Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:6484

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-11-2015
Datum publicatie
13-11-2015
Zaaknummer
01/865110-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

TBS-maatregel met verpleging van overheidswege voor verdachte die in een psychose in Den Bosch een man heeft gedood, diens 25-km voertuig heeft gestolen en een politiehond heeft geprobeerd te doden (art. 350 Sr).

Vrijspraak-verweren verworpen.

Belastend technisch bewijs (o.a. DNA van slachtoffer op kleding van verdachte aangetroffen en humaan biologisch celmateriaal van het slachtoffer onder de nagels van verdachte).

Niet ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen hebben gebroken.

TBS met voorwaarden geeft te weinig (veiligheids)waarborgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Team Strafrecht

Parketnummer: 01/865110-14

Datum uitspraak: 13 november 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1990] ,

thans gedetineerd te: Vught PPC.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 december 2014, 27 februari 2015, 21 mei 2015, 14 augustus 2015 en 30 oktober 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 november 2014.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 30 oktober 2015 conform artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in overeenstemming is gebracht met de in de leden 1 en 2 van artikel 261 Sv gestelde eisen, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 05 september 2014 te 's-Hertogenbosch, de heer [slachtoffer 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, door verwurging en/of verstikking en/of uitwendig mechanisch (samen)drukkend geweld en/of stomp/botsend geweld op diens hals en/of borstkas en/of mond en/of neus en/of lichaam, van het leven heeft beroofd;

2. hij op of omstreeks 05 september 2014 te 's-Hertogenbosch met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een 25-km voertuig, in elk geval een voertuig, geheel of ten dele toebehorende aan de heer [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3. hij, op 5 september 2014, op de A2 tussen 's-Hertogenbosch en Eindhoven, ter hoogte van Boxtel, in elk geval in het arrondissement Oost-Brabant, ter uitvoering van zijn voornemen om de (dienst)hond [naam] , geheel of ten dele toebehorende aan de politie, in elk geval aan een ander dan verdachte, opzettelijk en wederrechtelijk te doden en/of te beschadigen en/of onbruikbaar te maken, heeft hij, meermalen althans éénmaal, met kracht de keel van de (dienst)hond [naam] dichtgeknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

Verdachte wordt verweten dat hij op 5 september 2014 in 's-Hertogenbosch [slachtoffer 1] al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd (feit 1), dat hij diens 25 km-voertuig heeft gestolen (feit 2) en dat hij bij zijn aanhouding door de politie op de Rijksweg A2 ter hoogte van afslag Boxtel geprobeerd heeft om een politiehond te doden, te beschadigen of onbruikbaar te maken (feit 3).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde doodslag (feit 1 impliciet subsidiair), diefstal en de poging tot het doden van de politiehond op basis van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de tenlastegelegde moord/doodslag (feit 1), omdat niet vastgesteld kan worden dat verdachte het slachtoffer van het leven heeft beroofd. Daartoe is aangevoerd dat het scenario dat een ander dan verdachte het slachtoffer van het leven heeft beroofd niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten. Indien wel bewezen kan worden dat verdachte de dader is geweest, dan ontbreekt volgens de raadsman het opzet op het delict, omdat verdachte tijdens het plegen van het delict in een psychose verkeerde en hij geen enkel inzicht had in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan. Ook om die reden dient verdachte vrijgesproken te worden van de tenlastegelegde moord/doodslag. De raadsman heeft aangevoerd dat dit ook geldt ten aanzien van de tenlastegelegde diefstal en de poging tot het doden van de politiehond, omdat verdachte toen eveneens in een psychose verkeerde en derhalve geen oogmerk had op het wederrechtelijk toe-eigenen van het voertuig van [slachtoffer 1] c.q. opzet had op de dood van de politiehond.

Het oordeel van de rechtbank.1

De rechtbank stelt op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Incident 1

Op 4 september 2014 omstreeks 22.45 uur komt er bij de politie de melding binnen dat verdachte bij zijn pleegouders op de [adres 1] in [woonplaars] totaal door het lint aan het gaan is, waarbij hij zijn pleegvader heeft geslagen. De pleegouders vrezen dat verdachte in een psychose verkeert – hetgeen in 2013 ook al een keer is gebeurd – en hebben uit angst voor verdachte de woning verlaten. De stiefbroer van verdachte is uit angst op het dak van de woning geklommen. De ter plaatse gekomen verbalisanten zien dat verdachte agressief uit zijn ogen kijkt, schreeuwt en een dreigende houding aanneemt. Verdachte wordt overmeesterd en op grond van artikel 3 van de Politiewet overgebracht naar het politiebureau aan de Vogelstraat in 's-Hertogenbosch. Aldaar wordt verdachte door een medewerker van de crisisdienst beoordeeld. Deze ziet geen reden voor een crisisopname van verdachte. Omdat er ook geen andere juridische gronden aanwezig worden geacht om verdachte langer van zijn vrijheid beroofd te houden, wordt verdachte op 5 september 2014 omstreeks 03.00 uur heengezonden. Verdachte heeft een geel T-shirt en een zwarte trainingsbroek aan.2 Hij wordt naar buiten het politiebureau geleid en loopt voor het politiebureau aan de Vogelstraat in 's-Hertogenbosch linksaf de straat op.3 Het is een feit van algemene bekendheid dat dit richting de Orthenseweg/ [adres 2] is.

Incident 2

Op 5 september 2014 vanaf omstreeks 05.53 uur – rechtbank: het is dan bijna drie uur na het moment dat de verdachte het politiebureau heeft verlaten – komen er meerdere meldingen binnen bij de meldkamer van de politie. Op de Rijksweg A2 komende van 's-Hertogenbosch en gaande in de richting van Eindhoven zou een 25 km-voertuig slingerend en zonder verlichting rijden.4

Het 25 km-voertuig wordt op de Rijksweg A2 door verbalisanten gesignaleerd en ter hoogte van de afrit Boxtel wordt de bestuurder van het voertuig gedwongen om te stoppen. De verbalisanten herkennen de bestuurder van het voertuig als [verdachte] . De verbalisanten zien dat verdachte een doorgedraaide blik in zijn ogen en wit schuim rond zijn mond heeft. Bij de daarop volgende aanhouding verzet verdachte zich hevig. Verbalisanten hebben moeite om verdachte onder controle te krijgen. Hierop is de politiehond [naam] ingezet. Daarbij pakt de verdachte meermalen de politiehond bij de keel en knijpt zo hard, dat de politiehond geen lucht meer krijgt en verslapt.5 Later concludeerde de dierenarts dat de luchtpijp van de hond intact is, maar dat de spieren rondom de luchtpijp lichtelijk opgezwollen zijn.6 Bij het plaatsen van verdachte in het politievoertuig is geconstateerd dat de broekspijpen van verdachtes trainingsbroek ter hoogte van de kuiten en enkels doordrenkt zijn van een vloeistof, niet zijnde bloed.7 Bij verdachtes aanhouding op de A2 is hij – net als tijdens zijn invrijheidstelling uit het politiebureau een paar uur

eerder – gekleed in een geel T-shirt en een zwarte trainingsbroek.8

De tenaamgestelde van het 25 km-voertuig blijkt [slachtoffer 1] (hierna: slachtoffer) te zijn. In een pand aan de [adres 2] in ’s-Hertogenbosch drijft hij een oud ijzerhandel. Teneinde een aangifte op te nemen van diefstal van het 25 km-voertuig gaat [verbalisant 1] rond tien uur ’s ochtends naar het pakhuis van het slachtoffer. Daar treft ze het slachtoffer niet aan. Familieleden bij het pakhuis melden dat zij geen enkel contact krijgen met het slachtoffer en dat zij het vreemd vinden dat het voertuig van het slachtoffer op de A2 was gesignaleerd en dat dit bestuurd werd door een ander dan het slachtoffer. De echtgenote van het slachtoffer meldt dat het slachtoffer zijn voertuig nooit zonder slag of stoot zou afgeven. Hierop gaat de verbalisant op onderzoek uit. Tegenover de deur van het pakhuis ziet zij een opening in de bosjes. Vanaf de bosjes ziet zij een spoor van platgedrukt gras en beplanting richting het water van de Aa lopen, wat leek alsof er iets of iemand op het gras had gelegen of gestaan. Nadat de verbalisant het spoor naar het water toe is gevolgd, ziet zij een persoon in het water liggen. De persoon lag op zijn buik in het water en bewoog niet.9 Het stoffelijk overschot van deze persoon wordt door de familieleden later herkend als zijnde van [slachtoffer 1] .10

Uit de verklaring van de getuige [nabestaande] volgt dat het slachtoffer iedere dag tussen naar schatting 04.30 en 05.00 uur van huis vertrekt om naar zijn pakhuis aan de [adres 2] in 's-Hertogenbosch te rijden. Hij maakt daarvoor gebruik van zijn 25 km-voertuig. Hij draagt die dag een zwarte of donkergrijze overall.11. Het slachtoffer rijdt iedere dag dezelfde route naar zijn pakhuis.12

Op de door [getuige 1] beschreven route is vastgesteld dat ter hoogte van de Copernicuslaan/Celciusstraat in ’s-Hertogenbosch camera’s gesitueerd zijn. Vastgesteld wordt dat op 5 september 2014 omstreeks 05.20 uur vanuit de Simon Stevinweg een voertuig de rotonde oprijdt en zijn weg vervolgt richting de tunnel, onder het spoor van het centraal station ’s-Hertogenbosch. Het voertuig is een voertuig gelijkend aan het 25 km-voertuig dat in gebruik was bij het slachtoffer. Tussen 05.00 en 05.35 uur zijn geen andere voertuigen gelijkend op het voertuig van het slachtoffer waargenomen.13 Aangenomen wordt dat dit het moment is dat het slachtoffer onderweg is naar zijn pakhuis aan de [adres 2] in ’s-Hertogenbosch.

Na een gehouden reconstructie met het 25 km-voertuig is gebleken dat de afstand – vanaf de rotonde waar het 25 km-voertuig op voornoemde beelden is waargenomen tot aan het pakhuis van het slachtoffer op de [adres 2] – te overbruggen is in 5 minuten en 31 seconden.14

Op camerabeelden van het onbemande tankstation aan de [adres 2] in 's-Hertogenbosch wordt waargenomen dat op 5 september 2014 omstreeks 05.39 uur (werkelijke tijd) het 25 km-voertuig van het slachtoffer wegrijdt en dat de bestuurder geelkleurige bovenkleding draagt.15

Forensisch onderzoek

Bij sectie aan het lichaam van het slachtoffer worden uitgebreide letsels aan/in de hals vastgesteld, welke bij leven waren ontstaan ten gevolge van inwerking van uitwendig mechanisch (samen)drukkend en/of stomp botsend geweld op de hals, al dan niet in combinatie. Het mechanisch (samen)drukkend geweld kan zijn opgeleverd door verwurging. Andere mogelijke verklaringen worden als minder waarschijnlijk aangemerkt. Er zijn geen tekenen van verdrinking vastgesteld. De doodsoorzaak kan goed worden verklaard door verstikking ten gevolge van voornoemd doorgemaakt geweld op de hals.16

Aan de voorzijde van het gele T-shirt dat verdachte ten tijde van zijn aanhouding droeg, worden drie bloedsporen aangetroffen. Deze zijn veiliggesteld en onderworpen aan een DNA-onderzoek. Uit dat onderzoek is gebleken dat het bloed afkomstig kan zijn van het slachtoffer [slachtoffer 1] en dat de kans dat het bloed afkomstig is van een ander willekeurig gekozen persoon kleiner is dan één op één miljard.17

Op het T-shirt van verdachte zijn op verschillende plaatsen tevens bloedspatjes aangetroffen. Er is door het NFI een onderzoek gedaan naar het bloedspatpatroon en de resultaten daarvan zijn neergelegd in een rapport. Dat rapport houdt als een beschrijving van het gehele bloedsporenbeeld in dat de hoeveelheid, de grootte en vorm van de bloedspatjes passen bij bloedspoorpatronen ontstaan als gevolg van uitgeoefende kracht en verklaard kunnen worden door zowel het uitoefenen van kracht in vloeiblaar bloed (zoals het uitoefenen van geweld door te slaan, schoppen, steken) als door het uitoefenen van kracht met vloeibaar bloed (zoals bij het uitademen van vloeibaar bloed). Veel bloedspatjes vertonen een verdund uiterlijk, hetgeen een aanwijzing is op vermenging met een andere (lichaams)vloeistof. In twee bemonsterde bloedspatjes is een mengsel van bloed en nasaal vocht aangetroffen, in een ander bemonsterd bloedspat is een mengsel van bloed en speeksel aangetroffen en in weer een ander bloedspat is een mengsel van speeksel en nasaal vocht aangetroffen. De DNA-profielen van het bloed, het speeksel en het nasale vocht dat is aangetroffen matchen met het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer 1] . Vervolgens is een drietal scenario’s op waarschijnlijkheid getoetst tegen de achtergrond van deze bevindingen en de conclusie luidt dat een deel van de aangetroffen bloedspatten zeer veel waarschijnlijker is veroorzaakt door geëxpireerd (uitgeademd) bloed dan door het uitoefenen van geweld in vloeibaar bloed en dat een ander deel van de aangetroffen bloedspatten waarschijnlijker door geëxpireerd bloed is ontstaan.18

Op de plaats in het water van de Aa waar het stoffelijk overschot van het slachtoffer is aangetroffen, zijn watermonsters veiliggesteld. De diatomeeën in de watermonsters zijn vergeleken met de diatomeeën die aangetroffen zijn op de zwarte trainingsbroek die verdachte ten tijde van zijn aanhouding aanhad. Uit dat onderzoek is gebleken dat de concentratie diatomeeën en de diatomeeënsamenstelling in de trainingsbroek van verdachte veel waarschijnlijker afkomstig is van het bemonsterde deel van de water van de Aa dan van een ander type water zoals bijvoorbeeld leidingwater, bronwater of regenwater, alsmede waarschijnlijker afkomstig is van het bemonsterde deel van de Aa dan van een willekeurig andere oppervlaktewater (niet zijnde de rivier/beek de Aa).19

Op de bodem van het 25 km-voertuig ter hoogte van en onder het koppelingspedaal is botanisch materiaal in de vorm van een grasspriet/riet en een blad aangetroffen en veiliggesteld voor nader onderzoek. Dit botanisch materiaal is vergeleken met het bemonsterde deel van de platgedrukte begroeiing in de directe nabijheid van waar het slachtoffer is aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat de botanische fragmenten die in het 25 km-voertuig zijn aangetroffen waarschijnlijker afkomstig zijn van de locatie van het bemonsterde deel van de platgedrukte begroeiing dan dat het afkomstig is van een willekeurige andere locatie in Nederland.20

De nagels van de rechterhand van het slachtoffer zijn bemonsterd teneinde een onderzoek te doen naar de aanwezigheid van humaan biologisch celmateriaal. Uit nader onderzoek is gebleken dat in het nagelvuil onder de nagels van de rechterhand van het slachtoffer celmateriaal is aangetroffen dat afkomstig kan zijn van [verdachte] . De kans dat dit celmateriaal afkomstig is van een ander willekeurig gekozen persoon is kleiner dan één op één miljard.21 De aanwezigheid van het celmateriaal van verdachte in het nagelvuil maakt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is geweest van fysiek contact tussen verdachte en het slachtoffer.

Verdachte heeft verklaard dat hij zich niets meer kan herinneren van de aanhouding bij zijn pleegouders in Boxtel noch van het incident waarvan hij verdacht wordt.22

Conclusie

Op basis van het vorenstaande gaat de rechtbank uit van het volgende scenario.

[verdachte] staat op 5 september 2014 omstreeks 03.00 uur voor het politiebureau aan de Vogelstraat in ’s-Hertogenbosch en loopt linksaf. Hij draagt op dat moment een geel T-shirt en heeft een zwarte trainingsbroek aan. Omstreeks 05.00 uur vertrekt het slachtoffer met zijn 25 km-voertuig van zijn woning aan de [adres 3] naar zijn pakhuis aan de [adres 2] in ’s-Hertogenbosch alwaar hij omstreeks 05.25 uur gearriveerd moet zijn. Omstreeks 05.39 uur rijdt verdachte vervolgens weg met het 25 km-voertuig van het slachtoffer en omstreeks 05.53 uur komen de eerste 112 meldingen binnen bij de meldkamer van de politie, waarna omstreeks 06.00 uur verdachte in het 25 km-voertuig van het slachtoffer wordt aangehouden op de rijksweg A2 ter hoogte van de afslag Boxtel.

Wat er in de korte tijd tussen omstreeks 05.25 uur en omstreeks 05.39 uur is voorgevallen op de [adres 2] in 's-Hertogenbosch, is niet aan de hand van directe bewijsmiddelen te reconstrueren. Zo zijn er geen getuigen die iets hebben gehoord of waargenomen. Ondanks het ontbreken van directe bewijsmiddelen voor het daderschap van verdachte, houdt de rechtbank [verdachte] toch verantwoordelijk voor de dood van het slachtoffer.

Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat [verdachte] het slachtoffer (door verwurging) van het leven heeft beroofd, hem heeft weggesleept richting de bosjes en in het water van de Aa heeft achtergelaten. Daarbij heeft verdachte kennelijk zelf ook in het water gestaan. Verdachte is daarna met het 25 km-voertuig van het slachtoffer weggereden.

Het alternatieve scenario van de raadsman dat een ander dan verdachte het slachtoffer heeft gedood en dat verdachte zich heeft ontfermd over het slachtoffer, waardoor er bloed van het slachtoffer op het T-shirt van verdachte is terechtgekomen, acht de rechtbank – gelet op alle vastgestelde feiten in onderling verband en samenhang bezien – niet aannemelijk geworden. Niet alleen moet dit scenario als hoogst onwaarschijnlijk terzijde worden geschoven omdat de zeer korte tijdspanne tussen het moment dat het slachtoffer voor het laatst in leven moet zijn geweest, te weten de aankomsttijd bij het pakhuis omstreeks 05:25 uur, en het moment waarop de verdachte in het voertuig van het slachtoffer bij het pakhuis vertrekt, te weten omstreeks 05:39 uur, een dergelijk scenario nauwelijks toelaat als daarbij de met de geweldshandelingen en verbergingshandelingen van het stoffelijk overschot gemoeide tijd wordt betrokken, maar ook omdat het geopperde scenario geen verklaring biedt voor het feit dat DNA van het slachtoffer in het nagelvuil bij de verdachte is aangetroffen en evenmin voor het feit dat op het T-shirt van de verdachte bloedspatten zijn aangetroffen waarvan het in redelijkheid is komen vast te staan dat deze door het slachtoffer zijn uitgeademd en dus nog bij leven van het slachtoffer op de kleding van de verdachte terecht zijn gekomen. Bovendien is er op de plaats delict geen enkel spoor aangetroffen dat wijst in een andere richting.

Al met al kan naar het oordeel van de rechtbank elk ander scenario dan dat het de verdachte is geweest die het slachtoffer om het leven heeft gebracht met een voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten.

Opzet

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad staat het hebben van een ernstige geestelijke stoornis slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg indien de betrokkene ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen heeft ontbroken. Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn.

Reeds eerder heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte na het doden van het slachtoffer het lichaam heeft weggesleept en in het water van de Aa heeft gelegd om vervolgens met het 25 km-voertuig weg te rijden. Deze handelingen van verdachte duiden naar het oordeel van de rechtbank erop dat hij zich minst genomen op een bepaald niveau moet hebben gerealiseerd dat hij het slachtoffer niet in het zicht van anderen op straat kon achterlaten. De feiten en omstandigheden wijzen er bovendien sterk op dat verdachtes doel kennelijk gericht was op het wegnemen van het voertuig. Uit het handelen van verdachte blijkt aldus dat in ieder geval in enige mate sprake is geweest van doelgerichtheid bij en afgewogen besluitvorming door de verdachte. Dat betekent dat verdachte tot op zekere hoogte besef gehad heeft moeten hebben van de draagwijdte en de mogelijke gevolgen van zijn handelen. Dat verdachte zich naar eigen zeggen niets van zijn handelingen kan herinneren doet aan dit oordeel niet af.

De uitzonderlijke situatie dat bij verdachte elk besef heeft ontbroken kan in het licht van deze bevindingen niet worden aangenomen. Het verweer zoals gevoerd door de raadsman dat verdachte van het opzet en daarmee van de gehele tenlastelegging dient te worden vrijgesproken wordt derhalve verworpen.

Vrijspraak van moord

De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsman de aan verdachte onder feit 1 impliciet primair tenlastegelegde moord niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet vast komen te staan dat verdachte met voorbedachten rade het slachtoffer om het leven heeft gebracht.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. op 5 september 2014 te 's-Hertogenbosch, de heer [slachtoffer 1] opzettelijk door verwurging of verstikking of uitwendig mechanisch (samen)drukkend geweld of stomp/botsend geweld op diens hals en/of borstkas en/of mond en/of neus en/of lichaam, van het leven heeft beroofd.

2. op 5 september 2014 te 's-Hertogenbosch met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een 25-km voertuig toebehorende aan de heer [slachtoffer 1] .

3. op 5 september 2014, op de A2 tussen 's-Hertogenbosch en Eindhoven, ter hoogte van Boxtel, ter uitvoering van zijn voornemen om de (dienst)hond [naam] toebehorende aan de politie, opzettelijk en wederrechtelijk te doden, meermalen met kracht de keel van de (dienst)hond [naam] heeft dichtgeknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Over de persoon van verdachte is op 9 februari 2015 een gedragsdeskundige rapportage uitgebracht door psychiater D.C.W.H. Naus en psycholoog P.E. Geurkink, beiden verbonden aan het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum (PBC), te Utrecht.

Deze deskundigen concluderen onder meer dat verdachte lijdende is aan een ernstige ziekelijke stoornis. Verdachte heeft sinds 2013 drie kortdurende psychotische episodes doorgemaakt. Ten tijde van het tenlastegelegde is er sprake geweest van een tweede psychotische episode. Tijdens zo’n psychotische episode verliest verdachte de grip op realiteit. Er is dan sprake van het zien van vervormde gezichten, achterdocht, de angst om vergiftigd te worden en het horen van stemmen. Het is dan onmogelijk om contact met hem te maken. Verdachte kan dan zeer agressief worden en lijkt dan voor zijn leven te vechten. Wanneer betrokkene zich in een psychotische toestand bevindt, kan hij zonder duidelijke en voor buitenstaanders te begrijpen redenen plotseling in een heftige opwindingstoestand komen. In een dergelijke conditie kan hij niet of nauwelijks in staat worden geacht tot het overwegen van adequate oplossingsstrategieën. Hoewel verdachte op het politiebureau rustig en adequaat oogde, kan dit niet los gezien worden van het feit dat er vlak daarvoor en vlak daarna sprake is geweest van een in ernst toenemend psychotisch toestandsbeeld. Een aanzienlijke doorwerking van de geschetste problematiek op grond van de psychische kwetsbaarheid van verdachte voor de tenlastegelegde feiten wordt aannemelijk geacht. Geadviseerd wordt om verdachte ten aanzien van het om het leven brengen van het slachtoffer en de diefstal van het 25 km-voertuig, thans tenlastegelegd onder 1 en 2, tenminste als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen, waarbij het zeer wel mogelijk is dat er op dat moment sprake was van ontoerekeningsvatbaarheid. Ten aanzien van (thans) feit 3 wordt geadviseerd om verdachte ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

De officier van justitie en de verdediging hebben zich ter zitting op het standpunt gesteld dat op basis van de rapportage aannemelijk is dat wegens de ziekelijke stoornis van de geestvermogens de tenlastegelegde feiten niet aan verdachte kunnen worden toegerekend, zodat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

De rechtbank acht uit het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van de hiervoor genoemde rapportage aannemelijk geworden dat de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten in dusdanig overheersende mate zijn beïnvloed door de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, dat dit de conclusie rechtvaardigt dat die feiten hem wegens die stoornis niet kunnen worden toegerekend. De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachte ook ten tijde van het tenlastegelegde onder 1 en 2 in een psychose verkeerde. Daarbij betrekt de rechtbank dat verdachte enkele uren daarvoor, alsook kort daarna, bij het plegen van het onder 3 tenlastegelegde, in een psychose verkeerde, zodat niet gezegd kan worden dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde onder 1 en 2 niet meer of niet volledig in een psychose verkeerde. Ten tijde van het plegen van het onder 3 tenlastegelegde is verdachte volgens de deskundigen van het PBC als gevolg van deze psychose ontoerekeningsvatbaar te achten. Gelet op het voorgaande kan naar de rechtbank worden aangenomen dat verdachte ook ten tijde van het plegen van het onder 1 en 2 tenlastegelegde ontoerekeningsvatbaar was. De rechtbank beschouwt verdachte dan ook ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten als ontoerekeningsvatbaar. Verdachte is daarom niet strafbaar voor hetgeen te zijne laste bewezen is verklaard en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oplegging van maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (hierna: TBS) opgelegd dient te worden. (bijlage 1)

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft bepleit dat bij een bewezenverklaring van de feiten aan verdachte een TBS met voorwaarden opgelegd dient te worden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de maatregel die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft in een psychose een zeer ernstige feit gepleegd. Hij heeft [slachtoffer 1] met veel geweld en door verwurging van het leven beroofd en diens lichaam in het water van de Aa achtergelaten. Het slachtoffer moet in doodsangst hebben verkeerd vanaf het moment dat hij werd overmeesterd en moet veel pijn hebben geleden door het geweld dat door de verdachte op hem werd uitgeoefend. Het meest wezenlijke recht van iemand, namelijk het recht te mogen leven, is door verdachte op grove wijze geschonden. Het behoeft geen nader betoog dat verdachte onbeschrijfelijk veel leed heeft toegebracht aan de echtgenote, de kinderen, de kleinkinderen en de overige familieleden van het slachtoffer en aan anderen die hem lief hadden. Uit de verklaring van de zoon en kleinkinderen van het slachtoffer ter zitting blijkt dat dit verlies het leven van de echtgenote, de kinderen en kleinkinderen ernstig heeft ontwricht. Het wegvallen van man, vader en opa heeft voor een onherstelbaar gemis in hun leven gezorgd. Door het plegen van een delict als het onderhavige heeft de verdachte bovendien de rechtsorde zeer ernstig geschokt. Het behoeft nauwelijks betoog dat feiten als de onderhavige voorts gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij aanwakkeren.

Daarnaast heeft verdachte zich in een psychose schuldig gemaakt aan diefstal van het voertuig van het slachtoffer en aan een poging tot het doden van een politiehond.

Blijkens een op verdachte betrekking hebbend Uittreksel Justitiële Documentatieregister van 29 september 2015 is verdachte in 2014 veroordeeld ter zake van een mishandeling en een zware mishandeling tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis.

Zoals hiervoor reeds is besproken, is er volgens de gedragsdeskundigen sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij verdachte. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat de bewezenverklaarde feiten verdachte wegens zijn ziekelijke stoornis van de geestvermogens niet kunnen worden toegerekend. Dat oordeel brengt met zich dat enkel een strafrechtelijke maatregel kan worden opgelegd. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte ten aanzien van de bewezenverklaring van het tenlastegelegde onder feit 1 impliciet subsidiair (doodslag) in een psychiatrisch ziekenhuis dient te worden geplaatst of dat een terbeschikkingstelling (eventueel met voorwaarden) aangewezen is.

De psychiater en de psycholoog van het PBC hebben in hun rapport van 9 februari 2015 onder meer het volgende geconcludeerd en geadviseerd:

“Zowel uit klinisch onderzoek als uit de voorgaande rapportage (HKT-30), alsmede de in huidige onderzoek afgenomen (HCR-20) risicotaxatie-instrumenten komt zeer duidelijk naar voren dat het risico op recidive een lineair verband houdt met het risico op het ontwikkelen van een volgende psychotische episode. Als betrokkene niet psychotisch is, wordt de recidiefkans als zeer gering ingeschat. Wanneer betrokkene psychotisch is, wordt de kans op een herhaling van een ernstig agressief delict als hoog ingeschat. Het risico op een recidief psychose hangt sterk samen met het ervaren van stress. Alle psychotische episodes werden voorafgegaan door een periode waarin betrokkene hevige stress ervoer. (…) Wat bij alle episodes tot nu toe verder opvalt en een risico vormt, is dat de omgeving van betrokkene de ernst van de stress moeilijk blijkt te kunnen inschatten, terwijl betrokkene tot nu toe niet goed in staat blijkt te zijn geweest om dit duidelijk over te brengen op anderen. (…) Gezien het atypische karakter van betrokkenes psychotische stoornis en het feit dat het ziektebeeld nog niet volledig is uitgekristalliseerd, is een gefundeerde prognose in dit geval niet mogelijk. (…)

Er zal bij betrokkene sprake moeten zijn van een langdurige behandeling en begeleiding, bij voorkeur binnen een gespecialiseerd team. In eerste instantie zal de behandeling zich moeten richten op het verbeteren van het ziekte-inzicht, het inzichtelijk maken en reduceren van luxerende factoren en het detecteren van vroege aanwijzingen voor een nieuwe psychotische decompensatie. Verder moet de behandeling zich richten op waar mogelijk verlaging van de draaglast. Dit zal betekenen dat betrokkene een intensief resocialisatietraject zal moeten worden aangeboden. Hij zal geholpen moeten worden met het oplossen van zijn schulden, het halen van een opleiding en hij zal begeleid moeten worden in een traject naar werk en zelfstandig wonen. Een langdurige klinische opname zal naar verwachting de draaglast niet doen afnemen en mogelijk eerder spanningsverhogend werken. Ten derde zal betrokkene langdurig psychotherapeutisch behandeld moeten worden. Naast de (eventuele) behandeling van de trauma’s zal betrokkene moeten leren meer contact te maken met zijn gevoelsleven. Tijdens deze behandeling zal er telkens moeten worden bepaald hoe hoog de draaglast op dat moment is, en in hoeverre betrokkene een dergelijke behandeling aankan. De sequentie van deze drie behandelpijlers is niet statisch maar zal afhangen van het beloop van het klinische beeld.

Idealiter start de behandeling met een klinische stabilisatieperiode waarin het effect van medicatie en psychotische symptomen moeten worden gemonitord, er in samenwerking met het netwerk een crisisinterventieprotocol moet worden opgesteld en de financiën van betrokkene worden gesaneerd, waarbij er zo nodig een bewindvoerder wordt aangesteld. De lengte van een dergelijke klinische periode hangt af van het beloop van het ziektebeeld en kan dus niet vooraf worden bepaald. Daarna zal betrokkene geplaatst moeten worden binnen een begeleide woonvorm, waarbij hij gedurende een lange periode intensief begeleid wordt, hij enerzijds een poliklinische begeleiding krijgt binnen een outreachend poliklinisch behandelteam dat hem helpt met zijn financiën, het afmaken van zijn school en het vinden van werk en dat bij de eerste signalen van decompensatie snel kan ingrijpen en betrokkene (zo nodig gedwongen) kan laten opnemen binnen een acute opnameafdeling. Daarnaast of aansluitend daaraan zal betrokkene, zodra zijn draagkracht dit toelaat, behandeld moeten worden binnen een gespecialiseerd traumacentrum. Zo nodig zal dit in eerste instantie klinisch moeten, gezien de heftige trauma’s en de beperkte draagkracht. Of, en zo ja in welk stadium van de behandeling betrokkene aan een dergelijke behandeling toekomt is op dit moment niet te voorspellen.

Ten aanzien van het behandelkader waarin een dergelijke behandeling zal moeten plaatsvinden kan in ieder geval gesteld worden dat een artikel 37 WvSr maatregel niet toereikend is gebleken om bij de behandeling van betrokkene voldoende veiligheid te bieden. Huidige ten laste gelegde vond plaats ten tijde van een voorwaardelijk ontslag in het kader van een dergelijke maatregel. En hoewel betrokkene voldoende heeft meegewerkt en ook heeft aangegeven hulp te willen, moet geconcludeerd worden dat de huidige GGZ onvoldoende is ingericht om het sterk wisselende beeld bij betrokkene voldoende snel en adequaat te kunnen beoordelen en de vereiste veiligheid te borgen. Daarnaast lijkt de duur van deze maatregel te beperkt. Er is bij betrokkene in ruim een jaar tijd sprake geweest van drie psychotische episodes, waarbij de draaglast afgelopen jaar alleen maar is toegenomen. Een langdurige begeleiding en controle zal dan ook noodzakelijk zijn.

Om het recidivegevaar effectief te kunnen reduceren wordt daarom de oplegging van een tbs-maatregel noodzakelijk geacht. Overwogen is dat binnen een tbs met voorwaarden aan betrokkene een klinische behandeling kan worden opgelegd, waarbij de maximale duur van de maatregel voldoende mogelijkheden zou moeten geven om de bij betrokkene beschreven problematiek effectief te behandelen. Ook een plaatsing binnen een begeleide woonvorm, een langdurig (forensisch) poliklinische behandeling en een traumabehandeling binnen een gespecialiseerde kliniek zou theoretisch gezien binnen een dergelijke maatregel realiseerbaar moeten zijn (…). Het feit echter dat betrokkene binnen enkele dagen kan decompenseren en dat hij binnen zijn psychose een sterk wisselend beeld laat zien, waarbij agressieve escalaties snel kunnen optreden, in combinatie met de potentiële communicatieproblemen tussen de verschillende hulpverleners (woonbegeleiders, reclassering, poliklinische behandelaar, traumacentrum en crisisdienst van de reguliere GGZ), maakt deze maatregel zeer kwetsbaar. Gedeeltelijk zou dit kunnen worden opgevangen door het aanvragen van een voorwaardelijke civielrechtelijke voorwaardelijke machtiging, echter het verleden heeft aangetoond dat een dergelijke maatregel eerder niet afdoende veiligheid heeft geboden.

De enige manier om deze problemen te omzeilen en een meer absolute garantie te hebben voor de veiligheid van de maatschappij is dan ook het opleggen van een tbs met dwangverpleging. Er zal dan gestreefd moeten worden naar een zo kort mogelijke klinische behandeling binnen een kliniek waar tevens voldoende specifieke expertise op het gebied van traumabehandeling aanwezig is dan wel extern wordt ingewonnen. Daarna zou betrokkene geplaatst kunnen worden binnen een begeleide woonvorm. Bij (dreigende) decompensatie zijn de lijnen dan kort en kan betrokkene snel (tijdelijk) worden teruggeplaatst binnen de desbetreffende kliniek, ook in het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Rapporteurs zijn zich ervan bewust dat het opleggen van een tbs met dwangverpleging voor betrokkene als zeer heftig wordt ervaren, en de stress en uitzichtloosheid bij betrokkene in eerste instantie zal doen toenemen. (…) Er zou wat betreft tenuitvoerlegging van de maatregel gedacht kunnen worden aan plaatsing binnen een passende FPK”.

De reclasseringswerker van de Reclassering Nederland heeft in haar rapport van 13 oktober 2015 onder meer het navolgende gesteld:

“Betrokkene is na de opname binnen Huize Padua tot september 2014 (verblijf in psychiatrisch ziekenhuis na het plegen van het eerste delict) bij zijn pleegouders gaan wonen. Betrokkene is hier binnen enkele dagen (de rechtbank leest:) gedecompenseerd en pleegde het indexdelict.(…) Er zou ambulante hulp worden ingeschakeld om hem te begeleiden en ondersteunen, maar dit was nog niet opgestart. (…) Betrokkene is zich bewust van zijn psychische problematiek en geeft aan dat hij goed gehandeld heeft toen hij bepaalde signalen bij zichzelf waarnam, die wezen op een decompensatie. Hij heeft om hulp gevraagd bij de betrokken instanties, maar deze niet tijdig gekregen. Als oorzaak van decompensatie, noemt hij het ervaren van een zeer hoge druk, het zich zorgen maken over praktische zaken en het ontbreken van hulpverlening. Betrokkene staat open voor behandeling in een klinische setting, ook in het kader van een tbs met voorwaarden. In zijn optiek zou de behandeling met name gericht moeten zijn op de trauma’s uit het verleden. Betrokkene vindt dat hij traumaverwerking/behandeling PTSS nodig heeft om grip op zijn leven te krijgen. Betrokkene heeft een beperkte draagkracht, maar binnen bijvoorbeeld een FPK, zijn er mogelijkheden om behandeling gedoseerd aan te bieden, passend binnen de draagkracht-draaglast mogelijkheden van betrokkene, om een psychose te voorkomen. Betrokkene heeft zich aan eerdere behandelingen/opnames nooit onttrokken. De Reclassering adviseert een TBS met voorwaarden, indien er een passende kliniek voorhanden is, dan wel een NIFP/IFZ indicatie wordt afgeven. De Reclassering is afhankelijk van deze NIFP/IFZ indicatie, die heden nog niet is uitgebracht. Indien er geen indicatie wordt afgegeven kunnen wij geen invulling geven aan de TBS met voorwaarden”.

De rechtbank neemt de bovenstaande conclusies en adviezen van de psycholoog en psychiater van het Pieter Baan Centrum over en maakt die tot haar hare.

De rechtbank kan zich met betrekking tot de op te leggen maatregel niet vinden in het advies van de reclasseringswerker van Reclassering Nederland en het voorstel van de verdediging. Daartoe overweegt de rechtbank dat verdachte in 2013 tijdens een psychose een ernstig strafbaar feit heeft gepleegd. In dat kader is verdachte geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis. Deze maatregel is naar nu blijkt volstrekt ontoereikend gebleken. Onder invloed van dezelfde psychische problematiek heeft verdachte zich – kort nadat hij met voorwaardelijk ontslag was gegaan uit het psychiatrisch ziekenhuis – schuldig gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit, waarbij een persoon het leven heeft moeten laten. Verdachte heeft voorts niet volledig meegewerkt aan het onderzoek in het Pieter Baan Centrum en is aldaar wederom psychotisch gedecompenseerd. De deskundigen stellen vast dat verdachte nog niet is uit gediagnosticeerd en onberekenbaar is. De snelheid waarmee zijn psychische conditie kan wisselen van ogenschijnlijk normaal tot heftig ontregeld met soms zelfs psychotische fenomenen en vervolgens agressie naar zijn omgeving baart de rechtbank grote zorgen. De kans dat de door de deskundigen van het Pieter Baan Centrum noodzakelijk geachte behandeling haalbaar is in het kader van een TBS met voorwaarden acht de rechtbank klein. Daartoe betrekt zij het feit dat de deskundigen van het Pieter Baan Centrum de mogelijkheid van een TBS met voorwaarden uitdrukkelijk hebben overwogen, maar uiteindelijk als zeer kwetsbaar hebben beoordeeld vanwege – naast potentiële communicatieproblemen tussen de alsdan verschillende betrokken hulpverleners – het feit dat de verdachte binnen enkele dagen kan decompenseren en dat hij binnen zijn psychose een sterk wisselend beeld laat zien, waarbij agressieve escalaties snel kunnen optreden. Deze deskundigen hebben vervolgens gesteld dat de enige manier om deze problemen te omzeilen en een meer absolute garantie te hebben voor de veiligheid van de maatschappij is het opleggen van een TBS met dwangverpleging. De rechtbank stelt in het kader van het vorenstaande voorop dat bij de afweging of aan een verdachte een TBS met voorwaarden of een TBS met dwangverpleging moet worden opgelegd, beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een doorslaggevende rol spelen. De keuze voor een TBS met dwangverpleging moet onder meer in verhouding staan tot de ernst van het delict en de gevaarlijkheid van de verdachte. Als het gevaar voldoende kan worden afgewend door een lichtere maatregel dan een TBS met dwangverpleging, dan moet in beginsel voor die lichtere variant worden gekozen.

De rechtbank stelt vast dat een eerder opgelegde maatregel, de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis volstrekt onvoldoende is gebleken om de stoornis van verdachte en diens gevaarlijkheid tot een maatschappelijk aanvaardbaar niveau terug te brengen. De rechtbank stelt voorts vast dat de deskundigen ten aanzien van de maatregel TBS met voorwaarden hebben aangevoerd dat deze zeer kwetsbaar is. Gelet op de aard en ernst van de bij verdachte aanwezige stoornis, het feit dat de verdachte nog niet geheel is uit gediagnosticeerd, de bijzondere wijze waarop de stoornis zich in het gedrag van de verdachte pleegt te manifesteren, te weten het snel, grillig en heftig ontregelen met een grote kans op agressieve uitbraken, zonder dat dit goed door de omgeving van de verdachte kan worden ingeschat, en de hoge kans op ernstig agressieve incidenten tijdens een psychotische episode, maken de verdachte naar het oordeel van de rechtbank zodanig gevaarlijk voor de maatschappij dat alleen een maatregel die de meest absolute bescherming daartegen kan bieden thans in aanmerking komt. Dat betekent dat naar het oordeel van de rechtbank, alles afwegende, alleen een TBS met dwangverpleging in aanmerking kan komen.

Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting zijn bij de rechtbank nog e-mailberichten binnengekomen, met de strekking dat verdachte in het kader van een TBS met voorwaarden opgenomen zou kunnen worden in de Woenselse Poort te Eindhoven. De rechtbank merkt op dat zij zich naar aanleiding van deze ingekomen stukken heeft beraden op de vraag of zij zich thans nog voldoende voorgelicht acht met betrekking tot de op te leggen maatregel, in het bijzonder met betrekking tot de vraag of zij nog nadere toelichting behoeft van de deskundigen van het PBC en/of de reclassering en daartoe het onderzoek zou moeten heropenen. De rechtbank ziet daar vanaf, enerzijds omdat het rapport van de deskundigen van het PBC voldoende duidelijkheid geeft waarom de maatregel van TBS met voorwaarden te weinig (veiligheids)waarborgen geeft en anderzijds de nader ingekomen stukken op dat punt geen nadere informatie inhouden.

Het verweer van de raadsman, inhoudende dat eenzelfde resultaat van de voorgestelde behandeling haalbaar is indien aan verdachte de maatregel van TBS met voorwaarden wordt opgelegd, wordt bezien in het licht van het hetgeen hiervoor is overwogen, verworpen. Mocht de behandeling van verdachte effect sorteren en de deskundigen op dat moment oordelen dat verdachte geen gevaar meer vormt voor de veiligheid van anderen, dan is de modaliteit van voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging voorhanden.

De rechtbank overweegt verder nog dat is voldaan aan de overige voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Daarbij overweegt de rechtbank in het bijzonder dat het hierna te kwalificeren feit 1 impliciet subsidiair een misdrijf betreft waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte ter beschikking stellen. De rechtbank zal voorts bevelen dat verdachte van overheidswege verpleegd wordt.

De vordering van de benadeelde partij [nabestaande] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering zoals verzocht integraal toegewezen kan worden met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling. Nu het gevorderde schadebedrag van € 6.154,43 rechtstreeks voortvloeit uit het onder feit 1 impliciet subsidiair en feit 2 bewezenverklaarde, de vordering door de verdediging niet is betwist en deze de rechtbank niet kennelijk ongegrond of onrechtmatig voorkomt, is de rechtbank van oordeel dat de vordering in haar geheel toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de delicten, 5 september 2014, tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2014 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp aan de rechthebbende, de erven van [slachtoffer 1] , nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van het inbeslaggenomen goed.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

24c, 36f, 37a, 37b, 39, 45, 57, 287, 310, 350 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

ten aanzien van feit 1 impliciet primair:

vrijspraak

Verklaart het onder feit 1 impliciet subsidiair, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

ten aanzien van feit 1 impliciet subsidiair: doodslag ten aanzien van feit 2:diefstal ten aanzien van feit 3:

poging tot opzettelijk en wederrechtelijk enig dier dat aan een ander toebehoort doden Verklaart verdachte hiervoor niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging.

Legt op de volgende maatregel:

ten aanzien van feit 1 impliciet subsidiair:Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

ten aanzien van feit 1 impliciet subsidiair, feit 2:Maatregel van schadevergoeding van EUR 6.154,43 subsidiair 65 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [nabestaande] (nabestaande van het slachtoffer [slachtoffer 1] ) van een bedrag van EUR 6.154,43 (zegge: zesduizendhonderdvierenvijftig euro en drieënveertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 65 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan [nabestaande] (nabestaande van het slachtoffer [slachtoffer 1] ) van een bedrag van EUR 6.154,43 (zegge: zesduizendhonderdvierenvijftig euro en drieënveertig eurocent), bestaande uit materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Teruggave inbeslaggenomen goederen

De rechtbank gelast de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

- een 25 km-voertuig, Piaggo Porter, voorzien van het kenteken [kenteken] (goednummer 667729)

aan degene die als rechthebbende kan worden aangemerkt, te weten de erven van [slachtoffer 1]

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.M. Klinkenbijl, voorzitter,

mr. T. van de Woestijne en mr. C.P.J. Scheele, leden,

in tegenwoordigheid van Ş. Altun, griffier,

en is uitgesproken op 13 november 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de regiopolitie Oost-Brabant, onderzoek Calypso met nummer 21TGO14003.

2 Relaas van bevindingen van [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] , p. 235.

3 Relaas van bevindingen van [verbalisant 6] , p. 171.

4 Relaas van bevindingen van [verbalisant 7] , p. 280, 282, 283.

5 Relaas van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 2] en [verbalisant 8] , p. 250-252.

6 Relaas van bevindingen van [verbalisant 9] , p. 432.

7 Relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] , p. 176.

8 Relaas van bevindingen van [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , p. 254.

9 Relaas van bevindingen van [verbalisant 1] , p. 151, 152.

10 Relaas van bevindingen van [verbalisant 10] en [verbalisant 11] , p. 180.

11 Verklaring [nabestaande] , p. 297, 316.

12 Verklaring [getuige 1] , p. 300-301.

13 Relaas van bevindingen van [verbalisant 12] en [verbalisant 13] , p. 411.

14 Relaas van bevindingen van [verbalisant 14] en [verbalisant 15] , p. 418.

15 Relaas van bevindingen van [verbalisant 16] , p. 167.

16 NFI rapport d.d. 19 december 2014, rapporteur: arts en patholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe.

17 NFI rapport d.d. 18 september 2014, rapporteur: ing. J.L.W. Dieltjes.

18 NFI rapport d.d. 17 april 2015, rapporteurs: ing. M. van der Scheer en dr. P.A. Maaskant-van Wijk.

19 NFI rapport d.d. 10 december 2014, rapporteur: dr. I. Kuiper.

20 NFI rapport d.d. 31 december 2014, rapporteur: drs. M. Wesselink.

21 NFI rapport d.d. 13 november 2014, rapporteur: drs. A.J. Meulenbroek.

22 O.a. verklaring verdachte ter terechtzitting van 30 oktober 2015.