Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:5932

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
16-10-2015
Datum publicatie
16-10-2015
Zaaknummer
SHE 15/2988
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder was bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen. De voorzieningenrechter neemt de overwegingen van de rechtbank in haar uitspraak van 4 augustus 2015 in de zaak met zaaknummer SHE 15/1437 over en maakt deze tot de zijne. Verder is het parkeren ten behoeve van een op een ander perceel gevestigd parkeerbedrijf niet het parkeren ten behoeve van een expliciet - in a tot en met o van artikel 4, onderdeel 4.1 - toegestane hoofdactiviteit.

Verweerder wil niet meewerken aan het toestaan van de exploitatie van een parkeerbedrijf op het perceel. Van concreet zicht op legalisatie is geen sprake. Niet is aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van handhaving had moeten afzien.

Het verzoek wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/2988VV

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 oktober 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Eazzypark B.V., te Eindhoven, verzoekster,

(gemachtigde: mr. H.G.M. van der Westen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Son en Breugel, verweerder,

(gemachtigden: mr. drs. A. Schreijenberg en drs. E.J. Mengers).

Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2015, verzonden 16 september 2015, (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat binnen één maand na de verzenddatum van deze beschikking de strijdigheid met het bestemmingsplan moet zijn beëindigd. Dit betekent dat verzoekster het exploiteren van een parkeerlocatie op het perceel Ekkersrijt 3102 te Son en Breugel moet beëindigen en beëindigd moet houden. Indien verzoekster hieraan niet voldoet verbeurt zij een dwangsom van € 15.000,00 per week met een maximum van € 90.000,00.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij fax van 6 oktober 2015 heeft verweerder medegedeeld niet bereid te zijn (de uitvoering van) het besluit op te schorten.

Verweerder heeft bij fax van 12 oktober 2015 een verweerschrift ingediend.

Verzoekster heeft op 14 oktober 2015 een aanvulling gegeven op het verzoekschrift en nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2015. Verzoekster is vertegenwoordigd door [persoon 1] en haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Het bestreden besluit gaat over een last onder dwangsom betreffende de bedrijfsmatige exploitatie van een parkeerterrein voor het parkeren van auto’s van derden (reizigers van Eindhoven Airport).

3. De voorzieningenrechter acht een spoedeisend belang aanwezig, in aanmerking nemende dat verzoekster niet alleen op grond van het bestreden besluit op korte termijn een aanzienlijk bedrag aan dwangsommen kan verbeuren, maar eenzelfde dwangsom is opgelegd in het besluit dat heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 4 augustus 2015 in de zaak met zaaknummer SHE 15/1437.

4. Verzoekster stelt zich allereerst op het standpunt dat verweerder niet bevoegd was om handhavend op te treden.

5. Primair legt zij hieraan ten grondslag dat het gebruik van het perceel Ekkersrijt 3102 te Son en Breugel voor het parkeren van auto’s van derden niet in strijd is met het vigerende bestemmingsplan "Ekkersrijt".
Ingevolge artikel 4, onderdeel 4.1, sub s, van de planregels zijn de voor "Bedrijventerrein-1" aangewezen gronden tevens bestemd voor (on)gebouwde parkeervoorzieningen, al dan niet voor gezamenlijk gebruik. Daarbij is niet voorgeschreven dat de parkeervoorzieningen ondergeschikt moeten zijn aan de onder a van dit artikel genoemde bedrijfsactiviteiten. Ook anderszins is in de planregels niet gesteld dat een zelfstandig gebruik als parkeervoorziening niet is toegestaan.
Verzoekster deelt niet het oordeel van de rechtbank in de aangehaalde uitspraak van 4 augustus 2015 en heeft daartegen dan ook hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State(de Afdeling). Hangende het hoger beroep is aan de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij de behandeling van het verzoek op 17 september 2015 heeft de Voorzitter van de Afdeling aan partijen medegedeeld dat binnen zes weken na de zitting uitspraak wordt gedaan in de bodemprocedure. Pas na deze uitspraak staat onherroepelijk vast of verweerder bevoegd is handhavend op te treden. Vooralsnog gaat verzoekster er, gelet op het verhandelde ter zitting, van uit dat het hoger beroep gegrond wordt verklaard.

6. In aanvulling hierop heeft verzoekster nog gesteld dat het terrein wel mag worden gebruikt als parkeervoorziening voor een elders op Ekkersrijt (legaal) gevestigd bedrijf. Het parkeerbedrijf van verzoekster is legaal gevestigd op het perceel Ekkersrijt 2023. Ekkersrijt 3102 wordt gebruikt als parkeervoorziening bij het op Ekkersrijt 2023 legaal gevestigde parkeerbedrijf. Dit is in overeenstemming met de planregels.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat een parkeerbedrijf op het perceel Ekkersrijt 3102 te Son en Breugel, op grond van artikel 4, onderdeel 4.1, van de planregels niet is toegestaan, omdat het weliswaar een activiteit betreft die behoort tot milieucategorie 2, maar niet als zodanig is opgenomen in de bij het bestemmingsplan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten. Bovendien blijkt uit het gebruik van de term "voorzieningen" in artikel 4, onderdeel 4.1, sub s, van de planregels dat dit artikelonderdeel ziet op parkeeractiviteiten van ondergeschikte betekenis ten dienste van de toegestane hoofdactiviteit. Verweerder volgt hiermee de rechtbank in haar uitspraak van 4 augustus 2015.

Met betrekking tot het gebruik van de parkeervoorziening op het perceel Ekkersrijt 3102 ten behoeve van het op het perceel Ekkersrijt 2023 legaal gevestigde parkeerkeerbedrijf heeft verweerder opgemerkt dat dit niet in overeenstemming is met de planregels, omdat het parkeren niet plaatsvindt ten behoeve van een op grond van artikel 4, onderdeel 4.1, van de planregels toegestaan bedrijf. Het parkeerbedrijf op het perceel Ekkersrijt 2023 is door verweerder toegestaan op grond van het overgangsrecht.

8. De rechtbank heeft in deze uitspraak het volgende overwogen:

"Uit de systematiek van artikel 4, lid 4.1, van de planregels volgt naar het oordeel van de rechtbank dat ter plaatse alleen de hoofdbedrijfsactiviteiten zijn toegestaan die zijn vermeld in artikel 4, lid 4.1, onder sub a. t/m o. van de planregels. Hierin wordt onder sub a. verwezen naar bedrijven in met name genoemde milieu-categorieën in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Bij het bepaalde in sub b. t/m o. is sprake van specifiek genoemde bedrijfsactiviteiten. Alleen het bepaalde onder m. vormt hierop een uitzondering, nu daarin wordt aangegeven wanneer aan de bedrijfsactiviteit ondergeschikte detailhandel is toegestaan.

(…)

In het bepaalde onder sub q. tot en met v. is -gelet op de aard van de activiteiten- naar het oordeel van de rechtbank sprake van activiteiten die van ondergeschikte betekenis aan de hoofdbedrijfsactiviteit zijn. Vermeld worden onder meer opslag en uitstalling (q), (ontsluitings)wegen en paden (r), (on)gebouwde parkeervoorzieningen, al dan niet voor gezamenlijk gebruik (s). Uit het gebruik van de term “voorzieningen” volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het ziet op parkeeractiviteiten van ondergeschikte betekenis ten dienste (“voorzienend”) aan een hoofdactiviteit.
De aanduiding “al dan niet voor gezamenlijk gebruik” doet hier niet aan af. Dat onder het begrip “gezamenlijk gebruik” het (ondergeschikte mede-) gebruik van een parkeerterrein door meerdere, op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven dient te worden verstaan ligt, mede gelet op de plantoelichting, in de rede. Een andere uitleg zou tot gevolg hebben dat met de exploitatie van een parkeerbedrijf, zoals in casu, ter plaatse een bedrijf van categorie 2 zou worden toegestaan, hetgeen in strijd is met het bepaalde onder sub a. De rechtbank heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat ook bij andere bestemmingen in dit bestemmings-plan, zoals “Bos” (artikel 7) en “Detailhandel-Perifeer” (artikel 8) is aangeven dat de gronden onder andere zijn bestemd voor parkeervoorzieningen. Het ligt niet in de rede dat de planwetgever heeft beoogd om op deze gronden, gelet op de aard van de bestemmingen, de zelfstandige exploitatie van een parkeerbedrijf toe te staan. Dit duidt erop dat de planwet-gever ook bij de bestemming “Bedrijventerrein-1” parkeervoorzieningen in algemene zin heeft beoogd.
Mitsdien is de rechtbank van oordeel dat ter plaatse van de bestemming “Bedrijventerrein-1” de exploitatie door eiseres van een parkeerbedrijf niet valt onder de ingevolge het bestemmingsplan toegestane bedrijfsactiviteiten."

9. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding in deze zaak anders te oordelen. Hij neemt dan ook in deze zaak de hiervoor geciteerde overwegingen over en maakt deze tot de zijne.

De voorzieningenrechter volgt verweerder in diens opvatting dat het parkeren op het perceel Ekkersrijt 3102, ten behoeve van het op het perceel Ekkersrijt 2023 gevestigde parkeer-bedrijf, niet in overeenstemming is met de planregels. Dit parkeerbedrijf is geen op grond van artikel 4, onderdeel 4.1, sub a, 2, van de planregels toegestaan bedrijf. Uitgaande van de door de rechtbank in haar uitspraak van 4 augustus 2015 gegeven uitleg aan het begrip parkeervoorzieningen, zou alleen het parkeren ten behoeve van een expliciet - in a tot en met o van artikel 4, onderdeel 4.1 - toegestane hoofdactiviteit in overeenstemming met de planregels kunnen zijn.

10. De voorzieningenrechter volgt verzoekster dan ook niet in haar opvatting dat verweerder niet bevoegd was om een last onder dwangsom op te leggen.

11. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling zal een bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

12. In het kader van de mogelijke legalisatie heeft verzoekster aangevoerd dat, zelfs als de Afdeling, in navolging van de rechtbank, oordeelt dat ter plaatse van de bestemming "Bedrijventerrein-1" de exploitatie van een parkeerbedrijf niet valt onder de ingevolge het bestemmingsplan toegestane bedrijfsactiviteiten, er toch een aanzienlijke kans is dat het bestreden besluit niet in stand blijft.

Een relevant verschil met de uitspraak van de rechtbank is volgens verzoekster dat op het perceel Ekkersrijt 3102 de functieaanduiding "Bedrijf t/m categorie 3.2" van toepassing is.

Vanwege die aanduiding zijn op het perceel 3102 categorie 2 bedrijven toegestaan. Voor het perceel Ekkersrijt 3131 gold dat vanwege de functieaanduiding "Bedrijf t/m categorie 4.1" bedrijven zijn toegelaten die vallen onder categorie 3.1 en hoger.

Voorbeelden van categorie 2-bedrijven die zijn genoemd in de bij de planregels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten, en die daarmee rechtstreeks zijn toegelaten, zijn autohandels-bedrijven, taxibedrijven en personenautoverhuurbedrijven. Omdat een parkeerbedrijf naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is met (een of meer) van deze bedrijven heeft verzoekster aan verweerder verzocht een omgevingsvergunning te verlenen ingevolge artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 1 van de Wabo juncto artikel 4, lid 4.4 van de plan-regels. Deze activiteit zal dan ook kunnen worden gelegaliseerd.

13. Verweerder stelt dat op basis van artikel 4, onderdeel 4.4, van de planregels, de bevoegdheid bestaat om een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4, onderdeel 4.1, sub a, van de planregels.

Aangezien verweerder de vestiging, dan wel uitbreiding, van de bedrijfsactiviteiten van EazzyPark op het perceel niet wenselijk vindt, is verweerder niet bereid om hieraan medewerking te verlenen. Er bestaat alleen al hierom geen (concreet) zicht op legalisatie.

Volgens verweerder moeten de ruimtelijke ongewenstheid van een parkeerlocatie voor auto’s van derden op het perceel en het gevaar van precedentwerking zwaarder wegen dan het economisch belang van verzoekster bij exploitatie van een parkeerbedrijf.

14. Ingevolge artikel 4.4 van het bestemmingsplan kan het bevoegd gezag een omgevings-vergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in onderdeel 4.1, sub a, van de planregels en bedrijven toestaan die niet voorkomen in de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat deze bedrijven naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de toegelaten milieucategorieën.

15. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in beginsel het enkele feit dat het daartoe bevoegde bestuursorgaan niet bereid is gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen volstaat voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Een besluit tot weigering gebruik te maken van deze bevoegdheid is als zodanig in deze procedure niet aan de orde, zodat de rechterlijke toetsing ter zake zeer terughoudend is.

16. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het door verweerder in het besluit ingenomen standpunt, rechtens onhoudbaar is en de vereiste bestuurlijke medewerking in redelijkheid niet zal kunnen worden geweigerd. Van concreet zicht op legalisatie is dan ook geen sprake.

17. Bijzondere omstandigheden, op grond waarvan verweerder hand handhaving had moeten afzien, zijn niet aangevoerd.

18. Gelet op het voorafgaande ziet de voorzieningenrechter, bij afweging van de betrokken belangen, geen aanleiding voor toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening. Niet valt te verwachten dat het bestreden besluit in bezwaar geen stand zal kunnen houden. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.