Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:6364

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
01/879694-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van 6 weken met aftrek voorarrest voor diefstal van zebravinken uit een in de achtertuin van een woning staande vogelkooi.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879694-14

Datum uitspraak: 04 november 2015

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1980] ,

wonende te [woonplaats] , [adres 1] .

Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

21 oktober 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 september 2015.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 02 mei 2014 te Schijndel tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een vogelkooi in de achtertuin van een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen ongeveer 35, althans een of meer zebravinken en/of een loper, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, terwijl het feit plaatsvond gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning of op een besloten erf waarop een woning staat,alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en);

2.

hij in of omstreeks de periode van 02 mei 2014 tot en met 13 mei 2014 te Schijndel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer (werp)hengels heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die (werp)hengels wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak ten aanzien van feit 2.

De verdachte wordt onder feit 2 verweten – kort gezegd – de heling van vishengels.

De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier geen aangifte van diefstal van de betreffende vishengels bevindt. Noch blijkt uit enig ander bewijsmiddel dat de vishengels van misdrijf afkomstig zijn. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat de onder verdachte en/of zijn mededader aangetroffen vishengels van misdrijf afkomstig zijn.

Verdachte dient dan ook van dat feit te worden vrijgesproken.

De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen.

Indien tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1. omstreeks 02 mei 2014 te Schijndel tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een vogelkooi in de achtertuin van een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen ongeveer 35 zebravinken en een loper, toebehorende aan [slachtoffer] , waarbij verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van inklimming, terwijl het feit plaatsvond gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, op een besloten erf waarop een woning staat, alwaar verdachte en/of zijn mededader zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en).

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert het in de uitspraak vermelde strafbare feit op. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 1: gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met een ander, tijdens de voor de nachtrust bestemde tijd, in Schijndel zebravinken welke toebehoorden aan een ander weggenomen uit een in de achtertuin staande vogelkooi. Diefstallen veroorzaken overlast en schade. Uit verdachtes handelen spreekt minachting voor andermans eigendom. Verdachte heeft bij het plegen van het feit gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van het slachtoffer.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 september 2015 ter zake verdachte volgt dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten werd veroordeeld.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 63, 310, 311.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Ten aanzien van feit 1:diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd op een besloten erf waarop een woning staat, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Ten aanzien van feit 1:gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,

mr. S.J.W. Hermans en mr. N.I.B.M. Buljevic, leden,

in tegenwoordigheid van J. Kapteijns, griffier,

en is uitgesproken op 4 november 2015.