Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:6297

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-10-2015
Datum publicatie
02-11-2015
Zaaknummer
01/880643-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft met twee andere personen een overval op de woning van haar oom gepleegd. Verdachte heeft het initiatief tot deze overval genomen. Het slachtoffer is een oudere man die door verdachte als een vaderfiguur wordt gezien. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/880643-14

Datum uitspraak: 30 oktober 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1992] ,

wonende te [woonplaats] , [adres 1] ,

thans gedetineerd te: PI Zuid Oost - HvB Ter Peel.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 juni 2015, 21 september 2015 en 16 oktober 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 juni 2015.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 16 oktober 2015 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 25 december 2014 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een woning gelegen aan de [adres 2] ) heeft weggenomen een televisie en/of een dvd-speler en/of een videorecorder en/of een laptop en/of een telefoon en/of een printer en/of een horloge en/of een ketting en/of een ring en/of een jas en/of een geldbedrag (450 euro) en/of een portemonnee met inhoud en/of een hoeveelheid sleutels en/of een jas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan haar mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of haar mededader(s):

- voornoemde [slachtoffer 1] (met kracht) bij de keel en/of mond heeft/hebben gegrepen en/of

- die [slachtoffer 1] de woning heeft/hebben binnengeduwd en/of (daarbij) die [slachtoffer 1] de woorden toegevoegd: "mond houden, niks roepen" en/of "waar is je geld" en/of “meneer werk (alsjeblieft) mee, ik heb hier geen zin in”, althans woorden van gelijkluidende dreigende aard of strekking en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 1] naar de badkamer heeft/hebben geduwd en/of daarbij de woorden toegevoegd: "als je naar buiten komt, gebeurt er iets erg met je" en/of vervolgens (nogmaals) de woorden toegevoegd: "waar is je geld, wijs het aan".

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Inleiding.

Op 25 december 2014 om en nabij middernacht vindt er een woningoverval plaats op de [adres 2] in Eindhoven, de woning van aangever [slachtoffer 1] . Verdachte wordt door de twee mededaders en enkele getuigen genoemd als mededader van deze overval. Verdachte ontkent iedere betrokkenheid.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Op basis van de in de pleitnotitie nader omschreven feiten en omstandigheden heeft de verdediging vrijspraak bepleit.

De bewijsmiddelen. 1

De verklaringen van aangever [slachtoffer 1] .

Op 25 december 2014 ben ik overvallen in mijn woning gelegen aan de [adres 2] in Eindhoven. Er werd op het raam aan de voorzijde van mijn woning geklopt. Toen ik mijn voordeur opende, werd ik gelijk hardhandig bij mijn keel gegrepen en via de hal naar mijn keuken geduwd. Twee mannen betraden mijn woning. De man die mij bij de keel greep, riep dat ik mijn mond dicht moest houden en niks mocht roepen. Hij vroeg waar mijn geld was. Ik werd vervolgens mijn badkamer op de begane grond van mijn woning ingeduwd. Man 1 zei dat als ik naar buiten zou komen, mij iets ergs zou overkomen.2 Ik zag dat mijn laptop van het merk Acer, gsm, portemonnee met inhoud, autosleutel, huissleutels en mijn televisie weg waren genomen.3 Ik vermoedde dat het [verdachte] was die aanklopte. Dat lag aan de manier van kloppen. Dat was met een vlakke hand op het raam, niet overdreven hard maar wel zo dat ik het hoorde. In principe is het alleen zij of haar zus die bij mij op het raam klopt. Ik was overtuigd dat het [verdachte] was, anders had ik door het raam wel naar buiten gekeken. Die avond had ik geld in mijn portemonnee.4

De verklaringen van [medeverdachte 1] .

Mijn telefoonnummer is [telefoonnummer] .5 Ik kreeg een sms of whatsapp van [verdachte] . Ze vroeg daarin aan mij of ik geld wilde verdienen. Ze wist dat haar oom, [slachtoffer 1] ,

€ 6.000,00 in huis had. Ze zei dat ik daarvoor wel wat lef moest hebben en dan bij haar oom naar binnen moest.6 [verdachte] , [medeverdachte 2] en ik zijn op 25 december 2014 naar het adres van de oom van [verdachte] gereden. Daar aangekomen wees [verdachte] het huis van haar oom aan. We stapten toen met zijn drieën uit. [verdachte] had eerder al uitgelegd op welke manier wij op het raam moesten kloppen. [medeverdachte 2] en ik zijn toen naar de woning gelopen. Ik heb daar vervolgens op de manier die [verdachte] mij had uitgelegd op het raam geklopt. Enkele momenten later zag ik dat de voordeur open ging. Een oudere man deed open. Ik zag dat [medeverdachte 2] de man met zijn rechter hand ter hoogte van de zijkant van zijn nek pakte. [medeverdachte 2] riep: ‘Meewerken”, althans woorden van gelijke strekking”. Ik zag dat [medeverdachte 2] de man naar binnen duwde. Ik ben vervolgens [verdachte] gaan halen. [verdachte] liep met mij mee en we gingen de woning binnen. [verdachte] wees in de keuken naar een keukenkastje. Ik deed dat kastje open waar zij bij stond. Ik zag geen geld liggen. [medeverdachte 2] bracht de man vervolgens naar de badkamer. Uiteindelijk heb ik de laptop meegenomen. Ik zag dat [medeverdachte 2] de televisie mee nam. Achteraf heb ik begrepen dat [medeverdachte 2] nog een telefoon, autosleutels en een portemonnee had meegenomen.7

De verklaringen van [medeverdachte 2] .

De meeste mensen noemen me [medeverdachte 2] .8 De oom van [verdachte] zou € 6.000,00 in huis hebben. Ik vroeg nog aan [verdachte] weet je zeker dat hij het geld heeft. [verdachte] zei dat ze dat zeker wist omdat ze het, toen ze die avond bij haar oom [slachtoffer 1] was geweest, had geteld.9

[verdachte] reed naar de woning van haar oom. Ik en [medeverdachte 1] stapte uit de auto van [verdachte] . Toen we voor de woning van de oom stonden, klopte [medeverdachte 1] op het raam zoals [verdachte] hem verteld had. Omdat de deur helemaal open ging, pakte ik de man bij zijn gezicht vast. Ik had een hand bij zijn mond. Omdat ik de oom vast had, heb ik hem in de badkamer geduwd.10 [verdachte] had gezegd dat het geld in de kast in de keuken lag. [verdachte] had die plaats aangewezen. Toen [medeverdachte 1] en ik het geld niet konden vinden, heb ik de badkamerdeur weer opengemaakt. Ik vroeg: waar is het geld? Omdat wij het niet konden vinden, zei ik tegen de oom: wijs het dan aan. We namen nog een laptop, een televisie, zijn portemonnee en zijn autosleutel mee. Nadat we wat goederen hadden ontvreemd en weer terug in de auto van [verdachte] waren gestapt, reed [verdachte] weg.11 Het idee om de diefstal te gaan plegen kwam van [verdachte] .12

De verklaringen van [getuige 1] .

Op 24 december 2014 kwam [verdachte] naar de woning van [medeverdachte 1] . [verdachte] zei dat er

€ 6.000,00 lag in de woning van haar oom. [verdachte] stelde voor om naar het huis te gaan om het geld te halen.13

Ik ben toen thuisgebleven. Toen [verdachte] en [medeverdachte 1] weer met de auto terugkwamen, zag ik dat [verdachte] een laptop uit de auto pakte. [medeverdachte 1] kwam met die laptop binnenlopen. [medeverdachte 1] vertelde mij dat hij samen met [verdachte] en [medeverdachte 2] een overval had gepleegd op de oom van [verdachte] . [medeverdachte 1] vertelde dat ze nog een grote televisie, een portemonnee met een bankpas en autosleutels van die oom hadden weggenomen. [medeverdachte 1] vertelde dat [verdachte] plankgas uit de straat van haar oom is weggevlucht.14

De verklaringen van verdachte.

Het telefoonnummer [telefoonnummer] staat op mijn naam. Dit nummer gebruik ik zelf en ik gebruik dit nummer sinds begin december 2014. U vraagt mij of ik mijn telefoon weleens uitleen. Nee, dat is niet het geval.15

Het relaas van [verbalisant 1] .

Door mij werden de historische printgegevens van de navolgende telefoonnummers opgevraagd.

[telefoonnummer] , telefoonnummer in gebruik bij verdachte [verdachte] .

[telefoonnummer] , telefoonnummer in gebruik bij verdachte [medeverdachte 1] .

Uit deze gegevens blijkt onder meer dat via het nummer [telefoonnummer] tussen de tijdstippen 24-12-2014 22.00 uur en 25-12-2014 04.00 uur (het tijdstip waartussen de overval op de [adres 2] plaats heeft gehad) een groot aantal contacten heeft plaatsgehad (SMS en gesprekken). Een groot deel van deze contacten vond plaats met het nummer [telefoonnummer] . Verder wordt duidelijk dat de masten, die de telefoon met het nummer [telefoonnummer] , gedurende deze periode aanstraalt, veranderen. Hierdoor kan gesteld worden dat de voornoemde telefoon ( [telefoonnummer] ) gedurende deze periode niet op dezelfde locatie is gebleven. Een bewerkte uitdraai van deze historische printgegevens is bij dit dossier gevoegd.16

Het relaas van [verbalisant 2] .

Aangever had het vermoeden dat zijn nichtje, [verdachte] , betrokkenheid had bij de overval. [verdachte] klopt altijd op dezelfde wijze op het raam aan de voorzijde van zijn woning, waarna hij de voordeur opent. De overvallers klopten op dezelfde wijze op dit raam. Eerder verstopte aangever € 500,00 in één bepaald kastje in de keuken van zijn woning. [verdachte] wist hier toen van. De daders doorzochten dit bepaalde kastje in de keuken van zijn woning. Het leek er sterk op dat de daders gericht in dit keukenkastje gezocht hadden.17

Gesprekonderzoek door [verbalisant 3] .

Datum: 02-02-2015, 11:20.11.

Herkomst tap: [telefoonnummer] [verdachte] .

[telefoonnummer] belt uit naar [telefoonnummer] .

Beller zegt dat zij gebeld is door de politie en dat zij haar morgen willen horen i.v.m. de woningoverval van Ome [slachtoffer 1] . Beller vraagt moet ik nou vertellen wat ik kerstavond gedaan heb? Gebelde vraagt waar was jij kerstavond? en zegt je was bij ons thuis en bij papa geweest. Hierop zegt beller, ik ben bij papa geweest en ben ik bij [persoon 1] (fon) in het casino geweest en daarna ben ik bij [persoon 2] blijven slapen nader hand.18

Gesprekonderzoek door [verbalisant 4] .

Datum: 02-02-2015, 13:16:16.

Herkomst tap: [telefoonnummer] [verdachte] .

[telefoonnummer] : Ik ga jou er verder niet bij betrekken. Ons mam is mijn dingen. Ik denk ik laat jou dat ff weten. Niet dat ze dadelijk zeggen ze is in het Hollands Casino euh Jack’s Casino geweest met die dan euh. Ik blijf gewoon zeggen dat ik om 12 uur thuis was enne dat ik ziek in bed ben geweest heel de Kerstmis. En ons mam die bevestigt mijn verhaal.19

Gesprekonderzoek door [verbalisant 5] .

Datum 05-02-2015, 20:18:58.

NN [persoon 3]

NN [medeverdachte 1]

. Ja luister is. Je moet [verdachte] mij meteen met spoed laten bellen.

[persoon 3] . Hoezo?

[medeverdachte 1] . [getuige 1] heeft alles verklaard over die je weet wel. Over tanken, over die zesduizend euro die schijnbaar weggehaald is wat niet gebeurd is. [verdachte] moet vanavond hier heen komen dan moeten we een verhaal klaar leggen.20

Nadere bewijsoverweging.

De verdediging stelt zich, samengevat, op het standpunt dat de verklaringen van de twee medeverdachten en van getuige [getuige 1] van het bewijs uitgesloten moeten worden, nu deze verklaringen onderling op hoofdlijnen tegenstrijdig zijn en mitsdien als ongeloofwaardig en onbetrouwbaar terzijde moeten worden gesteld.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank komen de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en van getuige [getuige 1] op hoofdlijnen overeen. Zij verklaren allen dat verdachte met het idee van de overval kwam en dat zij had verteld dat haar oom een bedrag van € 6.000,00 in huis had liggen, dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met verdachte naar de woning van haar oom zijn gereden, dat [medeverdachte 1] daar aangekomen op een door verdachte aangegeven wijze op het raam klopte, dat [medeverdachte 2] de oom de badkamer in heeft geduwd, dat verdachte heeft aangewezen waar volgens haar het geld moest liggen en dat zij uiteindelijk weer zijn vertrokken in de auto van verdachte, die door verdachte werd bestuurd. Dat deze verklaringen onderling op enkele punten afwijken, doet aan die constatering niet af. De stelling dat er, zoals de verdediging stelt, sprake is van afgesproken werk tussen de twee medeverdachten en de getuigen om verdachte naar voren te schuiven als initiator, is op geen enkele wijze nader onderbouwd en vindt ook geen steun in het procesdossier. Dit leidt de rechtbank dan ook niet tot een ander oordeel.

Het oordeel van de rechtbank.

Op grond van de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 25 december 2014 als medepleger betrokken is geweest bij de overval op de woning van aangever [slachtoffer 1] , waarbij (bedreiging met) geweld tegen aangever is gebruikt. Uit de verklaringen van de medeverdachten en een getuige blijkt genoegzaam dat er tussen verdachte en de twee mededaders sprake was een nauwe en bewuste samenwerking. Op basis van deze verklaringen kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat alle daders een aandeel hebben gehad in de uitvoering van dit feit, waarbij geen van de verdachten zich van het gebeuren heeft gedistantieerd. Voornoemde verklaringen worden bovendien ondersteund door andere bewijsmiddelen. Zo verklaart aangever dat alleen verdachte en haar zus op het raam kloppen zoals direct voorafgaand aan de overval op zijn woning gebeurde. Deze verklaring komt overeen met de verklaringen van de medeverdachten over hoe er volgens verdachte op het raam moest worden geklopt. Daarnaast wist verdachte dat haar oom in het keukenkastje, dat verdachte volgens de medeverdachten tijdens de overval aanwees, (eerder) € 500,00 bewaarde.

Verder blijkt uit de historische printgegevens van de telefoon van verdachte, waarvan zij verklaart dat zij die nooit uitleent, dat zij op 24 en 25 december 2014, voor en na de bewuste overval, veelvuldig contact heeft gehad met medeverdachte [medeverdachte 1] . Dit weerspreekt nadrukkelijk de verklaring van verdachte dat zij op kerstavond 2014 geen contact heeft gehad met [medeverdachte 1] . Verdachte heeft ter terechtzitting gesteld dat zij dit niet kan verklaren. Verdachte heeft ook wisselende verklaringen afgelegd over haar doen en laten in de nacht van 24 op 25 december 2014. Haar oorspronkelijke verklaring, dat zij vanaf 00.00 uur ziek thuis was, wordt weersproken door dezelfde historische printgegevens van haar telefoon, waaruit blijkt dat haar telefoon – die zij nooit uitleent - tussen de tijdstippen 24 december 2014 22.00 uur en 25 december 2014 04.00 uur diverse keren is verplaatst. Dat verdachte later, ook ter terechtzitting, verklaart dat zij zich heeft vergist en vervolgens een ander alibi geeft, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. Te meer nu uit tapgesprekken blijkt dat verdachte wist dat de politie haar verdacht van betrokkenheid bij deze overval en zij beide verhalen al had bedacht voordat zij door de politie werd gehoord, en daarnaast dat medeverdachte [medeverdachte 1] verdachte met spoed wilde spreken omdat [getuige 1] alles had verklaard en hij met verdachte ‘een verhaal klaar wilde leggen’. Verdachte heeft voor deze hele gang van zaken geen redengevende verklaringen kunnen geven. De rechtbank ziet daarin aanleiding om deze verklaringen van verdachte, alsmede de verklaringen van [getuige 2] , terzijde te stellen.

De rechtbank is, gezien al het voorgaande, dan ook van oordeel dat een alternatief scenario waarin verdachte niet één van de daders van deze overval is, op geen enkele wijze aannemelijk is geworden.

Gelet op de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierna onder “de bewezenverklaring” nader zal worden aangegeven.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 25 december 2014 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een televisie en een laptop en een telefoon en een portemonnee met inhoud en een hoeveelheid sleutels toebehorende aan [slachtoffer 1] , welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en haar mededaders:

- voornoemde [slachtoffer 1] bij de keel en/of mond hebben gegrepen en

- die [slachtoffer 1] de woning hebben binnengeduwd en daarbij die [slachtoffer 1] de woorden toegevoegd: "mond houden, niks roepen" en/of "waar is je geld" en/of “meneer werk alsjeblieft mee, ik heb hier geen zin in”, althans woorden van gelijkluidende dreigende aard of strekking en vervolgens

- die [slachtoffer 1] naar de badkamer hebben geduwd en daarbij de woorden toegevoegd: "als je naar buiten komt, gebeurt er iets ergs met je" en vervolgens de woorden toegevoegd: "waar is je geld, wijs het aan".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaar, met oplegging van reclasseringstoezicht en de andere bijzondere voorwaarden als genoemd in het reclasseringsrapport van 9 juni 2015. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, acht de verdediging op basis van de in de pleitnotitie nader omschreven feiten en omstandigheden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de periode dat verdachte in voorarrest heeft gezeten, met daarnaast een flinke voorwaardelijke gevangenisstraf, passend en geboden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft ten nadele van verdachte het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte en haar mededaders hebben zich schuldig gemaakt aan een woningoverval. Toen het slachtoffer, een oudere man, na aankloppen de voordeur van zijn woning opendeed, werd hij direct bij de keel/mond gegrepen en in de badkamer geduwd. Op een indringende en dreigende wijze werd aan het slachtoffer gevraagd waar het geld lag en hem werd duidelijk gemaakt dat hij de badkamer niet moest verlaten. Zou hij dat wel doen, dan zou er iets ergs met hem gebeuren. Het geld waarnaar verdachte en haar mededaders op zoek waren (een bedrag van € 6000,-), werd niet aangetroffen, waarna de verdachte en haar mededaders de woning verlieten met medeneming van een laptop, televisie, portemonnee, telefoon en de autosleutels van het slachtoffer.

Door aldus te handelen, hebben de verdachte en haar mededaders een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en zijn gevoel van veiligheid in zijn eigen woning. De eigen woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig moet kunnen voelen. De verdachte en haar mededaders hebben blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de lichamelijke integriteit en de woning en de eigendommen van het slachtoffer.

Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. De verdachte en haar mededaders hebben enkel oog gehad voor hun financiële belangen, zonder stil te staan bij de ernstige - met name psychische - gevolgen die een dergelijk feit kan hebben voor het slachtoffer. Mede uit de toelichting op de vordering benadeelde partij blijkt dat het incident een grote impact op het slachtoffer heeft gehad.

Overvallen leiden bovendien tot gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving. Verdachte en haar mededaders hebben met die gevoelens geen rekening gehouden toen zij besloten op deze manier snel aan geld te willen komen.

De rechtbank legt verdachte een zwaardere straf op dan haar mededaders omdat verdachte deze woningoverval heeft geïnitieerd, waarbij het verdachte in het bijzonder wordt aangerekend dat het de woning van haar oom betrof, die verdachte naar eigen zeggen beschouwt als een vaderfiguur en wiens vertrouwen verdachte op deze wijze in grote mate heeft beschaamd.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur als na te melden.

In het reclasseringsadvies van reclasseringswerker M. Vromen van 9 juni 2015 worden enkele bijzondere voorwaarden genoemd die bij een veroordeling van verdachte geïndiceerd zijn. Gelet op de inhoud van bovenstaande rapport zal de rechtbank ter voorkoming van het plegen van nieuwe strafbare feiten en in het kader van het verlenen van hulp aan de verdachte een gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

De rechtbank zal een enigszins lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

De rechtbank acht - als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade - de volgende onderdelen van de vordering toewijsbaar:

- immateriële schadevergoeding van € 800,- en

- materiële schadevergoeding van € 13,16 (post “reiskosten”)

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 december 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren ten aanzien van de post “autosleutels” van de vordering. De rechtbank acht dit onderdeel van de vordering onvoldoende onderbouwd, temeer nu niet is vast te stellen of en in hoeverre deze kosten zijn gemaakt in directe relatie tot het bewezen verklaarde feit. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering zou een uitgebreide, nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en haar mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf :

diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

- een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering;

  • -

    zich zal melden bij Reclassering Nederland, locatie Eindhoven (Polluxstraat 114-116 te Eindhoven, telefoonnummer 073-6408080) en zich gedurende de proeftijd zal blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    de gedragsinterventie GI-RN Cognitieve Vaardigheden gaat volgen;

waarbij de Reclassering Nederland, Regio's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

- een maatregel van schadevergoeding van EUR 813,16 subsidiair 16 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van EUR 813,16 (zegge: achthonderddertien euro en zestien eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 13,16 ter zake de materiele schade (de post "reiskosten") en uit een bedrag van EUR 800,- ter zake de immateriële schade.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (één van) haar mededader(s) is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 december 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van EUR 813,16 (zegge: achthonderddertien euro en zestien eurocent ), bestaande uit een bedrag van EUR 13,16 ter zake de materiele schade (de post "reiskosten") en uit een bedrag van EUR 800,- ter zake de immateriële schade.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 december 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (één van) haar mededader(s) is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat, komt daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.M. Hettinga, voorzitter,

mr. H.A. van Gameren en mr. S.J.W. Hermans, leden,

in tegenwoordigheid van mr. S. Kriekaard, griffier,

en is uitgesproken op 30 oktober 2015.

1 Tenzij anders vermeld wordt verwezen naar de paginanummers uit het proces-verbaal van de regiopolitie Oost-Brabant, districtsrecherche Eindhoven, registratienummer PL2100-2014199004, onderzoeksnummer 22GRE14093 (onderzoek ‘Boomvaraan’), afgesloten op 30 maart 2015, aantal doorgenummerde bladzijden: 243.

2 Proces-verbaal aangifte d.d. 25 december 2014, pag. 101.

3 Proces-verbaal aangifte d.d. 25 december 2014, pag. 102.

4 Verklaring [slachtoffer 1] , afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 7 september 2015.

5 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 1] d.d. 17 maart 2015, pag. 62.

6 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 1] d.d. 19 maart 2015, pag. 74.

7 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 1] d.d. 19 maart 2015, pag. 75.

8 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 2] d.d. 17 maart 2015, pag. 90.

9 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 2] d.d. 17 maart 2015, pag. 96.

10 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 2] d.d. 17 maart 2015, pag. 97.

11 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 2] d.d. 17 maart 2015, pag. 98.

12 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 2] d.d. 17 maart 2015, pag. 99.

13 Proces-verbaal verhoor [getuige 1] d.d. 3 maart 2015, pag. 196.

14 Proces-verbaal verhoor [getuige 1] d.d. 3 maart 2015, pag. 197.

15 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 17 maart 2015, pag. 36.

16 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 maart 2015, pag. 212.

17 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 december 2014, pag. 126.

18 Pag. 130.

19 Pag. 133.

20 Pag. 142.