Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:6105

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-10-2015
Datum publicatie
26-10-2015
Zaaknummer
SHE 15/926
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De zaak betreft een omgevingsvergunning voor het maken van twee uitritten en het kappen van elf bomen, ten behoeve van de bouw van een moskee aan de Evertsenstraat te Veghel. Eisers zijn woonachtig aan de overzijde van de Evertsenstraat. Een van hen had geen bezwaarschrift ingediend. De rechtbank verklaart het beroep, voor zover ingesteld namens deze bewoonster, niet-ontvankelijk, gelet op artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht.

De overige eisers zijn, omdat zij zicht hebben op de activiteiten, door verweerder terecht als belanghebbenden aangemerkt. Dat hun bezwaren zich met name keren tegen de komst van de moskee op deze locatie staat hieraan niet in de weg.

De aanvraag om omgevingsvergunning voor het kappen en de uitwegen kon worden ingediend, los en vooruitlopend op de aanvraag om omgevingsvergunning voor de bouw van de moskee, omdat deze activiteiten niet onlosmakelijk met elkaar samenhangen in de zin van artikel 2.7, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Verweerder hoefde de door eisers voorgestelde alternatieve locatie voor de uitwegen niet bij de beoordeling van de aanvraag en het bezwaar te betrekken.

Verweerder heeft de aanvraag getoetst aan de weigeringsgronden van de APV Veghel 2012. In het betoog van eisers dat de uitwegen verkeersoverlast voor omwonenden veroorzaken en ten koste gaan van de verkeersveiligheid en openbaar groen heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de omgevingsvergunning te weigeren. De beroepsgrond dat de kap van bomen overbodig is als de moskee elders wordt gebouwd, kan niet slagen. Het beroep, voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/926

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 oktober 2015 in de zaak tussen

[eisers]
, te [woonplaats] , eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veghel, verweerder,

(gemachtigde: mr. L.A. Muller).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Islamitische Stichting Nederland-Veghel, te Veghel, vergunninghoudster,
(gemachtigde: mr. B. Kaya).

Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van elf bomen en het aanleggen van twee uitritten en negen parkeervakken op het perceel kadastraal bekend gemeente Veghel, sectie D, nummer 5469, ter hoogte van [adressen] te Veghel.

Bij besluit van 25 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van de bewoners van de adressen [adressen] ongegrond verklaard. Tevens heeft verweerder de omschrijving van de omgevingsvergunning aangepast, in die zin dat deze alleen ziet op het kappen van elf bomen en het aanleggen van twee uitritten.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2015. Eisers [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] zijn verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Voor vergunninghoudster zijn [persoon 4] en [persoon 5] verschenen.

Overwegingen

  1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
    Eisers zijn woonachtig aan de [adressen] te Veghel. Vergunninghoudster is voornemens om aan de overzijde van de woningen van eisers een moskee te bouwen, waarvoor zij op 26 juli 2014 bij verweerder een omgevingsvergunning heeft aangevraagd.
    Op 4 september 2014 heeft vergunninghoudster aanvragen om omgevingsvergunning ingediend voor het kappen van elf bomen en het aanleggen van twee uitritten en negen parkeervakken. De kap van de bomen is nodig om de moskee en de parkeerplaatsen te kunnen realiseren. De uitritten dienen als in- en uitgang van het parkeerterrein van de moskee.

  2. Bij het primaire besluit heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘maken van een uitweg’ en ‘vellen van houtopstand’ als bedoeld in
    artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, respectievelijk onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).De omgevingsvergunning, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft betrekking op het kappen van elf bomen en het aanleggen van twee uitritten.
    Ontvankelijkheid beroep

  3. De rechtbank dient - ambtshalve - allereerst de vraag te beantwoorden in hoeverre het beroep van eisers ontvankelijk is.

  4. Verweerder betwijfelt ten aanzien van eiseres [persoon 6] , bewoonster van het adres [adres] , of dit het geval is omdat zij geen bezwaarschrift heeft ingediend.

  5. Op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - voor zover van belang - kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt.

  6. De rechtbank heeft kennisgenomen van de door verweerder ingezonden processtukken, waaronder alle bezwaarschriften tegen het primaire besluit, en geconstateerd dat een bezwaarschrift van de bewoonster van het adres [adres] ontbreekt. Ter zitting hebben eisers bevestigd dat deze bewoonster formeel geen bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. Eisers hebben daarbij vermeld dat deze bewoonster van hoge leeftijd is. Deze omstandigheid kan naar het oordeel van de rechtbank geen rechtvaardiging opleveren voor het niet indienen van een bezwaarschrift, omdat deze bewoonster iemand anders had kunnen inschakelen om dit namens haar te doen. Dit betekent, gelet op artikel 6:13 van de Awb, dat het beroep, voor zover ingesteld door [persoon 6] , niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

  7. Wanneer de rechtbank in het vervolg spreekt over het beroep van eisers wordt daarmee telkens bedoeld: eisers, behalve [persoon 6] .


Belanghebbendheid

8. Slechts belanghebbenden kunnen tegen een besluit bezwaar maken. Een belanghebbende wordt in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb omschreven als degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

9. Om te bepalen of iemand belanghebbende is, is volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zoals de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2013:BC2538) onder andere van belang of sprake is van een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang, dat betrokkene in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

10. Ter zitting hebben eisers hun beroepsgrond dat verweerder is teruggekomen op het eerder ingenomen standpunt over hun belanghebbendheid ingetrokken. Deze beroepsgrond kan daarom buiten bespreking blijven.

11. Vergunninghoudster betwist dat eisers belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bij het primaire besluit, omdat zij niet aan het zichtcriterium voldoen, niet allen direct tegenover de uitritten wonen en daarvan geen hinder ondervinden. Verder geldt volgens vergunninghoudster dat eisers in feite opkomen tegen de komst van een moskee en de daarvan gevreesde overlast. Daarmee hebben zij geen objectief, eigen, persoonlijk, actueel en rechtstreeks bij het primaire besluit betrokken belang.

12. Eisers wonen aan de [adressen] . De omgevingsvergunning, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, ziet op de kap van elf bomen en het aanleggen van twee uitritten ter hoogte van het perceel [adressen] , aan de overzijde van de Evertsenstraat, in de onmiddellijke nabijheid van de woningen van eisers. Vast staat dat eisers allen zicht hebben op de activiteiten, waarvoor de omgevingsvergunning is verleend. De omstandigheid dat de bezwaren van eisers zich met name keren tegen de komst van de moskee op de onderhavige locatie staat naar het oordeel van de rechtbank niet in de weg aan het aannemen van belanghebbendheid bij het primaire besluit. Dit betekent dat eisers belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb zijn bij het primaire besluit en hun bezwaren daarom door verweerder terecht ontvankelijk zijn geacht.


Gefaseerde vergunningverlening

13. Eisers voeren aan dat geen (deel)vergunning had mogen worden aangevraagd en verleend voor het kappen van de bomen en het maken van uitwegen, los van en vooruitlopend op de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van de moskee.

14. Verweerder stelt zich met verwijzing naar artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo op het standpunt dat het vellen van houtopstand en het maken van uitwegen afzonderlijk kan plaatsvinden van het bouwen van een moskee. Er is geen sprake van een onlosmakelijk samenhang met de oprichting van een moskee.

15. Op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo, voor zover van belang, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning er onverminderd het bepaalde in de artikelen 2.10, tweede lid, en 2.11, tweede lid, van de Wabo, zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project.
Met artikel 2.7 van de Wabo wordt de mogelijkheid beperkt om activiteiten over meer projecten en aanvragen om vergunning te verdelen. Dit betekent dat activiteiten die onlosmakelijk met elkaar samenhangen niet los van elkaar mogen worden beoordeeld, zodat deze activiteiten ook niet los van elkaar kunnen worden aangevraagd. Bij onlosmakelijk samenhangende activiteiten gaat het om activiteiten die fysiek en in de tijd niet van elkaar te onderscheiden zijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2066). Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder worden gevolgd in zijn standpunt dat de activiteiten bouwen, het vellen van houtopstand en het maken van uitwegen niet onlosmakelijk met elkaar samenhangen in de zin van artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo. Het vellen van houtopstand en het maken van de uitwegen houden weliswaar verband met de bouwen van de moskee, maar gaan vooraf aan de bouw van de moskee en zijn aldus fysiek daarvan te onderscheiden. Het is daarom aan de aanvrager om te bepalen welke activiteiten zij aanvraagt en in welke volgorde zij dat doet, nu het geen activiteiten betreft die op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo tegelijkertijd moeten worden aangevraagd.
Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Materiële beoordeling

16. Het bestreden besluit strekt tot instandlating van de verleende omgevingsvergunning voor het maken van twee uitritten naar de Evertsenstraat en het kappen van elf bomen ten behoeve van de beoogde moskee.

17. Eisers hebben ter zitting hun beroepsgronden nader toegelicht. Hun voornaamste beroepsgrond is dat verweerder geen aandacht heeft besteed aan het alternatief voor de situering van de twee uitritten en de negen parkeervakken, dat zij tijdens de hoorzitting hebben aangedragen. Daar hebben zij aangegeven dat ten behoeve van de moskee, aan de achterzijde daarvan, al voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd, die zouden kunnen worden bereikt via de Zuidergaard.

18. Verweerder stelt in het bestreden besluit dat de voorgestelde ontsluiting in strijd is met het bestemmingsplan.

19. De rechtbank stelt voorop dat vergunninghoudster heeft gekozen voor de locatie van de uitritten zoals die nu is vergund. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 13 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BK9011) dient verweerder te beslissen op een aanvraag zoals die wordt ingediend. Indien een weg op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot onthouden van medewerking leiden, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Verweerder heeft gemotiveerd uiteengezet waarom de voorgestelde ontsluiting op bezwaren stuit. De ontsluiting, zoals nu is vergund, is daarmee op zichzelf aanvaardbaar. Verweerder was dan ook niet gehouden om over een andere locatie te oordelen, laat staan om vergunninghoudster te verplichten om een aanvraag voor een andere locatie in te dienen. Voor zover eisers stellen dat de negen parkeerplaatsen aan de straatzijde overbodig zijn overweegt de rechtbank dat vergunninghoudster voor de bouw van de moskee moet voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein en dat verweerder daarbij geen nadere eisen kan stellen hoe vergunninghoudster het terrein inricht. Overigens vormt de aanleg van de negen parkeerplaatsen geen voorwerp van dit geding.
Deze beroepsgrond kan daarom niet slagen.

20. Eisers voeren verder aan dat de aanleg van de uitritten aan de Evertsenstraat zal leiden tot (verkeers-)overlast voor omwonenden en tot gevaarlijke situaties. Het betreft een drukke en smalle straat, waarlangs aan de woningzijde wordt geparkeerd. Daarnaast hebben eisers ter zitting van de rechtbank nog gesteld dat de aanleg van de uitritten ten koste gaat van openbaar groen. Ten aanzien van het kappen van de bomen voeren eisers als kernpunt aan dat dit onnodig is als de moskee gebouwd zou worden op de hoek van de straat, op de plaats van het af te breken schoolgebouw. Dit betreft een mooiere locatie voor de moskee, aldus eisers.

21. Verweerder heeft de aanvraag om omgevingsvergunning getoetst aan de Algemene plaatselijke Verordening Veghel 2012 (APV) en stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat de criteria, die zijn opgenomen in de artikelen 2:12, 1:8 en 4:11 van de APV, geen aanleiding geven om de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren.
Ten aanzien van de omgevingsvergunning voor het maken van de uitritten (de uitwegvergunning)

22. Gelet op artikel 2.2, aanhef en onder e, van de Wabo, geldt een bepaling in een gemeentelijke verordening, op grond waarvan een vergunning is vereist om een uitweg te maken, als een verbod om een project uit te voeren zonder omgevingsvergunning, voor zover die activiteit geheel of gedeeltelijk hierop betrekking heeft.
Op grond van artikel 2.18 van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

23. Artikel 2:12, derde lid, van de APV, bepaalt dat, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg naar de weg kan worden geweigerd in het belang van:
a. de bescherming van openbare parkeerplaatsen;
b. de bescherming van openbaar groen;
c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente.
Artikel 1.8 van de APV bepaalt dat de vergunning of ontheffing door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan kan worden geweigerd in het belang van:
a. de openbare orde;
b. de openbare veiligheid;
c. de volksgezondheid;
d. de bescherming van het milieu.

24. De rechtbank stelt voorop dat het verlenen van een uitwegvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van de APV een discretionaire bevoegdheid is van verweerder. Bij de beoordeling van de vraag of de belangen die zijn genoemd in artikel 2.12, derde lid, en artikel 1.8 van de APV in geding komen, komt aan verweerder een ruime mate van beoordelingsvrijheid toe. Die beoordeling moet door de rechtbank terughoudend worden getoetst. Wanneer verweerder een weigeringsgrond van toepassing acht, dient verweerder onder afweging van alle betrokken belangen te beoordelen of dat reden is om de vergunning te weigeren. De rechtbank verwijst hiervoor naar vaste jurisprudentie van de Afdeling, zoals de uitspraak van 19 oktober 2011 (ECLI:NL:RVS: 2011: BT8579).

25. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij bij de toetsing van een aanvraag om uitwegvergunning het begrip ‘openbare veiligheid’, zoals genoemd in artikel 1.8, onder b, van de APV, ruim opvat. Daarbij wordt tevens gekeken naar de verkeersveiligheid.
In het bestreden besluit heeft verweerder gesteld dat de verkeersveiligheid niet in geding is. Ter bevordering van de doorstroming worden twee uitwegen aangelegd, waarmee wordt voorkomen dat ter hoogte van het perceel opstoppingen ontstaan. Verder is het uitzicht voldoende.

26. Gelet op deze motivering en rekening houdende met de aan verweerder toekomende beoordelingsvrijheid bij de toets aan de weigeringsgronden van de APV is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het betoog van eisers dat de aanleg van de uitritten ten koste gaat van de verkeersveiligheid geen aanleiding heeft hoeven zien om de omgevingsvergunning te weigeren. Niet aannemelijk is geworden dat verweerder bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van een onjuiste voorstelling van zaken. De rechtbank betrekt daarbij de situatietekening in het dossier, waarop de uitwegen in relatie tot de omgeving zijn aangegeven. Hoewel de rechtbank kan begrijpen dat de realisatie van de twee uitritten door eisers als nadelig wordt ervaren, is het in een woonwijk niet ongebruikelijk dat een uitrit uitkomt op een doorgaande weg waar geparkeerd wordt. Ook is van belang dat de rijsnelheid van de in- en uitgaande auto’s zeer beperkt zal zijn.

27. De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat verweerder in het belang van de bescherming van openbaar groen als genoemd in artikel 2.12, derde lid, onder b, van de APV aanleiding had moeten zien om de gevraagde uitwegvergunning te weigeren. Bij de beoordeling van de vraag of het belang van de bescherming van openbaar groen in geding is heeft verweerder, volgens de ter zitting gegeven toelichting, van belang geacht dat de groenstrook die moet wijken voor de aanleg van de uitritten, aan de openbare weg ligt en daarmee feitelijk openbaar is. Volgens verweerder wordt het groen door de aanleg van uitritten niet op onacceptabele wijze aangetast. De rechtbank is, gezien de geringe aantasting van groenvoorziening die met de aanleg van de twee uitritten gepaard gaat - het gaat om de verwijdering van een lage haag van ongeveer 30 meter lengte - van oordeel dat verweerder daarmee afdoende heeft toegelicht dat het belang van aantasting van openbaar groen zich niet tegen vergunningverlening verzet. Niet aannemelijk is geworden dat verweerder bij de beoordeling van de aanvraag onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de betekenis van de groenstrook.

28. Dit betekent dat de beroepsgronden ten aanzien van de uitwegvergunning niet slagen.

29. Nu gesteld noch gebleken is dat een van de overige weigeringsgronden van artikel 2.12 artikel 1.8 van de APV zich voordoen, was verweerder gehouden de gevraagde uitwegvergunning te verlenen.
Ten aanzien van de omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen

30. In artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo is bepaald dat, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om houtopstand te vellen of te doen vellen, een zodanige bepaling geldt als een verbod om een project dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

31. Artikel 4.11, eerste lid, van de APV bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de door het college vastgestelde lijst van kapvergunningplichtige houtopstanden (Bomenlijst).
Het tweede van dit artikel bepaalt dat de vergunning in afwijking van artikel 1:8 kan worden geweigerd op grond van:
a. de natuurwaarde van de houtopstand;
b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;
c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;
d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;
e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; of
f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

32. Niet in geschil is dat voor het kappen van de elf bomen op grond van de APV een omgevingsvergunning is vereist. Verweerder heeft de aanvraag getoetst aan de criteria van artikel 4.11, eerste lid, van de APV. Verweerder erkent dat de bomen zekere landschappelijke en natuurwaarden hebben, maar acht het belang van vergunninghoudster bij het kappen van de bomen van zwaardere betekenis dan het belang bij het behoud daarvan. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat het kappen noodzakelijk is voor de bouw van de moskee, dat het bestemmingsplan die bouw ter plaatse mogelijk maakt en de bomen niet zodanig waardevol zijn dat deze behouden zouden moeten blijven.

33. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in de landschappelijke en natuurwaarden van de houtopstand aanleiding had behoren te zien om de gevraagde vergunning te weigeren. Eisers hebben geen omstandigheden naar voren gebracht die aannemelijk maken dat verweerder deze waarden heeft onderschat.

34. Met betrekking tot de beroepsgrond dat de kap overbodig zou zijn, wanneer de moskee elders zou worden gebouwd, overweegt de rechtbank, met verwijzing naar overweging 19 van deze uitspraak, dat verweerder dient te beslissen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning zoals die is aangevraagd en die aanvraag dient te beoordelen aan de hand van de artikelen 4:11, eerste lid, en artikel 1.8 van de APV. Het bestaan van alternatieven kan slechts dan tot onthouden van medewerking leiden, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Eisers hebben geen omstandigheden gesteld waaruit deze conclusie getrokken zou moeten worden.

35. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat hetgeen eisers in beroep hebben aangevoerd niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep van eisers, voor zover ontvankelijk, zal daarom ongegrond worden verklaard.

36. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of om te bepalen dat eisers het griffierecht dient te worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door [persoon 6] ;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.G.M. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.