Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:5289

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-09-2015
Datum publicatie
08-09-2015
Zaaknummer
01/865029-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren of vervaardigen van amfetamine en MDMA en voor het opzettelijk aanwezig hebben van amfetamine tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865029-15

Datum uitspraak: 08 september 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

(per 1.9.2015: Nieuwe Brouwstraat 3 te [nieuwe woonplaats] )

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 augustus 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 juli 2015.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 10 februari 2015 te [plaats] , gemeente Oss, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, aldaar voorwerpen en/of stoffen voorhanden heeft gehad, te weten een hoeveelheid/hoeveelheden calciumchloride en/of ammoniak en/of mierenzuur en/of zoutzuur en/of fosforzuur en/of zwavelzuur en/of azijnzuur en/of koudsticksoda en/of calciumpermagenaat, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat deze voorwerpen en/of stoffen bestemd waren tot het plegen van dat feit;

2.

hij op of omstreeks 10 februari 2015 te [woonplaats] , gemeente Bernheze, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 205 gram, althans een hoeveelheid, van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Tengevolge van een kennelijke schrijffout in de tenlastelegging begaan staat in de 11e regel “koudsticksoda” vermeld in plaats van “caustic soda”, en in de 12e regel “calciumpermagenaat” vermeld in plaats van “kaliumpermanganaat”. De rechtbank herstelt deze schrijffouten en leest telkens het laatste in plaats van het eerste. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Voor zover in de tenlastelegging voorts nog taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Bronnen.

  1. Een dossier van de politie eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Team Ondermijning, met proces-verbaalnummer 20150330.123.82647, afgesloten d.d. 30 maart 2015, aantal doorgenummerde bladzijden: 360, hierna te noemen: eindpv. Dit dossier bevat een verzameling wettig opgemaakt processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden;

  2. Een proces-verbaal van politie, Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmanteling (LFO), met proces-verbaalnummer PL2100-2015030184, d.d. 16 april 2015, aantal doorgenummerde bladzijden: 9, hierna te noemen: proces-verbaal LFO.

  3. Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer 2015.02.16.003, d.d. 31 maart 2015.

  4. Proces-verbaal van de terechtzitting van 25 augustus 2015.

Inleiding.

Op 10 februari 2015 omstreeks 03:30 uur heeft de politie in een container op een camping aan de Schaijkseweg te [plaats] , gemeente Oss, de in de tenlastelegging genoemde stoffen evenals een handschoen en een trechter aangetroffen.12 Verdachte heeft de stoffen op maandagavond 9 februari 2015 op verzoek van [persoon 1] naar de container gebracht en daar opgeslagen.3

Bij een doorzoeking in de woning/schuur van verdachte aan [adres] te [woonplaats] , treft de politie naast amfetamine, twee jerrycans, waarvan een met het opschrift “methylalcohol”, een vacuüm sealapparaat, twee stapels vacuümzakken, een digitale weegschaal en een gasmasker aan.4

De vraag dient te worden beantwoord of verdachte deze stoffen en materialen al dan niet tezamen en in vereniging met (een) ander opzettelijk voorhanden heeft gehad en zich schuldig heeft gemaakt aan -kort gezegd- voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Zij acht de verklaring van verdachte dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij biobrandstof vervoerde en dat hij dit samen met een ander, “een Pool”, deed, niet geloofwaardig. De officier van justitie is van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het voorhanden hebben van de stoffen waarmee amfetamine kan worden vervaardigd. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan medeplegen van strafbare voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.

Het standpunt van de verdediging.

(feit 1)

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit omdat in het dossier geen aanwijzingen zijn dat verdachte alleen, of met anderen, voornemens was om deze stoffen te gebruiken bij het vervaardigen van amfetamine dan wel MDMA. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat

voor voorbereidingshandelingen het aantreffen van stoffen zonder daarbij amfetamine-olie en methanol, onvoldoende is.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte wetenschap had van de inhoud van de vaten die hij vervoerde en in de container heeft geplaatst, zodat verdachte van het tenlastegelegde behoort te worden vrijgesproken.

(feit 2)

De raadsman heeft vrijspraak bepleit omdat aan de hand van het dossier niet is vast te stellen dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van amfetamine in zijn woning.

Het oordeel van de rechtbank.

(feit 1)

Op 10 februari 2015 werden in een container op een camping in [plaats] , gemeente Oss, door de politie de navolgende goederen aangetroffen:

- 9 groene 20 liter jerrycans, opschrift “natriumhypochlorietoplossing”

- 1 blauwe 20 liter jerrycan, geheel gevuld

- 1 zwarte 25 liter jerrycan, geheel gevuld, opschrift “calciumchloride”

- 2 zwarte 25liter jerrycans, geheel gevuld, opschrift “zoutzuur”

- 4 zwarte 25 liter jerrycans, geheel gevuld, met opschrift “fosforzuur”

- 4 zwarte 25 liter jerrycans, geheel gevuld, met opschrift “zwavelzuur”

-39 zwarte 25 liter jerrycans, geheel gevuld, met opschrift “azijnzuur”

- 1 witte plastic ton met opschrift “kaliumpermanganaat”

- 1 plastic zak met 25 kg caustic soda

- 1 rode trechter

- 1 handschoen.5

Rondom de containers werd door politiepersoneel een sterk chemische lucht waargenomen. In een aanwezige zeecontainer werd een hoeveelheid jerrycans met voormelde inhoud aangetroffen. In en rondom deze container was een sterke azijnzuurlucht waarneembaar. Van de inhoud van de aangetroffen jerrycans zijn monsters genomen die zijn aangeboden aan het Nederlands Forensisch Instituut met het verzoek een onderzoek naar het materiaal in te stellen.

Resultaat van het onderzoek was dat de monsters respectievelijk: (geconcentreerd) zwavelzuur, (zeer waarschijnlijk) calciumchloride in water, ammoniak in water, (geconcentreerde) azijnzuur, (geconcentreerd) zoutzuur, (geconcentreerd) fosforzuur, (geconcentreerd) azijnzuur, (geconcentreerd) zwavelzuur, bevatten.

Het is verbalisanten ambtshalve bekend dat zoutzuur, zwavelzuur, fosforzuur, azijnzuur en caustic soda (natriumhydroxide) gebruikt (kunnen) worden bij de vervaardiging van (synthetische) drugs. Zwavelzuur en zoutzuur staan vermeld op bijlage I van de Verordening (EG) nummer 273/2004 inzake drugsprecursoren en de bijlage behorende bij de Verordening (EG) nummer 111/2005 betreffende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren.67

[getuige] verklaarde dat hij (mede)eigenaar is van de camping aan de [nieuwe woonplaats] te [plaats] en dat hij op 9 februari 2015 door [persoon 2] werd gebeld met de vraag of hij een container, die op de camping stond, mocht gebruiken voor de opslag van spullen van hem. [getuige] verklaarde dat hij vervolgens naar de camping is gereden en aldaar de slagboom die toegang gaf tot de camping heeft geopend voor een witte bestelbus die bestuurd werd door [persoon 2] . [persoon 2] zat alleen in de auto.8

(feit 2)

Op 10 februari 2015 werden bij gelegenheid van een doorzoeking in de woning van verdachte in [woonplaats] -onder meer- de navolgende goederen aangetroffen:

in de woning:

- 1 gripzak met crèmekleurige brokjes.

- een gripzakje met crèmekleurige brokjes met opschrift “Test 1 13 gr”.

- 2 zipp-zakjes met crèmekleurige brokjes.

in de schuur:

- 1 blauwe jerrycan en een witte jerrycan met opschrift “methyl alcohol”

- sealapparaat

- digitale weegschaal

- gele zak met gasmasker

- rood/witte tas met poeder

- 2 stapels vacuumzakken.9

De in de woning van verdachte aangetroffen crèmekleurige brokjes werden getest door het Nederlands Forensisch Instituut. De conclusie daarvan was dat de brokjes amfetamine bevatten. Amfetamine is vermeld op de lijst I behorende bij de Opiumwet.10

Op het in de schuur van de woning van verdachte aangetroffen sealapparaat is een stof aangetroffen die door de politie is getest. De conclusie daarvan was dat de stof positief testte op amfetamine.11

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ook wel [persoon 2] wordt genoemd en dat hij op 9 februari 2015 op verzoek van [woonplaats] , die hij al jaren kende, jerrycans vervoerd en opgeslagen heeft in een container op de camping aan [nieuwe woonplaats] 6 te [plaats] .

Voorts heeft verdachte verklaard dat de op 10 februari 2015 door de politie in zijn woning en de schuur aangetroffen en inbeslaggenomen goederen van hem waren.12

Bewijsoverwegingen.

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier het navolgende naar voren komt aangaande de vervaardiging van amfetamine en de daarbij gebruikte voorwerpen:

Nadat amfetamine-olie is geproduceerd moet deze nog worden omgezet in een vaste stof, nl. amfetamine-sulfaat. Voor deze omzetting wordt amfetamine-olie opgelost in methanol (=methyl-sulfaat) waarna zwavelzuur wordt toegevoegd. Daarna wordt het mengsel goed gemengd. De aanwezige opgeloste amfetamine-olie reageert met het zwavelzuur tot een vaste stof (amfetamine-sulfaat). Dit proces noemt men kristallisatie. Deze vaste stof zakt naar de bodem van een emmer/teil en wordt daarna gescheiden van de vloeistoffen door middel van een doek/zeef. De natte amfetamine-sulfaat kan vervolgens worden gedroogd of direct verpakt als natte amfetamine.

Het komt veelvuldig voor dat amfetamine eerst nog wordt versneden met een versnijdingsmiddel. Hierna wordt de natte of droge amfetamine afgewogen op een weegschaal waarna de amfetamine wordt verpakt in vacuümzakken. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een vacuümsealmachine. Daar het werken met oplosmiddel (methanol) en zuren (zwavelzuur) schadelijk is voor de ademhalingsorganen en ogen wordt veelal tijdens het kristalliseren gebruik gemaakt van een gasmasker.13

De bestemming van de aangetroffen voorwerpen en stoffen.

De rechtbank stelt vast dat de in de container aangetroffen stoffen naar hun gezamenlijkheid beschouwd bestemd zijn voor de productie van amfetamine. Een legale toepassing van die middelen door verdachte of degene voor wie hij de stoffen opsloeg, is ter terechtzitting niet aannemelijk geworden. Eveneens staat vast dat op een groot deel van de aangetroffen jerrycans opschriften stonden met daarop de vermelding van de inhoud van die jerrycans. Zwavelzuur en zoutzuur staan vermeld op bijlage I van de Verordening (EG) nummer 273/2004 inzake drugsprecursoren en de bijlage bij de Verordening (EG) nummer 111/2005 betreffende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren en naar die verordeningen wordt verwezen in de Wet misbruik chemicaliën. Nu bovendien in de woning van verdachte methylalcohol, een digitale weegschaal, een vacuümseal-apparaat (met een stof bevattende amfetamine), vacuümzakken en een gasmasker zijn aangetroffen, concludeert de rechtbank dat verdachte geen leek was op het gebied van (de productie van) amfetamine.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte stoffen voorhanden heeft gehad terwijl hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat die stoffen -kort gezegd- de productie van amfetamine als bestemming hadden.

Het bovenstaande betekent dat de rechtbank de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hem door [persoon 1] was gevraagd of hij een plaats wist om biobrandstof op te slaan en dat hij er vanuit ging dat het om die stof ging, niet geloofwaardig acht. Dit wordt versterkt door het feit dat verdachte niet eerder over biobrandstof bij de politie heeft verklaard. Bovendien rook de politie rond de container een chemische lucht en de lucht van azijnzuur en dus zeker niet een lucht die kenmerkend is voor biodiesel. De verdachte, die enkele uren daarvoor de jerrycans in de container heeft geplaatst, moet die geur ook hebben waargenomen. Opvallend is ook dat de stoffen zijn opgeslagen op een tijdstip gedurende de avonduren terwijl het al donker was en dat de stoffen werden opgeslagen in een container op een camping. Deze omstandigheden wijzen niet op de opslag van gewone biobrandstof.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1.

op 10 februari 2015 te [plaats] , gemeente Oss, tezamen en in vereniging met een ander,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden, aldaar stoffen voorhanden heeft gehad, te weten een hoeveelheid/hoeveelheden calciumchloride en ammoniak en zoutzuur en fosforzuur en zwavelzuur en azijnzuur en caustic soda en kaliumpermanganaat, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat deze stoffen bestemd waren tot het plegen van dat feit;

2.

op of omstreeks 10 februari 2015 te [woonplaats] , gemeente Bernheze, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

- gevangenisstraf voor de duur van 24 maande met aftrek van voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging. De verdediging heeft voor beide feiten vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging bepleit om geen gevangenisstraf op te leggen maar van een andere strafmodaliteit uit te gaan.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen gericht op het vervaardigen van harddrugs. Op grond van de hoeveelheid aangetroffen stoffen, moet worden aangenomen dat die stoffen gebruikt kunnen worden bij de productie van een aanzienlijke hoeveelheid amfetamine. Het is een feit van algemene bekendheid dat die verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Tevens heeft verdachte in zijn woning amfetamine voorhanden gehad.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder ter zake voorhanden hebben van harddrugs is veroordeeld. Verdachte was dus een gewaarschuwd man en is desondanks toch in zee gegaan met een persoon die zich (direct dan wel indirect) bezig hield met het vervaardigen van drugs.

De raadsman heeft verzocht aan verdachte een andersoortige straf op te leggen dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank is echter van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Een andersoortige straf zou geen recht doen aan de ernst van het bewezen verklaarde en is een te geringe straf nu verdachte al eerder voor een soortgelijke feit is veroordeeld.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf straf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 27, 47, 57

Opiumwet art. 10, 10a.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10van de Opiumwet, voor te bereiden, stoffen voorhanden hebben, waarvan hijweet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot hetplegen van dat feitT.a.v. feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 aanhef en onder C. van de Opiumwet gegeven verbod

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

T.a.v. feit 1, feit 2:Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Boersma, voorzitter,

mr. J.G. Vos en mr. C.P.C. Kuijs, leden,

in tegenwoordigheid van L.F.M. Schulte, griffier,

en is uitgesproken op 8 september 2015.

Mr. C.P.C. Kuijs is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Relaas verbalisant, p. 28-29 van het eindpv.

2 Relaas verbalisant, p. 47-49 van het eindpv

3 Verklaring verdachte, proces-verbaal terechtzitting.

4 Bevindingen verbalisanten, p. 33-35 van het eindpv

5 Relaas verbalisant, p. 47-49 van het eindpv.

6 Bevindingen verbalisanten, p. 1, 2 en 8 van het proces-verbaal LFO.

7 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 31 maart 2015.

8 Verklaring getuige [getuige] , p. 97-100 van het eindpv.

9 Bevindingen verbalisanten, p. 33-35 van het eindpv.

10 Rapport NFI, p. 59a-59b van het eindpv.

11 Bevindingen verbalisant, p. 64-65 van het eindpv.

12 Proces-verbaal van de terechtzitting van 25 augustus 2015.

13 Relaas verbalisant, p. 12 van het eindpv.