Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:646

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-02-2015
Datum publicatie
09-02-2015
Zaaknummer
01/879393-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van 4 jaren met aftrek voorarrest voor een gewapende woningoverval, het voorhanden hebben van pillen bevattende MDMA en het voorhanden hebben van hasjiesj en een stroomstootwapen. Voorts moet verdachte schade vergoeden aan de twee slachtoffers van de woningoverval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/879393-13

Datum uitspraak: 09 februari 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1983],

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in p.i. Grave, locatie Oosterhoek [HvB], te Grave.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 1 juli 2014, 9 september 2014, 30 oktober 2014 en 26 januari 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 3 juni 2014. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. A. hij op of omstreeks 13 augustus 2013 te [gemeente], gemeente Bernheze,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit de woning [adres 1] twee mobiele telefoons, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of[slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1]en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader die [slachtoffer 2] stevig heeft vastgepakt en/of heeft getracht die [slachtoffer 1]te boeien met tiewraps en/of dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft gericht op die [slachtoffer 1]en/of tegen die [slachtoffer 1]en/of die [slachtoffer 2] heeft geroepen dat hij/zij moest(en) gaan liggen en/of die [slachtoffer 1]met kracht tegen de grond heeft geduwd en/of gedrukt en/of dat vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 1]heeft gedrukt en/of met dat vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 1]heeft geslagen en/of (daarbij) heeft gezegd "geld, geld, 1 miljoen";

en/of

B. hij op of omstreeks 13 augustus 2013 te [gemeente], gemeente Bernheze, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, in de woning [adres 1], door geweld en/of bedreiging met geweld[slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (ten bedrage van 500 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of[slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader die [slachtoffer 2] stevig heeft vastgepakt en/of heeft getracht die [slachtoffer 1]te boeien met tiewraps en/of dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft gericht op die [slachtoffer 1]en/of tegen die [slachtoffer 1]en/of die [slachtoffer 2] heeft geroepen dat hij/zij moest(en) gaan liggen en/of die [slachtoffer 1]met kracht tegen de grond heeft geduwd en/of gedrukt en/of dat vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 1]heeft gedrukt en/of met dat vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 1]heeft geslagen en/of (daarbij) heeft gezegd "geld, geld, 1 miljoen";

2. hij op of omstreeks 18 maart 2014 te Tilburg, in elk geval in Nederland, een personenauto (merk BMW) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die personenauto wist dat het een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof; (artikel 416 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 maart 2014 te Eindhoven met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk BMW), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3. hij op of omstreeks 18 maart 2014 te Tilburg, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 222 pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4. hij op of omstreeks 18 maart 2014 te Tilburg, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 48,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5. hij op of omstreeks 18 maart 2014 te Tilburg, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (een) wapen(s) van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

TEN AANZIEN VAN HET ONDER 1 TEN LASTE GELEGDE FEIT.

Inleiding.

Op grond van de inhoud van de hierna weergegeven bewijsmiddelen heeft de rechtbank het navolgende vastgesteld. Op 13 augustus 2013 omstreeks 23.45 uur heeft een gewapende woningoverval plaatsgevonden op het adres [adres 1] te [gemeente], gemeente [gemeente 2]. Op het moment van deze overval waren de bewoners van die woning, aangevers [slachtoffer 1]en [slachtoffer 2], in de woning aanwezig. De overval is door twee daders gepleegd. Beide daders droegen bivakmutsen en één van hen was in het bezit van een vuurwapen. Dit wapen heeft hij gericht op en gedrukt tegen het hoofd van [slachtoffer 1]. De andere dader heeft getracht [slachtoffer 2] te boeien met tiewraps (rechtbank: waar hierna wordt gesproken over tiewraps, wordt daaronder ook verstaan kabelbinders en vice versa). [slachtoffer 2] heeft geprobeerd om de bivakmuts van het hoofd van deze dader te trekken. De overvallers hebben twee mobiele telefoons weggenomen en aangeefster [slachtoffer 2] is gedwongen geld aan hen af te geven.

Nadat de overvallers de woning hadden verlaten, is in de woning van aangevers een stukje stof aangetroffen, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid afkomstig van de bivakmuts van een van de overvallers. . Bij het onderzoek door het NFI is op dit stukje stof een DNA-profiel aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van verdachte. Ook zijn er in de woning twee tiewraps aangetroffen. Het NFI heeft op beide tiewraps een DNA-mengprofiel aangetroffen, waarbij beide keren ook een (hierna nader te beschrijven) match met het DNA-profiel van verdachte is geconstateerd.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht dit feit wettig en overtuigend bewezen. Op drie door de daders achtergelaten sporen, te weten een stukje stof en twee tiewraps, is het DNA van verdachte aangetroffen. Verdachte heeft hiervoor geen verklaring gegeven. In combinatie met de verklaringen van aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]acht de officier van justitie dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van aangevers enkel worden ondersteund door het aantreffen van zogenaamd verplaatsbaar DNA dat mogelijk afkomstig is van verdachte. Bij gebrek aan enig steunbewijs, ondanks al het politieonderzoek, acht de verdediging dit onvoldoende om daaruit te kunnen concluderen dat verdachte een van de overvallers is geweest. Bovendien komt het signalement van verdachte niet overeen met dat van de overvallers en spraken de overvallers, anders dan verdachte die Nederlands spreekt, onderling in een vreemde buitenlandse taal. De verdediging bepleit vrijspraak van verdachte voor dit feit.

De bewijsmiddelen. 1

De verklaring van [slachtoffer 1].

[pag. 134-137 - afgelegd op 13 augustus 2013].

pag. 134: Samen met mijn vrouw [slachtoffer 2] ben ik woonachtig op het adres [adres 1] te [gemeente]. Op 23 augustus 2013 omstreeks 23.30 uur ben ik naar buiten geweest en ik heb de poort aan de voorzijde van onze woning en de deur van de garage op slot gedaan.

pag. 135: Daarna ben ik met mijn vrouw aan de keukentafel gaan zitten. Ongeveer een kwartiertje later hoorde ik plotseling gestommel. Direct daarop zag ik een onbekend manspersoon de keuken binnen stormen. Ik zag dat deze persoon een pistool in zijn hand had. De man kwam direct op mij afgelopen. Hij richtte dit vuurwapen op mij en riep iets in de trant van “liggen, liggen”. Ik deinsde achteruit en ik ben achter mijn stoel op de grond gevallen en ik heb mezelf beschermd met mijn handen boven mijn hoofd. Die man zette vervolgens dat vuurwapen op mijn hoofd. Omdat ik nog op de vloer lag en mijn hoofd beschermde, voelde ik dat hij dat wapen midden op mijn hoofd drukte. De man zei vervolgens iets van “geld, geld, 1 miljoen”. Ik zag toen pas een tweede man.

Ik kreeg mee dat [slachtoffer 2] haar portemonnee pakte en dat zij deze aan dader 2 gaf. Deze dader liep daarmee terug naar de bijkeuken en ik zag dat dader 1 achteruit lopend ook naar de bijkeuken ging. Hierbij bleef hij echter zijn pistool op mij richten. Ze hebben toen de portemonnee leeg gemaakt. Hierop zijn de daders vertrokken. Beide daders droegen bivakmutsen. Ik begreep later dat mijn vrouw nog naar de bivakmuts van dader 2 heeft gegrepen. Een stukje daarvan ligt nog op de keukenvloer. Hier zijn wij niet aan geweest.

Uit de portemonnee is een totaal geldbedrag van € 500,-- weggenomen. Voorts zijn er door de daders nog twee mobiele telefoons meegenomen. Dit betreffen de mobiele telefoons van mijn

pag. 136: vrouw [slachtoffer 2] en van mij. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van dit feit.

[pag. 140-146 – afgelegd op 16 augustus 2013]

pag. 141: Ter aanvulling op mijn eerder afgelegde verklaring verklaar ik dat de eerste dader de keukendeur in één beweging open duwde en op mij afstormde. Hij duwde mij in dezelfde beweging van mijn stoel. Ik lag op mijn buik. Ik probeerde nog een keer omhoog te komen en toen sloeg hij mij met zijn pistool op mijn hoofd. “Liggen” riep hij toen weer. Dat was op een dreigende manier.

pag. 144:

De verklaring van[slachtoffer 2].

[pag. 147-149 – afgelegd op 14 augustus 2013]

pag. 147: Samen met mijn man, [slachtoffer 1], woon ik op de [adres 1] te [gemeente]. Op 13 augustus 2013 omstreeks 23.45 uur zat ik met mijn man aan de keukentafel. Ik hoorde de deur van de keuken naar de berging open gaan. Ik keek naar de deur en ik zag een persoon staan die een handvuurwapen in zijn hand hield. Ik hoorde de man iets roepen met “overval”.

pag. 148: Ik zag dat deze man zijn gehele gezicht bedekt had met iets wat op een bivakmuts leek. Toen de man met het pistool de keuken binnen kwam, zag ik een tweede persoon de keuken binnen komen. Ik zag dat de man met het pistool even vlug zijn pistool naar mij en mijn man op en neer wees. Ik zag dat deze man vervolgens naar mijn man [slachtoffer 1] liep.

Ik zag dat de tweede man op mij af kwam. Ik hoorde de tweede man roepen “ga liggen”. Ik ben toen direct op de grond gaan liggen voor het keukenblok. Ik hoorde de tweede man roepen “geld”. Ik ben meteen opgestaan en naar het keukenaanrecht gelopen want daar lag mijn portemonnee. Ik heb de portemonnee op de keukentafel gelegd en ik heb gezegd dat daar het geld in zat. Ik hoorde dat de man naar mij bleef roepen “liggen”. Ik hoorde de man met het pistool roepen “1 miljoen”. Dit hoorde ik hem enkele keren herhalen. Ik lag op de grond en ik merkte dat de tweede man mij vast wilde gaan binden. Ik hoorde hem roepen “ga liggen en doe je handen naar voren”. Ik zag toen zwarte tiewraps op de grond liggen. Ik voelde een enorme angst in mijn lichaam, met name toen ze mij vast wilden binden.

Ik heb op mijn linkerarm aan de achter- en binnenzijde een blauwe plek. Dit kwam omdat ik, toen ik de mannen zag komen en de tweede man op mij af kwam, ik in het gezicht van deze man heb gegrepen. Ik wilde de muts van zijn hoofd trekken. Ik weet niet meer hoe hij mij heeft vast

pag. 149: gepakt. Nadat de mannen weg waren, zag ik dat de mobiele telefoons van mijn man en mij weg waren. In de portemonnee zat ongeveer € 500,-- aan briefgeld.

[pag. 150- 154 – afgelegd op 16 augustus 2013]

pag. 150: Ter aanvulling op mijn eerder afgelegde verklaring verklaar ik dat de man met het pistool in de hand als eerste keuken binnen kwam. Hij zag mijn man en liep op hem af. Hij duwde mijn man van de stoel en bleef bij hem met het pistool.

[verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris – afgelegd op 7 oktober 2013]

Ik werd door de tweede man vastgepakt. Ik wilde het doek van zijn gezicht trekken. Ik heb het ook vast gehad. Nadat ik de politie had gebeld, heb ik een stukje stof zien liggen op de plek waar ik tegen de vlakte was gewerkt. Ik herkende dat stukje stof niet. Ik had het nog nooit eerder gezien.

Het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

[pag. 158-161]

pag. 158: Op 15 september 2013 werd door ons een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een overval in een woning. Betrokken aangever is[slachtoffer 2], wonende te [adres 1]

pag. 159: Tijdens het ingestelde onderzoek toonden collega’s ons op de vloer twee kabelbinders. Deze kabelbinders werden veiliggesteld voor nader [DNA]onderzoek. Tevens toonden de collega’s ons een deel textiel wat afkomstig zou zijn van een bivakmuts die door een dader zou zijn

pag. 160: gedragen. Dit deel textiel zou los zijn gekomen tijdens de worsteling tussen het slachtoffer en de dader. Het deel textiel werd veiliggesteld voor nader [DNA/vergelijkend]onderzoek.

Onder meer de navolgende sporen werden veiliggesteld:

  • -

    textiel, één deel van een blauwe bivakmuts, SIN AADZ8359NL, aangetroffen op de vloer in de keuken [foto 17 en 18, pag. 171] en

  • -

    een zwarte kabelbinder, SIN AAEL2968NL, aangetroffen op de keukenvloer [foto 15, pag. 170] en

  • -

    een zwarte kabelbinder, SIN AAEL2967NL, aangetroffen op de keukenvloer bij de kinderstoel [foto 15, pag. 170].

Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 29 oktober 2013, zaaknummer 2013.10.07.106, aanvraag 001 [pag. 178-180]. Dit rapport houdt onder meer zakelijk weergegeven in.

Rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een overval gepleegd in [gemeente] op 13 augustus 2013. Materiaal dat onderworpen is aan een DNA-onderzoek:

  • -

    AADZ8359NL#01: een bemonstering van zijde 1 van een stukje textiel en

  • -

    AADZ8359NL#02: een bemonstering van zijde 2 van een stukje textiel en

  • -

    AAEL2967NL#01: een bemonstering van de gehele kabelbinder.

Resultaten, interpretatie en conclusie: Van het referentiemonster wangslijmvlies van slachtoffer [slachtoffer 2] is een DNA-profiel verkregen dat betrokken is bij het vergelijkend DNA-onderzoek.

  • -

    AADZ8359NL#01: DNA-profiel van een man dat afkomstig kan zijn van [verdachte]. Matchkans DNA-profiel: kleiner dan één op één miljard.

  • -

    AADZ8359NL#02: DNA-mengprofiel van twee personen dat afkomstig kan zijn van [verdachte] en[slachtoffer 2]

  • -

    AAEL2967NL#01: onvolledig DNA-mengprofiel van ten minste twee personen, waarbij [verdachte] niet kan worden uitgesloten.

Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 13 januari 2014, zaaknummer 2013.10.07.106, aanvraag 002 [pag. 182-184]. Dit rapport houdt onder meer zakelijk weergegeven in.

Rapport aanvullend DNA-onderzoek naar aanleiding van een overval gepleegd in [gemeente] op 13 augustus 2013. Op grond van de eerste resultaten van het standaard DNA-onderzoek aan de bemonstering van AAEL2967NL#01 van een kabelbinder is het standaard DNA-onderzoek aan deze bemonstering herhaald om de reproduceerbaarheid van de verkregen resultaten te onderzoeken. Van het materiaal in de bemonstering AAEL2967NL#01 is een complex DNA-mengprofiel verkregen met daarin DNA-kenmerken van tenminste drie personen, waarvan minimaal één man.

De DNA-profielen van het slachtoffer [slachtoffer 2] en van [verdachte] zijn betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek. Het DNA-profiel van [verdachte] matcht met dit DNA-mengprofiel. Dit betekent dat [verdachte] één van de donoren kan zijn van het celmateriaal in de bemonstering AAEL2967NL#01. De resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn beschouwd onder het volgende hypothesepaar:

  • -

    Hypothese I: De bemonstering AAEL2967NL#01 bevat celmateriaal van [verdachte] en twee willekeurige onbekende personen, niet verwant aan elkaar of aan [verdachte].

  • -

    Hypothese II: De bemonstering van AAE:2967NL#01 bevat celmateriaal van drie willekeurig onbekende personen, niet verwant aan elkaar of aan [verdachte].

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker als hypothese I juist is, dan als hypothese II juist is [waarschijnlijkheidsterm > 1.000.000].

Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 7 augustus 2014, zaaknummer 2013.10.07.106, aanvraag 007. Dit rapport houdt onder meer zakelijk weergegeven in.

Rapport aanvullend DNA-onderzoek naar aanleiding van een overval gepleegd in [gemeente] op 13 augustus 2013. Op grond van de eerste resultaten van het standaard DNA-onderzoek aan de bemonstering van AAEL2968NL#01 van een kabelbinder is het standaard DNA-onderzoek aan deze bemonstering herhaald om de reproduceerbaarheid van de verkregen resultaten te onderzoeken. Van het materiaal in de bemonstering AAEL2968NL#01 is een DNA-mengprofiel van tenminste drie personen verkregen. Het celmateriaal kan afkomstig zijn van[slachtoffer 2], [verdachte] en ten minste één andere persoon.

Er is aangenomen dat de bemonstering van AAEL2968NL#01 celmateriaal bevat van drie personen. Vanwege de match tussen het DNA-mengprofiel van het celmateriaal in de bemonstering AAEL2968NL#01 en het DNA-profiel van het slachtoffer[slachtoffer 2] en op grond van eerder verkregen informatie wordt daarom aangenomen dat[slachtoffer 2] zelf één van de donoren van het celmateriaal in de bemonstering kan zijn. Onder deze aannamen zijn de resultaten van het DNA-onderzoek beschouwd onder het volgende hypothesepaar.

  • -

    Hypothese I: De bemonstering bevat celmateriaal van het slachtoffer[slachtoffer 2], de verdachte [verdachte] en één onbekende persoon, niet verwant aan[slachtoffer 2] of [verdachte].

  • -

    Hypothese II: De bemonstering bevat celmateriaal van het slachtoffer[slachtoffer 2] en twee willekeurige onbekende personen, niet verwant aan elkaar of aan[slachtoffer 2] of [verdachte].

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn veel waarschijnlijker als hypothese I juist is, dan als hypothese II juist is [waarschijnlijkheidsterm: 100-10.000].

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat twee daders op 13 augustus 2013 aangevers [slachtoffer 1]en [slachtoffer 2] in hun woning hebben overvallen. Aangeefster [slachtoffer 2] heeft onder meer verklaard dat de overvallers bivakmutsen droegen en dat zij één van de daders bij zijn bivakmuts heeft vastgepakt. Na de overval is in de woning van aangevers een stukje stof aangetroffen, waarover [slachtoffer 2] verklaart dat zij dit voor de overval niet had gezien. Op de ene zijde van dit stukje stof is DNA aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van verdachte en op de andere zijde van dit stukje stof is een DNA-mengprofiel aangetroffen dat een match oplevert met de DNA-profielen van verdachte en aangeefster [slachtoffer 2]. Het NFI heeft vastgesteld dat de kans dat het DNA-profiel van verdachte ook overeenkomt met het DNA-profiel van een willekeurig ander persoon kleiner is dan één op één miljard. De resultaten van dit DNA-onderzoek sluiten aan bij de verklaring die aangeefster [slachtoffer 2] heeft afgelegd.

Gelet hierop gaat de rechtbank er dan ook vanuit dat aangeefster [slachtoffer 2] het stukje stof, waarop later het DNA-profiel van verdachte is aangetroffen, van de bivakmuts van een van de daders heeft losgetrokken. Hoewel het aangetroffen stukje stof een verplaatsbaar voorwerp betreft, is de rechtbank niettemin van oordeel dat er in casu, gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, sprake is van een sterk daderspoor. Dit daderspoor is immers niet het enige aangetroffen spoor.

Naast het stukje stof van de bivakmuts zijn ook de twee kabelbinders na de overval op de keukenvloer aangetroffen. De rechtbank gaat er vanuit dat ook deze kabelbinders door de overvallers ter plaatse zijn achtergelaten. Ook deze kabelbinders zijn dadersporen. Op beide kabelbinders is een DNA-profiel gevonden, dat zodanige overeenkomsten vertoont met het DNA-profiel van verdachte, dat het NFI het bij een van de kabelbinders veel waarschijnlijker en bij de andere extreem veel waarschijnlijker acht dat het DNA van verdachte is dan van een onbekende derde. Gelet op de aangetroffen dadersporen in de overvallen woning op de plaats waar aangeefster heeft getracht een van de overvallers te ontmaskeren en waar die overvaller heeft getracht haar te boeien met tiewraps, die matchen met verdachte, mag van verdachte een redengevende verklaring worden verwacht.

De suggestie van de verdediging dat het stukje stof met het DNA van verdachte en de tiewraps op andere wijze dan door de aanwezigheid van verdachte op de plaats van het misdrijf terecht zijn gekomen, wordt op geen enkele wijze onderbouwd of concreet gemaakt. Een aannemelijke verklaring voor de aanwezigheid van het DNA van verdachte op dat stukje stof en de tiewraps, is door verdachte noch de verdediging gegeven, terwijl dit van hem gelet op voornoemde feiten en omstandigheden wel gevergd kan worden. Verdachte heeft ervoor gekozen om zich bij de politie te beroepen op zijn zwijgrecht en ter terechtzitting van 26 januari 2015 heeft verdachte op vragen met betrekking tot de aangetroffen DNA-sporen, slechts aangegeven hiervoor geen verklaring te hebben. . Verdachte heeft, geconfronteerd met het sporenmateriaal, klaarblijkelijk ook geen enkele aanleiding gezien op enig moment tijdens het onderzoek te vertellen waar hij dan volgens hem wel was ten tijde van de overval, zodat daar verder onderzoek naar had kunnen worden verricht.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat een alternatief scenario, waarin verdachte niet een van de daders van deze overval is, maar een onbekende derde de aangetroffen sporen heeft achtergelaten die matchen met verdachte, op geen enkele wijze aannemelijk is geworden. Bij gebreke van een redengevende en aannemelijke verklaring kan naar het oordeel van de rechtbank het redelijkerwijs niet anders zijn dan dat verdachte de aangetroffen sporen ten tijde van de overval heeft achtergelaten. Dat verdachte niet helemaal in het signalement van de daders zou passen en door de overvallers een buitenlandse taal zou zijn gesproken, doet aan dit oordeel van de rechtbank niets af.

Gelet op de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het onder 1A en 1B ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierna onder “de bewezenverklaring” nader zal worden aangegeven.

TEN AANZIEN VAN HET ONDER 2 TEN LASTE GELEGDE FEIT.

Evenals de officier van justitie, verdachte en zijn raadsman acht de rechtbank het onder 2 primair en subsidiair aan verdachte ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal van deze feiten worden vrijgesproken.

TEN AANZIEN VAN HET ONDER 3 TEN LASTE GELEGDE FEIT.

Op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen. Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn deze bewijsmiddelen niet uitgewerkt.

De bewijsmiddelen.

  • -

    het relaas van [verbalisant 3], pag. 199,

  • -

    het rapport van het NFI, zaaknummer 2013.10.07.106 van 6 mei 2014,

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 januari 2015 afgelegd.

TEN AANZIEN VAN HET ONDER 4 TEN LASTE GELEGDE FEIT.

Op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen. Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn deze bewijsmiddelen niet uitgewerkt.

De bewijsmiddelen.

  • -

    het relaas van [verbalisant 4], pag. 198,

  • -

    het relaas van [verbalisant 5], pag. 197,

  • -

    de verklaring van [verbalisant 6], pag. 91,

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 januari 2015 afgelegd.

TEN AANZIEN VAN HET ONDER 5 TEN LASTE GELEGDE FEIT.

De bewijsmiddelen.

Het relaas van [verbalisant 7].

[pag. 54 en 55]

Op 18 maart 2014 omstreeks 07.03 uur trad ik binnen in de woning [adres 2] te [plaats], bewoond door [persoon]. Bij deze doorzoeking werd op het keukenkastje een zogenaamde taser, in de vorm van een zaklamp, aangetroffen en in beslag genomen.

Het relaas van [verbalisant 8].

[pag. 201]

Op 24 maart 2014 heb ik een onderzoek ingesteld naar een op een wapen gelijkend voorwerp, wat op 18 maart 2014 in de woning [adres 2] te [plaats] in beslag is genomen onder [verdachte] [= verdachte].

Het op 18 maart 2014 bij [verdachte] in beslag genomen voorwerp is een stroomstootwapen in de vorm van een zaklamp. Dit voorwerp is een handwapen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, niet zijnde een medisch hulpmiddel. Derhalve is dit voorwerp een wapen in de zin van artikel 2 lid 1, categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie.

Het voorhanden hebben van een stroomstootwapen is verboden ingevolge artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld in artikel 55 lid 3 onder a van de Wet wapens en munitie. Van enige uitzonderingsbepaling is niet gebleken.

De verklaring van verdachte.

[afgelegd ter terechtzitting van 26 januari 2015]

Hett voorwerp in de vorm van een zaklamp, dat bij de doorzoeking in de woning van [persoon] is aangetroffen, was mijn eigendom en ik had dat in haar woning neergelegd. Nadat ik dit voorwerp had gekocht, heb ik niet geprobeerd of dit werkte.

Het oordeel van de rechtbank .

Op grond van de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een stroomstootwapen in de vorm van een zaklantaarn in zijn bezit heeft gehad. De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij niet wist dat het voorwerp een stroomstootwapen was, acht de rechtbank niet geloofwaardig, mede in het licht van zijn eigen verklaring dat hij de zaklamp niet in een winkel maar van “iemand” had gekocht, zonder dit verder te kunnen dan wel te willen concretiseren. Uit de vorm van de kop van het stroomstootwapen [foto’s op pag. 203 en 204] volgt ook duidelijk dat dit niet om een gewone zaklantaarn kon gaan. Daarnaast acht de rechtbank het onaannemelijk dat verdachte, als hij al in de veronderstelling heeft verkeerd dat hij een zaklamp had gekocht, niet heeft geprobeerd of die zaklamp naar behoren functioneerde.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven genoemde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. A. op 13 augustus 2013 te [gemeente], gemeente Bernheze, tezamen en in

vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit de woning [adres 1] twee mobiele telefoons, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of[slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1]en [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en/of zijn mededader die [slachtoffer 2] stevig heeft vastgepakt en heeft getracht te boeien met tiewraps en/of dreigend een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gericht op die [slachtoffer 1]en/of tegen die [slachtoffer 1]en die [slachtoffer 2] heeft geroepen dat zij moesten gaan liggen en/of met kracht een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 1]heeft geslagen en/of heeft gezegd "geld, geld, 1 miljoen";

en

B. op 13 augustus 2013 te [gemeente], gemeente Bernheze, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, in de woning [adres 1], door geweld en bedreiging met geweld[slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld ten bedrage van 500 euro toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of[slachtoffer 2], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en/of zijn mededader die [slachtoffer 2] stevig heeft vastgepakt en heeft getracht te boeien met tiewraps en/of dreigend een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gericht op die [slachtoffer 1]en/of tegen die [slachtoffer 1]en die [slachtoffer 2] heeft geroepen dat zij moesten gaan liggen en/of met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 1]heeft geslagen en/of heeft gezegd "geld, geld, 1 miljoen";

3. op 18 maart 2014 te Tilburg opzettelijk aanwezig heeft gehad 222 pillen van een materiaal bevattende MDMA, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4. op 18 maart 2014 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad 48,1 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

5. op 18 maart 2014 te Tilburg een wapen van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

 Ten aanzien van de onder 1, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten:

  • -

    vier jaar gevangenisstraf onvoorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

  • -

    onttrekking aan het verkeer van de voorwerpen genoemd onder nummers 2, 4, 5, 7, 8 en 9 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen

  • -

    gehele toewijzing van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 1.750,-- onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

  • -

    gehele toewijzing van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1]tot een bedrag van

€ 1.770,67 onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

 Ten aanzien van de onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten: vrijspraak.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van de onder 1 en onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van het bewijs van de onder 3, 4 en 5 aan verdachte ten laste gelegde feiten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Mocht de rechtbank tot een veroordeling van verdachte komen dan is de verdediging van oordeel dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht voldoende straf vormt. De verdediging heeft de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte verzocht. Daarbij heeft de verdediging opgemerkt dat zij er geen bezwaar tegen heeft indien de rechtbank eerst tijdens de beraadslaging op dit verzoek beslist.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

In het nadeel van verdachte weegt mee.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan een woningoverval. De woning is bij uitstek de plaats waar bewoners zich veilig moeten kunnen voelen. Het is algemeen bekend dat een overval in de woning enorme gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij de bewoners in het bijzonder en in de samenleving in het algemeen. Verdachte heeft zich daarvan niets aangetrokken.

Een overval, zeker wanneer daarbij geweld wordt gebruikt, is voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring waar zij nog jarenlang last van kunnen hebben en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichtingen op de vorderingen benadeelde partij en uit de schriftelijke slachtofferverklaringen blijkt dat dit ook bij de slachtoffers in deze zaak het geval is.

Het gewelddadig karakter van het door verdachte en zijn mededader gepleegde strafbare feit 1, laat zien dat verdachte er niet voor terugschrikt om al dan niet samen met anderen geweld tegen andere mensen te gebruiken. Tegen middernacht, gemaskeerd door bivakmutsen en bewapend met een vuurwapen gelijkend voorwerp is verdachte met zijn mededader de woning van aangevers binnengevallen. Verdachte heeft zich daarbij op geen enkele wijze om de gevolgen van zijn handelen voor zijn slachtoffers bekommerd en nog steeds lijkt verdachte het laakbare van zijn handelen niet in te (willen) zien. Hij heeft zich enkel laten leiden door financiële motieven.

Ook heeft verdachte een hoeveelheid hash en MDMA bevattende XTC-pillen voorhanden gehad. Deze middelen kunnen gevaar opleveren voor de gezondheid van de gebruikers ervan en het verkrijgen van die middelen door de gebruikers gaat vaak gepaard met vormen van overlast gevende criminaliteit.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het ongecontroleerde bezit van een wapen het risico op een geweldsdelict verhoogt. Daarom moet worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van wapens.

Voordat verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd, is hij voor vermogens- en geweldsdelicten veroordeeld. Daaronder bevonden zich veroordelingen tot gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. Bovendien was voor verdachte, toen hij het hiervoor bewezen verklaarde feit 1 heeft gepleegd, een proeftijd van kracht. De eerdere veroordelingen, de daarbij opgelegde straffen en het feit dat verdachte in een proeftijd liep, hebben verdachte er niet van weerhouden de bewezen verklaarde feiten te plegen. Aldus maken de thans bewezen verklaarde feiten kennelijk deel uit van een hardnekkig gedragspatroon, waartegen de eerdere sanctieopleggingen kennelijk onvoldoende effect hebben gesorteerd.

In het voordeel van verdachte weegt mee.

Weliswaar houdt de rechtbank ten gunste van verdachte rekening met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, maar de rechtbank constateert ook dat het feit waarop die veroordeling ziet, is gepleegd binnen twee weken nadat verdachte het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde feit heeft gepleegd. Kennelijk maakt het plegen van ernstige strafbare feiten deel uit van het gedragspatroon van verdachte. Via de aan verdachte op te leggen straf wil de rechtbank pogen dit gedragspatroon te doorbreken.

De strafmodaliteit.

De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van lange duur op zijn plaats. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Conclusie.

Alles tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat oplegging van de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaren aan verdachte passend en geboden is.

De vordering van de benadeelde partijen[slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van oordeel dat beide vorderingen kunnen worden toegewezen en dat aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich primair, gelet op het betoog tot vrijspraak van verdachte, op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen moeten worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman van verdachte opgemerkt dat hij de door de benadeelde partijen ingediende vorderingen niet disproportioneel acht voor hetgeen hen is overkomen.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht beide vorderingen geheel toewijsbaar, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente zoals in het dictum van dit vonnis nader zal worden aangegeven.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten van de benadeelde partijen tot op heden begroot op nihil. Verder zal verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Voor de toegewezen bedragen zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoedingen aan de slachtoffers bevordert, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente zoals in het dictum van dit vonnis nader zal worden aangegeven.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang en dit voorwerpen zijn met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid dan wel deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

Voorlopige hechtenis.

Ter terechtzitting van 26 januari 2015 heeft de raadsman van verdachte de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte verzocht. Gelet op de hiervoor bewezen verklaarde feiten en de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die daarvoor aan verdachte zal worden opgelegd, wijst de rechtbank dat verzoek af.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

24c, 27, 36b, 36c, 36f, 57, 60a, 63, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht,

2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet,

2, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

DE UITSPRAAK

Spreekt verdachte vrij van de onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten.

Verklaart de onder 1A, 1B, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van de onder 1 bewezen verklaarde feiten.

A. Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

B. Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde

personen.

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde feit.

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde feit.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde feit.

Handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

Ten aanzien van de onder 1A, 1B, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde feiten.

 Een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten: een tang [goednummer 626586], een tekening van een weedplantage [goednummer 626596], een klein model kabelbinder [goednummer 626599], twee tiewraps [goednummer 626626] en twee imitatiewapens [goednummers 626612 en 626642].

Ten aanzien van de onder 1A en 1B bewezen verklaarde feiten tevens.

 Maatregel van schadevergoeding van € 1.750,00 subsidiair 27 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer[slachtoffer 2] van een bedrag van € 1.750,-- (eenduizend zevenhonderd vijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het toegewezen bedrag, bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum, 13 augustus 2013, tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij[slachtoffer 2], van een bedrag van € 1.750,-- (eenduizend zevenhonderd vijftig euro).

Het toegewezen bedrag, bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum, 13 augustus 2013, tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

 Maatregel van schadevergoeding van € 1.770,67 subsidiair 27 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van € 1.770,67 (eenduizend zevenhonderd zeventig euro en zevenenzestig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het toegewezen bedrag bestaat uit € 1.750,-- immateriële schadevergoeding en € 20,67 materiële schadevergoeding. De immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum, 13 augustus 2013, tot de dag der algehele voldoening. De materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de indiening van de vordering, 4 september 2014, tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 1.770,67 (eenduizend zevenhonderd zeventig euro en zevenenzestig eurocent).

Het toegewezen bedrag bestaat uit € 1.750,-- immateriële schadevergoeding en € 20,67 materiële schadevergoeding. De immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum, 13 augustus 2013, tot de dag der algehele voldoening. De materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de indiening van de vordering, 4 september 2014, tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.F. Koenis, voorzitter,

mr. H.A. van Gameren en mr. N.I.B.M. Buljevic, leden,

in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,

en is uitgesproken op 9 februari 2015.

1 Tenzij anders vermeld wordt verwezen naar de paginanummers uit het proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, districtelijke opsporing Maasland, BHV-nummer 2013084587, afgesloten op 14 mei 2014, aantal doorgenummerde bladzijden: 206.