Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:6226

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-10-2015
Datum publicatie
30-10-2015
Zaaknummer
C/01/286408 / HA ZA 14-849
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan voorwaarden voor toepassing artikel 3:194 BW is voldaan.. Gedaagde 1 was op de hoogte van het bestaan van de AXA Bankrekeningen in België en van het positieve saldo daarop, maar heeft bewust nagelaten eiser, mede-erfgenaam, hierover te informeren. gedaagde 2 heeft ingestemd met de handelwijze van haar broer, gedaagde 1. Dat uiteindelijk aan eiser alsnog zijn deel is uitgekeerd en dat nog geen (definitieve) verdeling van de nalatenschap heeft plaats gevonden is niet relevant. Gedaagden handelden met het oogmerk om het aandeel van hun broer zo klein mogelijk te houden en zijn pas tot uitbetaling overgegaan nadat eiser zelf het bestaan van de bankrekeningen in belgië had achterhaald en duidelijk was dat gedaagden hun houding van onwetendheid onmogelijk konden volhouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/514
RN 2016/6
Prg. 2016/2
ERF-Updates.nl 2015-0351
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/286408 / HA ZA 14-849

Vonnis van 28 oktober 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. T. Möller te Tilburg

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. J.F.E. van Halder te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    Het tussenvonnis van 14 januari 2015;

  • -

    Het proces verbaal van comparitie van 7 juli 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn de kinderen van mevrouw [naam 1] , ook wel aan te duiden met moeder. Moeder is overleden op [datum] . De vader van partijen is overleden op [datum] .

2.2.

Moeder heeft bij testament van 16 juni 1969 beschikt over haar nalatenschap en haar drie kinderen benoemd tot erfgenamen, ieder voor eenderde deel. Bij codicil van 29 juni 1990 heeft moeder haar sieraden gelegateerd aan [gedaagde sub 2] .
[eiser] heeft de erfenis beneficiar aanvaard.

[gedaagde sub 1] heeft zich belast met de afwikkeling van de nalatenschap.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, samengevat weergegeven,
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot
I. betaling van
a. € 1.086,10

b. € 21.850,18
c. € 26.490,00
d. € 44.162,63
e. de buitengerechtelijke incassokosten over genoemde bedragen,

met vermeerdering van de toegewezen bedragen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
II. De bankafschriften van AXA-Bank, Rabobank en ING-Bank, alsmede mogelijke overige banken, en de aangiften en aanslagen IB van de tien jaar aan het overlijden van [moeder] voorafgaand aan [eiser] over te leggen binnen 7 dagen na betekening van het vonnis en voorts medewerking te verlenen aan het opvragen bij de bank van eventuele ontbrekende bankafschriften op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag,

met veroordeling van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal, voor zover van belang, hieronder nader worden in gegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kern van dit geschil betreft het aandeel van [eiser] in de nalatenschap van moeder.

[eiser] stelt zich daarbij op het standpunt dat hem, als erfgenaam van zijn moeder, één derde deel van de nalatenschap toekomt, wat overeenkomt met een bedrag van
€ 1.086,10. Daarnaast is hij van mening dat beide andere erfgenamen, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , opzettelijk voor hem hebben verzwegen dat moeder ook nog beschikte over een saldo op een tweetal rekeningen onder nummer 755-1394545-29 (spaarrekening) en nummer 758-4574053-08 (beleggingsrekening) bij AXA-Bank in België. Volgens [eiser] komt hem uit hoofde van het bepaalde in artikel 3:194 lid 2 BW daarom het volledige saldo van die rekening toe, plus een tweetal bedragen van € 26.490,00 en
€ 44.162,63, die kort voor het overlijden van moeder en, volgens [eiser] , buiten moeder om van de rekening zijn opgenomen.
heeft het vermoeden dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] mogelijk ook nog andere vermogensbestanddelen van moeder voor hem verborgen houden en wil daarom inzicht in, zoals de rechtbank begrijpt, de financiële administratie van moeder over de volledige periode tot 10 jaar voorafgaand aan de datum van haar overlijden.

4.2.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben naar voren gebracht dat [gedaagde sub 1] de afwikkeling van de nalatenschap op zich heeft genomen en dat [gedaagde sub 2] daar geen bemoeienis mee heeft gehad.
De nalatenschap is volgens hen geheel in de geest van hun moeder afgewikkeld; moeder heeft bij leven bij herhaling tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gezegd dat haar zoon [eiser] niets meer van haar zou krijgen, ook niet als zij overleden zou zijn. Van opzettelijk verzwijgen van goederen in de zin van artikel 3:194 BW is hun ogen geen sprake geweest omdat uiteindelijk aan [eiser] zijn aandeel in het saldo van de bankrekeningen van moeder, inclusief het saldo van de AXA-rekeningen, is uitbetaald.
De bedragen van € 26.490,00 en € 44.162,63 zijn niet buiten moeder om en zonder haar instemming van de AXA-rekening opgenomen. Moeder heeft haar financiële zaken altijd zelfstandig behandeld en tot begin 2012 was er geen reden om aan te nemen dat moeders verstandelijke vermogens zodanig achteruit waren gegaan dat dat niet verantwoord was. Het klopt dat [gedaagde sub 1] over een volmacht voor de AXA-rekeningen beschikte, maar [gedaagde sub 1] heeft nooit feitelijk het beheer over deze rekeningen gevoerd. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] beschikt [eiser] over alle afschriften van de AXA-Bankrekeningen en is hem aangeboden, desgewenst, de overige stukken in te zien. Volgens hen heeft [eiser] geen belang bij zijn vordering tot afgifte van de financiële bescheiden.

Uiterste wil moeder.

4.3.

Het testament van moeder behelsde een zogeheten ouderlijke boedelverdeling ex artikel 1167 OBW. Het testament bevat verder geen bepalingen inzake de erfstelling die afwijken van de wettelijke regeling voor erfopvolging bij versterf. Nu vader [naam 2] vóór moeder is overleden zijn de kinderen [naam 2] haar wettige erfgenamen en gerechtigd tot haar nalatenschap, ieder voor één/derde. Dit volgt uit de artikel 4:1 bezien in samenhang met artikel 4:10, lid 1 onder a BW. Het zal zo zijn dat moeder gedurende haar leven bij herhaling heeft gezegd dat haar zoon [eiser] niets meer van haar zou krijgen, ook niet na haar overlijden, maar zij heeft nagelaten de daad bij het woord te voegen en een uiterste wilsbeschikking van die strekking in haar testament op te nemen. Dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] meenden in de geest van moeder te handelen is geen in rechte te honoreren reden om aan [eiser] , als wettig erfgenaam, zijn aandeel in de nalatenschap van zijn moeder (gedeeltelijk) te onthouden nu een enkele verklaring van de erflater niet als uiterste wilsbeschikking in de zin van artikel 4:42 lid 3 BW geldt.

Opzettelijk verzwijgen AXA Bankrekeningen

4.4.

Op grond van artikel 3:194 lid 2 BW verbeurt een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten. In de Memorie van Toelichting bij dit artikel is aangegeven dat het verzwijgen, zoek maken of verborgen houden plaats vindt telkens wanneer door de erfgenamen een handeling wordt verricht of iets wordt nagelaten met het oogmerk de rechten der deelgenoten te verkorten.
Uit de stellingen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , de verklaring van [gedaagde sub 1] ter comparitie en de correspondentie die [eiser] heeft overgelegd blijkt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vanaf 14 augustus 2012 ermee bekend waren dat [eiser] medeerfgenaam was en dat [gedaagde sub 1] de door [eiser] geraadpleegde notaris en, later, diens raadsman desgevraagd bewust niet heeft geïnformeerd over (het bestaan van) de AXA-Bankrekeningen. [gedaagde sub 1] heeft ter comparitie bevestigd dat hij een volmacht had voor de AXA-Bankrekeningen, dat hij in de jaren ’90 regelmatig met zijn moeder mee was gegaan om in België geld van de rekening op te nemen en dat hij in 2010 en in 2011 op verzoek van zijn moeder de door [eiser] genoemde bedragen aan contant geld heeft opgenomen. Dat [gedaagde sub 1] in november 2012, toen naar het bestaan van een bankrekening in België werd gevraagd, niet zou hebben geweten van het bestaan van de AXA-rekeningen is dan ook ongeloofwaardig. Verder blijkt uit de stellingen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] (punt 16 e.v. cva) dat [gedaagde sub 1] reeds op 5 november 2012 ermee bekend was dat er een bedrag van € 32.550,00 op de AXA-rekeningen stond, dat hij bewust heeft nagelaten zijn broer en mede-erfgenaam [eiser] daarover te informeren en dat het niet zijn bedoeling was [eiser] in dat saldo te laten delen. Ten aanzien van [gedaagde sub 2] geldt dat zij in ieder geval in april 2013 door haar broer [gedaagde sub 1] over het bestaan van de AXA Bankrekeningen is geïnformeerd en, afgaand op de verklaring van [gedaagde sub 1] ter comparitie, met zijn aanpak om broer [eiser] niet op de hoogte te stellen heeft ingestemd.

Aldus geldt voor beiden dat aan de voorwaarden van artikel 3:194 lid 2 BW is voldaan. Dat zij hebben bedoeld de nalatenschap af te wikkelen naar de wens en in de geest van moeder is, zoals de rechtbank hiervoor onder 4.3 heeft overwogen, geen geldige reden om [eiser] , mede-erfgenaam, zijn aandeel in de nalatenschap (deels) te onthouden en aldus zijn rechten te verkorten. Dat zij uiteindelijk, toen [eiser] zelf het bestaan van de AXA Bankrekeningen en het positieve saldo, had achterhaald en aanspraak maakte op zijn aandeel daarin tot uitbetaling aan [eiser] zijn overgegaan maakt dat niet anders. Ook het feit dat, zoals [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben aangevoerd, nog geen verdeling had plaats gevonden leidt niet tot een ander oordeel. Nog los van het feit dat [gedaagde sub 1] in zijn brief van 22 maart 2013 aan de toenmalige advocaat van [eiser] anders suggereert is het evident dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] handelden met het oogmerk om het aandeel van hun mede-erfgenaam zo klein mogelijk te houden en dat zij eerst tot uitbetaling zijn overgegaan nadat duidelijk was dat zij hun houding van onwetendheid niet langer konden volhouden. Daarmee hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hun aandeel in het saldo op de AXA-Bankrekeningen verbeurd en komen beide aandelen aan [eiser] toe. De rechtbank zal dit onderdeel van de vorderingen van [eiser] toewijzen.

De opnames van € 26.490,00 en € 44.162,63

4.5.

[eiser] heeft gesteld dat uit de administratie van de AXA-Bankrekeningen blijkt dat [gedaagde sub 1] kort voor het overlijden van moeder een bedrag van € 26.490,00 en € 44.162,63 van de AXA-Bankrekeningen heeft opgenomen. Volgens [eiser] hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dit gedaan met als doel [eiser] als erfgenaam te benadelen. Moeder leed, aldus [eiser] , aan Alzheimer en het is gegeven de ziekte van moeder niet aannemelijk dat moeder deze bedragen zelf heeft opgenomen of ervan afwist. De rechtbank begrijpt hieruit dat [eiser] zijn vordering ook voor wat betreft dit onderdeel baseert op artikel 3:194 BW in die zin dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] buiten moeder om op voorhand deze bedragen aan de nalatenschap hebben onttrokken om zodoende [eiser] zijn aandeel in de erfenis te onthouden. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben daartegenover gesteld dat [gedaagde sub 1] inderdaad op verzoek van moeder in 2010 een bedrag van € 26.490,00 en in 2011 een bedrag van € 44.162,63 van de AXA-Bankrekening heeft opgenomen. Moeder zag, aldus [gedaagde sub 1] , dat zij het geld niet meer voor zichzelf nodig had en wilde het graag bij leven schenken. [gedaagde sub 1] heeft beide bedragen aan moeder overhandigd. Met de besteding ervan heeft hij geen bemoeienis gehad. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben betwist dat zij misbruik zouden hebben gemaakt van de slechte gezondheid van moeder. Zij stellen dat moeder gedurende haar leven en ook in de laatste jaren daarvan, zelfstandig het beheer over haar financiën heeft gevoerd. Moeder kampte vooral met fysieke problemen, wat tot haar opname in het verzorgingstehuis heeft geleid. Pas in de laatste maanden voor haar dood, vanaf begin 2012, ging moeder, zo hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gesteld, merkbaar geestelijk achteruit en is Alzheimer geconstateerd. De volmachten die moeder eerder aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft gegeven met betrekking tot de AXA-Bankrekeningen ( [gedaagde sub 1] ) respectievelijk de ING-betaalrekening ( [gedaagde sub 2] ) kwamen voort uit overwegingen van praktische aard.

De rechtbank overweegt dat het op grond van artikel 150 Wetboek van Rechtsvordering (WBRv) aan [eiser] is om voldoende feiten te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] buiten moeder om de gelden van haar rekening hebben opgenomen. Er is geen discussie dat [eiser] al vele jaren zelf geen contact meer had met moeder en alleen via een kennis uit de woonplaats van zijn moeder af en toe informatie kreeg over haar gezondheidstoestand. [eiser] baseert zich wat dat laatste betreft, met name, op de tekst die is opgenomen op het bidprentje van moeder en die vermeldt dat

“de laatste jaren (..)Alzheimer in haar leven (sloop) en stapje voor stapje leverde ze in” .
Het is algemeen bekend dat de ziekte van Alzheimer gepaard gaat met een langzaam voortschrijdend proces van aantasting van geestelijke vermogens, wat bij iedere individuele patient anders verloopt. Om te kunnen beoordelen of en wanneer een patient vanwege deze aandoening niet meer in staat geacht kan worden zelfstandig haar belangen te behartigen zijn concrete en medisch objectieve gegevens nodig over het functioneren van de betrokkene, haar gezondheidstoestand en het verloop van haar ziekte. [eiser] heeft zijn stelling dat moeder aan Alzheimer leed niet in deze zin nader gespecificeerd. Integendeel, ter comparitie heeft hij verklaard

“Ik heb op een gegeven moment wel van Dorien gehoord dat mijn moeder achteruit ging en dat ze Alzheimer had. Ik durf niet te zeggen wanneer dat is geweest, 2008, 2009 of 2010. Ik heb wel gehoord dat ze nog gewoon aan alles mee deed.”

Dit duidt er niet op dat het proces van Alzheimer bij moeder tot zodanige aantasting van haar geestvermogens had geleid dat reeds ten tijde van de opnames in 2010 en 2011 voor haar directe omgeving kenbaar was dat zij niet meer goed zelfstandig kon functioneren. Ook anderszins heeft [eiser] geen nadere onderbouwing gegeven van zijn stelling dat moeder niets afwist van de opgenomen bedragen. Dit onderdeel van de vordering van [eiser] is dan ook onvoldoende feitelijk onderbouwd en moet daarom worden afgewezen.

Het saldo van de overige bankrekeningen

4.6.

Buiten de saldi op de AXA Bankrekeningen waren er ten tijde van het overlijden van moeder drie andere bankrekeningen die tot de nalatenschap behoren, te weten:

- de Rabo Basisrekening met een saldo ad € 630,26

- de Rabo Spaarrekening met een saldo ad € 1.224,83

- de ING betaalrekening met een saldo ad € 1.403,21.

[eiser] maakt aanspraak op éen/derde van het totaalbedrag, zijnde (€ 3.258,30 / 3) € 1.086,10. Volgens [gedaagde sub 1] blijkens zijn brief aan de raadsman van [eiser] van 22 maart 2013 (productie 7 bij dagvaarding) zijn van deze rekeningen na het overlijden van moeder nog diverse kosten betaald en resteerde in totaal een (positief) saldo ad € 719,71, te verdelen onder de drie erven. [eiser] heeft dit bedrag verder niet betwist.
Bij conclusie van antwoord stellen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zich op het standpunt dat dit deel van de vordering moet worden afgewezen omdat [eiser] het hem toekomende, zijnde € 75,09, reeds heeft ontvangen. Voor het verschil tussen het bedrag, genoemd in de brief van 22 maart 2013 en het bedrag van € 75,09 hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geen verklaring gegeven en uit de overgelegde productie 2 bij de conclusie van antwoord kan dit ook niet worden opgemaakt. [eiser] heeft op zich niet bestreden dat hem een bedrag van € 75,09 is betaald, zodat de rechtbank dit deel van zijn vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 164,81 (€ 719,90:3, minus € 75,09).

Overlegging van de bankafschriften en belastingaangiften en –aanslagen.

4.7.

[eiser] vordert afgifte van alle bankafschriften van de bekende en mogelijk overige bankrekeningen, de belastingaangiften en – aanslagen over de tien jaar, direct aan het overlijden van moeder voorafgaand.

Op grond van artikel 843a WBRv kan degene die daarbij een rechtmatig belang heeft op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is van degene die deze bescheiden onder zich heeft. Hoewel [eiser] verder geen feitelijke of juridische toelichting heeft gegeven op zijn vordering begrijpt de rechtbank dat hieraan de gedachte ten grondslag ligt dat er mogelijk ook elders nog vermogen is dat tot de nalatenschap van moeder behoort en dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] buiten het zicht van [eiser] houden. Concrete aanknopingspunten dat dit inderdaad het geval zou kunnen zijn heeft [eiser] echter niet geboden. Uit de stukken blijkt bovendien dat [eiser] over alle bankafschriften van de AXA-Bankrekeningen beschikt in de door hem bedoelde periode. Nu [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onweersproken hebben gesteld dat [eiser] door [gedaagde sub 1] is gemachtigd alle bankafschriften van de overige bankrekeningen op te vragen en [eiser] geen toelichting heeft gegeven waarom hij hiervan geen gebruik heeft gemaakt ziet de rechtbank onvoldoende rechtmatig belang aan de zijde van [eiser] om het gevorderde toe te wijzen. Evenmin is gebleken van voldoende belang om het gevorderde op enige andere grondslag toe te wijzen, zodat ook dit onderdeel van de vordering van [eiser] wordt afgewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.8.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. De werkzaamheden die [eiser] in dat verband in punt 18 van de dagvaarding heeft genoemd moeten worden gerekend tot de gebruikelijke werkzaamheden ter voorbereiding van de zaak. Voor zover hij zich erop beroept dat deze werkzaamheden méér hebben omvat dan de gebruikelijk verrichtingen heeft hij deze stelling onvoldoende gespecificeerd en met concrete gegevens onderbouwd.

Wettelijke rente

4.9.

[eiser] maakt aanspraak op de wettelijke rente over de door hem uit hoofde van artikel 3:194 lid 2 BW gevorderde en toegewezen bedragen met ingang van de datum van dagvaarding. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben alleen in algemene zin gesteld dat dit deel van de vordering moet worden afgewezen, maar hebben hun stelling niet nader met argumenten onderbouwd.

Wettelijke rente is de vergoeding voor de schade die de schuldeiser van een geldsom lijdt door de vertraging in de betaling van de schuld door zijn schuldenaar. Dat is het geval wanneer de schuldenaar met voldoening van de geldsom in verzuim is (artikel 6:119 BW). Van verzuim kan eerst sprake zijn indien de geldsom opeisbaar is (artikel 6:81 BW). Een vordering op grond van een verdeling van een gemeenschappelijk goed, zoals hier het tegoed op de AXA-rekening, is naar vaste rechtspraak eerst opeisbaar nadat de verdeling is vastgesteld. Bovendien deelt tot dat moment iedere deelgenoot op grond van artikel 3:172 BW naar evenredigheid van zijn aandeel mee in de vruchten en opbrengsten van het goed. Van verzuim en schade door vertraging in de voldoening is dan ook geen sprake, zodat ook dit deel van de vordering wordt afgewezen.

Proceskosten

4.10

Partijen zijn bloedverwanten. De rechtbank ziet daarin reden de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

  • -

    Veroordeelt [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hoofdelijk, in die zin dat wanneer de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eiser] van een bedrag van
    € 22.014,99 (zegge: tweeëntwintigduizend veertien euro en 99 cent).

  • -

    Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

  • -

    Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

  • -

    Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.M. Effting – Zeguers en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2015