Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:547

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-02-2015
Datum publicatie
06-02-2015
Zaaknummer
14_2494
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Milieuhandhavingszaak mestvergistingsinstallatie

Samenvatting:

Omwonenden hebben verzocht om handhaving van milieuvergunningsvoorschriften van een mestvergistingsinstallatie. Per onderdeel wordt beoordeeld of sprake is van een overtreding en, indien dit het geval is, of sprake is van concreet zicht op legalisatie.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2015/76 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 14/2494

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 februari 2015 in de zaak tussen

[eisers]

[eisers], te [woonplaats],

gezamenlijk te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. F.H. Damen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint Anthonis, verweerder

(gemachtigden: ing. R.H.M.G. Hendriks en ir. S.K.M. van Duijnhoven).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Cleanergy B.V., te Wanroij, (verder: Cleanergy) gemachtigde: mr. M.J.C. Mol).

Procesverloop

In de brieven van 6 juni 2014 en van 24 juni 2014 hebben eisers verweerder verzocht handhavend op te treden tegen het bedrijf Cleanergy, waarbij in de brief van 24 juni 2014 is verzocht, gelet op het spoedeisende karakter, binnen twee weken na verzending van het handhavingsverzoek een beslissing te nemen.

Bij brief van 25 juli 2014 hebben eisers beroep aangetekend tegen het niet tijdig beslissen op hun handhavingsverzoek.

Bij besluit van 30 juli 2014 heeft verweerder het handhavingsverzoek van eisers deels toegewezen en voor het overige afgewezen.

Op 24 september 2014 hebben eisers de gronden van het beroep aangevuld.

Bij beschikking van 19 november 2014 heeft de rechtbank besloten geen gebruik te maken van haar bevoegdheid op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Op 26 november 2014 heeft de griffier een onderzoek ter plaatse ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2014. De zaak is gelijktijdig behandeld met zaaknummers SHE 14/721 en SHE 14/225. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens Cleanergy is [persoon] verschenen alsmede haar gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De inrichting van Cleanergy is gelegen op industrieterrein Molenveld te Wanroij. Eisers zijn woonachtig in de omgeving van de inrichting en hebben vanuit hun woning zicht op de inrichting.

1.2

Op 6 maart 2012 hebben Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant (verder: GS) aan Cleanergy een oprichtingsvergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend voor het vergisten van een mengsel van dierlijke meststoffen en cosubstraten. Deze is gewijzigd bij besluit van 4 februari 2013. In het besluit van 4 februari 2013 is de vergunning voor de eerder vergunde uitbreidingen ingetrokken en is de capaciteit van de inrichting tot 36.000 ton per jaar aan dierlijke mest en cosubstraten beperkt. Verder zijn gewijzigde voorschriften verbonden aan de milieuvergunning van 6 maart 2012. Tot de inrichting, zoals deze in werking is na de gedeeltelijke intrekking en wijziging van de vergunning, behoort geen IPPC-installatie. De gewijzigde vergunning is onherroepelijk sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: Afdeling) van 19 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:555) en daarom gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

1.3

Eisers hebben op 3 januari 2013 een verzoek om handhavend optreden ingediend bij GS vanwege een aantal door hen gestelde overtredingen van de vergunningsvoorschriften respectievelijk het wijzigen van de inrichting zonder de daartoe benodigde omgevingsvergunning. Dit verzoek is op 12 april 2013 door GS afgewezen. Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt bij GS. Dit bezwaar is bij besluit van 12 december 2013 ongegrond verklaard. Het tegen dit besluit gerichte beroep van eisers is bij deze rechtbank geregistreerd onder zaaknummer SHE 14/225. In die zaak is bij uitspraak van deze datum het beroep van eisers niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

1.4

Cleanergy heeft nog een tweetal aanvragen voor wijziging van de inrichting (als bedoeld in artikel 2.1. onder e, van de Wabo) ingediend. Zij heeft allereerst op 15 april 2014 een aanvraag voor een uitbreiding ingediend bij GS. Tot deze uitbreiding behoort onder meer een IPPC-installatie. Zij heeft daarnaast op 16 juli 2014 een aanvraag ingediend bij verweerder. Deze tweede aanvraag ziet op een wijziging van de vergunningsvoorschriften met betrekking tot de inrichting zoals vergund met ingang van 4 februari 2013. In de tweede aanvraag wordt géén uitbreiding met IPPC installatie aangevraagd. Ten aanzien van deze tweede aanvraag heeft verweerder een ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Eisers hebben hiertegen zienswijzen ingediend.

1.5

In de handhavingsverzoeken van 6 juni 2014 en van 24 juni 2014 hebben eisers een aantal overtredingen genoemd. Verweerder heeft op 5 en 10 juni 2014 een onderzoek ingesteld bij Cleanergy. Eisers hebben aan het tweede handhavingsverzoek van 24 juni 2014 een termijn verbonden van 2 weken. Verweerder heeft op 2 juli 2014 aangegeven niet aan deze termijn te kunnen voldoen. Op 7 juli 2014 hebben eisers verweerder verzocht binnen vier weken een beslissing te nemen. Op 24 juli 2014 hebben eisers verweerder in gebreke gesteld.

1.6

Op 30 juli 2014 heeft verweerder, zoals hiervoor reeds is vermeld, de handhavingsverzoeken van eisers deels toegewezen en voor het overige afgewezen. Wat betreft het toegewezen deel heeft verweerder op 30 juli 2014 ook een voornemen oplegging last onder dwangsom uitgebracht naar aanleiding van de door hem geconstateerde overtreding door Cleanergy van voorschrift 2.1.1 bij het besluit van 4 februari 2013 en voorschriften 10.1.1, 10.1.2, 10.1.3 en 3.1.1 bij de omgevingsvergunning van 6 maart 2012.

Het beroep niet tijdig beslissen

2.1

Op basis van de stukken stelt de rechtbank vast dat eisers verweerder hebben medegedeeld dat hij in gebreke was tijdig een besluit te nemen, ook al was de door eisers zelf in de brief van 7 juli 2014 geboden termijn van vier weken op dat moment nog niet verstreken. Verder stelt de rechtbank vast dat ten tijde van het instellen van het beroep niet tijdig beslissen (welgeteld één dag na de ingebrekestelling) verweerder niet in gebreke was, omdat de termijn als bedoeld in artikel 6:12, eerste lid onder b, van de Awb nog niet was verstreken. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het beroep van eisers niet-ontvankelijk is, voor zover dit beroep is gericht tegen het gestelde niet tijdig beslissen op de handhavingsverzoeken van 6 juni 2014 en van 24 juni 2014.

2.2

De omstandigheid dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, doet er niet aan af dat ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb van rechtswege een beroep tegen het besluit van 30 juli 2014 is ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat de niet-ontvankelijkheid van het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zich naar zijn aard niet uitstrekt tot het beroep van rechtswege tegen het besluit van 30 juli mei 2014. Een ontvankelijkheidsgebrek van het oorspronkelijke beroep werkt immers slechts door voor zover het gebrek zich naar zijn aard ook tot het bezwaar of beroep van rechtswege uitstrekt. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3999). Daarom gaat de rechtbank over tot een inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden.

Het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 30 juli 2014

3. Ter zitting hebben eisers aangegeven dat het van rechtswege ontstane beroep geen betrekking heeft op de overtreding van voorschrift 2.1.1 bij het besluit van 4 februari 2013 en voorschriften 10.1.1, 10.1.2, 10.1.3 en 3.1.1 bij de omgevingsvergunning van 6 maart 2012. Eisers hebben hun beroepsgrond dat sprake is van een mogelijke overtreding van voorschrift 3.2.13 ingetrokken.

4. De rechtbank stelt voorop dat, mede gelet op de aanvraag van Cleanergy van 16 juli 2014, verweerder bevoegd is om een omgevingsvergunning te verlenen en derhalve ingevolge artikel 5.2 van de Wabo ook bevoegd is om een besluit te nemen op de door eisers ingediende handhavingsverzoeken.

5. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voor het bestaan van concreet zicht op legalisatie is in beginsel voldoende dat een vergunningaanvraag strekkende tot legalisatie van de illegale situatie is ingediend die volgens het bevoegd gezag voldoende gegevens bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de inrichting voor het milieu en het bevoegd gezag geen beletselen ziet voor verlening van de gevraagde vergunning. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 10 september 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3368).
Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Affakkelen

6.1

Volgens eisers staat vast dat sprake is van een overtreding van de voorschriften 3.4.1 en 5.2.1 van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012. Als gevolg hiervan worden volgens eisers ook de geluidsvoorschriften en emissievoorschriften overtreden.

6.2

Verweerder heeft vastgesteld dat voorschrift 5.2.1 van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012 wordt overtreden. Thans wordt vaker afgefakkeld dan de 12 keer per jaar die is toegestaan. Affakkelen is evenwel noodzakelijk voor het onderhoud van de gasmotor. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat sprake is van een concreet zicht op legalisatie gelet op de aanvraag van Cleanergy van 16 juli 2014. In het verweerschrift heeft verweerder onder verwijzing naar het ontwerpbesluit van 7 augustus 2014 gemotiveerd dat er geen beletselen zijn voor verlening van de gevraagde vergunning.

6.3

Cleanergy heeft aangegeven dat als gevolg van het gedeeltelijk intrekken van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012 er maar één gasmotor in bedrijf is.

6.4

In voorschrift 3.4.1 van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012 is bepaald dat de fakkelinstallatie uitsluitend in noodgevallen, tijdens stilstand wegens storingen en onderhoud van de gasmotoren in gebruik mag zijn. Ingevolge voorschrift 5.2.1 van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012 mag de fakkel maximaal 12 dagen per jaar in werking zijn met inachtneming van de grenswaarden op de immissiepunten, die worden genoemd in het betreffende voorschrift.

6.5

Niet in geschil is dat de fakkel meer dan 12 dagen per jaar in werking is geweest. Daarmee wordt voorschrift 5.2.1 van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012 overtreden. Overigens is niet vast komen te staan dat de fakkel niet uitsluitend tijdens noodgevallen in werking is geweest. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een concreet zicht op legalisatie. Eisers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verweerder ten onrechte geen beletselen ziet om de aanvraag van 16 juli 2014 van Cleanergy in te willigen. Deze beroepsgrond faalt.

Laden en lossen

7.1

Eisers hebben gesteld dat de voorschriften 3.2.8, 3.2.11 en 11.1.3 van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012 veelvuldig worden overtreden. Ingevolge deze voorschriften dient, kort samengevat, te worden geladen en gelost met gesloten deuren. Eisers betogen dat in de vergunning ten onrechte voorschriften ontbreken over de tussen verweerder en Cleanergy gemaakte afspraken omtrent het bewaren van de beelden van de beveiligingscamera’s bij de deuren.

7.2

Verweerder heeft gesteld dat na de comparitie van 15 april 2014 géén overtredingen van deze voorschriften zijn geconstateerd. De door eisers overgelegde foto’s acht verweerder onvoldoende ter onderbouwing van hun standpunt. Verweerder wijst er in dit verband op dat naar aanleiding van de comparitie van 15 april 2014 het klachtafhandelingsregime is aangepast. Als er een klacht over laden en lossen komt, kan meteen een toezichthouder worden opgeroepen, die aan de hand van camerabeelden kan zien of in strijd met de genoemde voorschriften is gewerkt. Verweerder kan verlangen dat de camerabeelden worden verschaft op basis van artikel 5:20 van de Awb.

7.3

Cleanergy heeft tijdens de plaatsopneming en ter zitting aangegeven op welke wijze wordt geladen en gelost. De laaddeur wordt bediend in een andere ruimte dan de opstelplaats van de vrachtwagen.

7.4

Het moet er voor worden gehouden dat de wijze van laden en lossen, zoals is gepresenteerd door Cleanergy, is vergund in de omgevingsvergunning van 6 maart 2012. Inherent aan deze wijze is dat de laaddeur een korte periode (tussen het parkeren van de vrachtwagen en het bedienen van de laaddeur) openstaat. Dit beschouwt de rechtbank niet als een overtreding van de vergunning. Verweerder heeft geen overtreding geconstateerd. Overigens hebben eisers ook geen klachten ingediend na de comparitie. Daargelaten of er ten tijde van het bestreden besluit van verweerder nog aanleiding was om handhavend op te treden, was verweerder niet bevoegd op te treden, omdat er geen overtreding was geconstateerd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor nadere verplichtingen voor Cleanergy voor het bewaren van camerabeelden. Artikel 5:20 van de Awb biedt verweerder voldoende mogelijkheden om het overleggen van camerabeelden af te dwingen. Deze beroepsgrond faalt.

Onderhoud

8.1

Volgens eisers wordt de installatie niet in een voldoende staat van onderhoud gehouden. Dit is in strijd met de voorschriften 1.1, 1.4.3, 3.2.2, 3.4.4, 3.4.11 en 12.1.1 van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012.

8.2

Verweerder heeft vastgesteld dat zowel het groot- als het klein onderhoud wordt uitgevoerd volgens het onderhouds- en inspectieschema. Dit schema is opgebouwd op basis van de onderhoudsfrequenties, zoals deze door de leveranciers van de installatie zijn aangeleverd.

8.3

De rechtbank is van oordeel dat de verplichtingen, voortvloeiend uit de hierboven genoemde voorschriften, niet zover reiken dat Cleanergy de installatie vaker moet laten onderhouden dan de leveranciers van de installatie noodzakelijk achten. Indien de installatie wordt onderhouden volgens het onderhouds- en inspectieschema is geen sprake van een overtreding van de hierboven genoemde voorschriften. Deze beroepsgrond faalt.

Ontbrekende vergunning

9.1

Eisers hebben voorts gesteld dat een aantal bouwwerken is gebouwd zonder omgevingsvergunning wat in strijd is met artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. Ook is een aantal veranderingen doorgevoerd van de inrichting zonder omgevingsvergunning in strijd met artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. Eisers noemen onder meer de op 12 januari 2007 gezette silo’s, een trafohuisje, een biofilter en het aanpassen van een aantal ventilatoren. Ook wordt de digestaatkelder als propstroomvergister gebruikt en wordt de lucht, die inpandig via het onderdruksysteem wordt afgezogen, op een andere wijze geleid dan vergund.

9.2

Verweerder stelt dat het gebruik van de vierde vergistingssilo als vergister is vergund in de omgevingsvergunning van 6 maart 2012 en dat op dit onderdeel geen sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wabo. In het bestreden besluit is verder aangegeven dat eveneens een omgevingsvergunning ontbreekt voor het bouwen van het laad- en losdock en de op 12 januari 2007 gezette silo’s. Ter zitting is desgevraagd bevestigd dat eveneens een omgevingsvergunning ontbreekt voor het bouwen van het trafohuis en de biofilter. Ter zitting heeft verweerder verder aangegeven dat een aanpassing van de ventilatoren heeft plaatsgevonden ten opzichte van de situatie die is vergund in de omgevingsvergunning van 6 maart 2012. Ten behoeve van de op 12 januari 2007 gezette silo’s, het biofilter, het laad- en losdock en het trafohuis is een omgevingsvergunning vereist voor het bouwen èn het afwijken van het bestemmingsplan. Ten behoeve van de aanpassing van de ventilatoren is een omgevingsvergunning vereist voor het wijzigen van de inrichting evenals voor het gebruik van de digestaatkelder als propstroomvergister en de gewijzigde wijze van afvoer van de lucht, die inpandig via het onderdruksysteem wordt afgezogen. Deze activiteiten zijn aangevraagd in de aanvraag van 15 april 2014 bij GS. Volgens verweerder is daarmee sprake van een concreet zicht op legalisatie. Verweerder heeft in zijn algemeenheid nog opgemerkt dat handhavend optreden onevenredig is gelet op de geringe impact op het milieu.

9.3

Cleanergy heeft aangegeven dat de ventilatoren zijn verplaatst, juist omdat de installatie niet naar behoren werkte en zij geuroverlast wilde voorkomen en dat de vierde vergistingssilo oorspronkelijk was vergund in de omgevingsvergunning van 6 maart 2012, maar dat deze is ingetrokken op 4 februari 2013. De installatie is in de loop van de tijd aangepast, maar dat is gebeurd om de overlast voor de omgeving te beperken. Zij geeft aan dat zij niet kan wachten op een vergunning voordat zij aanpassingen doorvoert.

9.4

GS hebben aangegeven dat de aanvraag van 15 april 2014 niet alleen is bedoeld ter legalisatie van hetgeen is gerealiseerd of in werking is zonder de daartoe benodigde omgevingsvergunning, maar vooral is ingediend met het oog op de door Cleanergy al jaren gewenste uitbreiding. Deze uitbreiding ligt gevoelig. Het is niet duidelijk of de benodigde verklaring van geen bedenkingen kan worden verleend ten behoeve van het afwijken van het bestemmingsplan voor de genoemde bouwwerken. Bovendien heeft nog geen m.e.r-beoordeling plaatsgevonden en duurt het nog even totdat sprake is van een toereikende aanvraag.

9.5

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de op 12 januari 2007 gezette silo’s, het trafohuis, het laad- en losdock en de biofilter gebouwd zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning en is sprake van strijd met artikel 2.1, eerste lid onder a, van de Wabo. Eisers hebben bevestigd dat het in werking hebben van de vierde vergistingssilo is vergund in de omgevingsvergunning van 6 maart 2012. De omstandigheid dat deze oorspronkelijk was bedoeld als opslag voor UF concentraat leidt niet tot het oordeel dat wordt gehandeld in strijd met artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wabo. De aanpassingen in de ventilatoren zijn een wijziging van de inrichting evenals het gebruik van de digestaatkelder als propstroomvergister en de gewijzigde wijze van afvoer van de lucht, die inpandig via het onderdruksysteem wordt afgezogen. Dit is gebeurd zonder de daartoe benodigde vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. Er is daarom sprake van meerdere overtredingen. Naar het oordeel van de rechtbank is géén sprake van een concreet zicht op legalisatie. Daargelaten dat niet verweerder maar GS bevoegd zijn om te beslissen op de aanvraag van 15 april 2014, is deze aanvraag nog niet toereikend. Bovendien is onduidelijk of de gemeenteraad bereid is medewerking te verlenen.
Niet op voorhand valt uit te sluiten dat als gevolg van de niet vergunde handelingen ongewenste milieugevolgen ontstaan. Het ligt dan op de weg van Cleanergy om voor deze handelingen eerst een toereikende omgevingsvergunning aan te vragen alvorens aanpassingen door te voeren. Het bevoegd gezag kan dan beoordelen of als gevolg van de aanpassing ongewenste milieugevolgen achterwege blijven. Zolang dit niet duidelijk is, kan niet worden gezegd dat handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen van onder andere eisers. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.

Omgekeerde osmose

10.1

Eisers stellen dat de vergunde omgekeerde osmose en ultrafiltratie voorzieningen en de daaraan gekoppelde infiltratievoorziening niet zijn gerealiseerd. Dit wijkt volgens hen af van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012. Het opslaan en afvoeren van digestaat zal andere milieugevolgen met zich brengen dan de verwerking via omgekeerde osmose. Niet is gemotiveerd waarom de omgekeerd osmose niet noodzakelijk uitgevoerd hoeft te worden. Verweerder heeft de vraag hoe de vergiste mest thans wordt gescheiden en verwerkt volgens eisers niet afdoende beantwoord. Zij wijzen er tot slot op dat het gebruik van de mengkelder voor opslag van digestaat niet is vergund.

10.2

Verweerder bevestigt dat het digestaat wordt opgeslagen en afgevoerd. Dat leidt tot meer verkeersbewegingen dan de verwerking via omgekeerde osmose. Voor het overige leidt de opslag en afvoeren van digestaat niet tot andere milieueffecten dan omgekeerde osmose. In het akoestisch onderzoek bij de aanvraag om gedeeltelijke intrekking van de vergunning van 6 maart 2012 is zowel rekening gehouden met het opslaan en afvoeren van zowel digestaat als met de verwerking via omgekeerde osmose. Het feit dat omgekeerde osmose en ultrafiltratie niet zijn gerealiseerd, leidt dus niet tot een akoestische situatie, die afwijkt van de vergunde situatie.

10.3

Cleanergy heeft aangegeven de omgekeerde osmose en ultrafiltratie voorzieningen en de daaraan gekoppelde infiltratievoorziening niet te hebben gerealiseerd. Het realiseren en gebruiken van deze voorziening kan andere milieugevolgen hebben en leiden tot klachten in de omgeving.

10.4

GS hebben aangegeven dat de omgevingsvergunning van 6 maart 2012 de mogelijkheid biedt om digestaat op te slaan en af te voeren dan wel te verwerken via omgekeerde osmose. Dit volgt uit het akoestische onderzoek, waarbij de akoestische hinder van het opslaan en afvoeren van digestaat ook in kaart zijn gebracht bij de beschrijving van de representatieve bedrijfssituatie. GS wijzen in dit verband ook op voorschrift 11.1.3 van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012. Verweerder heeft zich hierbij aangesloten.

10.5

In voorschrift 11.1.3 is bepaald dat laad- en losactiviteiten van onder andere digestaat, dienen plaats te vinden op daartoe speciaal ingerichte en gemarkeerde laad- en losplaatsen.

10.6

Uit de tekst van de omgevingsvergunning zelf kan de rechtbank niet afleiden dat GS in de omgevingsvergunning van 6 maart 2012 de opslag en afvoer van digestaat expliciet hebben vergund naast de verwerking via omgekeerde osmose. GS hebben echter onweersproken gesteld dat in het akoestische onderzoek, dat ten grondslag heeft gelegen aan de omgevingsvergunning van 6 maart 2012, rekening is gehouden met deze activiteit. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eisers destijds wel beroep hebben ingesteld tegen de omgevingsvergunning van 6 maart 2012 en de beschikking hebben over de onderliggende stukken. De rechtbank ziet niet in dat het gebruik van de mengkelder voor opslag van digestaat in strijd is met paragraaf 3.2 van de voorschriften bij de omgevingsvergunning van 6 maart 2012. Evenmin is de rechtbank gebleken dat de voorschriften inzake laden en lossen of de geluidgrenswaarden in deze vergunning worden overtreden als gevolg van de afvoer van digestaat. Het niet realiseren van de voorzieningen ten behoeve van omgekeerde osmose, beschouwt de rechtbank evenmin als een overtreding van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012. Eisers moet worden toegegeven dat het verwarrend is dat in de omgevingsvergunning van 6 maart 2012 twee verwerkingsmethodes van digestaat zijn vergund. De omgevingsvergunning van 6 maart 2012 is echter onherroepelijk. Deze beroepsgrond faalt.

Schoorsteen

11.1

Eisers hebben aangegeven dat een schoorsteen aan de zuidoostzijde nog op de tekening staat, maar dat deze niet is vergund.

11.2

Zowel GS als verweerder geven aan dat dit een omissie is en dat de schoorsteen niet is geplaatst.

11.3

Bij de plaatsopneming is vastgesteld dat de schoorsteen niet (meer) aanwezig is. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een overtreding van de verboden in artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo. Deze beroepsgrond faalt.

Watersloten

12.1

Eisers merken op dat de watersloten niet automatisch maar handmatig worden gevuld wat in strijd is met voorschrift 3.2.19 van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012.

12.2

Volgens verweerder worden de watersloten twee keer per dag automatisch bijgevuld en bij onderhoud of na een calamiteit handmatig bijgevuld. Hiervoor is een signalering aangebracht. Dit is bevestigd door Cleanergy.

12.3

Ingevolge voorschrift 3.2.19 van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012 moeten watersloten automatisch worden gecontroleerd en zo nodig automatisch worden bijgevuld.

12.4

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van handelen in strijd met voorschrift 3.2.19 van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012. Het regulier bijvullen van de watersloten gebeurt automatisch. Er is sprake van een automatische controle in de vorm van een signalering. Dit is ook waargenomen bij de plaatsopneming. Het handmatig bijvullen is overigens niet verboden. Er is dus geen sprake van een overtreding. Deze beroepsgrond faalt.

Bediening fakkel

13.1

Volgens eisers dient de fakkel automatisch aan te gaan als er overdruk ontstaat, om geuroverlast te voorkomen. Ingevolge voorschrift 3.4.5 van de omgevingsvergunning moet de fakkel handmatig bediend kunnen worden terwijl er geen 24 uurs-bezetting is.

13.2

Verweerder wijst er op dat dit voorschrift slechts verplicht tot een voorziening om bij een falende ontsteking de fakkel handmatig aan te steken. Cleanergy heeft de fakkel zo ingesteld dat deze al bij lagere druk ontsteekt zodat er tijd is om, bij een falende ontsteking, de fakkel handmatig te ontsteken, zodat kan worden voorkomen dat overdruk ontstaat en gas vrijkomt.

13.3

Ingevolge voorschrift 3.4.5 van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012 moet de fakkel in geval van falende ontsteking zo spoedig mogelijk, al dan niet handmatig, door of namens vergunninghouder kunnen worden ontstoken.

13.4

Naar het oordeel van de rechtbank is het handelen van Cleanergy niet in strijd met voorschrift 3.4.5. Het handelen zal er wel toe leiden dat de fakkel vaker wordt ontstoken, waardoor mogelijkerwijs strijd ontstaat met voorschrift 5.2.1 van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012. De rechtbank verwijst voor wat betreft deze overtreding naar hetgeen hierboven is overwogen. Deze beroepsgrond faalt.

Controle voorschriften 3.2.3 en 3.2.6

14.1

Volgens eisers blijkt uit de controle van 15 oktober 2013 niet dat de voorschriften 3.2.3 en 3.2.6 van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012 niet meer worden overtreden.

14.2

Verweerder verwijst voor wat betreft de voorschriften 3.2.3 en 3.2.6 van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012 in het verweerschrift naar pagina 6 van het bijgevoegde bezoekverslag van 15 oktober 2013, waarin staat de installatie conform de in de voorschriften opgenomen eisen is aangebracht en in werking is.

14.3

Voorschrift 3.2.3 van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012 ziet op de aansluiting van de voedingstoffenkelder en voorschrift 3.2.6 van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012 ziet op het creëren van een permanente onderdruk in een technische ruimte.

14.4

In het controleverslag van 15 oktober 2013 is opgenomen dat de installatie is aangebracht en in werking is conform de voorschriften. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van verweerders verklaring ter zitting dat bij de controle van 15 oktober 2013 wel degelijk is vastgesteld dat wordt voldaan aan de voorschriften 3.2.3 en 3.2.6 van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012. Derhalve is op dit onderdeel geen sprake van een overtreding. Deze beroepsgrond faalt.

Controle voorschriften 4.1.1 en 4.1.2

15.1

Eisers willen een scherpere controle op de voorschriften 4.1.1 en 4.1.2 van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012.

15.2

Voor wat betreft de voorschriften 4.1.1 en 4.1.2 van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012 geeft verweerder aan dat in het verweerschrift van GS in de procedure SHE 14/225 gemotiveerd is aangegeven dat de geurcontouren niet worden overschreden.

15.3

Ingevolge voorschrift 4.1.1 van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012 mogen de in de bijlage aangegeven geurcontouren niet worden overschreden.

15.4

Verweerder heeft zelf niet vastgesteld of wordt voldaan aan de voorschriften 4.1.1 en 4.1.2 van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012. Verweerder gaat af op de laatste controle van GS. Deze heeft plaatsgevonden in januari 2013. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het op de weg van verweerder om zelf te controleren of aan deze voorschriften wordt voldaan en kan niet zonder meer worden afgegaan op een meting uit het verleden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat ingevolge voorschrift 4.2.1 van de omgevingsvergunning van 6 maart 2012 jaarlijks geuremissiemetingen dienen plaats te vinden en dat meer dan een jaar is verstreken tussen het bestreden besluit en de laatste meting. Het bestreden besluit is daarom in zoverre onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie

16. Gelet op al het bovenstaande zal het beroep gegrond worden verklaard. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en bepalen dat verweerder een nieuw besluit moet nemen op de handhavingsverzoeken van eisers. Hierbij dient verweerder in ieder geval zelf vast te stellen of wordt voldaan aan de geurvoorschriften in de omgevingsvergunning van 6 maart 2012. Het komt de rechtbank verder voor dat het in belang van alle partijen is als Cleanergy een alles omvattende revisievergunning aanvraagt voor het in werking hebben van de bestaande installatie waarbij ook de benodigde toestemmingen voor het bouwen en afwijken van het bestemmingsplan kunnen worden aangevraagd. Dit schept duidelijkheid voor alle betrokken partijen en is te verkiezen boven een reeks van aanvragen waarbij per wijziging of aanpassing vergunning wordt gevraagd. Deze laatste handelwijze kan verwarring scheppen bij omwonenden en dat draagt niet bij aan een oplossing van het geschil. Het is aan Cleanergy of zij vervolgens een aanvraag indient voor uitbreiding van de inrichting. Gelet op deze visie ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. De rechtbank zal evenmin een termijn verbinden aan het nemen van een nieuw handhavingsbesluit.

17. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift,1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,00 aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 974,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. M. Senden, leden, in aanwezigheid van mr. E.A.C. Spoormakers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.