Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:5851

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
13-10-2015
Zaaknummer
SHE 15/3081
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Artikel 13b Opiumwet. Sluiting woning. Softdrugs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/3081

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 oktober 2015 in de zaak tussen

[verzoekster] , te Oss, verzoekster

(gemachtigde: mr. G.A. Verstijnen)

en

de burgemeester van de gemeente Oss, verweerder

(gemachtigde: H.M.A. van der Linden).

Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoekster in haar hoedanigheid van huurster een last onder bestuursdwang opgelegd tot sluiting van [de woning] (hierna: de woning) voor een periode van drie maanden. De sluiting gaat in op 14 oktober 2015 om 11.00 uur en eindigt op 14 januari 2016.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende dat bezwaar een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat de werking van het bestreden besluit wordt geschorst zodat de woning niet zal worden gesloten.

De gronden van het verzoek dateren van 12 oktober 2015.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2015. Verzoekster en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Verzoekster is bewoonster van de woning die zij huurt van Brabant Wonen.

In een bestuurlijke rapportage van 10 juli 2015 van politie, Eenheid Oost-Brabant, district

’s-Hertogenbosch, Team Maasland, is onder meer het volgende vermeld. Op 23 juni 2015 is bij de wijkagenten via het team Criminele Inlichtingen de informatie binnengekomen dat er een grote hoeveelheid wiet in de woning aanwezig was. Naar aanleiding van deze informatie is nader onderzoek ingesteld en vervolgens direct actie ondernomen. Tijdens het onderzoek werd in de woning het volgende aangetroffen:

- een in werking zijnde hennepdrogerij met 54 droogrekken met hierop droge henneptoppen. Er bleek tevens sprake te zijn van diefstal van stroom;

- in het totaal bleek het te gaan om ruim 50 kilo geknipte henneptoppen.

Door medewerkers van Enexis die constateerden dat de stroom voor de hennepdrogerij buiten de meter om werd afgetapt, werd de situatie rondom de hennepdrogerij op de zolder van de woning als gevaarlijk omschreven. Er was een gedegen risico op zowel brand als elektrocutie.

De aangetroffen drogerij is vermoedelijk gedurende langere tijd in werking geweest. Dit in verband met het feit dat ter plaatse is geconstateerd dat er tevens “oude” henneptoppen aanwezig waren.

Bij brief van 16 juli 2015 heeft verweerder verzoekster op de hoogte gebracht van zijn voornemen de woning te sluiten voor een periode van drie maanden. Verzoekster heeft bij brief van 16 juli 2015, door verweerder ontvangen op 24 juli 2015, haar zienswijze gegeven.

2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het belang van verzoekster bij het treffen van een voorziening dient in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure te worden afgewogen tegen het belang van verweerder. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank op geen enkele wijze in een eventuele bodemprocedure.

Gelet op het feit dat verweerder de woning met ingang van 14 oktober 2015 wil sluiten, heeft verzoekster voldoende spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.

3. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

4. Gelet op de tekst van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, beschikt verweerder bij de uitoefening van de daarin neergelegde bevoegdheid over beleidsvrijheid. Daaruit vloeit voort dat de rechter de invulling van die bevoegdheid door verweerder met enige terughoudendheid moet toetsen. Daarbij is de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b van de Opiumwet van belang (vergelijk de uitspraak van 5 november 2014 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), ECLI:NL:RVS:2014:3941).

5. Ter uitvoering van de in artikel 13b van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid heeft verweerder het Beleid Inzake Bestuurlijke Handhaving van artikel 13b Opiumwet, politie Bassisteam Maasland, gemeente Oss van 19 januari 2015 (hierna: het Beleid) vastgesteld. Volgens deze beleidsregel wordt onder drugshandel verstaan: de verkoop, aflevering of verstrekking dan wel daartoe aanwezigheid van drugs in een pand en de daarbij behorende erven. In het Beleid is verder opgenomen dat indien in woningen of bij woningen behorende erven drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst II (softdrugs) met een handelsvoorraad van meer dan 30 gram, de overtreder een op schrift gestelde bestuurlijke waarschuwing ontvangt. Die waarschuwing geldt voor een termijn van twee jaar. In het Beleid is verder opgenomen dat indien in woningen of bij woningen bijbehorende erven grootschalige drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst II (softdrugs) met een hoeveelheid van meer dan 1000 planten en/of 5000 gram er bij een eerste constatering een sluiting plaatsvindt van drie maanden.

6. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat hij gelet op de zeer grote hoeveelheid softdrugs die in de woning is aangetroffen en de stroom die buiten de meter om werd afgetapt, waardoor sprake is van een gedegen risico op brand en elektrocutie, op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd is tot sluiting van de woning over te gaan. In het Beleid is opgenomen dat verweerder in situaties als de onderhavige de woning voor drie maanden sluit. Door de aanwezigheid van een grote hoeveelheid drugs wordt de openbare orde ernstig verstoord. De rust in de woonomgeving moet worden hersteld. Dit wil verweerder bereiken door de woning tijdelijk te sluiten.

7. Verzoekster heeft – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. Het bestreden besluit is in strijd met het Beleid. Daarin staat dat indien sprake is van softdrugs in een woning waarbij sprake is van meer dan 30 gram, de overtreder een op schrift gestelde waarschuwing krijgt. Het argument van verweerder om niet af te wijken van het Beleid omdat sprake was van het afnemen van stroom buiten de meter om is geen valide argument. Er is geen sprake van drugshandel, en al helemaal niet van grootschalige drugshandel. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekster nog nader toegelicht dat uit de bestuurlijke rapportage op geen enkele wijze blijkt dat sprake was van drughandel. Er zijn alleen henneptoppen aangetroffen. Deze zijn niet klaar om te worden verhandeld, want ze dienen eerst nog te worden bewerkt. Verzoekster verstaat onder grootschalige drugshandel, een groot netwerk van betrokken personen. Verder is het besluit in strijd met het motiverings- en evenredigheidsbeginsel. Verzoekster heeft gesteld tijdens de sluiting nergens terecht te kunnen. Het is aan verweerder om te onderzoeken of de maatregel passend is. Dat heeft verweerder nagelaten door ervan uit te gaan dat verzoekster een andere woning kan vinden. Het besluit is tevens in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Verder heeft verzoekster aangevoerd dat zij onschuldig is en dat verweerder haar geen kans geeft zich strafrechtelijk te verzetten voordat verweerder tot sluiting overgaat. Verzoekster wordt gestraft voor iets waar zij niet verantwoordelijk voor is.

8. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat op 23 juni 2015 een hoeveelheid van 50 kilo geknipte henneptoppen is aangetroffen in de woning. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 6 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2616, r.o. 4.1) kan worden afgeleid dat voor het ontstaan van de bevoegdheid om op grond artikel 13b van de Opiumwet bestuursdwang toe te passen niet is vereist dat daadwerkelijk softdrugs zijn verhandeld, maar uit het woord “daartoe” in deze bepaling volgt dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking de bevoegdheid verschaft tot sluiting van de woning. Dit betekent dat het artikellid ook van toepassing is als in een pand drugs aanwezig zijn die elders zijn of zullen worden verkocht, maar in of vanuit het pand zullen worden afgeleverd of verstrekt. Gelet op de tekst van artikel 13b van de Opiumwet is voor het ontstaan van de in deze bepaling neergelegde bevoegdheid niet noodzakelijk dat verweerder aannemelijk maakt dat de woning bekend staat als drugspand of dat er aan drugshandel gerelateerde overlast heeft plaatsgevonden. Gelet op de grote hoeveelheid henneptoppen (zijnde een middel als bedoeld in lijst II van de Opiumwet) die is aangetroffen, heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk gemaakt dat het een handelshoeveelheid softdrugs, bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking, betrof. Verweerder was dan ook bevoegd om bestuursdwang toe te passen.

9. Gelet op het zeer ingrijpende karakter van een woningsluiting voor bewoners, is bij de invulling die verweerder in geval van een woning geeft aan zijn bevoegdheid ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, van groot belang dat uitgangspunt moet zijn: een waarschuwing of een soortgelijke maatregel (vergelijk de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 5 november 2014). In de Kamerstukken II 2005/06, 30 515, nr. 3, blz. 8, en Kamerstukken II 2006/07, 30 515, nr. 6, blz. 1 en 2, is in algemene zin vermeld dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Van dit uitgangspunt mag in ernstige gevallen worden afgeweken.

10. Gelet op het onderscheid dat verweerder in het Beleid maakt ten aanzien van drugshandel en grootschalige drugshandel is de voorzieningenrechter van oordeel dat met het Beleid voldoende inhoud kan worden gegeven aan het uitgangspunt van de wetgever dat bij een overtreding zorgvuldig dient te worden bezien of in plaats van sluiting van een woning kan worden volstaan met een waarschuwing of een daaraan soortgelijke maatregel.

11. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een zeer grote hoeveelheid softdrugs, zelfs tien keer de hoeveelheid die in het Beleid wordt aangemerkt als grootschalig. Volgens verweerder is de straatwaarde van de aangetroffen drugs meer dan

€ 200.000,-. Verder was sprake van een professionele drogerij en van diefstal van stroom en leverde de wijze waarop de drogerij van stroom werd voorzien een gevaar op voor bewoners en de directe omgeving. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de sluiting voor drie maanden overeenkomstig het Beleid en heeft verweerder zich gelet op voormelde feiten en omstandigheden ook op het standpunt mogen stellen dat een sluiting voor drie maanden gerechtvaardigd is. Verweerder heeft in de enkele stelling van verzoekster dat zij tijdens de sluiting nergens terecht kan, geen aanleiding hoeven zien om af te wijken van het door hem gevoerde beleid. Dat verzoekster door de sluiting zal moeten verhuizen is in beginsel in het beleid verdisconteerd en verzoekster heeft geen bijzondere feiten of omstandigheden gesteld waarom dat in haar geval anders zou zijn. Verweerder heeft verzoekster bovendien een termijn gegeven van acht weken om vervangende woonruimte te vinden. Dat verzoekster niet bij de hennepdrogerij zou zijn betrokken of er niets vanaf wist, kan aan het voorgaande niet afdoen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraken van 21 maart 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV9512) en 5 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013: CA2043), doet de gestelde onwetendheid van de aanwezigheid van drugs in de woning niet af aan de bevoegdheid van verweerder om tot sluiting van de woning over te gaan. De sluiting heeft anders dan verzoekster stelt geen bestraffend karakter. Uit de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling kan worden afgeleid dat een op artikel 13b van de Opiumwet gebaseerd sluitingsbevel strekt tot uitoefening van bestuursdwang in de zin van artikel 5:21 van de Awb, waarmee wordt opgetreden tegen schending van verboden, neergelegd in de Opiumwet. In overeenstemming met laatstgenoemde bepaling mag de toepassing van bestuursdwang slechts strekken tot beëindiging en voorkoming van overtredingen van de Opiumwet, zoals geconstateerd door verweerder. Indien toepassing van deze bevoegdheid in een concreet geval verder zou strekken, zou de sanctie niet meer uitsluitend het karakter van een herstelsanctie, maar ook een leedtoevoegend karakter hebben en daarom als een bestraffende sanctie moeten worden beschouwd. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoekster in dat verband heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat een dergelijke situatie zich hier voordoet.

12. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Brink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.G.M. Kosman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.