Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:6025

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-10-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
01/845542-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is als bestuurder van zijn personenauto op twee andere personen ingereden. Een van hen is door de auto van verdachte geraakt. Verdachte verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank en hij was niet in het bezit van een geldig rijbewijs. De rechtbank kwalificeert dit handelen als poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd. Verdachte wordt veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Verdachte wordt een behandelverplichting opgelegd. Beide slachtoffers hebben zich als benadeelde partij gesteld. Hun vordering tot immateriële schadevergoeding wordt toegewezen tot € 1.000,-- resp. € 750,--.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845542-15

Datum uitspraak: 21 oktober 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

thans preventief gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B), Muntlaan 1 te Grave.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 oktober 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 september 2015.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 6 juli 2015 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet met een door verdachte bestuurde (personen)auto met hoge snelheid, althans met snel verhogende snelheid op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] is toe en/of ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd. Verdachte heeft het voorwaardelijk opzet gehad om twee personen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft bepleit dat hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd niet bewezen kan worden. Immers is – kort samengevat – niet komen vast te staan dat verdachte met hoge snelheid heeft gereden, het letsel van de genoemde personen is vaag, de getuigenverklaringen van de op het bankje gezeten personen zijn wisselend van aard en daarbij heeft verdachte niet moedwillig op anderen ingereden en heeft hij niemand pijn willen doen. Verdachte is op personen toegereden, maar wilde slechts iemand laten instappen. Dat hij daarbij over iemands voet is gereden, is voortgekomen uit het feit dat hij verblind werd door de zon en daardoor in plaats van links om een boom terug naar de weg, met een flauwe bocht naar rechts is doorgereden in de richting van de personen die bij het bankje waren.

Nu het (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ontbreekt, dient verdachte van hetgeen hem ten laste is gelegd te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank. 1

Vaststaande feiten

Het staat vast dat op 6 juli 2015, omstreeks 20:00 uur te Eindhoven, ter hoogte van de Muzenlaan, een incident plaatsvond waarbij verdachte en aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] betrokken waren. Verdachte had die avond met een aantal bekenden in een parkje bier zitten drinken en ruzie gekregen. In zijn boosheid is verdachte met ontbloot bovenlijf in zijn aldaar geparkeerde auto (een Volkswagen Golf, type stationwagen) gestapt, waarna hij het parkje is ingereden in de richting van de personen waarmee hij ruzie had. Verdachte heeft hierbij, naar zijn zeggen, in ieder geval over de voet van aangever [slachtoffer 1] gereden, die hierdoor gewond is geraakt2. Hierna heeft verdachte, nog steeds gezeten in zijn auto, het parkje verlaten3. Verdachte beschikt niet over een geldig rijbewijs en had op het moment dat hij in de auto stapte bier gedronken. De snelheid waarmee verdachte heeft gereden is niet komen vast te staan.

Verklaring aangevers

De aangevers verklaren beiden dat zij op 6 juli 2015 ruzie kregen met [bijnaam verdachte] , zijnde verdachte en dat hij boos in zijn auto is gestapt waarna hij opzettelijk op hen kwam ingereden. Aangever [slachtoffer 1] is hierbij door verdachte over zijn been en voet gereden4. Aangever [slachtoffer 2] is door de aanrijding op de motorkap en daarna hard op de grond terechtgekomen5.

Verklaring getuige [getuige 1] 6

Getuige [getuige 1] heeft op 6 juli 2015 rond de klok van 20:00 uur een boos gebarende man met ontbloot bovenlijf in een auto zien stappen, waarna deze het gazon op reed. De auto reed op een dikke man af die deel uit maakte van een groepje mensen. De man bleef als verstijfd staan en strekte zijn armen in een poging om de auto tegen te houden. De man werd door de auto geraakt en werd daardoor door de lucht geslingerd.

Over aangever [slachtoffer 2] zegt verdachte ter zitting dat dit een man is met een dikke buik.7

Verklaring getuige [getuige 2] 8

Ook getuige [getuige 2] heeft op 6 juli 2015 omstreeks 20:00 uur het incident gezien en zag aldus een man met ontbloot bovenlijf al schreeuwend uit het park lopen en in zijn auto stappen, waarna deze in de richting van de personen met wie hij ruzie had reed. De getuige zag dat één man wegdook.

Conclusie van de rechtbank

De rechtbank ziet zich geconfronteerd met een door drank doordrenkt geweldsincident waarbij verdachte en aangevers elkaar belasten.

De aangiften van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten overstaan van de politie zijn in de kern nagenoeg eensluidend en komen er in de kern op neer dat de aangevers in de nabijheid en aan de voorzijde van de door verdachte bestuurde auto stonden en zich derhalve in de rijrichting van de auto bevonden toen hij op hen af kwam gereden.

Daarbij komen de verklaringen van de aangevers in grote lijnen overeen met hetgeen de onafhankelijke getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard. De rechtbank acht de verklaringen van de aangevers en de genoemde getuigen betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat genoemde getuigen er geen belang bij hebben onjuist te verklaren.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij verblind werd door de zon, waarna hij in plaats van links om een boom heen, een flauwe bocht naar rechts maakte en per ongeluk over de voet van [slachtoffer 1] is gereden. Wat betreft de positie van [slachtoffer 2] heeft verdachte verklaard dat deze zich nimmer in de buurt van de auto heeft bevonden.

De rechtbank concludeert aan de hand van de verklaring van getuige [getuige 1] in samenhang met de aangifte van [slachtoffer 2] , dat het [slachtoffer 2] is geweest die over de motorkap van de door verdachte bestuurde auto is gevlogen. De rechtbank vindt de verklaring van verdachte dat hij slechts [slachtoffer 1] heeft geraakt niet geloofwaardig.

Verdachte heeft zijn verhaal over de toedracht nimmer ten overstaan van de politie verklaard en is hier pas in een later stadium over komen te spreken tegen de reclassering. Zijn verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank ook wisselend van aard. Bovendien had het juist in een situatie waarbij verdachte verblind zou zijn – mede in combinatie met het door verdachte gestelde oogmerk om getuige [getuige 3] te laten instappen – in de rede gelegen om direct te stoppen en niet door te blijven rijden in een andere dan de beoogde rijrichting.

De rechtbank hecht mitsdien aan de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter zitting, gelet op het voorgaande en voorts gelet op zijn gedrag voor en na het incident, geen geloof.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat vaststaat dat aangevers zich in de rijrichting van de door verdachte bestuurde auto bevonden en wel op een zodanige nabije afstand dat de aangevers niet rustig konden weglopen toen verdachte met de door hem bestuurde auto in hun richting reed; [slachtoffer 1] werd nog net weggeduwd door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 2] zelf kwam op de auto terecht. Voorts staat vast dat aangever [slachtoffer 1] door de auto van verdachte is geraakt, ondanks dat hij was weggeduwd door [slachtoffer 2] . Indien dat niet was gebeurd, dan was de kans dat hij daardoor zwaar lichamelijk letsel zou hebben oplopen aanmerkelijk. Nu heeft [slachtoffer 2] de klap opgevangen met eenzelfde aanmerkelijke kans op het oplopen van zwaar lichamelijk letsel.

Bij een botsing tussen een personenauto en een persoon bestaat immers naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans dat de persoon zwaar lichamelijk letsel oploopt.

Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte – het rechtdoor (blijven) rijden in de richting van aangevers - kan het niet anders zijn dan dat verdachte, als bestuurder van de auto, zich bewust is geweest van die aanmerkelijke kans en die kans bewust heeft aanvaard.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet had om verdachte zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 6 juli 2015 te Eindhoven ter uitvoering van het doorverdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet met een door verdachte bestuurde personenauto op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is toe- en ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met aftrek overeenkomstig het gestelde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en een proeftijd van twee jaren, alsmede oplegging van de bijzondere voorwaarden, zoals genoemd in het reclasseringsrapport d.d. 25 september 2015. Ten aanzien van het alcoholverbod stelt de officier van justitie voor te bepalen dat hij naar de aanwijzingen van de Reclassering moet handelen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Hoewel de verdediging primair vrijspraak heeft bepleit, is subsidiair matiging van de strafeis aangevoerd. De verdediging heeft zich daarbij gebaseerd op uitspraken in soortgelijke zaken en gesteld dat een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk meer in de rede ligt. Ten aanzien van de bijzondere voorwaarden heeft de verdediging opgemerkt, dat het opleggen van een volledig verbod tot het nuttigen van alcoholhoudende dranken aan de aan alcohol verslaafde verdachte niet reëel is. Verdachte dient zich wat het gebruik van alcohol betreft te houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem daaromtrent geeft.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan twee personen door met een personenauto op hen in te rijden.

Verdachte heeft door zijn gedragingen een zeer groot gevaar voor anderen in het leven geroepen, zich niets aangetrokken van hun belangen en welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze personen door zijn gedragingen zwaar gewond zouden raken. Andere personen in het park en de omgeving daarvan hebben verdachtes agressieve en onverantwoordelijke gedrag kunnen zien.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel van de justitiële documentatie betreffende verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf van na te noemen duur.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

De rechtbank zal evenwel een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

Het standpunt van de officier van justitie.

De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 1.200,= met oplegging van de schadevergoeding ex art. 36e Wetboek van Strafrecht en de wettelijke rente. Voor wat betreft de overige gevorderde schadevergoeding dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in diens vordering.

De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 1.000,= (alleen het immateriële deel) met oplegging van de schadevergoeding ex art. 36e Wetboek van Strafrecht en de wettelijke rente. Voor wat betreft de overige gevorderde schadevergoeding dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in diens vordering.

Het standpunt van de verdediging.

Benadeelde partij [slachtoffer 1] dient gelet op de primair bepleite vrijspraak niet-ontvankelijk te worden verklaard in diens vordering. Subsidiair dient de vordering gematigd te worden.

Benadeelde partij [slachtoffer 2] dient geheel niet-ontvankelijk te worden verklaard in diens vordering nu het causaal verband tussen hetgeen is voorgevallen en de door hem opgevoerde schade ontbreekt. Aanhouding van de strafzaak om hier nader onderzoek naar te doen zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

Beoordeling van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] . De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de gevorderde immateriële schadevergoeding tot het nader te noemen bedrag vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank overweegt meer specifiek, dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit nadeel van niet-vermogensrechtelijke aard heeft ondervonden. Het nadeel van de benadeelde partij bestaat onder meer uit de nadelige en belastende effecten die de gedragingen van verdachte – naar ook algemene ervaringsregels leren – hebben gehad (en nog hebben) op het dagelijkse leven en functioneren van betrokkene, een en ander zoals blijkt uit de toelichting bij de vordering. Deze schade valt naar zijn aard niet exact vast te stellen en dient derhalve te worden begroot. Bij het begroten van de immateriële schade heeft de rechtbank acht geslagen op de bedragen die, gelet op de gepubliceerde rechtspraak, door rechtbanken en gerechtshoven plegen te worden toegekend in min of meer vergelijkbare gevallen. De rechtbank begroot de immateriële schade van de benadeelde partij op € 1.000,-.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Beoordeling van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] . De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de gevorderde immateriële schadevergoeding tot het nader te noemen bedrag vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank overweegt meer specifiek, dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit nadeel van niet-vermogensrechtelijke aard heeft ondervonden. Het nadeel van de benadeelde partij bestaat onder meer uit de nadelige en belastende effecten die de gedragingen van verdachte – naar ook algemene ervaringsregels leren – hebben gehad (en nog hebben) op het dagelijkse leven en functioneren van betrokkene, een en ander zoals blijkt uit de toelichting bij de vordering. Deze schade valt naar zijn aard niet exact vast te stellen en dient derhalve te worden begroot. Bij het begroten van de immateriële schade heeft de rechtbank acht geslagen op de bedragen die, gelet op de gepubliceerde rechtspraak, door rechtbanken en gerechtshoven plegen te worden toegekend in min of meer vergelijkbare gevallen. De rechtbank begroot de immateriële schade van de benadeelde partij op € 750,-.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering ten aanzien van de immateriële schadevergoeding, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De rechtbank zal de benadeelde partij eveneens niet ontvankelijk verklaren in de gevorderde materiële schadevergoeding, omdat de rechtbank van oordeel is dat de het causaal verband tussen het bewezenverklaarde feit en de gestelde schade op basis van de gegeven onderbouwing niet is vast te stellen en het bieden van gelegenheid tot nadere onderbouwing een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 45, 57, 302.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering;

- zich, in overleg en op aanwijzing van de reclassering, ambulant laat behandelen bij een instelling voor forensische psychiatrie, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- geen drugs zal gebruiken, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering betreffende de frequentie en mate van zijn alcoholgebruik;

- de controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarden zal ondersteund worden door middel van een middelencontrole;

- dat veroordeelde zich binnen drie dagen na vrijlating zal melden bij de reclassering Novadic/Kentron, 5626ND Eindhoven aan de dr. Poletlaan 74-76, en zich daarna gedurende een door die reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht;

waarbij de Reclassering Nederland, Regio 's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Maatregel van schadevergoeding van € 1.000,00 subsidiair 20 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van € 1.000,= (zegge: duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.000,= immateriële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] ,

van een bedrag van € 1000,= (zegge: duizend euro), te weten € 1000,= immateriële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Maatregel van schadevergoeding van € 750,00 subsidiair 15 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van € 750,= (zegge: zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 750,= immateriële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] ,

van een bedrag van € 750,= (zegge: zevenhonderdvijftig euro), te weten

€ 750,= immateriële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, voorzitter,

mr. C.A. Mandemakers en mr. P.T. Heblij, leden,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,

en is uitgesproken op 21 oktober 2015.

Mr. Heblij is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, districtsrecherche Eindhoven, genummerd PL2015150954, afgesloten d.d. 29 juli 2015, aantal doorgenummerde bladzijden: 73.

2 Aanvraagformulier medische informatie d.d. 7 juli 2015 en 2 september 2015 aangaande [slachtoffer 1] .

3 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 7 oktober 2015.

4 Aangifte [slachtoffer 1] p. 34 e.v.

5 Aangifte door [slachtoffer 2] blz. 37-39

6 Verklaring getuige [getuige 1] blz. 66-69

7 Verklaring verdachte ter terechtzitting

8 Verklaring getuige [getuige 2] blz. 70-73