Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:6442

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-11-2015
Datum publicatie
12-11-2015
Zaaknummer
01/865103-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor moord tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van voorarrest.

De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat er sprake was van een ondubbelzinnig kenbaar gemaakte serieuze weloverwogen duurzame wil van het slachtoffer om te sterven. Derhalve is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest van levensbeëindiging op verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865103-14

Datum uitspraak: 12 november 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonadres] ,

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 november 2014, 5 februari 2015, 21 april 2015, 16 juli 2015, 6 oktober 2015 en 29 oktober 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 20 oktober 2014.

Nadat het karakter van de tenlastelegging op de terechtzitting van 29 oktober 2015 door de officier van justitie is aangepast van voorlopig naar definitief is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 01 juli 2014 tot en met 07 augustus 2014 te Waalre, althans in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), - een zak en/of een touw om en/of over het hoofd van die [slachtoffer] getrokken/geknoopt en/of getrokken/geknoopt gehouden en/of

- met (kracht) meerdere, althans een, slag(en) en/of klap(pen) met een pan, althans een hard voorwerp, op het hoofd van die [slachtoffer] gegeven en/of - die [slachtoffer] in een vrieskist gestopt/geplaatst, althans handelingen verricht, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

of

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 01 juli 2014 tot en met 07 augustus 2014 te Waalre, althans in Nederland, opzettelijk het leven van [slachtoffer] op diens uitdrukkelijk en ernstig verlangen heeft beeindigd door - een zak en/of een touw om en/of over het hoofd van die [slachtoffer] te trekken/knopen en/of getrokken/geknoopt gehouden en/of

- met (kracht) meerdere, althans een, slag(en) en/of klap(pen) met een pan, althans een hard voorwerp, op het hoofd van die [slachtoffer] te geven en/of - die [slachtoffer] in een vrieskist te stoppen/plaatsen, - althans handelingen heeft verricht ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Inleiding.

Op 7 augustus 2014 drong de politie na een melding de woning van [slachtoffer] aan de [adres] te Waalre binnen. De politie trof op de eerste verdieping verdachte aan die vertelde dat hij zijn moeder [slachtoffer] om het leven had gebracht en dat ze in een koelkast in de kamer ernaast lag. Vervolgens trof de politie in een vriezer op dezelfde verdieping een stoffelijk overschot aan. Dit bleek later het stoffelijk overschot van [slachtoffer] te zijn.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde moord.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het slachtoffer een uitdrukkelijk en ernstig verlangen had om haar leven te beëindigen en dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het leven van zijn moeder, mevrouw [slachtoffer] , op haar uitdrukkelijk en ernstig verlangen heeft beëindigd.

Het oordeel van de rechtbank.1

De rechtbank baseert haar oordeel over de feitelijke gang van zaken op de navolgende bewijsmiddelen.

Het proces-verbaal van bevindingen2:

Op 7 augustus 2014, omstreeks 13.30 uur, kwamen wij ter plaatse op adres [adres] te Waalre. Wij zagen dat de achterdeur toegang gaf tot de woning. Hierop hebben wij de eerste verdieping betreden. Ik, [verbalisant] , zag dat in de voorkamer in de rechterhoek van de kamer een manspersoon gehurkt in elkaar gedoken zat. Op het moment dat de man tegen de muur aanstond en door mij werd gefixeerd hoorde ik dat de man tegen mij zei: “ik heb mijn moeder en mijn twee honden vermoord. Zij liggen in de koelkasten in de kamer hiernaast”. Hierop werd de man aangehouden.

Het proces-verbaal van aanhouding3:
Op 7 augustus 2014 omstreeks 13:45 uur, hielden wij op de locatie [adres] te Waalre, als verdachte aan [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] .

Het proces-verbaal van bevindingen4:

Op 7 augustus 2014 te 16.00 uur betraden [medewerker FTO 1] en [medewerker FTO 1] , medewerkers FTO van de politie de woning. In hun gezelschap betrad de arts van de GGD, [arts GGD] het pand. Na een kort bezoek deelden zij mij mede dat zij in een diepvrieskist op de eerste etage van de woning een geheel of gedeeltelijk stoffelijk overschot van een mens hadden aangetroffen. Dit was bevroren. Door de medewerkers FTO werden op één van de vrieskisten twee handgeschreven briefjes aangetroffen. Ik zag op één briefje de volgende tekst: “30-07-2014 05:30 moeder ( [slachtoffer] ) vermoord. Zak en touw over hoofd.”

De akte van overlijden opgemaakt op 2 oktober 20145:
[slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] , plaats van lijkvinding [adres] te Waalre, dag van lijkvinding 07 augustus 2014.

Het rapport pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, opgemaakt door NFI-deskundige [arts] arts en patholoog op 24 november 20146:

Conclusie: Bij sectie op het lichaam van vermoedelijk [slachtoffer] , 66 jaren oud geworden, kan het intreden van de dood worden verklaard door verstikking ten gevolge van stomp botsend en of (samen)drukkend geweld ter hoogte van de tong en mondbodem (smoren, (samen)drukkend geweld mondbodem). Indien het touw met de zakken om het hoofd, bij leven zijn aangebracht al dan niet in combinatie met bovenstaand geweld aan de mondbodem en tong, dan kan middels belemmering van de ademweg eveneens verstikking optreden waarmee het intreden van de dood mede kan worden verklaard.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris op 11 mei 20157:

De nacht van dinsdag op woensdag 30 juli huilde mijn moeder weer heel veel. Ik heb toen een deken en kussen uit de mand gehaald en ben bij haar gaan zitten. Toen zei ze tegen mij: “ [verdachte] doe nu iets, ik kan er niet meer tegen”. Daarna ben ik vrij vlug terug naar die mand gegaan en heb ik dat touw gepakt. Ik wist dat die touwen daar lagen. Ik pakte een stuk touw, maakte een lus, ik haalde van het kussen het kussensloop af. Ik heb nog een tweede maal een kussensloop van een kussen afgehaald. Ik heb om het kussensloop de vuilniszakken gedaan en daar weer het kussensloop overheen. Ik heb beide over elkaar geschoven. Ik heb daar de lus overheen gedaan. Ik heb naar die zak die ik geprepareerd heb gekeken en ben toen met die zak op mijn moeder geklommen. Ik heb toen de zak over haar hoofd gedaan en het touw om haar nek. Ik probeerde het touw aan te trekken maar dat lukte niet echt omdat haar hoofd naar voren kwam. Toen ben ik direct gaan draaien. Met mijn linker knie op haar linker borst. Met mijn rechterknie bij haar hoofd. Toen heb ik het touw met twee handen aan proberen te trekken. Ik heb toen zelfs mijn voet op haar gezicht gezet om meer kracht te kunnen zetten. De ademhaling werd langzamer. Dat voelde ik met mijn knie. Ik zag dat haar rechterhand ging trillen. Ik heb even gewacht tot ik geen ademhaling of beweging meer voelde. Ik heb toen nog 5 à 10 minuten gewacht om zeker te zijn dat ze dood was. Toen ben ik ervan af gegaan. De preparatie van alles vooraf moet 10 tot 15 minuten zijn geweest. Ik heb een medische opleiding in dienst gehad tot wondenverzorger. Daar heb ik geleerd de pols op te nemen en om op de ademhaling te letten. Ik heb geleerd eerste en tweede onderzoek te verrichten. Ik wist eigenlijk al zeker dat ze dood was, maar ik heb voor de zekerheid toch haar pols gevoeld. Ik heb haar rechterpols gevoeld met wijsvinger en middelvinger en tot honderd geteld en niets gevoeld. Toen heb ik die slaapzakhoes over haar lichaam gedaan. Ik heb toen mijn moeder in de diepvries gedaan. De twee briefjes die op de vrieskisten zijn aangetroffen heb ik geschreven. Het briefje over mijn moeder heb ik geschreven op de dag dat het gebeurd is, ongeveer een uur nadat ik de diepvriezers in de slaapkamer achter had gezet. Het tijdstip van doden op het briefje klopt.

Vaststelling feitelijke gang van zaken.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast – hetgeen verder ook niet ter discussie staat - dat verdachte op 30 juli 2014 te Waalre opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door zakken over en een touw om het hoofd van die [slachtoffer] te trekken/knopen en vervolgens getrokken/geknoopt te houden ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte zijn moeder op haar uitdrukkelijk en ernstig verlangen van het leven heeft beroofd of dat daarvan geen sprake is geweest.
In het eerste geval moet gekwalificeerd worden naar het minder strafwaardige levensbeëindiging op verzoek, in het tweede geval naar het zwaarder strafwaardige “moord” dan wel het impliciet subsidiair ten laste gelegde “doodslag”.

Levensbeëindiging op verzoek.

Onder het bestanddeel “uitdrukkelijk en ernstig verlangen” moet op grond van de Memorie van Toelichting op de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Kamerstukken II 1998/99, 26691, nr. 3) worden verstaan een ondubbelzinnig kenbaar maken van een serieuze, weloverwogen en duurzame wil, verbaal of non-verbaal, door iemand die geestelijk niet in de war is. Een eenmalig geuit verlangen is daartoe niet toereikend.

De rechtbank is van oordeel dat de gedetailleerde verklaringen van verdachte dat hij en zijn moeder samen hadden gesproken over het beëindigen van haar leven, onvoldoende zijn om aan te nemen dat bij [slachtoffer] sprake is geweest van een ondubbelzinnig kenbaar gemaakte serieuze, weloverwogen en duurzame wil. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft aangevoerd dat zijn moeder een einde aan haar leven wilde maken en hem heeft gevraagd haar daarbij te helpen. Sinds ze op 22 februari 2014 uit het verpleeghuis was ontslagen moest ze iedere dag continu verzorgd worden, ze lag voornamelijk de hele dag in bed en werd steeds somberder. Zij kwam – zo begrijpt de rechtbank – na thuiskomst in een negatieve spiraal terecht. Verdachte heeft verklaard dat het voor hem en zijn moeder vaststond dat zij een einde aan haar leven wilde maken, maar dat nog niet vast stond wanneer dat zou gaan gebeuren. Zijn moeder heeft op koningsdag tegen verdachte gezegd dat ze dood wilde. Ze gaf daarbij aan dat het zo snel mogelijk moest gebeuren. Verdachte en zijn moeder hebben toen ook gesproken over de manier waarop zij uit het leven zou kunnen stappen. De mogelijkheden die ter sprake kwamen waren voor een trein springen, van een flat springen, ophanging en verdrinking. Een zak over het hoofd trekken is daarbij – in tegenstelling tot het trekken van een touw om het hoofd - wel besproken, omdat dit ervoor zou zorgen dat verdachte het gezicht van zijn moeder tijdens de levensbeëindiging niet aan hoefde te zien.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in samenhang met de bevindingen van de dubbel-rapportage waarin de relatie tussen verdachte en zijn moeder als symbiotisch wordt omschreven, acht de rechtbank het aannemelijk dat er in de beleving van verdachte sprake was van een doodswens bij zijn moeder en dat hij op haar verzoek uitvoering heeft gegeven aan die wens.

Voor het aannemen van een uitdrukkelijk en ernstig verlangen zoals bedoeld door de wetgever is dat echter niet voldoende. Behalve verdachte is er niemand die verklaart op de hoogte te zijn geweest van de doodswens van zijn moeder. Daar komt bij dat de manier waarop mevrouw [slachtoffer] gestorven is niet in overeenstemming is met de door verdachte met haar besproken methoden. Volgens verdachte was het immers de bedoeling dat hij zijn moeder naar het spoor zou brengen en dat zij dan zelf het laatste stuk naar het spoor zou lopen. Dit is niet gebeurd. In de bewuste nacht hoorde verdachte zijn moeder de hele tijd huilen en hoorde hij haar toen hij bij haar was gaan zitten tegen hem zeggen: “ [verdachte] , je moet nu iets doen” Daarop heeft verdachte zakken over haar hoofd en een touw om haar hoofd getrokken/geknoopt en vervolgens zo gehouden. Een methode die zij nooit met elkaar hadden besproken.

De rechtbank merkt tenslotte op dat de verdachte en zijn moeder haar problemen met niemand hebben gedeeld en bij niemand hulp hebben gezocht. Dit bevreemdt de rechtbank, omdat het slachtoffer in verband met een herseninfarct behandeld is in een verpleeghuis en niet lang voor haar dood gezien is door een neuroloog, zodat er ingangen voor hulpverlening aan de moeder van verdachte voorhanden waren. Een hulpverlener had de moeder van verdachte wellicht op andere gedachten kunnen brengen en mogelijke alternatieven voor het uit het leven stappen kunnen bespreken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake was van een ondubbelzinnig kenbaar gemaakte serieuze, weloverwogen duurzame wil van mevrouw [slachtoffer] . Daarom acht de rechtbank het alternatief ten laste gelegde ‘levensbeëindiging op verzoek’ niet bewezen.

Moord of doodslag.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de ten laste gelegde moord of de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag kan worden bewezen.

De wijze waarop verdachte te werk is gegaan, te weten het pakken van een stuk touw, het maken van een lus, het pakken van de kussenslopen en vuilniszakken, het over elkaar schuiven van deze slopen en zakken, het daarover heen doen van voornoemde lus en het uiteindelijk over en om het hoofd doen van voornoemde zakken en voornoemd touw in een tijdsbestek van tien à vijftien minuten, is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als kalm beraad en rustig overleg. Er is derhalve sprake van voorbedachte raad, zodat de ten laste gelegde moord wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De rechtbank acht de achter het tweede en derde gedachtestreepjes ten laste gelegde handelingen niet bewezen, nu verdachte weliswaar heeft verklaard deze handelingen te hebben verricht, maar de rechtbank niet bewezen acht dat deze handelingen mede tot de dood van het slachtoffer hebben geleid.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Ten aanzien van het slaan met een pan op het voorhoofd van [slachtoffer] (tweede gedachtestreepje).

Uit het sectierapport blijkt dat het letsel aan het voorhoofd dat bij leven is ontstaan door inwerking van uitwendig stomp botsend en/of kantig geweld niet direct van betekenis is geweest voor het intreden van de dood. De rechtbank leidt hieruit af dat het slaan met een pan op het (voor)hoofd van [slachtoffer] dat past bij voornoemd letsel, niet tot de dood van [slachtoffer] heeft geleid. De rechtbank zal verdachte om die reden van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Ten aanzien van het in een vrieskist stoppen/plaatsen van [slachtoffer] (derde gedachtestreepje).

Verdachte heeft verklaard dat hij nadat hij bij zijn moeder geen ademhaling of beweging meer voelde, nog 5 à 10 minuten heeft gewacht om zeker te zijn dat zij dood was. Voor de zekerheid heeft hij vervolgens nog haar pols gevoeld met wijs- en middelvinger en daarbij tot honderd geteld en wederom niets gevoeld. Voorts blijkt uit het sectierapport - kort gezegd - dat verstikking tot de dood van [slachtoffer] kan hebben geleid. Bevriezing wordt in het sectierapport niet als mogelijke doodsoorzaak vermeld. Gelet op de conclusie van de patholoog en voornoemde gedetailleerde verklaring van verdachte (die in het leger een medische opleiding tot wondenverzorger heeft gehad) over het vaststellen van de dood van het slachtoffer, sluit de rechtbank de mogelijkheid uit dat [slachtoffer] nog in leven was toen verdachte haar in de diepvriezer plaatste. De rechtbank zal verdachte om die reden ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. op 30 juli 2014 te Waalre, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een zak over en een touw om het hoofd van die [slachtoffer] getrokken/geknoopt en getrokken/geknoopt gehouden ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert voor de door haar bewezen geachte moord een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de rechtbank gelet op de bijzondere omstandigheden van deze zaak een mildere sanctionering toe dient te passen dan gebruikelijk is in dergelijke zaken en dan door de officier van justitie gevorderd is. De verdediging voert ter onderbouwing van dit standpunt het volgende aan. Verdachte heeft zich totaal weggecijferd om zijn moeder ter wille te zijn bij haar doodswens. Voorts achten gedragsdeskundigen verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. Ook heeft verdachte volledige openheid van zaken gegeven en spijt betuigd van de manier waarop hij heeft gehandeld. Verder heeft verdachte geen relevante antecedenten en wordt de kans op herhaling door deskundigen als (zeer) laag of nagenoeg afwezig geschat.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zijn moeder met voorbedachten rade op gewelddadige wijze van het leven beroofd door zakken en kussenslopen over haar hoofd te trekken, een touw om haar hoofd te knopen en deze zakken, kussenslopen en dit touw zo getrokken en geknoopt te houden. Het door verdachte gepleegde feit betreft één van de ernstigste misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft door zijn daad het slachtoffer het meest fundamentele recht dat haar toekwam, namelijk het recht op leven ontnomen. Weliswaar leek het slachtoffer – met name door haar fysieke beperkingen en handicaps als gevolg van een herseninfarct - op dat moment nog weinig waarde aan het leven te hechten, maar er had mogelijk nog verbetering in haar situatie kunnen optreden als op een adequate wijze hulpverlening was ingeschakeld, waardoor zij mogelijk weer levensvreugde had kunnen vinden. Verdachte heeft haar voornoemde mogelijkheid ontnomen door in plaats van hulp te zoeken ten einde het slachtoffer uit de neerwaartse spiraal in haar leven te halen, te handelen zoals hij heeft gedaan. De rechtbank rekent dit verdachte zeer zwaar aan. Verdachte heeft door zijn handelen zijn broer en zus hun moeder en zijn nichtje haar oma ontnomen. Het behoeft voorts weinig betoog dat een feit als het onderhavige de rechtsorde in het algemeen schokt en in de samenleving algemene gevoelens van onrust en onveiligheid oproept.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van het strafbare feit en uit oogpunt van vergelding niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een vrijheidsbenemende straf van lange duur.

Bij het bepalen van de uiteindelijke duur van de op te leggen vrijheidsstraf houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met de volgende omstandigheden.

Verdachte heeft gehandeld vanuit zijn oprechte veronderstelling dat bij zijn moeder sprake was van een weloverwogen en duurzame wil om haar leven te beëindigen. Zij had aan hem haar doodswens kenbaar gemaakt en een dringend beroep op hem gedaan om haar daarbij te helpen. Verdachte wilde zijn moeder bij de inwilliging van haar (doods)wens ter wille zijn en heeft bij zijn handelen dat motief voor ogen gehad. Hij heeft zichzelf daarbij totaal weggecijferd en de consequenties die dit handelen voor hem zelf zou hebben, op de koop toegenomen.

Voorts kan aan verdachte het door hem gepleegde strafbare feit in verminderde mate worden toegerekend. Dit blijkt uit de omtrent de geestvermogens van verdachte door klinisch psycholoog [naam psycholoog 1] op 10 augustus 2015 en psychiater [naam psychiater 1] op 15 oktober 2015 uitgebrachte rapporten.

Het rapport van [naam psychiater 2] , psychiater, houdt kort weergegeven in: ‘(…) Er is bij betrokkene sprake van een schizoïde persoonlijkheidsstoornis met vermijdende en afhankelijke kenmerken en cannabisafhankelijkheid. Er is een pathologisch symbiotische relatie met moeder (ouder-kindrelatieprobleem). De bovengenoemde stoornissen waren ook ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig. Deze ziekelijke en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde in duidelijke mate (zodanig dat dit mede daaruit verklaard kan worden). In het ten laste gelegde spelen zowel elementen voortkomend uit de stoornis, als ook situatieve elementen een rol. Betrokkene en zijn moeder waren vanuit hun beider pathologie steeds meer met elkaar verstrengeld en wederzijds afhankelijk geraakt. Hierdoor was er bij betrokkene een vertekening en vertroebeling van de buitenwereld opgetreden. Hij was hierdoor in toenemende mate niet meer in staat tot het maken van adequate gedragskeuzes of het zoeken naar alternatieven, zoals het zoeken van hulpverlening, waaraan hij zich als gevolg van zijn kluizenaarschap al jaren had onttrokken. Ondergetekende adviseert uw rechtscollege betrokkene ten aanzien van het tenlastegelegde – indien bewezen – als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. (...)’

Het rapport van dr. [naam psycholoog 2] , klinisch psycholoog, houdt kort weergegeven in: ‘(…) Bij betrokkene is sprake van een ernstige persoonlijkheidsstoornis met als kenmerken enerzijds grote beperkingen met betrekking tot de identiteit (die gekenmerkt wordt door buitensporige schaamte, sociale angst en lage zelfwaardering) en de zelfsturing (die gekenmerkt wordt door verregaande vermijding) en anderzijds overmatige gevoeligheid voor het oordeel van anderen en het vermijden van intimiteit. In dit verband was tevens sprake van een ouder-kind relatieprobleem in de vorm van een symbiotische relatie met de moeder. Er zijn verder enige aanwijzingen voor psychotraumatisering en er is sprake van enige afhankelijkheid van cannabis. De persoonlijkheidsstoornis is de hoofddiagnose en wordt door ondergetekende geclassificeerd als een ernstige vermijdende persoonlijkheidsstoornis met schizoïde trekken. Dit was ook het geval ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde. Deze ziekelijke en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde (zodanig dat dit mede daaruit verklaard kan worden). De manier waarop dit gebeurde (...) komt er kort gezegd op neer dat in de belaste context betrokkene’s pathologisch sterk beperkte vermogen tot zelfsturing het onmogelijk maakte om uit die context te treden en de eveneens pathologische onmacht om tot handelen te komen werd doorbroken onder invloed van moeder opmerking dat er nu iets moest gebeuren. De stoornis beperkte verregaand het vermogen tot adequate zelfsturing; de contextuele ‘prikkels’ doorbraken de onmacht. Geadviseerd wordt om uitgaande van de invloed van de stoornis het doden van moeder in een verminderde mate toe te rekenen. (…) De kans op het opnieuw ontstaan van een soortgelijk samengaan van disfuncties voortkomend uit de stoornis en een context waarin betrokkene geweld zou kunnen plegen is naar de mening van ondergetekende nagenoeg afwezig. (…)’

De rechtbank houdt verder in aanmerkelijk strafmatigende zin rekening met de zeer uitzonderlijke contextuele en relationele factoren van de onderhavige zaak die onder meer zijn weergegeven in voornoemd rapport van dr. [naam psycholoog 3] , klinisch psycholoog.

Hieruit blijkt dat verdachte en zijn moeder jarenlang een samenlevingsvorm hebben gehad waarin ieder weliswaar tot op zekere hoogte zijn en haar eigen leven leidde, maar waarin de rest van de wereld was buitengesloten. Moeder lijkt daarin een poortwachter te zijn geweest. Niet zozeer in het binnenhouden van verdachte, maar in het buiten houden van anderen. Van belang is hierbij dat jarenlang sprake was van een wederzijdse afhankelijkheid die zowel materieel als psychologisch was. Het jarenlange symbiotische evenwicht werd ruw verstoord door de beroerte van zijn moeder in december 2013. De context veranderde door het verblijf in het ziekenhuis en aansluitend verpleeghuis en door de handicaps, gebreken en afhankelijkheid. Voor verdachte leidde dit tot de paradoxale situatie van aan de ene kan verdriet en onmacht over moeders leed en anderzijds herwonnen ‘relevantie’ zoals hij het noemt. In die context deed zijn moeder een beroep op hem om haar te helpen een eind aan haar leven te maken. Het reageren op moeders wens door daar op enigerlei wijze anderen bij te betrekken lag buiten zijn reikwijdte: moeder wilde dat niet en hij kon het niet. (Een statische factor in verdachte’s persoonlijkheidsstoornis is het niet durven, kunnen en willen betrekken van de buitenwereld bij het vormgeven aan zijn bestaan, laat staan bij het delen en oplossen van problemen die hij daarin ervaart.) Zijn herwonnen ‘relevantie’ was daarvoor ook veel te pril. Hij koos na twee weken beraad in overleg met haar voor het inwilligen van haar wens en voor een ultiem mijden van alle gevolgen voor zijn eigen bestaan door het besluit tot zelfdoding. Hij kwam met zijn moeder een omslachtige constructie overeen die aan de ene kan vermijdend was (omdat hij nog niet hoefde te handelen) en aan de andere kant bedoeld was om zichzelf te dwingen het plan uit te voeren. Voor hem werd de situatie acuter toen zijn moeder de brief van de woningbouwvereniging bestempelde als het afgesproken signaal om tot vervulling van haar wens te komen. Het directe appèl van zijn moeder in de nacht van 30 juli 2014 (‘ [verdachte] , je moet nu iets doen’) doorbrak de onmacht en bracht verdachte tot handelen.

De rechtbank is van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde enerzijds en voornoemde bijzondere combinatie van persoonlijkheids-, contextuele en relationele aspecten anderzijds voldoende tot uitdrukking brengt.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

moord Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.W. van den Heuvel, voorzitter,

mr. H.M. Hettinga en mr. S.J.W. Hermans, leden,

in tegenwoordigheid van mr. E.C.M. Boerboom, griffier,

en is uitgesproken op 12 november 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, genummerd 22GRE14055 Wegslak, gesloten op 8 december 2014, aantal doorgenummerde bladzijden 317 [verder: eindpv]

2 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 58-60 van het eindpv

3 Het proces-verbaal van aanhouding, p. 37 van het eindpv

4 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 107-108 van het eindpv

5 De akte van overlijden opgemaakt op 2 oktober 2014, p. 110 van het eindpv

6 Een rapport pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, opgemaakt door NFI-deskundige [naam arts] , arts en patholoog op 24 november 2014, p. 335 van het forensisch proces-verbaal onderzoek Wegslak, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, genummerd BVH 2014105994, gesloten op 16 april 2015, aantal doorgenummerde bladzijden 684

7 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris op 11 mei 2015