Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:5824

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
02-11-2015
Zaaknummer
4145282
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een aspirant-student vordert terugbetaling van de door hem aan een onderwijsinstelling betaalde bijdrage voor een auditie vanwege strijd met artikel 7.50 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). In dit artikel is bepaald dat de inschrijving voor een opleiding niet afhankelijk wordt gesteld van een andere geldelijke bijdrage dan de in de artikelen 7.43 tot en met 7.49 bedoelde bedragen. De kantonrechter stelt vast dat de onderwijsinstelling gehouden is om vooraf te beoordelen of aspirant-studenten aan de (aanvullende) eisen voor de opleiding voldoen. Indien eenmaal is vastgesteld dat de student aan de eisen voor de opleiding voldoet, kan hij er zelf voor kiezen om zich wel of niet in te schrijven. Pas op dat moment is de fase van inschrijving aan de orde. De aspirant student kan de bijdrage voor de auditie niet als onverschuldigd betaald terugvorderen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer : 4145282

Rolnummer : 15-5445

Uitspraak : 29 oktober 2015

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

gemachtigde: de vereniging Landelijke Studenten Vakbond te Utrecht,

t e g e n

de stichting Stichting Fontys,

statutair gevestigd te Eindhoven,

gedaagde,

gemachtigde: mr. W. ter Horst van Delden.

Partijen zullen hierna “ [eiser] ” en “Fontys” worden genoemd.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1.

Dit blijkt uit het volgende:

a. het tussenvonnis van 6 augustus 2015, waarbij een comparitie van partijen is gelast, en de daarin genoemde processtukken;

b. de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen d.d. 29 september 2015, ten behoeve waarvan de gemachtigde van Fontys een pleitnota heeft overgelegd.

1.2.

Tot slot is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft op 28 februari 2015 deelgenomen aan de auditie voor de opleiding B Dans – Theaterdans uitvoerend. [eiser] heeft daartoe € 75,- aan Fontys betaald.

2.2.

[eiser] kreeg halverwege de eerste auditiedag mondeling te horen dat hij niet zou worden toegelaten tot de opleiding.

2.3.

Op 4 maart 2015 heeft [eiser] per brief aanspraak gemaakt op terugbetaling van het door hem betaalde bedrag ad € 75,-. Fontys is niet tot terugbetaling van voornoemd bedrag overgegaan.

2.4.

Artikel 7.26a Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW) luidt als volgt:

“1. Bij ministeriële regeling kunnen opleidingen op het gebied van de kunst en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst worden aangewezen die in verband met de organisatie en inrichting van het onderwijs dan wel de kennis of vaardigheden van de aanstaande studenten en extraneï specifieke eisen kunnen stellen in aanvulling op de eisen, bedoeld in artikel 7.24. Voor de inschrijving voor deze opleidingen geldt als eis het bezit van een bewijs van toelating als bedoeld in het vierde lid.

2. Met betrekking tot de opleidingen waarop het eerste lid van toepassing is, stelt het instellingsbestuur ter uitwerking van de in het eerste lid bedoelde specifieke eisen voor een opleiding criteria vast betreffende selectie en toelating van studenten en extraneï. De selectiecriteria kunnen uitsluitend eisen bevatten die direct verband houden met de gronden, bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid. (…)”

2.5.

Artikel 7.50 WHW luidt als volgt:

“1. De inschrijving wordt niet afhankelijk gesteld van een andere geldelijke bijdrage dan de in de artikelen 7.43 tot en met 7.49 bedoelde bedragen.

2. In afwijking van het eerste lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat het instellingsbestuur met het oog op de inschrijving voor een opleiding als bedoeld in de artikelen 6.7, 7.26, eerste lid, 7.26a, eerste lid, 7.53 en 7.56 een bijdrage mag verlangen in de kosten die rechtstreeks verband houden met het onderwijs. De algemene maatregel van bestuur kan bepalen op welke kostensoorten een dergelijke bijdrage betrekking kan hebben en welk bedrag ten hoogste gevorderd kan worden.

3. Het instellingsbestuur treft voorzieningen tot financiële ondersteuning van degenen voor wie de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, een onoverkomelijke belemmering voor de inschrijving vormt. Het instellingsbestuur stelt nadere regels vast met betrekking tot de toepassing van het tweede lid en met betrekking tot de financiële ondersteuning, bedoeld in de eerste volzin.”

2.6.

In de Regeling aanmelding en toelating hoger onderwijs is in Bijlage D de opleiding

B Dans opgenomen als opleiding op het gebied van de kunst waarvoor aanvullende eisen gelden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert veroordeling van Fontys tot betaling van € 115,-, te vermeerderen met rente en kosten als vermeld in de dagvaarding.

3.2.

[eiser] legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

Fontys heeft aan [eiser] kosten in rekening gebracht voor het verzorgen van een dansauditie waarmee [eiser] eventueel toegelaten kon worden tot de opleiding. Wanneer [eiser] deze kosten niet aan Fontys had voldaan, zou hij niet mee mogen doen met de auditie. Doordat [eiser] niet mee zou mogen doen aan de auditie zou hij geen kans maken om ingeschreven te worden voor de opleiding. Fontys heeft in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 7.50 WHW. Nu [eiser] toch kosten voor de auditie heeft betaald, is de rechtshandeling vernietigbaar op grond van artikel 3:40 lid 2 BW. [eiser] heeft de rechtsgrond tot betaling vernietigd en vordert het onverschuldigd betaalde bedrag ad € 75,- terug. Tevens vordert hij € 40,- aan buitengerechtelijke incassokosten.

3.3.

Fontys voert, zakelijk weergegeven, het volgende verweer.

Fontys is op grond van artikel 7:26a WHW en de Regeling aanmelding en toelating hoger onderwijs gehouden om vooraf te beoordelen of aspirant-studenten voldoen aan de aanvullende eisen die voor opleidingen op het gebied van de kunst worden gesteld. Op basis van de audities vindt vervolgens de selectie plaats. Aan deze audities zijn voor de instelling extra kosten verbonden. Artikel 7.50 WHW ziet op de fase vanaf de inschrijving, de student is dan al binnen de poort (gelaten). Een aspirant-student die auditie doet is geen student. [eiser] heeft ten onrechte vernietiging van de rechtshandeling ingeroepen, hij is de door hem betaalde bijdrage van € 75,- aan Fontys verschuldigd.

3.4.

Op hetgeen partijen verder hebben aangevoerd zal, voor zover van belang, onder de beoordeling worden teruggekomen.

4 De beoordeling

4.1.

In artikel 7.50 WHW is bepaald dat de inschrijving niet afhankelijk wordt gesteld van een andere geldelijke bijdrage dan de in de artikelen 7.43 tot en met 7.49 bedoelde bedragen. In afwijking daarvan kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat voor bepaalde opleidingen een bijdrage verlangd mag worden in de kosten die rechtstreeks verband houden met het onderwijs. Het instellingsbestuur treft voorzieningen tot financiële ondersteuning van degenen voor wie deze bijdrage een onoverkomelijke belemmering voor de inschrijving vormt.

4.2.

Met Fontys kan worden vastgesteld dat fase van inschrijving (nog) niet aan de orde is. De auditie is enkel bedoeld om vast te kunnen stellen of de aspirant-student voldoet aan de selectiecriteria voor de opleiding. Met Fontys kan eveneens worden vastgesteld dat zij op grond van artikel 7.26a WHW en Bijlage D van de Regeling aanmelding en toelating hoger onderwijs gehouden is om vooraf te beoordelen of aspirant-studenten aan de (aanvullende) eisen voor de opleiding voldoen. Indien eenmaal is vastgesteld dat de student aan de eisen voor de opleiding voldoet, kan hij er zelf voor kiezen om zich wel of niet in te schrijven. Pas op dat moment is de fase van inschrijving aan de orde.

4.3.

Nu artikel 7.50 WHW niet van toepassing is in de onderhavige situatie, kan de tussen [eiser] en Fontys gesloten overeenkomst, op grond waarvan [eiser] aan Fontys een bedrag van € 75,- heeft betaald, niet worden vernietigd op basis van artikel 3:40 lid 2 BW. Het dient er daarom voor gehouden te worden dat [eiser] voormeld bedrag niet onverschuldigd aan Fontys heeft betaald, zodat hij het ook niet van Fontys terug kan vorderen. De vordering dient daarom te worden afgewezen, hetgeen eveneens geldt voor de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten.

4.4.

[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Fontys tot heden begroot op € 60,- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast).

Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. Callemeijn, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2015.