die pap van zegt ie. Dus als het goed is beuren we morgen nog 26 ruggen wat er nog open staat van het andere, en dan beuren we morgen weer van die 49 stuks maal 800. Dat is ongeveer 40 ruggen, is het niet?

(…)

[medeverdachte 2] : en dan morgen gaan er honderd mee. Dus 50 voor hun en 50 voor ons.

(…)

[medeverdachte 2] : dus worden er 50 gelijk betaald en die 50 kunnen we ook laten. Dus hebben we ook 75 uitstaan.

(…)

[medeverdachte 1] : ja, 1800 pond, zeg.

De rechtbank neemt het uitgangspunt op p. 14 en 15 van de ontnemingsrapportage over en interpreteert voornoemd gesprek als volgt:

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] spreken over een afrekening op 50/50 basis. Door [verdachte] zal 50 kilo op de wijze 50 maal 800 = € 40.000,- en voor de andere 50 kilo zullen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] 1.800 Engelse Ponden ontvangen wat volgens hen neerkomt op ongeveer € 2.000,- per kilo en de opbrengst zal 50 maal € 2.000,- = € 100.000,- worden. De totale opbrengst zal zijn € 140.000,-.

De inkoopprijs van € 800,- is door de verdediging niet betwist.

II) Soortgelijke feiten

Voor ontneming vatbaar is het voordeel dat is verkregen via de bewezen verklaarde strafbare feiten of via soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de veroordeelde zijn begaan (art. 36e lid 2 oud Wetboek van Strafrecht).

In het geval dat tegen een veroordeelde een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) is ingesteld en deze is veroordeeld voor een of meer feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, is voorts art. 36e lid 3 (oud) van toepassing.

Dit derde lid bepaalt dat indien op grond van het SFO aannemelijk is geworden dat de bewezen verklaarde of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, dit voordeel kan worden ontnomen.

Uit het ontnemingsrapport, p. 8, blijkt dat tegen [verdachte] geen SFO is ingesteld zodat de rechtbank niet het voordeel kan ontnemen op grond van artikel 36e lid 3 (oud) Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank zal in casu derhalve uitgaan van artikel 36e lid 2 (oud) Wetboek van Strafrecht en dient aldus de vraag te beantwoorden of voldoende aanwijzingen bestaan dat veroordeelde ook soortgelijke feiten heeft begaan.

Overige handel in amfetaminepasta

De rechtbank is van oordeel dat voldoende aanwijzingen bestaan dat verdachte zich ook heeft schuldig gemaakt aan de handel in 187,5 kilo (de rechtbank zal uitgaan van 186 kilo) amfetaminepasta, nu uit het strafrechtelijk onderzoek naar voren is gekomen dat werd gehandeld in bakken van 2 kilo.

De rechtbank baseert zich op het OVC-gesprek op 22 oktober 2010 vanaf 18:55:07 uur, zoals weergegeven op p. 16-17 van het ontnemingsrapport:

19.06

uur

Er klinkt een toon als een inkomend SMS-bericht.

[medeverdachte 1] : He daar is ie. Maat, ik was eerst mijn telefoon vergeten. Kan ik nu komen. Kunnen we

langskomen, of eh?

[medeverdachte 2] : Kijk nu belt die jongen op, ik moet hee! veel handel gaan laaien, olie dan, ik moet al mijn geld

bij elkaar scharrellen maat nou belt die jongen op, die is de hele dag aan

het piepen daar heb ik die Q7 van gerolen en alles, maar die moet ons nog 150 ruggen

betalen en daar horen we niets meer van, en nou geeft ie een keer een berichtje, Maar die

jongen heeft een grote grow-shop dus dat komt wel goed, snap je?

19:07 uur

[medeverdachte 2] : Luister, als je morgen moet hebben, morgen heb ik weer sap.

[persoon 2] : Ja, maar ik heb, ik moet effe kijken.

[medeverdachte 2] : Weetje wat het is, als ge nou zegt, ik moet volgende week hebben dan leg ik

ze opzij Dan heb je gewoon 2 kilo-pakketten in die bakken snapte.

[persoon 2] : Ik moet er 140 hebben volgende week

[medeverdachte 2] : Weetje wat het is, ik heb 400 liter heb ik olle. Dus die zijn ze nu aan het

maken. Die moet ik nu gaan betalen snapte. Die afdraaiers dus.

[medeverdachte 1] : Daar rijden we nu naartoe.

[medeverdachte 2] : Daar rijden we nu naar toe.

Ik zeg kan ik nu komen, Ja zegt ie ik ben nu thuis.

19:07 uur

[medeverdachte 2] : (op zachte toon) Nee, ik moet dat geld gaan beuren nou. Echt serieus.

[persoon 2] , ik zie je morgen wel, ja? houdoe.

(nadat een portier is dichtgemaakt en kennelijk de elektrische ramen zijn gesloten): Is goed,

steek ermaarin. Ik zeg zo tegen hem: kan ik nu langskomen? Ja ik ben thuis stuurt hij dus.

[medeverdachte 2] : Dan rijden we er nu naar toe

Rijden we er gewoon naartoe

19:09 uur

[medeverdachte 1] : Ik zeg ben je thuis, ja zegt ie, ik zeg dan ga ik zo aanrijden ik zie je zo.

[medeverdachte 2] : Ja, gaan we zo naar toe, kunde het beste hier rijden. Als je nu gewoon

vandaag die 26 en half terug betaald, dan is het ook goed.

[medeverdachte 1] : Ja. 125.000 Euro, heb ik veel liever

[medeverdachte 2] : Ja,ik ook

19:09 uur

[woonplaats]

19.20

uur

Ik had kunnen sturen: kan ik even langs komen, maar ik heb gewoon gestuurd:

ik kom wel even langs

[medeverdachte 2] : .. .onverstaanbaar....doorpraten.... spullen..

[medeverdachte 1] : Ja, beterja

19.50

uur

Is dit echt [woonplaats] hier, of wat is het?

[medeverdachte 2] : Ja, dit is [woonplaats]

[medeverdachte 1] : Maar dan een beetje de hoeken

[medeverdachte 2] : Ja, daar begint het

19.51

uur

[medeverdachte 1] : .. onverstaanbaar.. gelijk weg, dit he, die A 16,

[medeverdachte 2] : A16,A58,

Als ze het hier doen, is het altijd daar,

[medeverdachte 2] : Hier is het altijd raak, allemaal wegen binnen door, als ge hier doorrijdt, die kant op dan zitje al in Bels, he

Hier?

[medeverdachte 2] : Als je hier een stukje doorrijdt naar links dan zit je als in Bels

[medeverdachte 1] : Bij dinge, bij Essen, is de overgang

Bij Essen, zit hier in de buurt he, hier allemaal grensovergangen.

19.52

uur

[medeverdachte 2] : Ik hoop dat ie dadelijk zegt ik wil er nog wel 700 bij hebben.

[medeverdachte 1] : Ik hoop het ook

.onverstaanbaar.. mooi gelijk.. onverstaanbaar.. het liefst de hele dag..

dat was die Engelsman

Welke is het?

[medeverdachte 2] : dat was die Engelsman, daar met die zwarte Golf

[medeverdachte 1] : 0, dat kan ik,

[medeverdachte 2] : Zwarte wielen en alles onder

[medeverdachte 1] : Ja, zwarte wielen had hijja, dat was hij. Yeah mate, 500 mate

19:55 uur

Aankomst op plaats bestemming, stappen uit en sluiten auto af.

De rechtbank maakt uit het gesprek op dat zij tegen ene Theo vertellen dat een persoon met een growshop nog een bedrag van € 150.000,- aan hen moet betalen. Verder wordt in relatie tot de persoon een Q7 genoemd. Na het gesprek met [persoon 2] bezoeken [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] [verdachte] in [woonplaats] .

De rechtbank is van oordeel dat het hier onmiskenbaar om [verdachte] gaat nu uit het strafrechtelijk onderzoek gebleken is dat [verdachte] in [woonplaats] woont, dat hij een growshop runde en dat hij een Audi Q7 had die in beslag genomen is.

De rechtbank bezigt hier nog als bewijsmiddel, de peilbakengegevens van de Audi RS5 van [medeverdachte 1] , zoals opgenomen in het arrest in de zaak tegen [verdachte] op p. 77:

Aankomst [woonplaats]

Peilbakengegevens Audi RS5 ( [kenteken 1] ), delictdossier Productie en Opslag Drugs,

p. 25 en 26.

Op 22 oktober 2010 omstreeks 19.55 uur arriveert de Audi RS5, voorzien van het [kenteken 1] , op de [adres 1] te [woonplaats] (Rucphen) . De fixen van de Audi RS5 zijn vanaf dat moment gelegen direct voor de woning van [verdachte] aan het perceel [adres 1] te [woonplaats] .

Fixen [kenteken 1] op 22 oktober 2010 tussen 19.55 uur en 20.26 uur.

[verdachte] heeft volgens het arrest op p. 77 op 5 april 2011 verklaard dat hij woonachtig is op dat adres.

De rechtbank is van oordeel dat de € 150.000,- uitgaande van een inkoopprijs van € 800,- per kilo past bij een hoeveelheid van ongeveer 186 kilo amfetaminepasta.

Uit het OVC-gesprek maakt de rechtbank op dat er enerzijds gesproken wordt over een tegoed van € 150.000,- maar dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] anderzijds op dat moment bezig zijn met een bestelling van 175 kilo (de bewezen verklaarde voorbereidingshandelingen als voormeld). De rechtbank acht in onderling verband en samenhang bezien voldoende aanwijzingen aanwezig dat veroordeelde ook gehandeld heeft in de 186 kilo amfetaminepasta.

Hennephandel

Er zijn voldoende aanwijzingen aanwezig dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de professionele hennephandel. De rechtbank baseert zich op het volgende.

Onder verdachte zijn aantekeningen in beslag genomen, p. 163 ev ontnemingsrapportage waaruit volgt:

Soort Periode Hoeveelheid Totale inkoopprijs Gem. inkoopprijs

Per kg

Droog 14-07 tm 25-08 26.717 kg € 97.580 € 3.652

Nat 17-07 tm 01-09 638.837 kg € 443.722 € 693.

Voormeld overzicht op p. 163 betreft een overzicht van bescheiden zoals weergegeven op p. 156-161. De rechtbank stelt vast dat op deze stukken bedragen, namen en data zijn vermeld en dat termen gebruikt zijn als “droge”. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat deze terminologie ziet op hennep. Daarbij komt dat deze prijzen nagenoeg overeen komen met de groothandelprijzen van een kilo droge en natte hennep, zoals die in vergelijkbare drugszaken naar voren komen.

Tevens zijn bescheiden in beslag genomen die verband houden met transacties die hebben plaatsgevonden in 2010. Deze bescheiden zijn gespecificeerd op p. 177 en 178 en zijn weergegeven op p. 180-187.

Nader onderzoek heeft uitgewezen dat sprake is geweest van de volgende transacties, p. 24 ontnemingsrapport:

Overzicht klant 1

vordering 153.515 “debt” = schuld afnemer

totale levering 177 kg 739.600

ontvangen betalingen 1.000.000 (-) wo betaling van 23-06-2010 ad 500.000

schuld 106.985 (-) “deposit” (rechtbank: vooruitbetaling afnemer)

schuld 106.985 (-)

(…) 586.600

ontvangen betalingen 794.000 (-) betalingen van 2, 6 en 8 juli 2010

totale levering 82kg 336.600 d.d. 16 juli 2010

ontvangen betaling 143.000 (-)

schuld 120.785 (-) “deposit” (rechtbank: vooruitbetaling afnemer)

schuld 120.785(-)

totale levering 12 kg 50.400

schuld 70.385

Overzicht klant 2

vordering 0

totale levering 96,85 kg 403.970

ontvangen betalingen 865.115 (-) betalingen 2, 8 en 16 december 2010

schuld 461.145 dep (rechtbank: vooruitbetaling afnemer)

De rechtbank zal in navolging van de berekening op p. 26 van het ontnemingsrapport uitgaan van de volgende berekening.

Indien de bedragen genoemd onder hierboven gerelateerde “klanten 1 en 2” (bladzijde 24) gedeeld worden op het aantal geleverde kilogrammen ontstaat de opbrengst per kilogramhennep.

739.600/177 kg = 4.178,00

50.400/12 kg = 4.200,00

403.970/96,85kg= 4.171,00

336.600/82 kg = 4.104,00

Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel over periode 1 juni 2010 tot 22 oktober 2010 en gedurende de periode van 19 november 2010 tot 5 april 2011 soortgelijke feiten in zake handel in hennep wordt naar aanleiding van vorenstaande berekend op:

Opbrengst verkoop hennep

totale levering 177 kg € 739.600,00

totale levering 82 kg € 336.600,00

totale levering 96,85 kg € 403.970,00

totale levering 12 kg € 50.400,00

totaal bedrag € 1.530.570.00

Voor de levering van 131 kilo die zou staan tegenover het bedrag van € 586.600,-, welke hoeveelheid volgens de toelichting van de officier van justitie ter terechtzitting zou zien op p. 177 (14 + 127 kilo = 141 kilo), heeft de rechtbank geen onderliggende bescheiden aangetroffen zodat de rechtbank onvoldoende aanwijzingen aanwezig acht om het bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen.

Kosten inkoop hennep

Totaal naar aanleiding van vorenstaande geleverd

177 + 82 + 96,85 + 12 = 367,85 afgerond 368 kilogram.

Gezien de in deze rapportage genoemde bedragen betaalde [verdachte]

[verdachte] voor 1 kilogram droge hennep € 3.652. (bladzijde 23 ontnemingsrapportage)

Als inkoopprijs wordt berekend 368 x 3.652 = € 1.343.936,00

Het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de hennep bedraagt

€ 1.530.570 minus € 1.343.936 = € 186.634,00

De rechtbank heeft mede in aanmerking genomen dat het adres van verdachte volgens een MMA melding in 2008 al in verband werd gebracht met hennephandel (p. 22 ontnemingsrapport).

Veroordeelde heeft niets verklaard over de in beslag genomen bescheiden.

Handel in amfetaminepasta en overige verdovende middelen in de periode 1 juni 2010 tot 22 oktober 2010 en de periode 19 november 2010 tot 5 april 2011.

De rechtbank acht evenals de verdediging onvoldoende aanwijzingen aanwezig dat veroordeelde zich ook schuldig heeft gemaakt aan de handel in amfetaminepasta en overige verdovende middelen in de periode 1 juni 2010 tot 22 oktober 2010 en de periode 19 november 2010 tot 5 april 2011.

De aangetroffen bescheiden die door de politie in dit verband zijn aangetroffen, vanaf p. 179 ev, zijn niet voldoende concreet om te concluderen dat verdachte zich ook aan dergelijke feiten heeft schuldig gemaakt. De rechtbank zal het berekende voordeel dat daarop betrekking zou hebben buiten beschouwing laten.

III) Verbeurdverklaring Audi Q7

Onder de veroordeelde is in de strafzaak op 5 april 2011 een Audi Q7, met [kenteken 2] (uit 2006) in beslag genomen en verbeurd verklaard. Nu dit arrest onherroepelijk is geworden, gaat de rechtbank er van uit dat deze auto aan de veroordeelde toebehoorde en het een voorwerp is met behulp waarvan de bewezen verklaarde strafbare feiten zijn begaan. Uit p. 150 van het ontnemingsrapport blijkt echter dat de auto op 14 april 2009 is gekocht, dus voorafgaand aan de periode waarop de ontnemingsprocedure ziet. De auto is dus niet aangeschaft met gelden verdiend uit amfetaminehandel. Evenmin kan worden vastgesteld dat de auto enkel door veroordeelde is gebruikt voor de handel in verdovende middelen. Het betreft geen kostenpost die in direct verband staat tot het wederrechtelijk verkregen voordeel, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om op de berekende opbrengst nog een aftrek voor de verbeurdverklaring toe te passen. Het gaat puur om een bijkomende straf.

IV) Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Nu andere kosten die in direct verband staan tot de handel in amfetaminepasta en de hennephandel niet zijn gebleken, berekent de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt.

Het totale voordeel betreft:

bewezen verklaarde feiten: € 356.400,- (297 kilo)

soortgelijk feit 187,50 kilo: € 223.200,- (186 kilo)

soortgelijk feit, hennephandel € 186.634,-

Totaal€ 766.234,-

Op te leggen betalingsverplichting, de redelijke termijn

De rechtbank zal aan de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van het na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank is van oordeel dat de op te leggen betalingsverplichting dient te worden gematigd in verband met de toetsing van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.

Naar het oordeel van de rechtbank moet voor de bepaling van de vermindering van het bedrag van de ontnemingsmaatregel aansluiting worden gezocht bij de richtlijnen in het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, LJN BD2578. Hieruit volgt het volgende.
Ook in ontnemingszaken kan op het recht op een beslissing op de ontnemingsvordering binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Dat moment zal in de regel niet samenvallen met dat waarop de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in de met de ontnemingsvordering samenhangende strafzaak begint. Het is aan de feitenrechter om, gelet op de omstandigheden van het geval, dit moment vast te stellen.
Hoewel een meer specifieke regel daaromtrent niet valt te geven, zal in het algemeen als aanvangsdatum voor de redelijke termijn aangenomen kunnen worden:
a. het in art. 311, eerste lid, Sv bedoelde moment waarop de officier van justitie uiterlijk bij gelegenheid van zijn requisitoir in de hoofdzaak in eerste aanleg zijn voornemen kenbaar maakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, of
b. het moment waarop de betrokkene ervan op de hoogte geraakt dat tegen hem een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in art. 126 Sv is ingesteld, of
c. het moment waarop de in art. 511b Sv bedoelde vordering aan de betrokkene is betekend.
Onder omstandigheden zijn ook andere aanvangsmomenten aan te wijzen, bijvoorbeeld in het geval dat de positie van de betrokkene in belangrijke mate wordt beïnvloed door een specifiek op voordeelsontneming gerichte beslaglegging op grond van art. 94a Sv.

De redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:
a. De ingewikkeldheid van de zaak. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek, waaronder begrepen een gerechtelijk vooronderzoek, alsmede de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten en/of van andere zaken tegen de verdachte.
b. De invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de naleving door de verdachte van wettelijke voorschriften die mede met het oog op de betekening van gerechtelijke stukken in het leven zijn geroepen, en het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak.
c. De wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting is betracht.
In ontnemingszaken komt daar als bijzonderheid bij:
d. dat de afdoening van de zaak als gevolg van het bepaalde in art. 36e, eerste lid, Sr mede afhankelijk is van de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid, en
e. dat de ontnemingszaak, naar volgt uit art. 511b, eerste lid, Sv, zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak nog aanhangig kan worden gemaakt.

Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden als hiervoor vermeld.

Overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van het ontnemingsbedrag die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.
De vermindering van het ontnemingsbedrag is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Algemene regels omtrent de wijze waarop de straf onderscheidenlijk het ontnemingsbedrag dient te worden verminderd, zijn niet te geven.

In casu neemt de rechtbank als aanvangsdatum voor de redelijke termijn de datum waarop de officier van justitie kenbaar heeft gemaakt voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken, zijnde de terechtzitting van
8 mei 2012. De vordering is van 22 april 2014 en de eerste zitting vond plaats op 23 mei 2014.
Op verzoek van de verdediging heeft de rechter-commissaris in december 2014, februari 2015 en maart 2015 getuigen gehoord. Tussentijds heeft het Openbaar Ministerie aanvullende rapportages doen opmaken. Aansluitend hebben de officier van justitie en de raadsman schriftelijk conclusies uitgewisseld, waarna een afsluitende terechtzitting op
1 oktober 2015 heeft plaatsgevonden.
De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek na de regiezitting in mei 2014 gelet op de onderzoekswensen, de opmaak van nadere rapportages mede in verband met de inmiddels gewezen arresten, redelijk voortvarend is verlopen, maar dat de tijd tussen 8 mei 2012 en de regiezitting in mei 2014 onredelijk lang is geweest mede gelet op de omstandigheid dat het gerechtshof in juni 2013 als tweede feitelijke instantie over de strafbare feiten heeft geoordeeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en wel met 1 jaar en 6 maanden. De rechtbank acht om die reden een aftrek van
€ 5.000,- passend.

De rechtbank zal als betalingsverplichting aldus opleggen:

€ 766.234,- minus € 5.000,- = € 761.234,-

Toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op artikelen 1 en 36e (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op

€ 766.234,- (voluit zevenhonderdzesenzestigduizendtweehonderdvierendertig euro).

Legt aan [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 761.234,- (voluit zevenhonderdeenenzestigduizendtweehonderdvierendertig euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.G. Vos, voorzitter,

mr. E.C.P.M. Valckx en mr. H.M. Hettinga, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. de Bruijn-van der Sluijs, griffier,

en is uitgesproken op 12 november 2015.

1 Hoge Raad 9 september 1997, JOW 1998, 2