Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:5284

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-09-2015
Datum publicatie
09-09-2015
Zaaknummer
01/865128-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak vermeende verkrachting.

Geen sprake van dwang in de zin van art. 242 W.v.Sr.

Benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865128-14

Datum uitspraak: 09 september 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] , [land] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 augustus 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 april 2015.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 26 augustus 2015 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 oktober 2014 te Asten en/of elders in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid(en), te weten het (onverhoeds):

- trekken aan de haren, en/of

- vasthouden van de handen, en/of

- trekken aan het lichaam, en/of

- uittrekken van de onderbroek, en/of

- met kracht uiteenspreiden van de benen, en/of

- met kracht omdraaien van het lichaam, en/of

- op de kniëen dwingen, en/of

- met shampoo de vagina en/of de anus insmeren,

mevrouw [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die mevrouw [slachtoffer] ,te weten het meermalen althans éénmaal:

- betasten van de borsten van die [slachtoffer] , en/of

- met de vinger(s) de vagina en/of de anus van die [slachtoffer] binnendringen, en/of;

- met zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] te gaan, en/of

- met zijn penis in de anus van die [slachtoffer] te gaan.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van “verkrachting, meermalen gepleegd” en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de officier van justitie gevorderd dat deze geheel wordt toegewezen, inclusief de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde feit. In de visie van de verdediging heeft het seksueel contact vrijwillig plaatsgevonden, dan wel was voor verdachte niet kenbaar dat het niet vrijwillig was en was er geenszins sprake van dwang.

Gelet op de bepleite vrijspraak dient de benadeelde partij, aldus de verdediging, in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair is om matiging van de vordering van de benadeelde partij verzocht.

Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Tegenover de beschuldiging van aangeefster van onvrijwillig seksueel contact met verdachte staat de van aanvang af stellige ontkenning van verdachte van het onvrijwillige karakter van de seksuele handelingen. Het dossier bevat geen rechtstreeks objectief bewijs ter ondersteuning van de beschuldiging van aangeefster. Hetgeen aangeefster zelf heeft verklaard over de wijze waarop verdachte het seksueel contact met haar begon en vervolgens diverse seksuele handelingen met haar verrichtte, bevat geen bewijs voor het verrichten van die seksuele handelingen tegen de wil van aangeefster, laat staan dat het voor verdachte kenbaar is geweest dat het tegen haar wil was.

Zo heeft aangeefster verklaard dat zij in haar bed wakker werd, dat verdachte toen op haar lag en dat hij haar vervolgens meerdere malen vaginaal en anaal gepenetreerd heeft. Volgens aangeefster duurden de seksuele handelingen in totaal ongeveer 15 minuten voordat zij verdachte toeschreeuwde dat hij moest stoppen, hetgeen hij onmiddellijk deed. Uit het dossier is van enige vorm van fysiek verzet zijdens aangeefster niet gebleken, waardoor verdachte in de veronderstelling kon verkeren dat aangeefster instemde met het seksuele contact.

Dit maakt dat er geen sprake was van dwang in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht, zodat het tenlastegelegde feit niet kan worden bewezen.

De vordering van de benadeelde partij.

Nu verdachte van het hem ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken, dient de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij zal worden verwezen in de kosten door de verdachte in deze strafzaak gemaakt als na te melden.

DE UITSPRAAK

BESLISSING:

Vrijspraak

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij. Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer] in de vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.C.P.M. Valckx, voorzitter,

mr. W.M. Weerkamp en mr. C.A. Mandemakers, leden,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,

en is uitgesproken op 9 september 2015.