Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:6378

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
06-11-2015
Datum publicatie
13-11-2015
Zaaknummer
15_612
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

OZB/gebruikersheffing. De heffingsambtenaar heeft het bedrijfsobject juist afgebakend als één onroerende zaak. Eiseres, een bv, heeft een overeenkomst gesloten met een organisatie voor leegstandsbeheer en deze organisatie heeft voorafgaande aan de toestandsdatum 1 januari 2014 een bruikleenovereenkomst gesloten met een ondernemer. De ondernemer had op 1 januari 2014 twee ruimtes van de onroerende zaak in gebruik. De heffingsambtenaar kon daarom vanwege het gebruik van de onroerende zaak een gebruikersbelasting opleggen voor het belastingjaar 2014. De rechtbank ziet geen aanleiding om de aanslag te verminderen, omdat slechts 25% van het pand verhuurd kan worden. Omdat sprake is van één onroerende zaak en een gedeelte van die onroerende zaak in bruikleen is gegeven, wordt daarmee de onroerende zaak in zijn geheel gebruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2449
Belastingblad 2016/60 met annotatie van L.J. Boone
V-N 2016/11.21.6
FutD 2015-2827
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/612

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2015 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., te [plaats] , eiseres,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.M.T. Klaassen).

Procesverloop

Bij beschikking van 31 december 2014, vervat in een op die datum gedagtekend aanslagbiljet ( [aanslagnummer] ), heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [object] , per waardepeildatum 1 januari 2013 naar de toestand op 1 januari 2014, voor het kalenderjaar 2014, vastgesteld op € 566.000. In dit geschrift zijn ook de aanslag onroerende-zaakbelastingen (OZB) gebruiker, berekend naar de grondslag van de WOZ-waarde, en de aanslag rioolheffing gebruik voor het kalenderjaar 2014 bekend gemaakt.

Bij uitspraak op bezwaar van 13 februari 2015 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak en de daarop gebaseerde aanslagen gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2015. Namens eiseres is verschenen [persoon A] , directeur van de besloten vennootschap. Ook was ter zitting namens eiseres aanwezig [persoon B] , directeur van GAPPH BV (hierna: GAPPH), gevestigd te 's-Hertogenbosch. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan ing. P.H.R.J. Roijmans, taxateur.

Overwegingen

Feiten Eiseres, een BV, is eigenaar van de onroerende zaak, een kantoorpand. Eiseres heeft met GAPPH op 1 november 2013 een overeenkomst gesloten voor leegstandsbeheer van de onroerende zaak. De overeenkomst, die tot de gedingstukken behoort, is aangegaan voor onbepaalde tijd. In deze overeenkomst heeft eiseres de onroerende zaak, een leegstaand bedrijfsobject, in bewaring en beheer gegeven aan GAPPH. In de considerans is onder meer vermeld dat eiseres, in afwachting van verhuur en verkoop, de risico’s en de nadelen die verbonden zijn aan de leegstand van het object zoveel mogelijk wenst te beperken.

In deze overeenkomst staat verder dat eiseres aan GAPPH als enige de bevoegdheid heeft gegeven om op eigen naam bruikleenovereenkomsten met derde-gebruikers (bruikleners) te sluiten met betrekking tot de daartoe aangewezen ruimtes van het bedrijfsobject. Deze ruimtes kunnen aan deze derde-gebruikers in bruikleen worden gegeven als tijdelijke huisvesting om te gebruiken als bedrijfsruimte, praktijkruimte of atelierruimte.

GAPPH heeft op 7 november 2013 met [persoon C] van Paniz International een bruikleenovereenkomst gesloten. Uit deze overeenkomst, die tot de gedingstukken behoort, blijkt dat een tweetal ruimtes van de onroerende zaak op 1 januari 2014 in gebruik waren bij [persoon C] .

Geschil en beoordeling

  1. Partijen zijn het er over eens dat de onroerende zaak niet één of meer gedeeltes bevat die blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt in de zin van artikel 16, aanhef en onder c, van de Wet WOZ. Evenmin is in geschil dat de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2013 voor het kalenderjaar 2014
    € 566.000 bedraagt. De rechtbank ziet geen aanleiding daar anders over te oordelen en zal bij de beoordeling van het geschil uitgaan van een juist afgebakend object en het eensluidende standpunt van partijen over de waarde van die onroerende zaak volgen.

  2. In geschil is of verweerder eiseres terecht een belastingaanslag OZB gebruikersheffing heeft opgelegd.

3. Eiseres voert primair aan dat de aanslag OZB gebruikersheffing moet worden vernietigd. De onroerende zaak is namelijk niet verhuurd, maar staat leeg. Volgens eiseres is er geen sprake van gebruik van het object. Slechts om het leegstandrisico te beperken wordt het bedrijfsobject beheerd door GAPPH.

4. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat uit artikel 220a, aanhef en onder a, van de Gemeentewet (en het daarmee corresponderende artikel 1, aanhef en onder 1 van de Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen in de gemeente 's-Hertogenbosch 2014, hierna: de Verordening) niet volgt dat het doorslaggevend is of gebruik van de niet-woning, in dit geval het kantoorpand, krachtens enige rechtstitel geschiedt. Evenmin is van belang of tegenover dat gebruik van een niet-woning een (financiële) tegenprestatie staat. Het ontbreken van een huurovereenkomst tussen eiseres en GAPPH, zoals eiseres stelt, doet daaraan dus niet aan af. Vast staat dat GAPPH en bruiklener [persoon C] een bruikleenovereenkomst hebben gesloten op 7 november 2013 en dat [persoon C] op 1 januari 2014 twee ruimtes van de onroerende zaak feitelijk in gebruik had. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de onroerende zaak bij het begin van het belastingjaar in gebruik was. Verweerder kon derhalve vanwege het gebruik van de onroerende zaak een gebruikersbelasting opleggen.

5. Eiseres voert subsidiair aan dat aanslag dient te worden verminderd tot een lager bedrag, omdat slechts 25 % van het pand kan worden verhuurd.

6. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt evenmin. Nu vast staat dat het [object] niet uit één of meer gedeeltes in de zin van artikel 16, aanhef en onder c, van de Wet WOZ bestaat, die als één of meer afzonderlijke WOZ-objecten dienen te worden aangemerkt, kon verweerder voor de heffingsmaatstaf uitgaan van de WOZ-waarde van de gehele onroerende zaak, te weten € 566.000. Dat wordt niet anders, indien een groot deel van de onroerende zaak feitelijk niet wordt gebruikt. Van een leegstaand pand, dat niet in gebruik is, is alleen sprake indien het object echt leeg staat en dus geen meubilair en dergelijke bevat (Kamerstukken II 1989/90, 25 921, nr. 3, blz. 66). Aangezien in ieder geval bij het begin van het belastingjaar 2014 in de ruimtes die [persoon C] in bruikleen had het noodzakelijk kantoormeubilair aanwezig was, wordt daarmee de onroerende zaak in zijn geheel gebruikt, ook al wordt een groot deel daarvan feitelijk niet gebruikt.

7. Dit leidt tot de conclusie dat de aanslag OZB gebruikersheffing over het belastingjaar 2014 terecht aan eiseres is opgelegd.

8. De rechtbank stelt ten slotte vast dat de juistheid van het opleggen van de aanslag OZB gebruikersheffing aan eiseres als belastingplichtige niet is weersproken. Evenmin is de juistheid van de aan eiseres opgelegde aanslag rioolheffing gebruik in geschil.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Soeteman, rechter, in aanwezigheid van

drs. H.A.J.A. van de Laar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

6 november 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.