Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:5823

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
14-10-2015
Zaaknummer
01/865151-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor wederspannigheid door twee of meer verenigde personen terwijl het door hem gepleegde misdrijf zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, in eendaadse samenloop gepleegd met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank bepaalt dat verdachte het slachtoffer een schadevergoeding moet betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865151-14

Datum uitspraak: 14 oktober 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1992] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 september 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 september 2015.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 december 2014 te Eindhoven toen de aldaar dienstdoende [slachtoffer] (brigadier bij de regiopolitie Oost-Brabant) [medeverdachte] op verdenking van het overtreden van artikel 179 Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen, althans vast had teneinde die [medeverdachte] ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en die [medeverdachte] daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten een politiebureau te Eindhoven, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig

- - te rukken en/of te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die [slachtoffer] [medeverdachte] trachtte te geleiden en/of

-meermalen, althans eenmaal (met een dreigende houding) op die [slachtoffer] af te lopen, terwijl deze had gevorderd afstand te houden en/of

-(met kracht) die [slachtoffer] vast te pakken en/of vast te houden en/of te duwen en/of

-die [slachtoffer] (met kracht en/of gebalde vuist) in zijn gezicht te slaan,

terwijl dit misdrijf en/of daarmede gepaard gaande feitelijkheden, zwaar lichamelijk letsel (een gebroken jukbeen en/of een afgescheurde zenuw in het gezicht), althans enig lichamelijk letsel bij die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad en dit feit door twee of meer personen met verenigde krachten werd gepleegd;

en/of

hij op of omstreeks 14 december 2014 te Eindhoven, openlijk, te weten op of aan een openbare weg en/of voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging, geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [slachtoffer] (brigadier van politie), welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal

- (met kracht en/of gebalde vuist) slaan in het gezicht van die [slachtoffer] en/of

- (met kracht) vastpakken en/of vasthouden en/of duwen van die [slachtoffer] ,

terwijl het door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel,te weten een gebroken jukbeen en/of een afgescheurde zenuw in het gezicht, althans enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van de aan verdachte ten laste gelegde wederspannigheid, door twee personen met verenigde krachten gepleegd, terwijl het door hem gepleegde misdrijf zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank. 1

De rechtbank baseert haar oordeel over de feitelijke gang van zaken op de navolgende bewijsmiddelen.

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 14 december 2014 gekleed in politie-uniform werkzaam was in de rang van brigadier bij de regiopolitie Oost-Brabant op de Rechtestraat in Eindhoven. Op een gegeven moment zag hij een jongen met een zwarte jas tegen een fiets trappen waarop de aangever besloot om deze jongen staande te houden en hem proces-verbaal te geven wegens baldadigheid. Toen aangever deze jongen naar zijn identiteitspapieren vroeg zag hij dat er een andere jongen in een blauwe jas bij kwam staan. Nadat aangever de jongen in de zwarte jas had meegedeeld dat hij proces-verbaal kreeg, voelde aangever dat de spanning opliep. Toen de twee personen dreigender tegen hem gingen praten, zei aangever tegen hen dat ze daar mee op moesten houden, omdat hij anders pepperspray zou gaan gebruiken. Op het moment dat aangever zijn notitieboekje had gepakt en wilde gaan schrijven zag hij dat de persoon in de zwarte jas naar zijn identiteitspapieren en het notitieboekje greep. Aangever riep hierop tegen de jongen in de zwarte jas dat hij was aangehouden wegens het belemmeren van een ambtshandeling. Aangever heeft de jongen in de zwarte jas vervolgens vastgepakt en zag en voelde dat deze zich losrukte. Vervolgens zag aangever dat de jongen in de blauwe jas op hem af kwam lopen. Aangever heeft deze jongen gecommandeerd dat hij afstand moest houden, omdat hij anders pepperspray zou gebruiken. Aangever zag dat de jongen in de blauwe jas toch dichterbij kwam waarop hij hem heeft gepepperd. Aangever heeft de jongen met de zwarte jas vervolgens bij zijn mouw vastgepakt. Aangever zag toen dat de jongen in de blauwe jas op hem kwam aflopen en heeft hem gewaarschuwd dat hij moest blijven staan en dat hij was aangehouden. Aangever zag dat de jongen toch op hem in kwam lopen. Ondertussen probeerde de jongen in de zwarte jas zich los te trekken en moest aangever zich op hem concentreren. Vervolgens voelde aangever dat hij met veel kracht in zijn gezicht werd geslagen. Op het moment dat aangever de klap kreeg stonden de jongen in de zwarte jas en de jongen in de blauwe jas in zijn buurt. Nadat aangever de klap had gekregen voelde hij dat de man in de zwarte jas zich losrukte en zag hij een groep van vijf personen bij hem vandaan rennen.2

[getuige 1] bevond zich op 14 december 2014 op de Rechtestraat te Eindhoven. Hij zag dat een man met een blauwe jas voluit en met veel kracht met de vuist op het gezicht van de agent sloeg.3

[getuige 2] heeft verklaard dat hij zag dat [medeverdachte] “zuigend gedrag” ten opzichte van de motoragent vertoonde en dat [verdachte] en [medeverdachte] bij de motoragent bleven. Vervolgens zag hij dat [medeverdachte] zijn arm om de motoragent sloeg. Hij hoorde [verdachte] riep: “blijf van mijn broertje af”. hij zag vervolgens dat [verdachte] een slag uitdeelde in de richting van de motoragent. De slaande beweging die [verdachte] maakte was volgens getuige raak. Volgens getuige raakte hij de agent op of rond zijn neus.4

[getuige 3] heeft verklaard dat hij op 14 december 2014 hoorde dat er herhaaldelijk werd geroepen: “laat mijn broertje met rust”. Hierop keek hij uit het raam en zag een politieman kennelijk iemand aangehouden had, maar dat de verdachte niet meewerkte. Getuige zag dat de jongen die eerder had geroepen dat zijn broertje losgelaten moest worden een harde klap op het gezicht van de politieman gaf.5

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op 14 december 2014 op straat in Eindhoven zag dat zijn broer [medeverdachte] werd aangehouden door verbalisant [slachtoffer] nadat hij tegen een fiets had getrapt. Hij is hierop naar de verbalisant toegelopen en is bij zijn broer gaan staan. Verdachte droeg die avond een blauwe jas en zijn broer [medeverdachte] een zwarte jas. Het zou best kunnen dat verdachte heeft gezegd: “blijf van mijn broertje af” of soortgelijke bewoordingen.6

Door de klap heeft aangever een breuk in het jukbeen onder zijn linkeroog opgelopen. Ook is er een zenuw van dit jukbeen afgescheurd.7

Op 16 december [2014] is aangever onder volledige narcose geopereerd. Op zijn jukbeen is een metalen plaatje geplaatst. Het herstel van de zenuw gaat traag en de arts kan geen garantie geven dat deze nog volledig gaat herstellen. Verdachte heeft als gevolg van het incident drie weken niet kunnen werken. Tot op heden heeft verbalisant last van zijn oog. Hij merkt bij koud weer dat het ooglid niet goed sluit.8

Naar oordeel van de rechtbank kan het letsel dat aangever is toegebracht worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel.

Het door de verdediging gevoerde vrijspraakverweer wordt door de hiervoor uitgewerkte bewijsmiddelen reeds weerlegd en behoeft derhalve geen aparte bespreking.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

op 14 december 2014 te Eindhoven toen de aldaar dienstdoende [slachtoffer] (brigadier bij de regiopolitie Oost-Brabant) [medeverdachte] op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen, teneinde die [medeverdachte] ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en die [medeverdachte] daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten een politiebureau te Eindhoven, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig

- te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die [slachtoffer] verdachte trachtte te geleiden en

-op die [slachtoffer] af te lopen, terwijl deze had gevorderd afstand te houden en

-die [slachtoffer] vast te pakken en

-die [slachtoffer] met kracht in zijn gezicht te slaan,

terwijl dit misdrijf, zwaar lichamelijk letsel (een gebroken jukbeen en een afgescheurde zenuw in het gezicht), bij die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad en dit feit door twee personen met verenigde krachten werd gepleegd;

en

op 14 december 2014 te Eindhoven, openlijk, te weten op een openbare weg, in vereniging, geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [slachtoffer] (brigadier van politie), welk geweld bestond uit het

- met kracht slaan in het gezicht van die [slachtoffer] en

- vastpakken van die [slachtoffer] ,

terwijl het door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken jukbeen en een afgescheurde zenuw in het gezicht, voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht om bij een eventueel aan verdachte op te leggen straf rekening te houden met de omstandigheid dat de verbalisant onrechtmatig pepperspray tegen hem heeft gebruikt, omdat verbalisant heeft gehandeld in strijd met de voorschriften omtrent het vooraf waarschuwen en de minimum in acht te nemen afstand zoals opgenomen in de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft – kort gezegd – samen met een ander geweld tegen een politieambtenaar gebuikt. Verdachte heeft getracht de aanhouding van zijn broer, medeverdachte, te dwarsbomen. Verdachte heeft hierbij zelfs ernstig letsel veroorzaakt bij de politieambtenaar door hem met kracht in zijn gezicht te slaan. Verdachte heeft door zo te handelen de politieambtenaar gehinderd in de rechtmatige uitoefening van zijn functie. Politieambtenaren dienen in de rechtmatige uitoefening van hun functie echter niet gehinderd te worden, maar verdienen respect en medewerking van een ieder. Zij zijn immers werkzaam ter behartiging van het algemeen belang. Dit soort gedragingen tegen politieambtenaren hebben bovendien een gezagsondermijnend effect. Een en ander heeft voorts plaatsgevonden na het uitgaan en op of aan de openbare weg, alwaar diverse mensen ongewild getuige zijn geweest van het tegen de politieambtenaar gepleegde geweld. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank acht voorts, anders dan de verdediging, niet aannemelijk geworden dat de verbalisant bij het gebruik van pepperspray onrechtmatig heeft gehandeld zoals door de verdediging gesteld. Uit het proces-verbaal van aangifte van de verbalisant blijkt dat de verbalisant bij het gebruik van pepperspray de minimale in acht te nemen afstand van één meter in acht heeft genomen. Concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de verklaring van de verbalisant op dit punt zijn door de verdediging niet aangedragen. Aldus gaat de rechtbank uit van de juistheid van de verklaring van de verbalisant ter zake. De rechtbank acht evenmin concrete aanknopingspunten voor twijfel aanwezig voor de verklaring van de verbalisant dat hij voorafgaand aan het gebruik van de pepperspray, tot tweemaal toe, heeft gewaarschuwd. Dat andere personen, waaronder verdachte en zijn medeverdachte, niets verklaren over het geven van een waarschuwing door de verbalisant is daarvoor onvoldoende. Er was immers sprake van een chaotische situatie, waarin er door diverse personen dingen werden gezegd. Voor wat betreft verdachte en zijn medeverdachte geldt voorts dat hun herinnering ook op andere punten tekortschiet, terwijl zij er voorts belang bij kunnen hebben om de verbalisant in een minder gunstig daglicht te plaatsen. Aan de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte op dit punt hecht de rechtbank dan ook weinig of geen waarde. Voor wat betreft de overige getuigen geldt voorts dat zij zich op enige afstand van het gebeuren bevonden. Onder deze omstandigheden is het goed verklaarbaar dat door anderen dan verbalisant niet wordt gerept van de gegeven waarschuwingen. De rechtbank gaat er aldus vanuit dat verbalisant voor het gebruik van pepperspray daarvoor heeft gewaarschuwd. De rechtbank gaat er daarbij ook van uit dat deze waarschuwingen, gegeven door een verbalisant met ruime ervaring, op niet mis te verstane wijze zijn gegeven.

Voor het matigen van de straf op de door de verdediging bepleite grond bestaat dan ook geen aanleiding.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder een transactie in verband met een geweldsmisdrijf opgelegd heeft gekregen.

De rechtbank weegt voorts, in het voordeel van verdachte, mee dat uit een omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebracht rapport door psycholoog [naam psycholoog 1] van 5 maart 2015 blijkt, dat de door hem gepleegde strafbare feiten in verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend, aangezien er bij verdachte sprake is van een stoornis in het autisme spectrum. Dat in het kader van een nadien door verdachte gevolgde behandeling geen bevestiging is gevonden voor de diagnose van een stoornis in het autisme spectrum, maakt niet dat de rechtbank bij haar oordeel over de toerekeningsvatbaarheid niet uitgaat van de conclusies uit voornoemd rapport van [naam psycholoog 2] . De reden hiervoor is dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat in het kader van die behandeling opnieuw onderzoek is gedaan naar de geestvermogens van verdachte.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten ter zake van openlijk geweld. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf van na te melden duur. Doorslaggevend bij de beslissing van de rechtbank om mede een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen is geweest de aard en ernst van het aan de politieambtenaar door verdachte toegebrachte letsel.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf (voor een gedeelte) voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen tot een bedrag van € 3.290,95 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft verzocht om de gevorderde materiële schade ter hoogte van

€ 113,95 hoofdelijk toe te wijzen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Beoordeling. De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering, te weten: materiële schadevergoeding: telefoonkosten € 11,35 en transportkosten € 102,60, voor een totaalbedrag van € 113,95, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, te weten 14 december 2014, tot aan de dag der algehele voldoening. Deze schadeposten zijn niet door verdachte betwist en genoegzaam onderbouwd.

De rechtbank acht voorts naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid toewijsbaar, als rechtstreeks door de bewezen verklaarde feiten toegebrachte immateriële schade, een bedrag van € 1.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, te weten 14 december 2014, tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank heeft daarbij gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt opgelegd. De rechtbank acht de door de benadeelde partij in de onderbouwing van zijn vordering genoemde zaak welke heeft geleid tot het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 december 1998 onvoldoende vergelijkbaar met de onderhavige zaak. In de door de rechtbank Amsterdam berechte zaak was naar het oordeel van de rechtbank immers sprake van wezenlijk ernstiger (blijvend) letsel dan in de onderhavige zaak, met name van ontsierende littekens in het gezicht en de vervanging van een tand door een kroon.

De rechtbank zal het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, te weten 14 december 2014, tot de dag der algehele voldoening.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f, 55, 141, 180 en 182 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

wederspannigheid, door twee of meer personen met verenigde krachten gepleegd, terwijl het door hem gepleegde misdrijf zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gepleegd in eendaadse samenloop met: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

Gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Maatregel van schadevergoeding van € 1.613,95 subsidiair 26 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van € 1.613,95, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van

€ 1500,- aan immateriële schade en een bedrag van € 113,95 aan materiële schade (post transport en telefoonkosten).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, te weten 14 december 2014, tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van € 1.613,95, te weten € 1.500,- aan immateriële schade en een bedrag van € 113,95 aan materiële schade (post transport en telefoonkosten).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, te weten 14 december 2014, tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. T. van de Woestijne, voorzitter,

mr. C.A. Mandemakers en mr. M.J. Smit, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,

en is uitgesproken op 14 oktober 2015.

Mr. Smit is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, BZO gezamenlijke recherche genummerd PL2100-2014190810.

2 Verklaring van [slachtoffer] d.d. 15 december 2014, proces-verbaal pag. 92-95.

3 Verklaring van [getuige 1] d.d. 16 december 2014, proces-verbaal pag. 118-119.

4 Verklaring van [getuige 2] d.d. 15 december 2014, proces-verbaal pag. 127-128.

5 Verklaring van [getuige 3] d.d. 29 december 2014, proces-verbaal pag. 188-189.

6 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 30 september 2015.

7 Verklaring van [slachtoffer] d.d. 15 december 2014, proces-verbaal pag. 95.

8 Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces, alsmede de daarop door de benadeelde gegeven toelichting ter terechtzitting d.d. 30 september 2015.