Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:6103

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-10-2015
Datum publicatie
26-10-2015
Zaaknummer
01/875001-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige verdachte veroordeeld voor tweemaal medeplegen van poging tot zware mishandeling, wederspannigheid en mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Onder meer heeft verdachte vanuit een rijdende auto fietsers met een golfclub geslagen (poging doodslag niet bewezen; geen voorwaardelijk opzet op de dood; wel poging zware mishandeling via voorwaardelijk opzet).

Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar.

Opgelegd wordt een jeugddetentie van 17 dagen met aftrek van voorarrest, een leerstraf van 50 uur en een werkstraf van 150 uur waarvan 50 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Als bijzondere voorwaarden is o.m. gesteld dat verdachte zich moet gedragen naar de aanwijzingen van de jeugdreclassering.

Schade dient door de ouders van verdachte vergoed te worden (hoofdelijk).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummers: 01/875001-14 en 01/850040-15 (ttz gevoegd)

Datum uitspraak: 26 oktober 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2000] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 oktober 2015.

Op deze zitting heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 11 september 2015 en

30 september 2015.

Nadat de tenlastelegging met parketnummer 01/875001-14 op de terechtzitting van

12 oktober 2015 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 januari 2014 te Helmond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met zijn mededader(s), althans alleen,

vanuit (het portierraam van) een door verdachte en/of zijn mededader(s) bestuurde, rijdende, (personen)auto met een golfclub, althans een hard en/of zwaar voorwerp, tegen het hoofd van die naast en/of nabij die auto fietsende [slachtoffer 1] heeft geslagen, althans die golfclub/dat voorwerp zodanig uit (het portierraam van) die auto heeft gestoken en/of gehouden dat die [slachtoffer 1] met die golfclub/dat voorwerp tegen diens hoofd geraakt werd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 januari 2014 te Helmond met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Hoofdstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit het vanuit een rijdende (personen)auto slaan met een golfclub, althans een hard en/of zwaar voorwerp, tegen het hoofd van die naast en/of nabij die auto fietsende [slachtoffer 1] , althans het vanuit die auto zodanig steken en/of houden van die golfclub/dat voorwerp dat die [slachtoffer 1] daarmee tegen diens hoofd werd geraakt;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 januari 2014 te Helmond opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer 1] ) heeft mishandeld, door met dat opzet vanuit een rijdende (personen)auto te slaan met een golfclub, althans een hard en/of zwaar voorwerp, tegen het hoofd van die naast en/of nabij die auto fietsende [slachtoffer 1] , althans vanuit dat voertuig zodanig die golfclub/dat voorwerp te steken en/of te houden dat die [slachtoffer 1] met die golfclub/dat voorwerp tegen diens hoofd werd geraakt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 25 januari 2014 te Helmond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met zijn mededader(s), althans alleen,

vanuit (het portierraam van) een door verdachte en/of zijn mededader(s) bestuurde, rijdende, (personen)auto met een golfclub, althans een hard en/of zwaar voorwerp, tegen het hoofd van die naast en/of nabij die auto fietsende [slachtoffer 2] heeft geslagen, althans die golfclub/dat voorwerp zodanig uit (het portierraam van) die auto heeft gestoken en/of gehouden dat die [slachtoffer 2] met die golfclub/dat voorwerp tegen diens hoofd geraakt werd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 januari 2014 te Helmond met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Houtsestraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit het vanuit een rijdende (personen)auto slaan met een golfclub, althans een hard en/of zwaar voorwerp, tegen het hoofd van die naast en/of nabij die auto fietsende [slachtoffer 2] , althans het vanuit die auto zodanig steken en/of houden van die golfclub/dat voorwerp dat die [slachtoffer 2] daarmee tegen diens hoofd werd geraakt;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 januari 2014 te Helmond opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer 2] ) heeft mishandeld, door met dat opzet vanuit een rijdende (personen)auto te slaan met een golfclub, althans een hard en/of zwaar voorwerp, tegen het hoofd van die naast en/of nabij die auto fietsende [slachtoffer 2] , althans vanuit dat voertuig zodanig die golfclub/dat voorwerp te steken en/of te houden dat die [slachtoffer 2] met die golfclub/dat voorwerp tegen diens hoofd werd geraakt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

[parketnummer 01/850036-14:]

hij op of omstreeks 26 oktober 2014 te Helmond, toen (een) aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtena(a)r(en) verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en) had(den) aangehouden en had(den) vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden.

Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01/850040-15 ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 juli 2015 te Helmond [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] (met kracht) tegen het hoofd, althans het lichaam te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een fractuur van/aan het jukbeen en/of een beschadigde (kaak)spier (doofheid van de huid), ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een of meer anderen heeft gepoogd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven.

Voorts acht de officier van justitie bewezen dat verdachte zich met geweld heeft verzet tegen een of meer opsporingsambtenaren in de uitoefening van hun functie.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit “mishandeling van [slachtoffer 3] terwijl dat feit zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft”, eveneens wettig een overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte heeft [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met een golfclub geslagen. Gelet op zijn sociale en verstandelijke beperkingen heeft verdachte geen inzicht in de reikwijdte van zijn handelen. Daarom kan niet worden bewezen dat verdachte het opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van de beide slachtoffers, zodat verdachte van die ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. De verdediging acht de onder feit 1 en 2 telkens subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van de ten laste gelegde wederspannigheid heeft de raadsvrouwe zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot de mishandeling van [slachtoffer 3] heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte uit noodweer/noodweerexcess heeft gehandeld.

Het oordeel van de rechtbank. 1

T.a.v. parketnummer 01/875001-14

De verdachte wordt onder de feiten 1 primair en 2 primair verweten dat hij samen met een of meer medeverdachten heeft gepoogd op twee achtereenvolgende dagen in januari 2014 (op vrijdag de 24ste en zaterdag de 25ste) fietsers van het leven te beroven, dan wel aan hen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, doordat vanuit een door [medeverdachte] bestuurde auto door verdachte met een golfclub tegen het hoofd van die fietsers is geslagen.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het medeplegen van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , die beiden van hun fiets zijn geslagen.

De gebezigde bewijsmiddelen ontleent de rechtbank aan een dossier van Politie eenheid Oost-Brabant, district Recherche Helmond, met proces-verbaalnummer 2014011370, gesloten op 3 juni 2014, doorgenummerde bladzijden: 442 (hierna te noemen: eindpv I), en aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 oktober 2015. De gebezigde bewijsmiddelen houden in:

Feit 1 primair en feit 2 primair.

- de aangifte van [slachtoffer 1] :

Ik doe aangifte van mishandeling, gepleegd in de Hoofdstraat te Helmond op vrijdag 24 januari 2014. Op 24 januari 2014 fietste ik naar huis. Op een gegeven moment (21:40-21:45u) voelde ik dat er een auto langzaam achter mij bleef rijden. Ik voelde een flinke klap op mijn hoofd. Ik weet niet wat er daarna gebeurde. Ik stond op en ik zag die auto wegrijden. Ik zag dat een persoon die rechtsachter zat een golfclub naar binnen trok. In het ziekenhuis hebben ze de verwonding boven op mijn hoofd geplakt2.

- de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] :

We zaten die vrijdagavond, 24 januari 2014 met vijven in de auto, de blauwe Laguna. Ik heb gereden. De golfstick was van mij. Die lag in de auto. Die zaterdagavond zaten we in de auto met dezelfde personen als die vrijdagavond, behalve eentje. Ik ben gaan rondrijden, er werd wel eens iemand uitgescholden. De golfclub lag die dag nog steeds in de auto.3.

- de verklaring van [persoon 1] :

Die vrijdagavond 24 januari 2014 kwam [medeverdachte] ons, [persoon 2] en mij, ophalen. Hij kwam met de blauwe Laguna. Hierin zaten [verdachte] , [medeverdachte] en een jongen die ik niet van naam ken. We zijn met de auto rond gaan rijden. Na een half uur reden we over de Hoofdstraat. Ik zag toen dat [verdachte] een golfclub tevoorschijn haalde en het raam opende. Ik zag dat hij de stick door het raam naar buiten stak. Ik hoorde een klots tegen het hoofd van die jongen aan. We reden toen heel hard weg4.

- de verklaring van [persoon 2] :

Ik ben die vrijdag opgehaald. Ik zat links achter in de auto en [persoon 1] in het midden. Naast [persoon 1] zat een jongen die [verdachte] heette. De afstand tussen de fietser en de auto was een halve meter, een meter zoiets. Een paar dagen voordat er met de golfclub werd geslagen wilde [verdachte] ook al een meisje slaan. Hij zei toen tegen [medeverdachte] dat hij dicht langs het meisje af moest rijden om haar te kunnen raken. [medeverdachte] deed dat maar [verdachte] mistte. Volgens mij heeft [verdachte] tegen [medeverdachte] gezegd dat hij dicht langs de fietser moest gaan rijden omdat hij wilde gaan slaan. Volgens mij stuurde [medeverdachte] toen wel een beetje naar rechts5.

- de aangifte van [slachtoffer 2] :

Op zaterdag 25 januari 2014 rond 16:05 uur fietste ik samen met [persoon 3] naar huis. Wij zijn de Houtsestraat op gefietst. Toen wij net van de rotonde af waren hoorden wij iemand “Hé vieze kuthomo’s” roepen. Ik draaide me om en zag op de rotonde een auto rijden. Ik zag het rechter achterraam openstaan. Ongeveer een halve minuut later keek ik om en zag een auto op ons af komen rijden. Ik zag een jongen uit het rechter achterraam hangen met een golfclub in zijn handen. Ik hoorde dat de jongen die uit het raam hing zei: “Gewoon doorfietsen”. Ik voelde meteen een harde klap tegen mijn achterhoofd. Ik zag dat het een golfclub betrof aan de bol aan het uiteinde. De jongen die uit het raam hing had donkerkleurig haar en ik zag dat hij heel agressief naar mij keek. Na de klap voelde ik meteen dat er bloed over mijn rug stroomde. Ik heb een snee van 3 à 4 centimeter op mijn achterhoofd, er zit een flinke zwelling op mijn hoofd en ik heb een hersenschudding6.

- de verklaring van [persoon 3] :

Wij fietsten op 25 januari 2014 omstreeks 16:00 uur naar huis Vanuit een rijdende auto werd naar ons geschreeuwd, iets van “kutkinderen” of “homo’s”. De afstand tussen ons en de auto was ongeveer 20 à 30 meter. Wij hadden De Barrier links van ons en zijn daar de straat in gefietst. Mijn vriend fietste links van mij. De auto sloeg niet meteen linksaf, maar heeft nog een keer over de rotonde gereden voordat hij in de richting van De Barrier reed. De weg is zo ingericht dat er een rijbaan is voor de voertuigen en dan een berm in het gras en daarnaast een fietspad. Ik heb na de mishandeling nog autosporen in het gras zien staan in een bocht ter hoogte van de plek waar mij vriend is mishandeld. Ik hoorde dat er een auto achter ons reed. Ik keek om en zag dat de auto heel dicht bij was. Ik zag een stick uit het raam hangen. Het was een ijzeren stang met daaraan een knots. Voordat ik iets door had, sloegen ze mijn vriend er mee. De golfstick hing rechtsachter uit het raam. Ik zag dat de auto heel hard wegreed7.

- de verklaring van verdachte:

We zaten met vijf jongens in de auto. Er lag een golfstick achterin op de bank en ik pakte die. Toen reden wij langs een jongen af en de jongens zeiden tegen mij: “sla ‘m tegen z’n kop aan”. Ze zeiden dat nog drie keer achter mekaar. Toen hebben ze me overgehaald. Ik deed het raam open. De erge keer, de keer dat er twee jongens op de fiets zaten (rechtbank: verdachte bedoelt het incident op zaterdag 25 januari 2014 ) ging ik er uit hangen en toen reden wij er langs af. Ik had die golfclubstick in mijn hand en die klapte toen tegen zijn hoofd aan. Dat heb ik allebei de keren gedaan. Dat is een beetje hetzelfde gegaan. Ze hebben me steeds op zitten naaien. Ze zeiden “dat durf je niet”. Toen heb ik het raam opengedaan. De minder erge keer ben ik er niet uit gaan hangen. [medeverdachte] bleef achter deze jongen rijden. En toen reden wij er langs af en toen raakte ik ‘m. [medeverdachte] zat achter het stuur. De auto reed zo hard als de fietsers reden. Toen het gebeurd was zeiden ze allemaal “dat was dik”, ze vonden dat allemaal mooi toen ik dat deed. [medeverdachte] begon gewoon te lachen8.

Ik heb in beide gevallen de golfstick in mijn handen gehad en heb ermee geslagen9.

Feit 3

De gebezigde bewijsmiddelen ontleent de rechtbank aan een dossier van Politie eenheid Oost-Brabant, BZO Hulpofficieren van Justitie, BZO Divisie Executieve Ondersteuning, met registratienummer PL2100-2014150667, gesloten op 3 november 2014, doorgenummerde bladzijden: 17 (hierna te noemen: eindpv II), en aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 oktober 2015. De gebezigde bewijsmiddelen houden in:

- het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Ik, verbalisant [verbalisant 1] , was op 26 oktober werkzaam bij het verkeershandhavingsteam van politie Oost-Brabant. Ik reed op een opvallende politiemotor en was als zodanig gekleed en herkenbaar. Omstreeks 01:00 uur zag ik een witte Fiat 500 met hoge snelheid de bocht van de Horstsedijk met de Dorpsstraat in Helmond oprijden. Ik heb de bestuurst er van de Fiat 500 staande gehouden op de Stilpot. Ik zag dat er naast de bestuurster nog twee personen in de Fiat zaten. Een van de personen bleek [verdachte] , de broer van de bestuurster, te zijn. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , heb via de portofoon collega’s opgeroepen de bestuurster met een politievoertuig mee te nemen voor het afwerken van de ademanalyse. Ik zag dat op het moment dat het politievoertuig de Stilpot op kwam gereden [verdachte] helemaal door het lint ging. Wij zagen dat [verdachte] met opzet en kracht tegen het politievoertuig schopte en tegen de buitenspiegel sloeg. Hierop werd [verdachte] aangehouden. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag dat [verdachte] door twee collega’s op de grond vastgehouden werd en hoorde [verdachte] schreeuwen “kankerlijers” en woorden van gelijke strekking. Ik hoorde van collega [verbalisant 3] dat hij door de worsteling met [verdachte] een bloedneus had opgelopen10.

- het relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

Op zondag 26 oktober 2014 was ik werkzaam bij team verkeershandhaving van politie Oost-Brabant. Ik, verbalisant, was gekleed in politieuniform en als zodanig herkenbaar.

Omstreeks 01:00 uur hoorde ik portofonisch dat er een verzoek werd gedaan om een bestuurster op te halen voor een ademanalyse. Aangekomen op locatie Stilpot te Helmond zag ik, verbalisant, dat een jongeman op ons afliep die zeer opgefokt was. Ik zag dat deze jongeman een trap gaf tegen het politievoertuig. Ik zag en hoorde dat collega’s de jongeman vervolgens aanhielden. Ik heb geholpen om de jongeman onder controle te brengen. Ik zag dat hij zich verzette tegen zijn aanhouding. Ik zag en voelde dat de jongeman zich probeerde los te trekken en zich probeerde los te wurmen, hij probeerde onze armen van zich af te duwen. In de worsteling die toen ontstond is kennelijk mijn neus geraakt en ik voelde dat er bloed uit mijn neus kwam11.

(parketnummer 01/850040-15)

De gebezigde bewijsmiddelen ontleent de rechtbank aan een dossier van Politie eenheid Oost-Brabant, District Helmond, Basisteam Peelland, met registratienummer PL2100-2015168615, gesloten op 24 september 2015, doorgenummerde bladzijden: 83 (hierna te noemen: eindpv III), en aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 oktober 2015. De gebezigde bewijsmiddelen houden in:

- de aangifte van [slachtoffer 3] :

Ik doe aangifte van mishandeling op 28 juli 2015 tussen 00:55 en 01:30 uur aan de

Baroniehof te Helmond:

Op 28 juli 2015 omstreeks 00:15 uur werd ik wakker omdat ik geluid van twee scooters

hoorde. Ik hoorde getoeter en gepraat en ik hoorde ze meerdere keren door de straat rijden.

Ik zag en hoorde dat er twee jonge jongens op hun scooter zaten en continue gas gaven en

toeterden. Ik ben naar de jongens toegelopen en heb ze aangesproken dat ze ergens anders

heen moesten gaan Ik zag dat die jongen met zijn rechterhand uithaalde en mij met

kracht tegen mijn hoofd sloeg. Ik voelde de klap links van mijn linkeroog.

Thuis zag ik een deuk in mijn gezicht en ik zag dat er bloed langs mijn gezicht liep. Ik ben

geopereerd aan mijn jukbeen. Deze was nl gebroken. Ze hebben er een ijzeren plaat in

gezet12.

- de geneeskundige verklaring, inhoudende medische informatie betreffende [slachtoffer 3] :

Uitwendig waargenomen letsel: blauw oog links, zwelling linkerwang, wondje naast

linkeroog, zygomafractuur links, waarvoor operatief herstel plaatsvond, doofheid van huid

op de wang13.

- de verklaring van verdachte:

Ik heb die man geslagen14.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 primair.

Poging doodslag of poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel?

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg -zoals hier de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel- aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat verdachte beide slachtoffers één keer met een golfclub tegen hun achterhoofd heeft geslagen. De golfclub waarmee hij heeft geslagen, is niet teruggevonden. Hoewel verdachte en diverse getuigen verklaren over een ijzeren golfclub (met een bol) is niet komen vast te staan uit welk materiaal de golfclub daadwerkelijk heeft bestaan. De getuigen hebben de golfclub die zij beschrijven van een afstand gezien, maar niet vastgehouden. Verdachte kon omtrent de golfclub geen nadere details geven. Verder staat vast dat verdachte verdachte zich in een rijdende auto bevond, terwijl ook beide slachtoffers zich rijdend voortbewogen op een fiets in dezelfde richting als die waarin de auto reed. Met welke kracht verdachte al dan niet hangend uit het raam van de auto heeft geslagen blijkt niet uit de bewijsmiddelen. Beide slachtoffers zijn door de klap tegen hun achterhoofd van de fiets gevallen. [slachtoffer 1] had een wond op het achterhoofd, last van hoofdpijn en concentratieverlies. [slachtoffer 2] had een hoofdwond van vier centimeter, hersenschudding, last van hoofdpijn, nekklachten, duizeligheid en concentratieverlies.

De rechtbank is van oordeel dat, hoewel er zeker sprake is van zeer risicovol handelen, niet de aanmerkelijke kans heeft bestaan dat de slachtoffers als gevolg van de bewezen verklaarde gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder hij die gedragingen heeft gepleegd zouden worden gedood. De rechtbank betrekt daarbij dat niet is vastgesteld uit welk materiaal de golfclub bestond en met welke kracht verdachte heeft geslagen. Verder kent de rechtbank, zonder de gevolgen voor de slachtoffers te willen bagatelliseren, betekenis toe aan het feit dat in beide gevallen het letsel niet dusdanig zwaar was dat moest worden gevreesd voor het leven van de slachtoffers. De rechtbank zal verdachte daarom van de ten laste gelegde pogingen doodslag vrijspreken.

Wel is de rechtbank van oordeel dat wanneer een fietser, vanuit het raam van een rijdende auto met een golfclub tegen zijn hoofd wordt geslagen, de aanmerkelijke kans bestaat dat die fietser zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Voor de vaststelling dat verdachte willens en wetens die aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard is vereist dat verdachte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat de slachtoffers zwaar gewond zouden raken, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Door de verdediging wordt betwist dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Omdat verdachte verstandelijk beperkt is, zou hij de gevolgen van zijn handelen niet kunnen voorzien.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Verdachte heeft verklaard dat hij door de andere jongens in de auto werd uitgedaagd om de jongens van de fiets af te slaan. Aanvankelijk durfde hij dit niet, maar toen hij werd uitgemaakt voor ‘watje’, werd hij kwaad en sloeg hij beide keren de jongens tegen het hoofd. Hij vond het eigenlijk niet leuk en zielig voor de jongens, maar voelde zich “opgenaaid” en vond het moeilijk om nee te zeggen. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte beide slachtoffers bewust met de golfclub tegen het hoofd heeft geslagen. Deze gedraging van verdachte kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet anders worden aangemerkt als zozeer gericht te zijn geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de beide jongens zwaar gewond zouden geraken. Van dergelijke aanwijzingen van het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. Dat verdachte, zoals blijkt uit het hieronder besproken rapport van de psycholoog, als gevolg van zijn zwakbegaafdheid niet altijd goed in staat is om de gevolgen van zijn handelen te overzien betekent niet dat hem alle inzicht in alle situaties ontbreekt. Uit zijn aanvankelijke aarzeling, zijn verklaring dat hij zich opgehitst voelde en dat hij de jongens zielig vond blijkt dat hij wel degelijk besefte dat hij de fietsers ernstig letsel zou kunnen toebrengen.

Medeplegen?

Ten slotte ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of verdachte alleen een verwijt treft of dat er sprake is van medeplegen door de bestuurder van de auto, [medeverdachte] ?

Medeplegen veronderstelt een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte, welke samenwerking moet zijn gericht op de pogingen om beide slachtoffers zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

De rechtbank gaat uit van de verklaring van verdachte dat hij in de auto werd opgehitst door de andere inzittenden. Hoewel geen der medeverdachten zijn verklaring op dit punt heeft bevestigd, acht de rechtbank de verklaring verdachte betrouwbaar en geloofwaardig. De medeverdachten hebben met hun verklaringen getracht hun eigen betrokkenheid te minimaliseren. Zij hebben over hun eigen bijdrage in alle toonaarden gezwegen. Daar staat tegenover dat de verklaring van verdachte past bij de waarnemingen die aangevers, getuigen en enkele medeverdachten hebben gedaan over de ‘uitgelaten en agressieve’ stemming die in de auto heerste. Op beide dagen werden voorafgaand aan het slaan door verdachte, vanuit de auto naar de slachtoffers scheldwoorden geroepen, waarbij woorden als “homo” en “he vieze kuthomo’s” niet werden geschuwd. De betrokkenheid van [medeverdachte] bij de mishandeling blijkt ook uit de verklaringen over diens rijgedrag. Beide slachtoffers verklaren dat de auto langzaam/heel dicht achter hen aan reed. De eerste dag, vrijdag 24 januari 2015, is [medeverdachte] op verzoek van verdachte dicht langs de fietser gaan rijden, omdat hij wilde gaan slaan. Volgens [medeverdachte 2] heeft [medeverdachte] toen een beetje naar rechts gestuurd. Dit herhaalde zich de tweede dag, zaterdag 25 januari 2015. Getuige [persoon 3] zag aan de sporen in het gras van de berm tussen de weg en het fietspad dat de auto (met daarin de verdachten) de berm was ingereden om dichterbij hem en slachtoffer [slachtoffer 2] te kunnen komen.

[medeverdachte] heeft bij herhaling verklaard dat hij niet doorhad wat er achterin de auto gebeurde, mede omdat de muziek altijd hard aan staat en hij geconcentreerd auto rijdt. Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank zijn verklaring geenszins geloofwaardig. [medeverdachte] wist wat er in zijn auto gebeurde en had een actieve bijdrage aan de handelingen van verdachte. De destijds 18-jarige [medeverdachte] heeft als bestuurder van de auto de slachtoffers telkens van achter benaderd en dicht achter hen heeft gereden en zo gelegenheid geboden aan de 13-jarige verdachte verdachte om de slachtoffers telkens van achter te benaderen en met de golfclub tegen het hoofd te slaan. Dit gebeurde niet toevallig en per ongeluk, maar opzettelijk en gericht. Verdachten hebben dan ook zodanig bewust en nauw samengewerkt dat sprake is van medeplegen van het ten laste gelegde door gezamenlijk uitvoering te geven aan het gezamenlijk opzet om de fietsers met de golfclub tegen het hoofd te slaan.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. primair

op 24 januari 2014 te Helmond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met zijn mededader, vanuit het portierraam van een door zijn mededader bestuurde, rijdende personenauto, met een golfclub tegen het hoofd van die naast en/of nabij die auto fietsende [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. primair

op 25 januari 2014 te Helmond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met zijn mededader vanuit het portierraam van een door zijn mededader bestuurde, rijdende personenauto met een golfclub tegen het hoofd van die naast en/of nabij die auto fietsende [slachtoffer 2] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van da voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

[parketnummer 01/850036-14:]

op 26 oktober 2014 te Helmond, toen aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaren verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van een of meer op heterdaad ontdekte strafbare feiten, hadden aangehouden en hadden vastgegrepen, teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtenaren verdachte trachtten te geleiden;

(parketnummer 01/850040-15)

op 28 juli 2015 te Helmond [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] (met kracht) tegen het hoofd te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een fractuur van het jukbeen en een beschadigde kaakspier (doofheid van de huid) ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten en van verdachte.

De verdediging heeft met betrekking tot het onder parketnummer 01/850040-15 ten laste gelegde aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer(exces). De raadsvrouwe voert daartoe aan dat het slachtoffer een grote man was die verdachte een klap gaf, dat verdachte zich daardoor in de hoek gedrukt voelde en dat verdachte in shock was en toen heeft geslagen waardoor het letsel bij [slachtoffer 3] is ontstaan.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat verdachte zich in een noodweersituatie bevond. Dat verdachte door aangever [slachtoffer 3] werd aangevallen wordt op geen enkele wijze bevestigd, niet door enig geconstateerd letsel bij verdachte dat zou zijn ontstaan door toedoen van [slachtoffer 3] , noch door de getuige [getuige] die ter plaatse aanwezig was. De rechtbank hecht derhalve geen geloof aan verdachtes verklaring op dit punt. Het beroep op noodweer dan wel noodweerexces treft geen doel.

Voor zover de rechtbank er al van uit zou moeten gaan dat wel sprake is geweest van een noodweersituatie, is door verdachte daarop volstrekt niet proportioneel gereageerd, hetgeen onder meer blijkt uit het ernstige letsel dat [slachtoffer 3] daarbij heeft opgelopen. Dat deze disproportionele reactie het onmiddellijke gevolg zou zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte is niet aannemelijk geworden. De rechtbank verwerpt de verweren.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

- jeugddetentie voor de duur gelijk aan het voorarrest

- een leerstraf in de vorm van de So Cool-training voor de duur van 50 uren

- een werkstraf voor de duur van 150 uren geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging refereert zich, gehoord de eis van de officier van justitie, aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte was ten tijde van de bewezen verklaarde feiten 13 tot 15 jaar. Dat betekent dat het jeugdstrafrecht van toepassing is. Bij berechting onder het jeugdstrafrecht wordt meer dan bij het strafrecht voor volwassenen rekening gehouden met de gevolgen van de straf voor de ontwikkeling van de jongere. Er worden in het algemeen aanzienlijk lagere straffen opgelegd dan onder het volwassenenstrafrecht.

Verdachte heeft ernstige strafbare feiten gepleegd. Hij heeft tot tweemaal toe een volstrekt willekeurige fietser met een golfclub tegen het hoofd geslagen, waardoor de slachtoffers een forse hoofdwond opliepen en nog maandenlang de gevolgen daarvan hebben ondervonden.

Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een persoon die hem aansprak omdat hij midden in de nacht met zijn scooter geluidsoverlast veroorzaakte. Verdachte heeft door die gedraging aanzienlijk letsel bij het slachtoffer veroorzaakt, waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk is gebleken. Volgens de toelichting op de vordering benadeelde partij is de breuk van het jeukbeen met een metalen plaat onder de huid hersteld. Die plaat is nog steeds aanwezig.

Verdachte heeft, laatstgenoemde mishandeling en de wederspannigheid tegen de politie gepleegd in de periode waarin de voorlopige hechtenis van verdachte was geschorst onder meer onder de voorwaarde dat hij geen strafbare feiten meer zou plegen.

Delicten als de onderhavige veroorzaken veel maatschappelijke onrust en leiden tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers.

Het zeer gewelddadig karakter van de door verdachte gepleegde strafbare feiten laat zien dat verdachte er ondanks zijn jeugdige leeftijd niet voor terugschrikt om, al dan niet samen met anderen, fors geweld tegen andere mensen te gebruiken. Verdachte heeft zich bij zijn strafbaar handelen niet bekommerd om de gevolgen die nog veel ernstiger hadden kunnen in het geval van de fietsers. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaringen blijkt dat dit ook in deze zaken het geval is.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat uit een omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebracht rapport door drs. A. Laurijssen-Timmers, kinder- en jeugdpsycholoog, van 11 juli 2014 blijkt dat de door hem gepleegde strafbare feiten onder 1 en 2 in verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend. Dit rapport houdt kort weergegeven –onder meer- in:

Verdachte heeft als gevolg van zijn zeer lage begaafdheid moeite om de wereld om hem heen goed te begrijpen. Hij is niet goed in staat om het overzicht te houden over een situatie, de gevolgen van zijn handelen te overzien en gedragsalternatieven te bedenken. Hij is vanuit zichzelf onzeker, wil er graag bij horen en is van hieruit gemakkelijk te beïnvloeden en omdat hij vooral impuls gestuurd reageert, is hij afhankelijk van externe sturing. Hij laat zich hierdoor gemakkelijk uitdagen en aanzetten tot dingen die niet mogen. Geadviseerd wordt verdachte als gevolg van zijn zeer beperkte cognitieve vermogens als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank zal het advies van voormelde gedragsdeskundige, dat zij ter terechtzitting van 12 oktober 2015 nog heeft toegelicht, overnemen en bij de bepaling van de straf ten voordele van verdachte rekening houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten aanzien van alle bewezen verklaarde feiten, nu nog steeds als ook ten tijde van het bewezen verklaarde onder 3 en 4 sprake is en was van zeer beperkte cognitieve vermogens bij verdachte.

De raad voor de kinderbescherming heeft op 12 oktober 2015 een advies over verdachte uitgebracht. De raad voor de kinderbescherming adviseert onder meer een voorwaardelijke straf op te leggen onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zijn medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht van de William Schrikker Groep, afdeling jeugdreclassering, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen. Daarnaast overweegt de raad voor de kinderbescherming dat met een gedragsinterventie, in de vorm van So Cool in de verlengde vorm, bij verdachte gewerkt kan worden aan het verkrijgen van zelfvertrouwen, het beter leren nadenken voordat hij iets doet, impulsbeheersing, het aanleren van nieuwe probleemoplossende vaardigheden in sociale situaties, het anders leren omgaan met mensen en “nee” leren zeggen en vooral het voor zichzelf op komen. Daarmee kan verdachte geleerd worden zich beter staande te houden tussen negatieve elementen in zijn omgeving.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een jeugddetentie voor de duur gelijk aan het voorarrest. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf opleggen voor de duur van 150 uren, alsmede een leerstraf voor de duur van 50 uren.

De rechtbank zal de werkstraf voor een gedeelte, te weten 50 uren, voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

Ook zal de rechtbank aan verdachte een leerstraf opleggen in de vorm van de So Cool-training.

De rechtbank legt hiermee een zwaardere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de aard en de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Ingevolge artikel 6:164 BW kunnen feiten begaan door een kind toen het jonger was dan veertien jaar niet aan hem als onrechtmatige daad worden toegerekend, en zijn de ouders risico-aansprakelijk voor de gedraging van hun nog niet 14-jarig kind. In dat geval wordt de vordering van de benadeelde partij geacht te zijn gericht tegen de ouders van het kind en maakt de beslissing op de vordering deel uit van het strafvonnis tegen de minderjarige. Verdachte was ten tijde van het begaan van het onder 1 en 2 ten laste gelegde 13 jaar oud. Mitsdien worden de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geacht te zijn gericht tegen de ouders van verdachte.

Omdat verdachte civielrechtelijk niet-aansprakelijk is voor de door hem toegebrachte schade, zal de rechtbank niet overgaan tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De vordering van de benadeelde partij kan naar het oordeel van het openbaar ministerie integraal, hoofdelijk, worden toegewezen.

Verdachte was ten tijde van het onder 1 ten laste gelegde pas dertien jaar oud en is daarom niet in rechte aansprakelijk voor de schade. Mitsdien wordt de claim van benadeelde partij geacht te zijn gericht tegen de ouders van verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

De ouders van verdachte zijn bereid de gevorderde schade te betalen.

Beoordeling.

De rechtbank acht de vordering van benadeelde partij in haar geheel toewijsbaar als vergoeding van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade. De gevorderde immateriële schade is niet weersproken en komt de rechtbank billijk voor en wordt dienovereenkomstig begroot op EUR 2.000,-. De gevorderde materiële schade is niet weersproken. De gevorderde immateriële schade (EUR 2.000,-) en de gevorderde materiële schade met betrekking tot de broek (EUR 59,95) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, te weten vanaf 24 januari 2014, tot de dag der algehele voldoening. De overige gevorderde materiële schade (reiskosten EUR 43,26) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de vordering, te weten vanaf 9 juli 2014, tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de ouders van verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder worden de ouders van verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn de medeverdachte en verdachtes ouders jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Het standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan naar het oordeel van het openbaar ministerie integraal en hoofdelijk worden toegewezen.

Verdachte was ten tijde van het onder 2 ten laste gelegde pas dertien jaar oud en is daarom niet in rechte aansprakelijk voor de schade. Mitsdien wordt de claim van benadeelde partij geacht te zijn gericht tegen de ouders van verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

De ouders van verdachte zijn bereid de gevorderde schade te betalen.

Beoordeling. De rechtbank acht toewijsbaar als vergoeding van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade: de gevorderde immateriële schade (EUR 2.000,-) en de gevorderde materiële schade met betrekking tot schade aan de fiets (EUR 158,-), inkomstenderving (EUR 315,-), verloren verlofuren (EUR 115,77), contributie sport (EUR 35,62) en reiskosten (EUR 82,52). De gevorderde immateriële schade is niet weersproken en komt de rechtbank billijk voor en wordt dienovereenkomstig begroot op EUR 2.000,-. De gevorderde materiële schade is evenmin weersproken.De immateriële schade en de schade aan de fiets, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, te weten vanaf 25 januari 2014, tot de dag der algehele voldoening. De overige gevorderde materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van ondertekening van de vordering, te weten vanaf 23 mei 2014, tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de ouders van verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder worden de ouders van verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn de mededader en de ouders van verdachte jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] .

Het standpunt van de officier van justitie.

Toewijzing van de bij wijze van voorschot gevorderde immateriële schade tot een bedrag van EUR 1.500,-. Niet-ontvankelijkverklaring van de gevorderde materiële schade van verlies van verdienvermogen (EUR 1.200,-).

Het standpunt van de verdediging.

Niet ontvankelijk verklaring van de vordering. Subsidiair volgt de verdediging de zienswijze van de officier van justitie.

Beoordeling. De rechtbank acht toewijsbaar, als vergoeding van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van EUR 1500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, te weten vanaf 28 juli 2015, tot aan de dag der algehele voldoening. De gevorderde immateriële schade komt de rechtbank billijk voor en wordt dienovereenkomstig begroot op EUR 1.500,-.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering, nu dit deel is weersproken en de benadeelde partij dat deel van de vordering onvoldoende heeft onderbouwd. De benadeelde partij is ook niet ter zitting verschenen om de vordering op dit punt nader te onderbouwen. Een nadere behandeling van de vordering om de benadeelde partij alsnog daartoe in de gelegenheid te stellen, zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, te weten vanaf 28 juli 2015, tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 27, 36f, 45, 47, 77i, 77l, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 180, 300, 302.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. 01/875001-14 feit 1 primair: medeplegen van poging tot zware mishandeling. T.a.v. 01/875001-14 feit 2 primair: medeplegen van poging tot zware mishandeling. T.a.v. 01/875001-14 feit 3: wederspannigheid. T.a.v. 01/850040-15: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

T.a.v. 01/875001-14 feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3, 01/850040-15:Jeugddetentie voor de duur van 17 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. 01/875001-14 feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3, 01/850040-15:Werkstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen jeugddetentie waarvan 50

uren subsidiair 25 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- gedurende het eerste jaar van de proeftijd medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de jeugdreclassering, William Schrikkergroep, afdeling jeugdreclassering, Postbus 12685, 1100 AR Amsterdam (tel. 088 5260000).

- zich gedurende de proeftijd op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de William Schrikkergroep voornoemd tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

T.a.v. 01/875001-14 feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3, 01/850040-15:Leerstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen jeugddetentie.

Deze leerstraf bestaat uit het volgen van de So Cool-training (verlengd) en dient te zijn verricht binnen 6 maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis.

T.a.v. 01/875001-14 feit 1 primair: Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de ouders van verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, van een bedrag van EUR 2.103,21 (zegge: tweeduizendeenhonderddrie euro en eenentwintig cent), te weten EUR 2.000,- immateriële schadevergoeding en EUR 103,21 materiële schadevergoeding (post: broek en reiskosten).

De ouders zijn niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door de mededader van verdachte is betaald.

Het toegewezen bedrag van de immateriële schadevergoeding (EUR 2.000,-) en van de broek (EUR 59,95) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het toegewezen bedrag van de reiskosten (EUR 43,26) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de ouders van verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt de ouders van verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

T.a.v. 01/875001-14 feit 2 primair: Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te melden bedrag en veroordeelt de ouders van verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van EUR 2.706,91 (zegge: tweeduizendzevenhonderdenzes euro en eenennegentig cent), te weten EUR 2.000,- immateriële schadevergoeding en EUR 706,91 materiële schadevergoeding (post inkomstenderving, verloren verlofuren, contributie sport, schade aan de fiets en reiskosten).

De ouders zijn niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

Het toegewezen bedrag van de immateriële schade (EUR 2.000,-) en de schade aan de fiets (EUR 158,-) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het toegewezen bedrag van de overige materiële schade (inkomstenderving: EUR 315,-, verloren verlofuren: EUR 115,77, contributie sport: EUR 35,62 en reiskosten: EUR 82,52) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de ouders van verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt de ouders van verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

T.a.v. 01/850040-15: Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] .

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van een bedrag van EUR 1500,- (zegge: vijftienhonderd euro), te weten immateriële schade.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 1500,00 subsidiair 10 dagen jeugddetentie.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] van een bedrag van EUR 1500,- (zegge: vijftienhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen vervangende jeugddetentie. Het bedrag bestaat uit immateriële schade.

De toepassing van deze vervangende jeugddetentie heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

Indien de verdachte en/of heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 29 april 2014 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. A.M.R. van Ginneken, leden,

in tegenwoordigheid van L.F.M. Schulte, griffier,

en is uitgesproken op 26 oktober 2015.

Mr. A.M.R. van Ginneken is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p. 284 van eindpv I.

3 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] , p. 143-144 van eindpv I.

4 Proces-verbaal van verhoor [persoon 1] , p. 174-175 van eindpv I.

5 Proces-verbaal van verhoor van [persoon 2] , p. 231 van eindpv I.

6 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 304-305 van eindpv I.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [persoon 3] , p. 323-325 van eindpv I.

8 Woordelijke uitwerking van studioverhoor van verdachte, p. 55-94 van eindpv I.

9 Proces-verbaal van de raadkamerzitting van 29 april 2014.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 13 van eindpv II.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 16 van eindpv II.

12 Proces-verbaal van aangifte, p. 31-32 van eindpv III.

13 Geneeskundigenverklaring, p. 41 van eindpv III.

14 Proces-verbaal van de terechtzitting van 12 oktober 2015.