Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:5747

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
01/860032-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor het telen van hennep, diefstal van elektriciteit en het verijdelen van een veiligheidsmaatregel van een elektriciteitswerk, wordt verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/860032-13

Datum uitspraak: 06 oktober 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 september 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 25 augustus 2015.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. zij in of omstreeks de periode van 01 mei 2013 tot en met 15 mei 2013 te Oss tezamen en in vereniging met (een) ander(en) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 467 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 3 aanhef en onder B/C Opiumwet)

2.

zij in of omstreeks de periode van 05 september 2012 tot en met 15 mei 2013 te Oss tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

(artikel 311 aanhef en onder 4 Wetboek van Strafrecht)

3.

zij in omstreeks de periode van 01 mei 2013 tot en met 15 mei 2013 te Oss, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een electriciteitswerk (een zogenoemde elektriciteitsmeter voor de stroomvoorziening in een pand gelegen aan de [adres 2] heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar heeft gemaakt, een stoornis in de gang en/of in de werking van dat elektriciteitswerk heeft veroorzaakt, en/of een ten opzichte van dat elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregel heeft verijdeld, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander, te weten de bewoners van het belendende perceel en/of gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de woning op het belendende perceel, te duchten is geweest, immers heeft verdachte en/of haar mededader(s) in dat pand een illegale aansluiting op de bovenzijde van de zekeringhouders aangebracht;

(artikel 161bis aanhef en onder 3 en 2 Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Vaststaande feiten. 1

Op 15 mei 2013 werd in de rijtjeswoning [adres 2] te Oss een hennepkwekerij aangetroffen. Op dit adres staat verdachte ingeschreven.2 Verdachte heeft verklaard dat dit adres haar woning betreft, dat zij hier alleen woont en dat zij op de hoogte was dat er in haar huis een hennepkwekerij was ingericht.3 In drie ruimtes in de woning stond een hennepkwekerij, met in totaal 467 hennepplanten.4 De elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij werd verkregen buiten de meter om met een illegale aansluiting.5

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht verdachte verantwoordelijk voor alle tenlastegelegde feiten. Hij gelooft de verklaring van verdachte niet dat een ander verantwoordelijk is voor de strafbare feiten.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat slechts het aanwezig hebben van de 467 hennepplanten kan worden bewezen verklaard, nu er geen bewijs is voor het medeplegen van uitvoeringshandelingen ten aanzien van telen, bewerken of verwerken. Volgens de raadsvrouwe kan evenmin uit het dossier worden afgeleid dat verdachte uitvoeringshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van feit 2 – kortgezegd de diefstal van stroom. Omdat er ook geen bewijs is voor het medeplegen van diefstal, heeft de raadsvrouwe verzocht om verdachte vrij te spreken van feit 2.

Voorts heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat een bewezenverklaring van feit 2 een bewezenverklaring van feit 3 uitsluit, omdat de feitelijke handelingen van beide tenlastegelegde feiten gelijkwaardige handelingen zijn met hetzelfde gevolg aan hetzelfde object. Zij stelt dat sprake is van ne bis in idem. Mocht de rechtbank de raadsvrouwe niet volgen in dit standpunt, dan is er volgens haar in ieder geval sprake van eendaadse samenloop. Tot slot heeft de raadsvrouwe bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor feit 3 wegens onvoldoende bewijs, ook voor de medeplegen-variant.

Het oordeel van de rechtbank.

Medeplegen?

Verdachte heeft verklaard dat een persoon genaamd “ [medeverdachte] de hennepkwekerij in haar woning heeft ingericht en verzorgd en dat zij slechts een vergoeding kreeg voor het beschikbaar stellen van de ruimte. Naar haar eigen zeggen had zij verder niets te maken met de hennepkwekerij.

De rechtbank acht deze verklaring van verdachte ongeloofwaardig. Verdachte had in haar huis dat zij alleen bewoonde, in een drietal kamers een groot aantal hennepplanten staan. Zij verklaart dat de kwekerij in januari 2013 is ingericht en ze weet nagenoeg precies hoeveel planten er in elke ruimte stonden. Volgens haar eigen verklaring heeft zij de planten ook water en voeding gegeven. Bovendien weet zij het aantal lampen dat boven de planten hing en op welke wijze deze in hoogte verstelbaar waren.6 Ten aanzien van de door haar genoemde “ [medeverdachte] ” weet zij verder geen details over hem te geven. Het komt de rechtbank hoogst onaannemelijk voor dat verdachte een volslagen vreemde die zij in een café heeft leren kennen de sleutel tot haar woning verstrekt en hem een hennepkwekerij in haar woning laat inrichten.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs is voor de vaststelling dat een ander dan verdachte de feiten heeft gepleegd of medegepleegd. Zij houdt verdachte dan ook verantwoordelijk voor alle feiten en zal haar vrijspreken van het medeplegen van deze feiten.

Ten aanzien van feit 2 en 3: ne bis in idem en eendaadse samenloop.

De rechtbank verstaat dat volgens de verdediging primair sprake is van een ne bis in idem situatie, nu de feitelijke gedraging bepalend is en niet de daaraan gegeven kwalificatie, en dat hieruit voortvloeit dat de bewezenverklaring van feit 2 een bewezenverklaring van feit 3 uitsluit.

De rechtbank volgt dit standpunt niet. Het ne bis in idem beginsel is neergelegd in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht. In het voorliggende geval is de toepasselijkheid van dit artikel niet aan de orde, reeds nu over dit feit niet reeds bij gewijsde van de rechter onherroepelijk is beslist.

De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat met betrekking tot de feiten 2 en 3 in elk geval sprake is van eendaadse samenloop, zodat er geen grond is voor strafverhoging en een bewezenverklaring van feit 3 om die reden betekenisloos wordt. De rechtbank verstaat dat de verdediging hiervoor maatgevend acht dat het ene feit niet kan worden begaan zonder het andere.

De rechtbank volgt dit standpunt niet. De gevolgen van een eendaadse samenloop zijn neergelegd in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht: als een feit valt in meer dan één strafbepaling, dan wordt slechts een van die bepalingen toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

Feit 2 zoals ten laste gelegd kent een strafmaximum van zes jaren gevangenisstraf. Feit 3 zoals ten laste gelegd kent een strafmaximum van negen jaren gevangenisstraf. Nog daargelaten of sprake is van eendaadse samenloop is een bewezenverklaring van feit 3 derhalve niet betekenisloos.

Beide verweren worden verworpen.

Vervolgens doet zich de vraag voor of met betrekking tot de feiten 2 en 3 sprake is van eendaadse samenloop. Van eendaadse samenloop is sprake wanneer een feit hetzij meer dan een vergrijp oplevert, dat wil zeggen in meer dan één strafbepaling valt, hetzij meermalen in dezelfde strafbepaling. In dit geval gaat het om de eerstgenoemde omstandigheid.

De rechtbank stelt vast dat de in feit 2 ten laste gelegde diefstal zoals ten laste gelegd een vermogensfeit betreft met als kenmerkend aspect – kortgezegd – dat een goed onrechtmatig overgaat van de een naar de ander, terwijl de in feit 3 ten laste gelegde opzettelijke (ondermeer) vernieling van elektriciteitswerken zoals ten laste gelegd een geweldsfeit betreft met als kenmerkend aspect – kortgezegd – dat er gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor anderen te duchten is. Deze twee feiten kunnen geheel los van elkaar worden gedacht. Immers, zoals ook door de verdediging naar voren gebracht, de diefstal is voorstelbaar zonder dat voornoemde gevaarzetting zich voordoet. Elk feit op zichzelf levert bovendien, zoals hiervoor aangegeven, een zelfstandige overtreding van verschillend karakter op. Verder is hun gelijktijdigheid niet wezenlijk en gaat het ene feit niet in het andere op; zo is de diefstal van elektriciteit een voortdurend delict, terwijl de (ondermeer) vernieling een in de tijd bezien eenmalige handeling kan inhouden waarvan enkel de gevaarzettende gevolgen voortdurend zijn. Tot slot kunnen de feiten onafhankelijk van elkaar worden geconstateerd.

De rechtbank komt hiermee tot het oordeel dat er geen sprake is van eendaadse samenloop. Dit verweer wordt daarom verworpen.

Ten aanzien van feit 3.

Uit de aangifte van Enexis blijkt het volgende.

De elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij werd verkregen buiten de meter om met een illegale aansluiting.7 Deze illegale aansluiting was aangebracht op de bovenzijde van de zekeringhouders. Het gevaar dat hiervan uitging bestond uit gevaar voor elektrocutie en brand in de eigen installatie/woning en de directe omgeving. Het door onbevoegden uitvoeren van werkzaamheden in de aansluitkast levert gevaar op voor kortsluiting. Kortsluiting in de aansluitkast vóór de hoofdzekering kan resulteren in een vlamboog. Dit is een vlam van hoge temperatuur in de vorm van een boog, die zichzelf in stand houdt vanuit de installatie naar een ander punt en daardoor direct gevaar kan opleveren en tot brand in de woning kan leiden.

Deze wijze van illegale aftakking vereist dat er verderop aan het eind van de kabel een voorziening gemaakt is die ervoor zorgt dat er niet meer stroom door de kabel kan dan waarvoor de kabel geschikt is. Er is geconstateerd dat deze voorziening niet of in onvoldoende mate aanwezig was, waardoor het risico op overbelasting van de kabel ontstond, waardoor het risico op brand toenam.8

De raadsvrouwe heeft bepleit dat niet te beoordelen is of sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen danwel levensgevaar voor een ander.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat, door hetgeen Enexis in haar aangifte daarover heeft aangegeven, in voldoende mate is komen vast te staan dat sprake was van het opzettelijk verijdelen van een ten behoeve van de elektriciteitsmeter genomen veiligheidsmaatregel dat daarvan levensgevaar voor een ander, te weten de bewoners van het belendende perceel en gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de woning op het belendende perceel, te duchten is geweest.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen en onder de vaststaande feiten, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. in de periode van 01 mei 2013 tot en met 15 mei 2013 te Oss opzettelijk heeft geteeld in een pand aan [adres 2] een hoeveelheid van in totaal ongeveer 467 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2. in de periode van 05 september 2012 tot en met 15 mei 2013 te Oss, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Enexis;

3. in de periode van 01 mei 2013 tot en met 15 mei 2013 te Oss, opzettelijk een ten opzichte van een elektriciteitswerk (een zogenoemde elektriciteitsmeter voor de stroomvoorziening in een pand gelegen aan de [adres 2] genomen veiligheidsmaatregel heeft verijdeld, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander, te weten de bewoners van het belendende perceel en gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de woning op het belendende perceel, te duchten is geweest, immers heeft verdachte in dat pand een illegale aansluiting op de bovenzijde van de zekeringhouders aangebracht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1, 2 en 3 een taakstraf geëist van 180 uren te vervangen door 90 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren.

Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat sprake is van het niet tijdig geven van de cautie aan verdachte, dient daar geen gevolg aan te worden verbonden, aldus de officier van justitie.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat de politie, toen zij naar de woning van verdachte ging, heeft verzuimd om verdachte tijdig de cautie te geven, hetgeen dient te leiden tot strafkorting.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van hennep, diefstal van elektriciteit en het opzettelijk verijdelen van een ten opzichte van een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregel. Hennep kan gevaar opleveren voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Het telen van hennep gaat steeds meer gepaard met andere, ook zware vormen van criminaliteit. Het gevaar dat uitging van de ten behoeve van de hennepkwekerij aangelegde illegale elektriciteitsaansluiting was groot. Het gebeurt niet zelden dat brand uitbreekt in een hennepkwekerij met alle risico’s en gevolgen van dien. Verdachte heeft zich bij het plegen van de feiten laten leiden door financiële motieven.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat sinds het tijdstip waarop de door haar gepleegde strafbare feiten hebben plaatsgehad geruime tijd is verstreken, terwijl verdachte, voor zover nu bekend, in deze periode geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. Voorts houdt de rechtbank rekening met de korte tenlastegelegde en bewezenverklaarde pleegperiode.

Alles in overweging nemende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf passend en geboden is. De rechtbank tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Vormverzuim?

De raadsvrouwe heeft bepleit dat strafkorting dient plaats te vinden wegens het niet tijdig geven van de cautie aan verdachte. De rechtbank overweegt dat de cautie dient te worden gegeven aan een verdachte van een strafbaar feit ex. artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De beantwoording of daar in het onderhavige geval sprake van was ten tijde van het aan de deur gaan bij verdachte door de politie, acht de rechtbank niet relevant voor enige te nemen beslissing. Ter opsporing en inbeslagneming was door de hulpofficier van justitie een machtiging tot het betreden van de woning van verdachte afgegeven. Het aantreffen van de hennepkwekerij had dus zondermeer plaatsgevonden. Verdachte heeft vervolgens, na het geven van de cautie, een volledige verklaring in haar woning afgelegd. Ook ter terechtzitting heeft zij erkend dat zij een hennepkwekerij in haar woning had. Daargelaten of dus sprake was van een vormverzuim, is verdachte derhalve niet in haar belangen geschaad en zou dit op die grond al niet tot een rechtsgevolg (strafkorting) hoeven te leiden. Het verzoek van de raadsvrouwe wordt afgewezen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 161bis, 310 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod T.a.v. feit 2:Diefstal T.a.v. feit 3: Opzettelijk een ten opzichte van een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregel verijdelen, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en gemeen gevaar voor goederen te duchten is Verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen:

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:*Taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis;

*Gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit

en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.Th. van Vliet, voorzitter,

mr. J.H.P.G. Wielders en mr. J.G. Vos, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.A.M. Balemans-Jongeneelen, griffier,

en is uitgesproken op 6 oktober 2015.

mr. M.Th. van Vliet is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politieregio Brabant-Noord, registratienummer PL21Y1 2013041541, sluitingsdatum 8 augustus 2013, aantal doorgenummerde bladzijden: 182, hierna PV.

2 PV, proces-verbaal van bevindingen, p. 2-3.

3 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 22 september 2015.

4 PV, proces-verbaal van bevindingen, p. 2-4, in verband bezien met proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 77.

5 PV, proces-verbaal van bevindingen, p. 5.

6 PV, proces-verbaal van verdachte, p. 95-96.

7 PV, aangifte Enexis, p. 109.

8 PV, proces-verbaal aangifte, p. 109-110.