Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:5553

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-09-2015
Datum publicatie
25-09-2015
Zaaknummer
C/01/297854 / KG ZA 15-532
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

partieel opheffen van beslag van door de curator gelegde derdenbeslag op de bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering van de bestuurder van gefailleerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1780
OR-Updates.nl 2015-0334 met annotatie van M.M. van Asch
INS-Updates.nl 2015-0275
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/297854 / KG ZA 15-532

Vonnis in kort geding van 17 september 2015

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [eiser 1] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MENA HOLDING B.V.,

gevestigd te Deurne,

eisers,

advocaat mr. W.L.H. Aerts te Eindhoven,

tegen

ROBBERT GERARD ROEFFEN, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Den Bosch Innovatie B.V.

kantoor houdende te 's-Hertogenbosch,

gedaagde,

advocaat mr. M. Geurts te 's-Hertogenbosch.

Eisers zullen hierna gezamenlijk [eisers] en ieder afzonderlijk eiser sub 1 en eiseres sub 2 genoemd worden. Gedaagde zal hierna de curator genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 augustus 2015 met 24 producties;

  • -

    de mondelinge behandeling op 3 september 2015;

  • -

    de pleitnota van [eisers] ;

  • -

    de pleitnota van de curator;

  • -

    de aanhouding ten behoeve van het beproeven van een minnelijke regeling;

  • -

    Het faxbericht van mr. Aerts d.d. 3 september 2015 dat partijen er niet in zijn geslaagd tot een minnelijke regeling te komen en met het verzoek vonnis te wijzen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De relevante feiten

2.1.

Gedaagde is op 15 oktober 2013 door deze rechtbank benoemd tot curator in het faillissement van Den Bosch Innovatie B.V. (hierna: DBI). Eiser sub 1 houdt via eiseres sub 2 40 % van de aandelen in DBI. Daarnaast was eiser sub 1 op het moment van faillissement (feitelijk) indirect bestuurder van DBI.

2.2.

Eiseres sub 2 is vanaf 1 juni 2005 statutair bestuurder van DBI. Eiser sub 1 is sinds 31 oktober 2000 enig aandeelhouder en enig bestuurder van eiseres sub 2.

2.3.

Bij dagvaarding van 16 juli 2015 heeft de curator [eisers] in een bodemprocedure gedagvaard wegens onbehoorlijk bestuur van DBI. De curator grond zijn vorderingen op art. 2:248 BW en/of art. 2:9 BW en/of art. 6:162 BW.

2.4.

Op 21 april 2015 heeft de curator conservatoir beslag gelegd op een aantal vermogensbestanddelen van [eisers] waaronder derdenbeslag onder HDI-Gerling Verzekeringen N.V. (hierna: de verzekeraar). Bij deze verzekeraar is door DBI een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering afgesloten. Deze verzekering dekt naast het risico van aansprakelijkheid van de verzekerden ook de juridische kosten die verzekerden moeten maken om zich jegens derden te verweren. Het verzekerde bedrag betreft € 750.000,00.

2.5.

De gelegde beslagen hebben nauwelijks doel getroffen behoudens het derdenbeslag onder de verzekeraar.

2.6.

De verzekeraar heeft bevestigd als gevolg van het beslag niet over te zullen gaan tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand en andere kosten in de bodemprocedure.

2.7.

Op 13 mei 2015 heeft de advocaat van [eisers] de curator verzocht om partiële opheffing van het gelegde derdenbeslag onder de verzekeraar en het gelegde beslag te beperken tot € 600.000,00 zodat er € 150.000,00 onder de verzekerde som vrijkomt voor het voeren van verweer in de bodemprocedure tegen de curator.

2.8.

De curator heeft hierop [eisers] op 18 mei 2015 verzocht een compleet overzicht van alle vermogensbestanddelen van [eisers] en de echtgenote van eiser sub 1 over te leggen.

2.9.

Op 12 juni 2015 hebben [eisers] hieraan grotendeels gehoor gegeven, behoudens de gevraagde bankbescheiden, waarin hij geen inzage heeft gegeven.

2.10.

Omdat de curator geen inzage heeft gekregen in de bankbescheiden heeft hij het volledige derdenbeslag onder de verzekeraar gehandhaafd. De curator is wel bereid om het onder de verzekeraar gelegde beslag tot een maximaal bedrag van € 30.000,00 op te heffen, hetgeen door [eisers] te laag werd bevonden om deugdelijk verweer te kunnen voeren.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert samengevat – gedeeltelijke opheffing van het beslag op de verzekerde som onder de bestuurdersaanpsrakelijkheidsverzekering zodat er € 185.000,00 vrijkomt ten behoeve van het voeren van verweer tegen de curator met veroordeling van de curator in de kosten van dit geding.

3.2.

Hieraan leggen [eisers] ten grondslag dat bij afweging van de wederzijdse belangen het derdenbeslag gedeeltelijk moet worden opgeheven omdat [eisers] door dit beslag onevenredig in hun belangen worden geschaad. In dit verband hebben zij benadrukt dat zij geen andere financiële mogelijkheden hebben om de kosten van rechtsbijstand te betalen, noch is het voor eiser sub 1 mogelijk om de inkomsten van zijn echtgenote aan te wenden om het verweer te bekostigen. Zij zijn onder huwelijkse voorwaarden getrouwd maar daar komt nog bij dat het inkomen van zijn echtgenote ontoereikend is omdat zij sedert de faillietverklaring met haar inkomsten alle woonlasten e.d. dient te betalen. Het belang van [eisers] om adequaat verweer te voeren in de bodemprocedure dient te prevaleren boven het belang van de curator. Daar komt bovendien bij dat ook de curator en de crediteuren belang hebben dat [eisers] deugdelijk verweer voeren gelet op artikel 8.4 van de toepasselijke polisvoorwaarden: “indien verzekeringnemer en/of verzekerde(n) hebben nagelaten maatregelen te nemen om het onmiddellijk dreigend gevaar van schade af te wenden of te beperken kunnen aan deze verzekering geen rechten worden ontleend.”.

3.3.

De curator voert gemotiveerd verweer, inhoudende in de kern dat [eisers] aannemelijk moet maken dat zij zonder de verzekeraar financieel niet in staat zijn om verweer te voeren. Dat [eisers] om hen moverende redenen geen inzage willen geven in de bankafschriften doet vermoeden dat [eisers] wel over middelen beschikken om rechtsbijstand te financieren. Gelet op het financiële belang dat de inzet vormt van de bestuurdersaansprakelijkheidszaak (bijna 4 miljoen euro) en het belang bij behoud van dekking kan worden aangenomen dat [eisers] daadwerkelijk verweer zullen voeren indien het beslag onverkort gehandhaafd blijft. Gezien het aanzienlijke financiële belang dat de inzet vormt voor de hoofdzaak en het feit dat het verzekerde bedrag een van de weinige voor de boedel zekere verhaalsmogelijkheden is, dient het belang van de curator zwaarder te wegen dan het belang van [eisers] , aldus de curator. De curator is bereid tot gedeeltelijke opheffing van het beslag tot een bedrag van € 30.000,00.

Tenslotte betwist de curator dat eiseres sub 2 als verzekerde heeft te gelden van de verzekeringspolis.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van art. 705 Rv kan de voorzieningenrechter het door de curator ten laste van [eisers] onder de verzekeraar gelegde conservatoire beslag (eventueel) opheffen. Daarbij is van belang dat de in art. 705 Rv genoemde gronden niet limitatief zijn en de voorzieningenrechter volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad steeds de belangen van partijen moet afwegen. In het onderhavige geschil gaat het niet – zoals vaak het geval is - om beperking van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd maar om beperking van het bedrag waarop het beslag rust.

4.2.

Wat de voorzieningenrechter betreft hebben [eisers] aannemelijk gemaakt dat zij geen vermogen noch inkomen hebben waaruit zij het door hen te voeren verweer kunnen bekostigen. De curator heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij wel vermogen en/of inkomen hebben waaruit zij het verweer zouden kunnen bekostigen. Dat eiser sub 1 geen inzage heeft willen verschaffen in bepaalde bankafschriften, kan de voorzieningenrechter billijken omdat hij daardoor de curator mogelijk (extra) munitie verschaft in de aanhangige bodemprocedure.

4.3.

Omdat eiseres sub 2 op het polis blad niet als verzekerde wordt genoemd, gaat de voorzieningenrechter er voorshands vanuit dat alleen eiser sub 1 verzekerde onder de polis is en hij alleen een vordering op de verzekeraar heeft, ervan uitgaande dat de verzekeraar onder de polis dekking zal verlenen. Dit leidt er voorshands toe dat de kosten van rechtsbijstand en andere kosten die samenhangen met het door eiseres sub 2 te voeren verweer niet onder de polis vallen. In het geval eiseres sub 2 in staat zou zijn de kosten van haar verweer te dragen, zou het in de rede liggen dat de kosten die [eisers] gezamenlijk maken tussen hen worden gedeeld. Omdat eiseres sub 2 niet in staat is de kosten van het verweer te voeren en de raadsman van eiser sub 1 – begrijpelijkerwijs - aangeeft geen verweer te zullen voeren namens eiser sub 1 zonder dat zijn volledige kosten zullen worden vergoed, passeert de voorzieningenrechter het verweer van de curator dat slechts de helft van de kosten van de raadsman van [eisers] voor de bepaling van het bedrag dat eventueel niet onder het beslag valt, kunnen worden meegenomen. Daarbij tekent de voorzieningenrechter aan dat de verzekeraar – in eerste instantie – bepaalt of de kosten van verweer van [eisers] voor vergoeding onder de polis in aanmerking komen.

4.4.

[eisers] dienen zich in de bodemprocedure te kunnen verweren. Zulks is ook in het belang van de boedel omdat geen uitkering onder de polis zal plaatsvinden als de verzekerde zich niet naar behoren verweert. De belangen van [eisers] tegen de belangen van de curator afwegend, ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor het treffen van de hierna te formuleren voorziening die ertoe moet leiden dat de kosten van het verweer van [eisers] tot een bedrag van € 90.000 (kosten juridische bijstand in de bodemprocedure alsmede in het onderhavige kort geding alsmede kosten voor het inschakelen van een accountant) door de verzekeraar – als de polis daarvoor dekking biedt – aan degenen die die kosten aan [eisers] in rekening brengen kan uitbetalen ondanks dat ten laste van [eisers] onder de verzekeraar beslag is gelegd. Mocht het bedrag van € 90.000,00 niet toereikend blijken, dan kan de voorzieningenrechter zich voorstellen dat [eisers] zich nogmaals tot de voorzieningenrechter wenden. Hij kan zich voorstellen dat in dat geval de in rekening gebrachte bedragen aan een zogenaamde dubbele redelijkheidstoets zullen worden onderworpen. Een factuur bijvoorbeeld met ongespecificeerde posten als bijvoorbeeld “Overleg Cliënt” zal die redelijkheidstoets waarschijnlijk niet doorstaan.

4.5.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft – onder de opschortende voorwaarden dat via de raadsman van [eisers] facturen met betrekking tot aan hen verleende rechtsbijstand en andere kosten van verweer in de onder 2.3. genoemde bodemprocedure en het onderhavige kort geding bij de verzekeraar worden ingediend en deze facturen aan degenen op wiens naam deze facturen staan worden betaald - op het ten laste van [eisers] gelegde derdenbeslag onder de verzekeraar tot maximaal een bedrag van € 90.000 (excl. BTW),

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2015.