Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:561

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-02-2015
Datum publicatie
04-02-2015
Zaaknummer
01/845774-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van poging tot doodslag op zijn toenmalige partner dan wel zware mishandeling en van kortgezegd voorbereidingshandelingen (het voorhanden hebben van een mes) daartoe. Niet is vast te stellen dat verdachte opzet had op het doden van aangeefster en niet is vast te stellen dat hij ter voorbereiding daarop opzettelijk een mes voorhanden had.

Wel bewezen is dat hij zijn toenmalige partner zowel woordelijk als door achter haar aan te rennen met een mes met de dood heeft bedreigd.

Verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid (oa. borderline persoonlijkheidsstoornis en alcoholprobleem).

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met bijzondere voorwaarden.

Opheffing bevel voorlopige hechtenis zodra de duur daarvan gelijk is aan de onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Opgelegd wordt een

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845774-14

Datum uitspraak: 04 februari 2015

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1967],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 januari 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 december 2014.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 12 oktober 2014 te Oirschot ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te

beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet:

- een mes heeft gepakt en/of

- achter voornoemde [slachtoffer], die voor verdachte trachtte te vluchten, is

aangerend/achter haar aan is gegaan en/of

- in de buurt van voornoemde [slachtoffer] zijn arm en hand waarin het mes zat

dreigend omhoog heeft gedaan,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287/302/45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 oktober 2014 te Oirschot ter voorbereiding van het

misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht

jaren of meer is gesteld, te weten doodslag (als bedoeld in artikel 287

Wetboek van Strafrecht), gericht tegen [slachtoffer] opzettelijk een voorwerp, te

weten een mes, welk voorwerp bestemd was tot het begaan van dat misdrijf,

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;

(artikel 287/46 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 oktober 2014 te Oirschot [slachtoffer] heeft bedreigd met

enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers

heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend een mes aan die [slachtoffer]

voorgehouden en/of getoond en/of met dat mes in zijn, verdachtes, hand, achter

die [slachtoffer] aangerend;

(artikel 285 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 12 oktober 2014 te Oirschot

opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, [slachtoffer], meermalen, althans

eenmaal, (met kracht) bij de keel heeft vastgepakt en/of geduwd, waardoor deze

letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 300/304 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 12 oktober 2014 te Oirschot [slachtoffer] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden

toegevoegd :"ik maak je hartstikke dood, ik steek je kapot", althans woorden

van gelijke dreigende aard of strekking;

(artikel 285 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak.

Ten aanzien van feit 1

Anders dan de officier van justitie in zijn requisitoir heeft aangevoerd, maar met de verdediging, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat verdachte en het slachtoffer [slachtoffer], zijn toenmalige partner, zich op 12 oktober 2014 beiden in de woning gelegen aan de [adres 2] te [woonplaats] bevonden. Verdachte had die dag, volgens eigen zeggen, veel alcohol gedronken. Toen het slachtoffer thuis kwam, gooide zij blikjes bier leeg in de gootsteen. Verdachte werd erg boos en zei tegen het slachtoffer de woorden: “Ik maak je hartstikke dood, ik maak je kapot”. Terwijl verdachte dat zei, pakte hij een mes. Het slachtoffer verliet in allerijl de woning en rende naar de woning van kennissen gelegen op de hoek van de [adres 2] te [woonplaats]. Verdachte liep achter het slachtoffer aan terwijl hij het mes in zijn hand vasthield. Bij de hoekwoning gekomen, bleek dat het slachtoffer de serre van die woning was binnengegaan. Zij hield de deur van de serre dicht. Verdachte trok aan de serredeur om die open te krijgen. Toen dat niet lukte, ging hij terug naar zijn woning en belde zelf de politie. Bij de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard dat hij uit boosheid handelde, vanwege opmerkingen die [slachtoffer] tegen hem had gemaakt. Hij erkent dat hij met een mes achter haar aan is gelopen, maar zou dit alleen hebben gedaan om haar bang te maken. Dat hij daar bij de politie anders over heeft verklaard komt omdat hij toen nog boos was, intussen heeft hij goed nagedacht hoe het is gegaan.

De rechtbank overweegt dat, in ogenschouw nemend hetgeen hiervoor als vaststaand is aangenomen, niet met voldoende bepaaldheid blijkt welk exact misdadig doel de verdachte bij diens handelen voor ogen stond. De omstandigheid dat hij een mes voorhanden had dat gebruikt zou kunnen worden bij het plegen van doodslag doet daar niet aan af. 1 Niet vastgesteld kan worden dat verdachte het mes overeenkomstig die kennelijke bestemming wilde gebruiken. De enkele mogelijkheid dat verdachte dit wellicht had kunnen doen is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. 2

Op grond hiervan is niet vast te stellen dat verdachte het opzet heeft gehad op het doden van aangeefster [slachtoffer] of ter voorbereiding daarop opzettelijk een mes voorhanden heeft gehad.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van hetgeen hem onder feit 1 primair en subsidiair ten laste is gelegd.

Ten aanzien van feit 2

Anders dan door de officier van justitie is bepleit, maar met de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat voor het ten laste gelegde onder feit 2 onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bestaat. De verklaring van verdachte staat tegenover de verklaring van aangeefster. Die verklaring wordt niet door waarnemingen van bijvoorbeeld letsel aan de keel ondersteund. Voor zover de foto’s van het kapotte kastje in de keuken ondersteuning bieden aan de verklaring van aangeefster, passen deze ook in de verklaring van verdachte, wanneer hij zegt dat aangeefster bij het wegrennen over dat kastje viel.

Doorslaggevend bewijs voor dit feit ontbreekt in het dossier, zodat verdachte zal worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1. meer subsidiair

op 12 oktober 2014 te Oirschot [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend met een mes in zijn, verdachtes, hand, achter die [slachtoffer] aangerend;

3.

op 12 oktober 2014 te Oirschot [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden

toegevoegd :"Ik maak je hartstikke dood, ik steek je kapot".

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 1 primair, 2 en 3: gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het reclasseringsrapport van 15 december 2014.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op 12 oktober 2014 te Oirschot heeft verdachte het slachtoffer, zijn toenmalige partner, woordelijk bedreigd en is vervolgens met een mes in zijn hand op de openbare weg achter haar aangerend. Verdachte heeft daarmee een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en haar lichamelijke integriteit aangetast. De bedreigingen moeten een grote indruk op haar hebben gemaakt. Voorts betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat medeweggebruikers het incident hebben waargenomen en dat zoiets onrust veroorzaakt en gevoelens van angst en onveiligheid oproept.

Uit een omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebracht rapport drs. G.C.M. van den Broek, psychiater, van 5 januari 2015, blijkt dat de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verminderde mate kunnen worden toegerekend, alsmede dat verdachte lijdt aan een bipolaire-1 stoornis, een borderline persoonlijkheidsstoornis, een cognitieve stoornis en afhankelijk is van alcohol. Tussen de bipolaire stoornis en het gepleegde feit bestaat geen relatie. Ten tijde van het plegen van de feiten verkeerde verdachte onder invloed van alcohol waarvan hij de negatieve werking op zijn gedrag kende of moest begrijpen. Desondanks heeft hij toch (veel) alcohol gebruikt.

De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat uit het uitreksel Justitieel Documentatieregister van 19 december 2014 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake soortgelijke delicten, alsmede dat verdachte gemotiveerd lijkt te zijn om te stoppen met het gebruik van alcohol en daarnaast ook wil gaan werken zijn psychische / sociale problemen.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte van feit 1 primair, subsidiair en feit 2 vrijspreekt en van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 57, 285.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Ten aanzien van feit 3:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair, feit 3:

Gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen

van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de

Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de

medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden

gegeven door de reclassering;

- dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd bij de Reclassering van Novadic-Kentron

gelegen aan de dr. Poletlaan 74-76 te Eindhoven zal melden, zolang de reclassering dit

noodzakelijk acht;

- dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen voor

behandeling van zijn psychische problematiek bij het FACt team van forensisch

psychiatrische polikliniek 'de Omslag' of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter

beoordeling van de reclassering waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen

die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen

worden gegeven, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Deze behandeling kan ook

inhouden dat veroordeelde kortdurend (maximaal voor de duur van 7 weken) klinisch dient

te worden opgenomen ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of

diagnostiek, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het

kader van die opname door of namens de instelling / behandelaar zullen worden gegeven;

- waarbij de Reclassering Nederland, Regio 's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG

te 's-Hertogenbosch, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de

voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf. Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,

mr. E.C.P.M. Valckx en mr. M.M. Klinkenbijl en leden,

in tegenwoordigheid van J. Kapteijns, griffier,

en is uitgesproken op 4 februari 2015.

1 Hoge Raad NJ 2014/107

2 Hoge Raad 17 februari 2004, NJ 2004, 400 met noot van Reijntjes