Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:648

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-02-2015
Datum publicatie
09-02-2015
Zaaknummer
01/845270-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft het slachtoffer eenmaal met geschoeide voet tegen het hoofd geschopt en meerdere keren geslagen. Bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling en vrijspraak van poging tot doodslag en zware mishandeling. De rechtbank heeft een gevangenisstraf van 150 dagen met aftrek voorarrest, waarvan 108 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en onder meer de de voorwaarde van toezicht van de reclassering en een taakstraf van 90 uren opgelegd. Daarnaast moet verdachte de schade van

€ 2.430,-- vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/845270-14

Datum uitspraak: 09 februari 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1992],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 januari 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 december 2014. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 maart 2014 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet

  • -

    meermalen, althans een maal die [slachtoffer 1] met de (rechter)vuist in/tegen het gezicht/hoofd en/of lichaam heeft geslagen/gestompt en/of

  • -

    (vervolgens) (toen die [slachtoffer 1] op de grond lag) die [slachtoffer 1] meermalen, althans éénmaal met (forse) kracht (met geschoeide voet)in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen de nek, althans (en/of) (elders) tegen het lichaam heeft geschopt/getrapt; en/of

  • -

    (vervolgens) die [slachtoffer 1] (opnieuw) (meer malen, althans een maal heeft) geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 maart 2014 te Eindhoven aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken oogkas) heeft toegebracht, door deze opzettelijk en met kracht (met geschoeide voet) tegen diens hoofd/gezicht en/of lichaam te trappen/schoppen en/of tegen dienst hoofd en/of lichaam te slaan/stompen

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 maart 2014 te Eindhoven, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

  • -

    die [slachtoffer 1] met de (rechter)vuist in/tegen het gezicht/hoofd geslagen/gestompt en/of

  • -

    (vervolgens) toen die [slachtoffer 1] op de grond lag die [slachtoffer 1] meermalen, althans éénmaal met (forse) kracht in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen de nek, althans (elders) tegen het lichaam, heeft geschopt/getrapt en/of geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Inleiding.

Op grond van de inhoud van de hierna weergegeven bewijsmiddelen heeft de rechtbank het navolgende vastgesteld. Op 29 maart 2014 heeft verdachte het slachtoffer [slachtoffer 1] mishandeld door het slachtoffer tegen het hoofd te schoppen en te slaan. Ten gevolge van die mishandeling heeft [slachtoffer 1] een fractuur van zijn oogballen, een breuk in zijn oogkas zonder dislocatie, en bloeduitstortingen aan beide ogen, aan de rechterzijde van zijn schedel en zijn rug opgelopen.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van oordeel dat verdachte door zijn handelen, met name door het met geschoeide voet krachtig trappen (als in een voetbaltrap) van het slachtoffer tegen het hoofd, het voorwaardelijk opzet op de dood van slachtoffer [slachtoffer 1] heeft gehad. De officier van justitie kwalificeert het handelen van verdachte dan ook als poging tot doodslag en concludeert tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging.

Door verdachte is erkend dat hij geweld heeft toegepast tegen het slachtoffer, door hem in ieder geval een keer tegen het hoofd te slaan. Verdachte heeft het slachtoffer bewust geslagen en ten aanzien van die klap was ook sprake van opzettelijk handelen, maar geenszins had verdachte daarbij het (voorwaardelijk) opzet op dodelijk of zwaar lichamelijk letsel. Weliswaar is er sprake van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer, maar niet kan worden vastgesteld dat dit letsel is veroorzaakt door de enkele klap, die verdachte opzettelijk heeft toegebracht.

Na die eerste klap is bij verdachte “de knop omgegaan” en weet hij niet meer wat er is gebeurd. Eerst achteraf is verdachte duidelijk geworden wat hij heeft aangericht, echter kan verdachte zich van zijn gedragingen zelf niets meer herinneren. Gelet hierop is geen sprake van opzettelijk handelen bij verdachte na de eerste klap, gericht op de dood of zwaar lichamelijk letsel. Ook is er volgens de verdediging geen sprake geweest van voorwaardelijk opzet bij verdachte gericht op de dood van het slachtoffer dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, omdat er geen sprake was van bewuste aanvaarding van een dergelijk gevolg, of het zich willens en weten blootstellen aan de aanmerkelijk kans dat een dergelijk gevolg zou intreden.

Gelet op dit alles concludeert de verdediging dat verdachte van het primair ten laste gelegde feit, poging tot doodslag, en het subsidiair ten laste gelegde feit, zware mishandeling, moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het bewijs van het meer subsidiair ten laste gelegde feit, de poging tot zware mishandeling, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat dit feit niet bewezen kan worden verklaard voor zover het betreft de geweldshandelingen die zijn verricht na de eerste klap, gelet op hetgeen hiervoor reeds is weergegeven. Voor wat betreft de vraag of de eerste klap als een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt, refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen 1.

De verklaring van [slachtoffer 1] op 31 maart 2014 afgelegd.

[pag. 30 en 31]

Op 29 maart 2014 omstreeks 14.00 uur liep ik met mijn vriendin, [betrokkene], over de Stratumsedijk te Eindhoven. Ter hoogte van coffeeshop New Waves kwam ons de mij bekende [verdachte] uit [woonplaats] tegemoet. Op het moment dat wij elkaar passeerden, kwam [verdachte] op mij afgelopen. Ik zag gelijk dat hij met gebalde vuist op mij af kwam gelopen en dat hij mij sloeg. Ik voelde gelijk dat hij met kracht tegen mijn linkeroog sloeg. Ik kan me vanaf dat moment niets meer herinneren. Ik werd wakker toen ik in de ambulance lag.

Ik heb twee dagen in het ziekenhuis gelegen en in die periode is geconstateerd dat ik een gebroken oogkas, een hersenschudding, een scheve neus, een scheve kaak veel pijn aan de rechterzijde van mijn hoofd en een flinke schaafwond op mijn rug had opgelopen.

Het formulier medische informatie op 31 maart 2014 opgemaakt en ondertekend door arts [arts 1]. Dit formulier houdt onder meer zakelijk weergegeven in [pag. 35].

Medische informatie over [slachtoffer 1], geboren op [1988], wonende te [woonplaats], [adres 2]; datum voorval: 29 maart 2014. Uitwendig waargenomen letsel: hematoom ogen beiderzijds, hematoom rechterzijde schedel, hematoom op rug, fractuur oogballen.

Het formulier medische informatie op 31 maart 2014 opgemaakt en ondertekend door kaakchirurg [arts 2]. Dit formulier houdt onder meer zakelijk weergegeven in [pag. 36].

Medische informatie over [slachtoffer 1], geboren op [1988], wonende te [woonplaats], [adres 2]. Uitwendig waargenomen letsel: blauw oog met breuk in oogkas zonder dislocatie.

De verklaring van [betrokkene] [vriendin van het slachtoffer] op 29 maart 2014 afgelegd [pag. 39].

Op 29 maart 2014 omstreeks 14.15 uur liep ik met mijn vriend [slachtoffer 1] over de Stratumsedijk te Eindhoven. Ter hoogte van coffeeshop New Wave kwam een jongen ons tegemoet lopen. Ik zag dat deze jongen [slachtoffer 1] een vuistslag in zijn gezicht gaf. Ik zag dat [slachtoffer 1] hierdoor viel. Ik zag dat de jongen [slachtoffer 1] vervolgens tegen zijn hoofd trapte. Hierop kwam ik tussenbeiden en de jongen liep weg. [slachtoffer 1] bloedde flink uit zijn gezicht.

De verklaring van [getuige] [voorbijganger] op 14 april 2014 afgelegd.

[pag. 45]

Op 29 maart 2014 omstreeks 14.15 uur liep ik naar mijn auto die geparkeerd stond voor coffeeshop New Wave, gelegen aan de Stratumsedijk te Eindhoven. Ik zag aan de overzijde van de straat een vechtpartij. Ik zag dat een jongen een slaande beweging maakte met zijn vuist richting een andere jongen, die samen met een meisje liep. Ik zag dat de vuistslag met flinke kracht en opzet gegeven werd op het gezicht van de jongen. Ik zag dat het slachtoffer direct op de grond viel. Vervolgens zag ik dat de jongen het slachtoffer wederom met kracht en met gebalde vuist op het gezicht sloeg en vervolgens een harde trap gaf tegen het hoofd van het slachtoffer. Ik zag dat de geschoeide voet van de jongen ver naar achteren ging en vervolgens met volle kracht naar voren en dat hij hierbij het hoofd van het slachtoffer raakte. Ondertussen sloeg de jongen nog met flinke kracht en met opzet met gebalde vuist tegen het hoofd van het slachtoffer aan. Vervolgens ben ik gaan helpen.

Het relaas van [verbalisant 1].

[pag. 47]

Op 4 april 2014 heb ik de camerabeelden, gemaakt met de beveiligingscamera van coffeeshop New Wave, gelegen aan de Stratumsedijk 38 te Eindhoven, bekeken. Op de camerabeelden is te zien dat om 14.12 uur aan de overkant van de weg een jongen [rechtbank: jongen 1 = aangever [slachtoffer 1]] en een meisje in de richting van het centrum lopen. Vanuit het centrum van Eindhoven komt een andere jongen [rechtbank: jongen 2 = verdachte] lopen. Jongen 2 springt op en slaat met kracht tegen het hoofd van jongen 1 die daardoor direct op de grond valt. Jongen 2 slaat jongen 1 nogmaals op het hoofd, waarna jongen 2 een krachtige trap tegen het hoofd van jongen 1 geeft. Direct daarna geeft jongen 2 weer een vuistslag tegen het hoofd van jongen 1. Vervolgens loopt jongen 2 rustig verder en jongen 1 blijft op de grond liggen.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 26 januari 2014 het navolgende verklaard.

Op 29 maart 2014 liep ik over de Stratumsedijk te Eindhoven. Ter hoogte van coffeeshop New Waves kwam ik de mij bekende [slachtoffer 1] tegen. Hij liep daar samen met een vrouw. Ik ben naar hem toe gelopen en ik heb hem tegen zijn hoofd geslagen.

Het oordeel van de rechtbank.

Gelet op de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer [slachtoffer 1] eenmaal met geschoeide voet tegen het hoofd heeft geschopt en dat verdachte het slachtoffer [slachtoffer 1] meermalen tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat het opzet bij verdachte na de eerste klap ontbrak. De enkele verklaring van verdachte dat bij hem na de eerste klap “de knop omging” en hij zich niet meer kan herinneren wat er daarna is gebeurd, is hiertoe onvoldoende. Uit de uiterlijke verschijningsvormen van de gedragingen van verdachte leidt de rechtbank af dat hij ook na de eerste slag het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van pijn en letsel aan [slachtoffer 1]. Immers, meteen na de eerste klap viel het slachtoffer op de grond, waarna verdachte het slachtoffer opnieuw sloeg en ook schopte. Hierbij betrekt de rechtbank dat het geen willekeurig slachtoffer betrof, maar iemand waartegen verdachte reeds jarenlang wrok koesterde, hetgeen bij deze eerste ontmoeting sinds jaren klaarblijkelijk tot uiting is gekomen en waarbij verdachte, zo begrijpt de rechtbank, volledig door het lint is gegaan. Onder deze omstandigheden kan dan ook niet worden volgehouden dat verdachte van elk bewustzijn, van elk inzicht in de reikwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan verstoken is geweest na het uitdelen van de eerste klap. Voor die conclusie biedt het onderzoek ter terechtzitting immers geen enkel aanknopingspunt Ook de bevindingen van de deskundigen die over de geestvermogens van verdachte hebben gerapporteerd, geven daartoe geen enkele aanleiding. De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, niet aangetoond dat verdachte hierbij ook de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer dodelijk letsel zou toebrengen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de kans naar algemene ervaringsregels niet aanmerkelijk te achten, dat iemand door een enkele trap tegen het hoofd om het leven komt, bijzondere omstandigheden daargelaten. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in deze zaak niet gebleken. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair aan hem ten laste gelegde feit, poging tot doodslag. .

Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer 1] door het gewelddadig handelen van verdachte een breuk van de oogkas en de oogballen en diverse bloeduitstortingen aan het hoofd en rug heeft opgelopen. De rechtbank is - anders dan de verdediging - van oordeel dat dit letsel niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden gekwalificeerd. De rechtbank acht het subsidiair aan verdachte ten laste gelegde feit, zware mishandeling, dan ook niet wettig en overtuigend bewezen. Ook van dit feit zal verdachte worden vrijgesproken.

Het gewelddadig handelen van verdachte, bestaande uit het eenmaal met geschoeide voet tegen het hoofd van [slachtoffer 1] schoppen en het meermalen met de vuist tegen het hoofd van [slachtoffer 1] slaan, kan naar algemene ervaringsregels wel tot zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer leiden. Dit is zeker het geval indien het geweld, zoals in deze zaak, wordt uitgeoefend tegen een weerloos op de grond liggend slachtoffer. Door zijn gewelddadig optreden tegen [slachtoffer 1] heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] daardoor zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Verdachte had het gevolg en risico van zijn handelen, als normaal denkend mens, ook kunnen en moeten begrijpen. De rechtbank acht derhalve het meer subsidiair aan verdachte ten laste gelegde feit, poging tot zware mishandeling, wettig en overtuigend bewezen, een en ander zoals hierna onder “de bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

op 29 maart 2014 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] met de vuist in/tegen het gezicht/hoofd heeft gestompt en vervolgens, toen die [slachtoffer 1] op de grond lag die [slachtoffer 1] éénmaal met kracht tegen het hoofd heeft geschopt en meermalen tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde.

  • -

    Achttien maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar onder oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals die in het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport nader staan omschreven.

  • -

    Toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag € 2.340,-- (€ 2.000,-- immaterieel en € 340,-- materieel) en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij ten aanzien van het restant van de vordering.

  • -

    Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van € 2.340,-- subsidiair 45 dagen hechtenis.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat als strafoplegging kan worden volstaan met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk gedeelte van die straf kunnen de voorwaarden worden gekoppeld zoals omschreven in het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport.. Zo nodig kan deze straf met een taakstraf worden aangevuld.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd, met dien verstande dat de door de benadeelde partij aangehaalde zaak geen vergelijkbare zaak betreft. De verdediging zou zich kunnen vinden in een bedrag van € 2000,-- aan immateriële schadevergoeding.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Bij de beraadslaging over de aan verdachte op te leggen straf heeft de rechtbank tevens rekening gehouden met de inhoud van de door GZ-psychologen drs. Mikkers en drs. Van Helvoirt opgemaakte rapportage naar aanleiding van het door hen ingestelde psychologische onderzoek omtrent de persoon van verdachte. Beiden concluderen dat verdachte als volledig toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd ten aanzien van hetgeen hem wordt verweten.

In het nadeel van verdachte weegt mee.

Verdachte heeft zich op klaarlichte dag schuldig gemaakt aan mishandeling van aangever [slachtoffer 1]. Deze mishandeling vond plaats op een tijdstip waarop er mensen op straat waren. Verdachte is die dag, zonder dat er op dat moment enige concrete aanleiding toe bestond, overgegaan tot gewelddadig optreden tegenover het slachtoffer. Voor het slachtoffer moet dit een angstige en schokkende gebeurtenis zijn geweest. Daarnaast heeft verdachte met zijn handelen een negatieve bijdrage geleverd aan de in de samenleving heersende gevoelens van angst en onveiligheid.

Voordat verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd, is hij eerder veroordeeld, onder andere voor geweldsdelicten. Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte er niet van weerhouden het bewezen verklaarde feit te plegen.

In het voordeel van verdachte weegt mee.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat verdachte geen willekeurig slachtoffer heeft gekozen, maar dat hij het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft mishandeld omdat verdachte ervan overtuigd is dat [slachtoffer 1] in het verleden een van de zussen van verdachte heeft mishandeld. Verdachte heeft verklaard dat hij spijt heeft van zijn handelen en dat hij [slachtoffer 1] niet nogmaals iets zal aandoen. In dit licht bezien is de rechtbank van oordeel dat er een beperkt gevaar bestaat dat verdachte opnieuw een geweldsdelict tegen het slachtoffer [slachtoffer 1] of enig ander persoon zal plegen.

De strafmodaliteit

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt gelijk aan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Door een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, wil de rechtbank enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds invloed uit oefenen op het gedrag van de verdachte om zo tegen te gaandat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt . Daarom zullen aan het voorwaardelijke gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf de in het dictum nader te noemen voorwaarden worden gekoppeld.

Daarnaast acht de rechtbank oplegging van een taakstraf passend en geboden. Voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren vervult, zal de rechtbank bevelen dat aan hem vervangende hechtenis zal worden opgelegd voor de hierna te vermelden duur.

Conclusie

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een taakstraf van 90 uur en een gevangenisstraf van 150 dagen met aftrek, waarvan 108 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, onder de in het dictum nader te noemen voorwaarden passend en geboden is.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de gevorderde materiële schadevergoeding tot een bedrag van € 430,-- en een deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding door de rechtbank naar redelijkheid begroot op een bedrag van € 2.000,--, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente zoals in het dictum van dit vonnis nader zal worden omschreven. Het restant van de gevorderde immateriële schadevergoeding zal de rechtbank afwijzen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente zoals in het dictum van dit vonnis nader zal worden omschreven.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Spreekt verdachte vrij van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten.

Verklaart het meer subsidiair ten laste gelegde feit bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het meer subsidiair bewezen verklaarde feit levert op het misdrijf:

Poging tot zware mishandeling.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen en maatregel.

Ten aanzien van het meer subsidiair bewezen verklaarde feit.

 Een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen.

Beveelt dat de tijd die veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf groot 108 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat veroordeelde voor het einde van een proeftijd van twee jaren [een van] de hierna te noemen voorwaarden heeft overtreden.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering en

  • -

    zich binnen twee dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij de Reclassering Nederland, locatie 's-Hertogenbosch, gelegen aan de Eekbrouwersweg 6 te

's-Hertogenbosch door te bellen met telefoonnummer 073-6408080; hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en

- aan de gedragsinterventie GI-RN Cognitieve vaardigheden zal deelnemen.

De Reclassering Nederland, regio's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te

's-Hertogenbosch, wordt opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving van deze voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 26 mei 2014 reeds geschorst.

 Een taakstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis

 Maatregel van schadevergoeding van € 2.430,-- subsidiair 34 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van € 2.430,-- (tweeduizend vierhonderd dertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 45 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het toegewezen bedrag bestaat uit € 2.000,-- immateriële schadevergoeding en € 430,-- materiële schadevergoeding. De immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum, 29 maart 2014, tot de dag der algehele voldoening. De materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de indiening van de vordering, 13 januari 2015, tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1], van een bedrag van

€ 2.430,-- (tweeduizend vierhonderd dertig euro).

Het toegewezen bedrag bestaat uit € 2.000,-- immateriële schadevergoeding en € 430,-- materiële schadevergoeding. De immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum, 29 maart 2014, tot de dag der algehele voldoening. De materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de indiening van de vordering, 13 januari 2015, tot aan de dag der algehele voldoening.

Wijst de vordering voor het overige af.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.A. van Gameren, voorzitter,

mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. H.F. Koenis, leden,

in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,

en is uitgesproken op 9 februari 2015.

1 Tenzij anders vermeld, wordt verwezen naar de paginanummers uit het proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, afde-ling Eindhoven Strijp, registratienummer PL2207-2014042223, afgesloten op 8 april 2014, aantal doorgenummerde bladzijden: 58.