Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:6227

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-10-2015
Datum publicatie
27-10-2015
Zaaknummer
C/01/297988 / KG ZA 15-541
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

artikel 5:48 BW. Gedaagde is bevoegd pad af te sluiten met neerklapbaar paaltje. Eiser die het pad van gedaagde gebruikt als ontsluiting naar de openbare weg moet aanwezigheid paaltje dulden. Voor zover al sprake van erfdienstbaarheid van weg dan heeft gedaagde door het verstrekken van een sleutel van het paaltje aan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/297988 / KG ZA 15-541

Vonnis in kort geding van 23 oktober 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. A.W.G. de Hart te Wijk en Aalburg,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J. van Zinnicq Bergmann te 's‑Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 31 augustus 2015 met 4 producties

  • -

    de brief van mr. Van Zinnicq Bergmann d.d. 2 oktober 2015 met daarbij een zevental aangiftes en een foto almede de aankondiging van een eis in reconventie

  • -

    de mondelinge behandeling op 9 oktober 2015

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van [gedaagde]

  • -

    de plaatsopneming door de voorzieningenrechter op 9 oktober 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is sinds 1993 eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente [woonplaats] . Op het perceel, plaatselijk bekend [adres] , bevindt zich de woning van [eiser] .

2.2.

[gedaagde] is (indirect) eigenaar van de aangrenzende percelen kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , [nummers] . Op de percelen bevinden zich de woning van [gedaagde] , plaatselijk bekend [adres] en het (onder meer) door [gedaagde] gedreven hotel [naam] .

2.3.

Het perceel van [eiser] heeft geen eigen aansluiting op de openbare weg. [eiser] gebruikt als ontsluiting het verharde pad (hierna aangeduid als “het pad”) dat vanaf de achterkant van het hotel langs de woning van [eiser] loopt en uitkomt op het [adres] . Het pad maakt onderdeel uit van perceel [nummers] en is eigendom van [gedaagde] .

2.4.

[eiser] heeft voor het gebruik van het pad toestemming van [gedaagde] . Een erfdienstbaarheid is niet formeel vastgelegd.

2.5.

In oktober 2014 heeft [gedaagde] aan het eind van het pad waar dit uitmondt op het [straat] een paaltje geplaatst. Het paaltje kan worden neergeklapt met behulp van een sleutel. [eiser] heeft van [gedaagde] een sleutel ontvangen.

2.6.

Als het paaltje omhoog staat is het voor autoverkeer niet mogelijk om dit te passeren. Het is dan niet mogelijk om met de auto van de openbare weg bij de woning van [eiser] te geraken of andersom.

2.7.

[eiser] heeft [gedaagde] verzocht en vervolgens gesommeerd om het paaltje te verwijderen. [gedaagde] heeft daaraan geen gehoor gegeven.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiser] vordert, samengevat:

[gedaagde] te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot algehele verwijdering van de wegafsluiting in de vorm van een paal en deze verwijderd te houden en [gedaagde] te gebieden aan [eiser] vrije en onbelemmerde toegang te blijven verlenen over het pad zoals dat tot aan de plaatsing van de paal het geval was, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

[gedaagde] handelt onrechtmatig jegens [eiser] door het pad zonder voorafgaand overleg met [eiser] af te sluiten met een paaltje. Als gevolg van de afsluiting is de woning van [eiser] onbereikbaar voor autoverkeer en zijn problemen ontstaan bij de postbezorging. Ondanks verzoeken en sommatie van [eiser] weigert [gedaagde] het paaltje te verwijderen. [gedaagde] handelt daarmee in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt.

Daarnaast is door verjaring een recht van overweg ontstaan ten gunste van [eiser] over het pad. Door het pad af te sluiten met een paaltje maakt [gedaagde] inbreuk op dat recht.

Voorts maakt [gedaagde] misbruik van bevoegdheid door het pad af te sluiten met een paaltje. [gedaagde] heeft geen belang bij de afsluiting omdat het niet zal helpen om inbraken te voorkomen. Bovendien kan [gedaagde] het paaltje ook verderop, voorbij de woning van [eiser] plaatsen waardoor de toegang tot het hotel voor auto’s is afgesloten maar [eiser] daar geen hinder van ondervindt.

Voorts zal [eiser] in een bodemprocedure de aanwijzing van het pad tot noodweg vorderen, zodat [gedaagde] ook om die reden geen rechtmatig belang heeft bij de afsluiting van het pad.

[eiser] heeft een spoedeisend belang bij verwijdering van het paaltje omdat hij kampt met gezondheidsproblemen en medische hulp door de afsluiting bemoeilijkt wordt.

3.3.

[gedaagde] voert daartegen, zakelijk weergegeven het volgende verweer.

[gedaagde] is als eigenaar te allen tijde bevoegd zijn erf af te sluiten en dus om het paaltje te plaatsen. Van misbruik van bevoegdheid door [gedaagde] is geen sprake.

[gedaagde] heeft daarnaast belang bij het paaltje.

Het perceel van [eiser] is niet onbereikbaar voor autoverkeer. [eiser] heeft immers van [gedaagde] een sleutel van het paaltje ontvangen en kan zich dus op ieder moment toegang verschaffen tot zijn perceel.

Van problemen met postbezorging is [gedaagde] niets gebleken. Bovendien kan [gedaagde] geen aanspraak maken op bezorging van de post tot aan zijn woning aangezien de brievenbus op maximaal vijf meter van de openbare weg bereikbaar moet zijn.

Het is [gedaagde] ook niet gebleken dat [eiser] door de aanwezigheid van het paaltje niet bereikbaar is geweest voor dringende medische hulp.

[gedaagde] heeft [eiser] diverse handreikingen gedaan, maar [eiser] is daar niet op in gegaan.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert, samengevat:

[eiser] te bevelen om de toegangspaal iedere keer nadat hij deze naar beneden heeft gedaan om deze met de auto te passeren of te laten passeren direct daarna weer omhoog en op slot te zetten, op straffe van een dwangsom van € 500,-- per keer dat [eiser] in gebreke blijft.

4.2.

[gedaagde] legt daaraan ten grondslag dat [eiser] weigert om de toegangspaal na het passeren daarvan weer omhoog en op slot te zetten. Daarmee handelt [eiser] onrechtmatig jegens [gedaagde] . [gedaagde] is immers bevoegd tot de afsluiting en heeft er ook belang bij dat het toegangspaaltje wordt teruggezet.

4.3.

[eiser] voert verweer.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

Het gaat in dit kort geding om het paaltje dat [gedaagde] vorig jaar oktober heeft geplaatst op het verharde pad gelegen achter zijn woning en het door hem gerunde hotel. De vraag is of de plaatsing van het paaltje onrechtmatig is jegens [eiser] , die het pad gebruikt als ontsluiting van zijn woning naar de openbare weg.

5.2.

Ingevolge artikel 5:48 Burgerlijk Wetboek (BW) is [gedaagde] als eigenaar van het pad bevoegd dit af te sluiten. Dat [eiser] het pad gebruikt als ontsluitingsweg van zijn woning naar de openbare weg en daarvoor ook toestemming heeft van [gedaagde] , doet aan die bevoegdheid niet af . Zelfs indien het pad belast zou zijn met een erfdienstbaarheid van weg ten gunste van [eiser] – hetgeen thans in het midden kan blijven omdat [gedaagde] niet betwist dat [eiser] het pad mag gebruiken – dan is [gedaagde] als eigenaar van het dienende erf bevoegd dit af te sluiten (vgl. HR 23 juni 2006, NJ 2006,352).

5.3.

Het staat [gedaagde] in beginsel vrij om de bevoegdheid om zijn erf af te sluiten in te roepen op de wijze die hem goeddunkt. Dat wordt pas anders indien sprake is het inroepen van die bevoegdheid moet worden aangemerkt als misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW. Dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter hier niet het geval. Uit het genoemde arrest van de Hoge Raad volgt dat de eigenaar van het heersende erf ervoor moet zorgen dat de eigenaar van het heersende erf onbelemmerde toegang behoudt tot het dienend erf teneinde de erfdienstbaarheid uit te oefenen. Blijkens het arrest zal dat in de regel betekenen dat de eigenaar van het dienend erf de eigenaar van het heersend erf de mogelijkheid biedt zich op elk moment en zonder telkens afhankelijk te zijn van de directe medewerking van de eigenaar van het dienend erf, de toegang tot het erf te verschaffen ter uitoefening van de erfdienstbaarheid. Die mogelijkheid heeft [gedaagde] aan [eiser] geboden door hem permanent een sleutel ter beschikking te stellen waarmee [eiser] zelf het paaltje kan neerklappen. [eiser] kan aldus op elk gewenst moment met zijn auto over het pad van zijn woning naar de openbare weg en vice versa. Ook bezoek kan de woning met de auto bereiken als [eiser] het paaltje met de sleutel neerlaat. Dat de huidige situatie voor [eiser] lastiger is dan toen er nog geen paaltje stond, is duidelijk. Hij zal zich daar echter bij moeten neerleggen. Daarbij dient [eiser] zich te realiseren dat enig ongemak op dat punt inherent is aan het feit dat hij woont op een “ingesloten” perceel.

5.4.

Datzelfde geldt ten aanzien van Wilminks stelling dat hij moeilijk bereikbaar is voor post- en bezorgdiensten. En voor zover de post voor [eiser] zoals hij stelt inderdaad herhaaldelijk niet of met grote vertraging wordt bezorgd, heeft te gelden dat het [eiser] vrij staat om een brievenbus en/of een bel te plaatsen aan de openbare weg. [gedaagde] heeft te kennen gegeven daar geen probleem mee te hebben en heeft [eiser] in dat kader enkele handreikingen gedaan. Ook heeft [gedaagde] aangeboden een op afstand neer te laten paaltje aan te brengen op gezamenlijke kosten. [eiser] heeft de voorstellen van [eiser] echter afgewezen.

5.5.

Voor zover [eiser] stelt dat de hij als gevolg van het paaltje niet bereikbaar is voor hulpdiensten en hij in een bodemprocedure aanwijzing van het pad als noodweg zal vorderen heeft te gelden dat de voorzieningenrechter bij de plaatsopneming is gebleken dat de woning van [eiser] in geval van nood ook bereikbaar is via de toegangsweg gelegen aan de voorzijde van de woning van [gedaagde] en het hotel aan de Kruishoeveweg. Bovendien kan zo nodig aan de huisarts van [eiser] een sleutel van het paaltje worden verstrekt zodat deze de woning van [eiser] met de auto kan bereiken in het geval dat [eiser] niet in staat is om het paaltje zelf te laten neerklappen. [gedaagde] heeft aangegeven er geen bezwaar tegen te hebben als aan de huisarts een sleutel wordt verstrekt. De brandweer heeft zelfs al een sleutel.

5.6.

Daar komt bij dat [gedaagde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij er belang bij heeft dat het pad wordt afgesloten met een paaltje. Hij wil daarmee potentiële inbrekers de mogelijkheid ontnemen om met de auto tot vlak bij het hotel te komen. Dat het risico op inbraak in het hotel via het pad reëel is, is voldoende aannemelijk geworden. Het hotel is gelegen in een landelijk en bosrijke omgeving waar het ’s avonds donker is en het pad ligt volledig uit het zicht. [gedaagde] heeft in dat verband gewezen op een aantal inbraken die recentelijk in het hotel heeft plaatsgevonden en heeft dat onderbouwd met kopieën van aangiftes en foto’s. [gedaagde] heeft er ook belang bij dat het paaltje aan het begin van het pad staat bij de aansluiting op het Cromvoirtsepad en niet dichter bij het hotel, voorbij de woning van [eiser] , zoals door laatstgenoemde is geopperd. In dat geval zouden inbrekers immers aanzienlijk dichter met de auto bij het hotel kunnen geraken. Van een onevenredigheid van belangen in de zin van het tweede lid van artikel 3:13 BW is naar het oordeel van de voorziening rechter gelet op het vorenstaande geen sprake.

5.7.

Dat [gedaagde] anderszins zijn bevoegdheid zou misbruiken is evenmin aannemelijk geworden. Voor een veroordeling van [gedaagde] om het paaltje te verwijderen bestaat derhalve geen grond. De vordering in conventie zal daarom worden afgewezen.

5.8.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 285,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.101,00

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

De vordering in reconventie zal worden toegewezen. [eiser] heeft niet weersproken dat hij het paaltje niet terug omhoog zet en op slot doet nadat hij het heeft neergeklapt. Daarmee handelt [eiser] onrechtmatig jegens [gedaagde] . Zoals in conventie is overwogen is [gedaagde] bevoegd om het pad als eigenaar af te sluiten en dient [eiser] dat te respecteren. Daarbij hoort ook dat [eiser] het paaltje weer omhoog zet en op slot doet als hij het heeft neergeklapt. Nu [eiser] daar kennelijk niet vrijwillig toe bereid is, zal hij worden veroordeeld om dat te doen.

6.2.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.

6.3.

[eiser] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op een bedrag van € 408,00 aan salaris advocaat.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

wijst de vordering af,

7.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.101,00,

7.3.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

7.4.

veroordeelt [eiser] om iedere keer nadat hij de door [gedaagde] op het pad dat loopt van zijn woning naar het [adres] geplaatste toegangspaal naar beneden heeft gedaan (al dan niet om deze met de auto te passeren of te laten passeren), deze direct daarna weer omhoog en op slot te zetten,

7.5.

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere keer dat hij niet aan de in 7.4. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,

7.6.

bepaalt dat geen dwangsommen zullen worden verbeurd voor zover dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht, in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding,

7.7.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 408,00,

7.8.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.9.

wijst het meer of anders gevorderde af

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2015.