Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:6028

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-10-2015
Datum publicatie
29-10-2015
Zaaknummer
15_1640T
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Planologisch toetsingskader, procesbelang.

De zaak betreft een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen, uitvoeren van werken en kappen in kader van het aanleggen van het kanaalpark naast het nieuwe Maxima kanaal. Dit project wordt in meerdere fasen uitgevoerd. De in deze omgevingsvergunning vergunde activiteiten zijn al uitgevoerd. Voor zover eiseres betoogt dat geen of onvoldoende onderzoek is gedaan naar de archeologische waarden in het gebied en dat onvoldoende maatregelen zijn genomen ter bescherming van deze waarden, bestaat naar het oordeel van de rechtbank daarom geen belang bij de beoordeling van dat betoog.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het bestemmingsplan zodat een afweging tussen het belang van behoud van de landschaps- en natuurwaarden en dat van de waterberging ten onrechte achterwege is gebleven. Daardoor is verweerder niet gemotiveerd ingegaan op de bezwaren van eiseres, voor zover zij daarbij – samengevat weergegeven – heeft gesteld dat door de vergunde activiteiten onevenredig veel landschappelijke –en natuurwaarden verloren gaan, en niet leiden tot beekherstel als bedoeld in de planregels. Het bestreden besluit is in zoverre onzorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd. Verweerder wordt de gelegenheid geboden dit gebrek te herstellen op de door de rechtbank aangegeven wijze.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2015/322 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/1640 T

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 21 oktober 2015 in de zaak tussen

het Groene Hart, te Den Dungen, eiseres

(gemachtigden: A.A. van Abeelen en J.J. van Hoeckel),

en

het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Sint-Michielsgestel, verweerder

(gemachtigde: B. van Houtum-Heil).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Waterschap Aa en Maas, te

's-Hertogenbosch, vergunninghouder,

(gemachtigden: mr. E. van Breugel en ing. B. Pastor).

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan waterschap Aa en Maas een omgevingsvergunning verleend voor:

• bouwen: het plaatsen van kunstwerken;

• aanleggen: het realiseren van beekherstel (graven Rosmalense Aa), het aanleggen van een vispassage (natuurontwikkeling) en het creëren van een waterberging (aanleggen water-bergingskades, aanleggen van inlaat- en uitlaat voor de kunstwerken);

• kappen: het kappen van bomen;
op de percelen gelegen tussen de Beusingsedijk, Oude Bosschebaan en het nieuwe Maximakanaal.

Bij besluit van 28 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 10 april 2014 herroepen door voor het bouwen van een vijf kunstwerken, te weten: een gemaal (kenmerk: 205BEU), twee inlaatduikers voor de Rosmalense Aa respectievelijk de Vispassage (kenmerken: 2050195 en 2050198), een uitlaatduiker (kenmerk: 2050196) en een duiker (kenmerk: 2050197), af te wijken van het bestemmingsplan en het besluit voor het overige in stand te laten.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2015. Voor eiseres zijn verschenen haar gemachtigden. Ook verweerder en vergunninghouder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling in deze zaak uit van de volgende feiten en omstandigheden. Het gebied waarin de vergunde activiteiten zijn uitgevoerd, gaat onderdeel uitmaken van het kanaalpark dat langs het nieuwe Maximakanaal wordt aangelegd. In verband met de aanleg van het Maximakanaal, wordt een zogenoemd dynamisch Beekdal verwezenlijkt, waarvan het gebied fase 6 vormt.

1.2

Het gemaal bevindt zich op de percelen kadastraal bekend als gemeente Berlicum, sectie L, nummers 0046, 0047 en 2911. De inlaatduiker voor de Rosmalense Aa bevindt zich op de percelen kadastraal bekend als de gemeente Berlicum, sectie L, nummers 0045 en 2911. De inlaatduiker voor de vispassage bevindt zich op de percelen kadastraal bekend als gemeente Rosmalen, sectie E, nummers 5567 en 5568. De uitlaatduiker bevindt zich op de percelen kadastraal bekend als de gemeente Berlicum, sectie L, nummers 2909 en 2911. De duiker bevindt zich op het perceel kadastraal bekend als gemeente Berlicum, sectie L, nummer 2906.

1.3

Op de percelen is het bestemmingsplan “Buitengebied Sint‑Michielsgestel” van toepassing. Daarop rusten, voor zover thans van belang, de bestemmingen “Agrarisch met waarden- Natuur- en landschapswaarden” (art. 6) en “Waterstaat-Waterbergingsgebied” (art. 34). Daarnaast rust op de percelen de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie 3”en/of “Waarde‑Archeologie 4”.

2. Het beroep van eiseres is, zoals zij ter zitting van de rechtbank ook heeft bevestigd, alleen gericht tegen de activiteiten “bouwen” en ”aanleggen”.

3. Voor zover eiseres betoogt dat geen of onvoldoende onderzoek is gedaan naar de archeologische waarden in het gebied en dat onvoldoende maatregelen zijn genomen ter bescherming van deze waarden, bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen belang bij de beoordeling van dat betoog. Met het beroep beoogt eiseres te bereiken dat de bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden voldoende wordt verzekerd alvorens met de vergunde activiteiten wordt begonnen door het graven in de grond. Inmiddels zijn de vergunde activiteiten echter uitgevoerd. Ook indien het betoog slaagt, kan niet worden bereikt dat de archeologische waarden alsnog worden beschermd. Evenmin bestaat met het oog op toekomstige besluitvorming belang bij beoordeling van het betoog. De archeologische waarden in het ene gebied kunnen niet op één lijn worden gesteld met de waarden in een naastgelegen gebied.

4.1

Eiseres voert aan dat verweerder de bezwaren weliswaar gegrond heeft verklaard maar het bezwaar van een ontbrekende zorgvuldige voorbereiding en belangenafweging niet heeft weggenomen. De bezwaren zijn gegrond verklaard in verband met de strijdigheid van een aantal bouw- of kunstwerken met het bestemmingsplan. Maar voor het gehele gebied is niet goed gemotiveerd waarom in geval van dubbelbestemming en daarbij optredende strijdigheid van belangen, het belang van waterberging kennelijk voorrang heeft boven het belang van behoud en herstel van landschaps- en natuurwaarden, aldus eiseres. Dat leidt er volgens eiseres toe dat niet is nagegaan wat de gevolgen van de vergunde activiteiten zijn voor de landschaps- en natuurwaarden.

4.2

Volgens verweerder prevaleert het belang van een adequate waterberging als bedoeld in artikel 34 van de planregels altijd boven andere belangen, zodat een afweging tussen het belang van behoud van de landschaps- en natuurwaarden en dat van de waterberging niet hoeft te worden gemaakt.

4.3

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels zijn de voor “Agrarisch met waarden-Natuur- en landschapswaarden” aangewezen gronden bestemd voor:

a. een agrarische bedrijfsuitoefening;

b. agrarisch gebruik;

c. t/m q. (..);

r. ter plaatse van de aanduiding “beekdal”, het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden, in het bijzonder voor het op de verbeelding aangeduide beekdalsysteem;

s. t/m u. (..);

v. ter plaatse van de aanduiding “leefgebied van dassen”, het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden, in het bijzonder voor het op de verbeelding aangeduide leefgebied van dassen;

w. t/m y. (..);

z. ter plaatse van de aanduiding “waterbergingsgebied in te richten”, het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden, in het bijzonder voor het op de verbeelding aangeduide waterbergingsgebied in te richten;

aa. t/m ak (..);

al. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Ingevolge artikel 34, lid 34.1, Waterstaat-Waterberging (dubbelbestemming) zijn de voor Waterstaat-Waterberging aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, met voorrang mede bestemd voor inundatiegebied en voor de bescherming en het onderhoud van de in deze zone gelegen dan wel daaraan grenzende waterberging.

4.4

In het primaire besluit noch het bestreden besluit is uiteengezet wat de gevolgen van de vergunde activiteiten zijn voor de landschappelijke- en natuurwaarden in het gebied. Ter zitting van de rechtbank heeft de gemachtigde van verweerder te kennen gegeven dat feitelijk de gevolgen en de afweging wel in beeld zijn gebracht, maar dat deze afweging niet in de besluiten is weergegeven, gelet op het belang van een adequate waterberging. De rechtbank kan het door verweerder ingenomen standpunt niet volgen. Artikel 34, lid 34.1, van de planregels bepaalt weliswaar dat gronden met de bestemming “Waterstaat-Waterberging” met voorrang mede bestemd zijn voor inundatiegebied en voor de bescherming en het onderhoud van de in deze zone gelegen dan wel daaraan grenzende waterberging, maar deze voorrangsregeling brengt niet mee dat verweerder geen enkel inzicht behoort te verschaffen in de gevolgen van de vergunde activiteiten voor de landschaps- en natuurwaarden in het gebied. De toelichting in het bestemmingsplan (blz. 152) leidt evenmin tot dat oordeel. Uit de planregel en de toelichting kan alleen worden ontleend dat bij strijd tussen de hoofdbestemming of een andere bestemming met de dubbelbestemming, de dubbelbestemming prevaleert, omdat de belangen gemoeid met de dubbelbestemming zwaarder wegen dan de belangen gemoeid met de hoofdbestemming. Om te kunnen bepalen of de vergunde activiteiten in strijd zijn met artikel 6 van de planregels, dient verweerder inzicht te verschaffen in de gevolgen van deze activiteiten voor de landschaps- en natuurwaarden. Bovendien is niet uitgesloten dat de activiteiten, al dan niet met enige aanpassing of door het stellen van enige voorwaarden, zich ook verdragen met de landschappelijke- en natuurwaarden in het gebied. Artikel 34, lid 34.1, gelezen in samenhang met artikel 6 van de planregels, leidt ertoe dat een waterberging in het gebied zonder meer mogelijk is, maar de wijze waarop en – tot op zekere hoogte - onder welke voorwaarden het gebied voor waterberging wordt ingericht, dient bij de gevraagde omgevingsvergunning te worden bepaald. Gegeven deze plansystematiek, acht de rechtbank niet uitgesloten dat aan de gevraagde waterbergingsmaatregelen aanpassingen kunnen worden aangebracht, tenzij het belang van de waterberging zich daartegen verzet. De systematiek van de planregels sluit dus niet uit dat verweerder met het oog op de landschappelijke- en natuurwaarden in het gebied aan de waterbergingsmaatregelen enige aanpassingen kunnen worden aangebracht, of dat voorwaarden aan de maatregelen worden gesteld, bijvoorbeeld aan het moment van de bouw van de kunstwerken of de uiterlijke verschijningsvorm. Weliswaar dient verweerder te beslissen op grondslag van de aanvraag, maar ook dat sluit enige aanpassing of voorwaarde niet uit, mits verweerder daardoor geen ander project vergund dan is aangevraagd.

De vraag of verweerder deze aanpassingen aan de maatregelen behoorde aan te brengen, kan de rechtbank op dit moment niet beantwoorden. Verweerder heeft in de besluiten immers niet gemotiveerd uiteen gezet wat de gevolgen van de vergunde activiteiten voor de landschappelijke- en natuurwaarden zijn. Daardoor is verweerder niet gemotiveerd ingegaan op de bezwaren van eiseres, voor zover zij daarbij – samengevat weergegeven – heeft gesteld dat door de vergunde activiteiten onevenredig veel landschappelijke –en natuurwaarden verloren gaan, en niet leiden tot beekherstel als bedoeld in artikel 1.28 van de planregels. Het bestreden besluit is in zoverre onzorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd.

5.1

Het bestreden besluit is in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het thans bestreden besluit indien de aanvullende motivering leidt tot enige aanpassingen of voorwaarden aan de maatregelen. Als verweerder van deze gelegenheid gebruik maakt, dient hij met inachtneming van overweging 4.4 van deze uitspraak en aan de hand van de bezwaren die eiseres in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht, te motiveren:
- wat de gevolgen van de vergunde activiteiten zijn voor de landschaps- en natuurwaarden in het gebied,
- of de vergunde activiteiten volgens hem tot beekherstel leiden als bedoeld in artikel 1.28 van de planregels, en,
- op basis van de uitkomsten hiervan, te beoordelen of aanpassingen aan de vergunde activiteiten mogelijk zijn, zonder dat de aanpassing ten koste gaat van het belang van de waterberging.

Daarbij dient verweerder rekening te houden met de feiten en omstandigheden, zoals die zich dan voordoen. Tot deze feiten en omstandigheden rekent de rechtbank ook de omstandigheid dat vergunde activiteiten reeds zijn uitgevoerd.

De omstandigheid dat in een inmiddels aangenomen maar -voor zover de rechtbank bekend- nog niet in werking getreden wijziging van het bestemmingsplan in artikel 34, lid 34.1, is neergelegd dat de dubbelbestemming “Waterstaat-waterbergingsgebied”, voorrang heeft op de hoofdbestemming, is niet een dergelijke omstandigheid. Ook indien de wijziging in werking zou zijn getreden, brengt dit naar voorlopig oordeel van de rechtbank niet mee dat gevolgen van de vergunde activiteiten voor de landschappelijke- en natuurwaarden voor het gebied niet in beeld behoren te worden gebracht.

5.2

Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

5.3

Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).

5.4

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

  • -

    draagt verweerder op, indien hij gebruik maakt van de gelegenheid tot herstel, het in rechtsoverweging 4.4 geconstateerde motiveringsgebrek te herstellen met inachtneming van overweging 5.1;

  • -

    draagt verweerder op, indien hij gebruik maakt van de gelegenheid tot herstel, de rechtbank zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht weken na verzending van deze uitspraak, schriftelijk mee te delen op welke wijze het gebrek is hersteld.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Huijben, voorzitter, en mr. M.J.H.M. Verhoeven, en mr. J.D. Streefkerk, in aanwezigheid van mr. E.A.C. Spoormakers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2015.

De voorzitter is buiten staat om deze

uitspraak mede te ondertekenen

griffier

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.