Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:5794

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
09-10-2015
Zaaknummer
01/850026-11 Hoofdzaak
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de woning van verdachte, waar hij niet verbleef, is een hennepkwekerij aangetroffen. Verdachte is weliswaar eigenaar van de woning, maar in onvoldoende mate is komen vast te staan dat en zo ja in welke mate verdachte daarbij betrokkenheid heeft gehad. Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/850026-11

Datum uitspraak: 09 oktober 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1982,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 februari 2015 en 25 september 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 januari 2015.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 februari 2011 tot en met 17 maart 2011 te Uden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 497 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

(artikel 3 B/C Opiumwet)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 01 februari 2011 tot en met 17 maart 2011 te Uden met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad in een pand aan [adres] (een) hoeveelheid/hoeveelheden van ongeveer 497 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot

en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 01 februari 2011 tot en met 17 maart 2011 te Uden, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen (een) (gedeelte van) voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;

(artikel 3 B/C Opiumwet jo artikel 48 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 01 februari 2011 tot en met 17 maart 2011 te Uden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 497 hennep- planten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

(artikel 3 B/C Opiumwet)

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 februari 2011 tot en met 17 maart 2011 te Uden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid electriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

(artikel 310 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en)in of omstreeks de periode van 01 februari 2011 tot en met 17 maart 2011 te Uden, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen een hoeveelheid electriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan die een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) en/of aan verdachte, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 01 februari 2011 tot en met 17 maart 2011 te Uden, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen (een) (gedeelte van) voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;

(artikel 310 jo 48 Wetboek van Strafrecht)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De raadsman heeft bij pleidooi zijn preliminair gevoerd verweer integraal herhaald.

Dit preliminair verweer, kort gezegd inhoudende dat het openbaar ministerie in de vervolging niet ontvankelijk dient te worden verklaard wegens grove schending van de redelijke termijn in combinatie met de in de pleitnota genoemde bijzondere omstandigheden, heeft de rechtbank verworpen op gronden zoals vermeld in het proces-verbaal ter terechtzitting.

De rechtbank verwerpt het bij pleidooi gevoerde verweer op dezelfde gronden als waarop het preliminaire verweer is verworpen, nu aan het bij pleidooi gevoerde verweer geen nieuwe feiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd die maken dat de rechtbank tot een andere of aanvullend gemotiveerde beslissing daarop komt. De rechtbank acht het openbaar ministerie – nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die daaraan in de weg staan – ontvankelijk in de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

Bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging.

Vrijspraak wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Vrijspraak.

Ten aanzien van de ten laste gelegde feiten 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair,

2 primair en 2 subsidiair is de rechtbank van oordeel dat het dossier en het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende bewijsmiddelen hebben bijgebracht op grond waarvan de conclusie getrokken kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deze strafbare feiten, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Verdachte is weliswaar eigenaar van de woning waarin een hennepkwekerij aanwezig was, maar in onvoldoende mate is komen vast te staan dat en zo ja in welke mate verdachte daarbij betrokkenheid heeft gehad.

In dat verband merkt de rechtbank op dat de verdachte heeft verklaard dat hij zijn woning aan een persoon met de naam [naam huurder] heeft verhuurd en dat hij bij de politie, naast een signalement, ook een telefoonnummer van deze [naam huurder] heeft verstrekt. De politie heeft naar dit telefoonnummer geen enkel onderzoek verricht, zodat niet op basis van objectieve gegevens de aannemelijkheid van verdachtes verklaring kan worden onderzocht. De enkele omstandigheid dat de verdachte bij zijn verhoor door de politie niet op alle onderdelen telkens geheel consistent verklaart, is naar het oordeel van de rechtbank in deze specifieke zaak onvoldoende om zijn verklaring over de betrokkenheid van die [naam huurder] onaannemelijk te doen zijn. Bij die stand van zaken moet de vraag of verdachte, enkel vanwege zijn hoedanigheid als eigenaar van de woning waarin de hennepkwekerij is aangetroffen, daarvoor geheel of ten dele verantwoordelijk is, ontkennend worden beantwoord. Zo dat al anders zou mogen zijn, dan nog kan de rechtbank niet vaststellen of de rol van de verdachte als medepleger of als medeplichtige moet worden gekwalificeerd.

Daarbij komt nog dat op basis van de verklaringen van diverse getuigen in het dossier wel aannemelijk is dat verdachte in de periode dat de hennepkwekerij in bedrijf moet zijn geweest, niet in de woning verbleef. Diezelfde getuigen verklaren weliswaar dat zij verdachte op meerdere momenten bij de woning hebben gesignaleerd, maar zij koppelen die momenten onvoldoende duidelijk aan de periode waarin de kwekerij in bedrijf is geweest. Bovendien wordt de verdachte door één van die getuigen slechts éénmaal in die periode binnen in de woning geplaatst. In de woning zijn ten tijde van het aantreffen van de hennepkwekerij daarentegen drie andere personen dan verdachte aangetroffen. Van deze drie personen zijn twee personen door de politie gehoord. Deze twee personen verklaren niet over betrokkenheid van verdachte bij de hennepkwekerij. Ook zijn er aanwijzingen dat anderen, te weten twee onbekend gebleven personen, betrokkenheid bij de kwekerij hebben gehad door spullen van of naar de woning te brengen. Een van de getuigen is in dat verband heel stellig waar zij verklaart dat zij de verdachte nimmer in het bijzijn van die personen heeft gezien.

Het strafdossier laat al met al dus alternatieve scenario’s open die niet buiten redelijke twijfel terzijde kunnen worden gesteld. Dit dient in het voordeel van de verdachte te leiden tot de gevolgtrekking dat hij integraal van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

DE UITSPRAAK

De rechtbank.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair,

2 primair en 2 subsidiair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,

mr. E.M.J. Raeijmaekers mr. T. van de Woestijne, leden,

in tegenwoordigheid van M.P.M. van Goethem, griffier,

en is uitgesproken op 9 oktober 2015.