Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2015:5275

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-08-2015
Datum publicatie
07-09-2015
Zaaknummer
4319305
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WWZ-zaak. Werknemersverzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst.

Geen billijke vergoeding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 671c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0860
AR 2015/1646
JAR 2015/251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Kanton Eindhoven

Zaaknummer : 4319305

EJ verz. : 15-487

Uitspraak : 28 augustus 2015

in de zaak van

[werkneemster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

gemachtigde: mr. drs. N. Mauer,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Mr [A] Praktijk B.V.,

gevestigd te [plaats] ,

verweerster,

gemachtigde: mr. M. [A] .

Partijen zullen hierna [werkneemster] en [A] genoemd worden.

1 Het verloop van het geding

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

a. het verzoekschrift ex artikel 7:671c BW, met producties, ingekomen ter griffie van

deze rechtbank op 27 juli 2015;

b. het verweerschrift, met producties, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 11

augustus 2015;

c. de mondelinge behandeling, gehouden op 21 augustus 2015, waarvan de griffier

aantekening heeft gehouden. Bij deze gelegenheid hebben beide gemachtigden pleitaantekeningen overgelegd.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende.

a. a) [werkneemster] , geboren op 1 oktober 1968, is op 1 juli 2006 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden van [A] als (parttime) secretaresse. Haar laatst verdiende salaris bedraagt € 1.282,53 bruto per maand, exclusief vaste en overeengekomen looncomponenten.

b) Naast [werkneemster] is er nog een (fulltime) secretaresse werkzaam bij [A] . Deze secretaresse is later dan [werkneemster] in dienst getreden van [A] .

c) Bij brief van 12 mei 2013 heeft [A] het UWV een “vooraankondiging ontslagvergunningsaanvraag” voor [werkneemster] doen toekomen. [A] heeft de aanvraag voor de ontslagvergunning gebaseerd op bedrijfseconomische redenen.

d) Op 13 mei 2015 heeft [A] [werkneemster] onder meer medegedeeld dat vanwege

“bedrijfseconomische noodzaak” gekomen diende te worden tot beëindiging van het dienstverband. [A] heeft [werkneemster] tijdens dat gesprek, onder overhandiging van een concept-vaststellingsovereenkomst, een voorstel gedaan om tot beëindiging met wederzijds goedvinden te komen. Direct na het gesprek heeft [A] het voorstel aan [werkneemster] per

e-mail kort toegelicht, waarbij zij [werkneemster] heeft laten weten de vaststellingsovereenkomst “graag” uiterlijk maandag 18 mei 2015 voor akkoord getekend van [werkneemster] te ontvangen.

e) [werkneemster] heeft niet met het voorstel ingestemd. Zij heeft zich op 19 mei 2015 arbeidsongeschikt gemeld als gevolg van ziekte. Zij heeft verweer gevoerd in de ontslagprocedure bij het UWV.

f) Op 3 juli 2015 heeft [A] [werkneemster] te kennen gegeven, ter motivering van haar wens tot afwijking van het afspiegelingsbeginsel, e-mails uit 2012/2013, aan [werkneemster] gezonden op haar zakelijke e-mailadres bij [A] door de persoon met wie zij toen een buitenechtelijke affaire had, in de ontslagprocedure in te zullen brengen. Dit tenzij [werkneemster] zich alsnog bereid zou verklaren het voorstel te aanvaarden.

g) [werkneemster] heeft het voorstel niet alsnog aanvaard.

h) [A] heeft de betreffende mails bij brief van 9 juli 2013 ingebracht in de ontslagprocedure bij het UWV. Daarbij heeft [A] een eerdere vraag van het UWV, luidende: “Heeft u werknemer een fulltime dienstverband aangeboden? (…)”, ontkennend beantwoord en aangegeven dat in dat verband mede een bezwaar is gelegen in “een kwestie van integriteit. Begin 2013 is de werkgever namelijk gestuit op een misbruik van het e-mailaccount (…). (…) Het is voor een advocatenkantoor volstrekt ongepast en onaanvaardbaar dat via de kantooraccount dergelijke contacten worden onderhouden en daar had destijds om die reden een ontslagmaatregel genomen kunnen worden. Dat is dezerzijds toen nagelaten, maar dat laat onverlet dat een werkneemster met een dergelijke integriteitsbeleving niet kan functioneren als enige fulltime secretaresse. (…)”.

Verder heeft [A] in diezelfde brief op een eerdere vraag van het UWV ter zake het afspiegelingsbeginsel en de onderlinge uitwisselbaarheid van de taken van de secretaresses, voor zover thans van belang, nog medegedeeld: “(…) Het handhaven van werkneemster ondanks de bedrijfseconomische gronden en - sterker nog - het aannemen (…) als fulltime secretaresse is extra bemoeilijkt door de deloyale houding van werkneemster binnen deze ontslagvergunningsprocedure. Haar ziekmelding binnen enkele dagen na de aanzegging zou volgens bedrijfsarts en betrokkene zelf zijn veroorzaakt door een vertrouwensbreuk tussen haar en de office-manager. (…) Naar de mening van ondergetekende is hier sprake van gespeelde ziekmelding en verstoring van verhoudingen en vloeit per saldo hier een zodanige mate van deloyaliteit uit, dat het idee van een fulltime dienstverband als enige secretaresse niet reëel is. (…)”.

i. Bij beslissing van 31 juli 2015 heeft het UWV [A] de toestemming om de arbeidsverhouding met [werkneemster] op te zeggen geweigerd. In de beslissing staat onder meer vermeld: “(…) Wij zijn van mening dat u bij de uitvoering van de personeelsinkrimping gelet op de grootte van de onderneming redelijkerwijs de keuze heeft kunnen maken om een van de twee secretaresses voor ontslag voor te dragen. (…) Wij zijn van mening dat beide functies van secretaresse onderling uitwisselbaar zijn. (…) Het voorgaande betekent dat werknemer in afwijking van het afspiegelingsbeginsel voor ontslag voorgedragen wordt. (…) U doet vervolgens een beroep op verschillende argumenten om van de afspiegeling af te mogen wijken. (…) Voor zover u een beroep doet op een verstoorde relatie, een gebrek aan loyaliteit of disfunctioneren aan de kant van werknemer zijn wij van mening, voor zover daar al sprake van is, dat dit geen rol speelt bij de beoordeling of afgeweken kan worden van de afspiegeling. (…).”

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[werkneemster] heeft de kantonrechter bij verzoekschrift ex artikel 7:671c BW verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden, met inachtneming van de tussen partijen geldende opzegtermijn, wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve behoort te eindigen, met toekenning van een vergoeding aan [werkneemster] ad € 27.702,65 bruto, en met veroordeling van [A] in de

kosten van de procedure. Ter toelichting op dit verzoek heeft [werkneemster] , samengevat, het volgende aangevoerd.

3.1.1.

De omstandigheden welke van dien aard zijn dat het dienstverband billijkheidshalve dadelijk of op korte termijn behoort te eindigen, worden gevormd door de inmiddels blijvend verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen, welke is te wijten aan de wijze waarop [A] [werkneemster] heeft behandeld en bejegend. [A] is, na een dienstverband van negen jaren, in het kader van een door [A] geëntameerde ontslagprocedure op grond van bedrijfseconomische omstandigheden veel te ver gegaan bij haar bejegening richting [werkneemster] . Het ernstig verwijtbaar handelen van [A] dat aan de kern van dit verzoek ligt, is gelegen in de wijze waarop [A] zich gedurende dit proces heeft opgesteld.

3.1.2.

[A] heeft geprobeerd [werkneemster] op een oneigenlijke manier te bewegen een vaststellingsovereenkomst te doen tekenen, door haar voor het inwinnen van juridische bijstand ter zake te verwijzen naar een oud-kantoorgenoot en persoonlijke kennis van mr. [A] en haar te dreigen met openbaring van - zoals [A] wist - voor [werkneemster] schadelijke oude privé e-mails. Het stond [A] niet vrij deze mails te lezen, laat staan op te slaan en dat deze mails erbij zijn gehaald als drukmiddel om een regeling te forceren is beneden alle peil. Deze mails zijn jaren oud en hebben niets te maken met (een afwijking van) het afspiegelingsbeginsel. De door [A] opgevoerde reden voor het inbrengen van deze mails in de ontslagprocedure is dan ook niet geloofwaardig. [A] probeert [werkneemster] te schaden door deze historie op te rakelen.

3.1.3.

Bovendien heeft [A] relevante informatie ten aanzien van de afspiegeling/ontslagvolgorde achtergehouden door [werkneemster] niet te melden dat de andere secretaresse op grond van het afspiegelingsbeginsel voor ontslag voorgedragen diende te worden en heeft zij [werkneemster] een absurd korte tijd (twee werkdagen) gegeven om al dan niet in te stemmen met de vaststellingsovereenkomst. Ook heeft [A] zich in de ontslagprocedure en de gesprekken in de loop van die procedure onbetamelijk jegens [werkneemster] gedragen, onder meer door haar loyaliteit en integriteit ter discussie te stellen aan de hand van de genoemde e-mails. Het is tot daar aan toe dat [A] om haar moverende redenen wil afwijken van het afspiegelingsbeginsel, maar de wijze waarop [A] zich in dit proces manifesteert, is gewoonweg slecht werkgeverschap. Op grond van die omstandigheden is het vertrouwen van [werkneemster] in [A] beschaamd en ziet zij geen basis meer om tot een vruchtbare samenwerking te komen.

3.1.4.

Uit het vorenstaande vloeit volgens [werkneemster] voort dat de uit te spreken ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [A] . Zij verzoekt op die grond aan haar een ontbindingsvergoeding toe te kennen van € 27.702,65 bruto, welke vergoeding overeenkomt met een vergoeding conform de kantonrechters- formule C=2. Alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen acht [werkneemster] dit een alleszins redelijke vergoeding. [werkneemster] verzoekt ontbinding per 1 november 2015, uitgaande van een beschikking in augustus 2015 met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn.

3.2.

[A] verweert zich tegen het verzoek en concludeert tot afwijzing van het verzoek, subsidiair tot ontbinding tegen 1 oktober 2015, zulks met de bepaling dat [A] geen billijkheidsvergoeding verschuldigd is. [A] stelt dat in het kortlopende regelings-overleg door haar in het geheel geen verwijtbare feiten zijn gepleegd. Er was sprake van rustig overleg over een beëindigingsvoorstel, nadien een ziekmelding met door de werkgever uitgesproken gemotiveerde twijfels, vervolgens een ontslagprocedure met een vergeefse poging door middel van argumenten en stukken een afwijking van het afspiegelingsbeginsel te motiveren [A] voert daartoe, samengevat, het volgende aan.

3.2.1.

[A] is geconfronteerd met afnemende en negatieve bedrijfsresultaten en diende kostenbesparende maatregelen te nemen, waaronder afslanking van haar secretariaat. Om haar moverende redenen wenste [A] daarbij af te wijken van het afspiegelingsbeginsel. Zij heeft [werkneemster] de geïndiceerde beëindiging van het dienstverband in een gesprek op 13 mei 2015 toegelicht, welk gesprek vervolgens per e-mail diezelfde dag door [A] is bevestigd en bij welk gesprek [werkneemster] een redelijke en aanvaardbare beëindigingsregeling is aangeboden.

3.2.2.

De houding van [werkneemster] nadien lijkt te zijn beïnvloed door gevoelens van teleurstelling, frustratie en financieel gewin. Eerst na haar ziekmelding is [werkneemster] zich tot verbazing van [A] en haar collega’s gaan beroepen op verstoorde verhoudingen, met name met de office-manager, mevrouw [A] -Warringa (echtgenote van mr. [A] ), welke in de weg zouden staan aan werkhervatting.

3.2.3.

In de ontslagprocedure heeft [A] het UWV in verband met navraag door het UWV naar het afspiegelingsbeginsel onder meer gewezen op het voor een enige fulltime secretaresse op een klein advocatenkantoor benodigde draagvlak aan loyaliteit en maatschappelijk aanvaarde normen, waarbij [A] dit aspect heeft geïllustreerd door inbreng van genoemde mails, zoals tevoren - in overeenstemming met de zorgvuldigheid, met inachtneming van het opportuniteitsbeginsel, bij gebrek aan alternatief en in verband met het cruciale en beslissende afspiegelingsbeginsel - aangekondigd.

3.2.4.

De kennisneming van die mails door [A] vond plaats in het kader van inzage in elkanders mailbox bij afwezigheid op het werk. Deze kwestie is destijds weliswaar vertrouwelijk afgehandeld, maar leverde voor [A] wel een integriteitsprobleem op indien zij [werkneemster] als enige secretaresse zou hebben moeten aanstellen. Dat was de reden om het aan te voeren bij het UWV. Uit niets is gebleken dat [werkneemster] hierdoor persoonlijke of materiële schade heeft geleden. Van een ongeoorloofd drukmiddel was geen sprake.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan [werkneemster] een billijke vergoeding dient te worden toegekend.

4.2.

Bijzondere opzegverboden zijn in dit geval - waar het gaat om een werknemersverzoek - niet aan de orde.

4.3.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:671c lid 1 BW kan de kantonrechter de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer ontbinden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

4.3.1.

Daargelaten dat een werknemersverzoek, dat in belangrijke mate rust op het (grond)recht van vrije arbeidskeuze (artikel 19 lid 3 Grondwet), in beginsel gehonoreerd dient te worden, is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van omstandigheden als vorenbedoeld. Uit de inhoud van de processtukken, hetgeen partijen ter zitting hebben aangevoerd en het feit dat ook [A] - door een beëindigingsvoorstel te doen en een ontslagprocedure in te zetten - het einde van de arbeidsovereenkomst heeft nagestreefd en subsidiair ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoekt, blijkt dat sprake is van een onherstelbare vertrouwensbreuk tussen partijen. Duidelijk is dat de verhoudingen tussen partijen, met name door de inbreng door [A] van bedoelde privé mails in de ontslagprocedure bij het UWV, dusdanig verstoord zijn geraakt dat een vruchtbare samenwerking in de toekomst uitgesloten is en voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet langer mogelijk is.

4.3.2.

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van [werkneemster] zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671c lid 1 en lid 2 onder a BW zal worden ontbonden en wel met ingang van 1 november 2015. De kantonrechter overweegt in dat verband dat de voor [A] , die als eerste het einde van de arbeidsovereenkomst heeft nagestreefd, geldende opzegtermijn twee maanden bedraagt, dat het verzoekschrift op de griffie van deze rechtbank is binnengekomen op 27 juli 2015, dat de beschikking wordt gegeven op 28 augustus 2015 en dat een datum voor ontbinding aansluitend bij de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging door [A] zou zijn geëindigd de kantonrechter redelijk voorkomt.

4.4.

Vervolgens dient beoordeeld te worden of er in deze zaak aanleiding is voor

toekenning van een billijke vergoeding aan [werkneemster] ten laste van [A] als bedoeld in artikel 7:671c lid 2 onder b BW en zo ja, op welk bedrag deze vergoeding moet worden vastgesteld.

4.4.1.

Gelet op artikel 7:671c lid 2 onder b BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier naar het oordeel van de kantonrechter niet voor. Daarover wordt het volgende overwogen.

4.4.2.

Hoewel het [A] in beginsel vrij staat in een ontslagprocedure bij het UWV al datgene aan te voeren dat naar haar mening van belang kan zijn om het UWV in een bepaalde richting te sturen, is de kantonrechter met [werkneemster] van oordeel dat [A] in het onderhavige geval met de inbreng van genoemde privé mails in de ontslagprocedure een grens heeft overschreden en daarmee de terugkeer van [werkneemster] heeft bemoeilijkt. Dit klemt te meer nu deze e-mails dateren uit 2012/2013 en [A] eerst in het kader van de ontslagprocedure een punt heeft gemaakt van de integriteit van [werkneemster] . [A] heeft er destijds niet voor gekozen [werkneemster] hier rechtstreeks over aan te spreken en het vertrouwen in haar op te zeggen. [werkneemster] was dan ook niet voorbereid op de mogelijkheid dat [A] naar buiten toe haar integriteit in twijfel zou kunnen trekken. [A] treft dienaangaande een verwijt.

4.4.3.

Dat [A] destijds en nu een verkeerde keuze heeft gemaakt is onvoldoende om aannemelijk te achten dat zij de mails heeft gebruikt om [werkneemster] te manipuleren, chanteren, te schaden of anderszins een onwerkbare situatie te creëren. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat noch gesteld noch gebleken is dat tot aan het moment waarop de mails door [A] in de ontslagprocedure zijn ingebracht zich ooit eerder een situatie heeft voorgedaan waarin [A] zich niet als een goed werkgever heeft gedragen. Tevens is in aanmerking genomen dat de daadwerkelijke aanleiding voor het inbrengen van de e-mails het handelen of nalaten van [werkneemster] zelf betreft. Op grond van het vorenstaande leidt de verwijtbaar verkeerde keuze van [A] niet tot het oordeel dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen als bedoeld in de WWZ. De stelling van [werkneemster] dat het [A] niet vrij stond de mails te lezen en op te slaan, is - wat daar ook van zij - onvoldoende om de kantonrechter tot een ander oordeel te leiden. Voor het overige valt [A] ten aanzien van haar opstelling in de ontslagprocedure, anders dan [werkneemster] lijkt te betogen, geen verwijt te maken en is niet althans onvoldoende aannemelijk geworden dat zij zich ter zake onbetamelijk of als slecht werkgever heeft gedragen.

4.4.4.

Al hetgeen [werkneemster] overigens heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar stelling dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [A] overtuigt de kantonrechter niet.

4.4.5.

Nog daargelaten dat [werkneemster] op geen enkele manier gehouden was gevolg te geven aan de doorverwijzing door [A] naar een oud-kantoorgenoot en persoonlijke kennis van mr. [A] voor het inwinnen van juridische bijstand, is geenszins aannemelijk geworden dat [A] daarbij kwade bedoelingen had. Integendeel. Doorverwijzing naar een oud-kantoorgenoot en persoonlijke kennis in wiens kwaliteiten mr. [A] vertrouwen heeft, getuigt naar het oordeel van de kantonrechter juist van de goede bedoelingen van [A] .

Van verwijtbaar handelen of nalaten zijdens [A] is daarmee dan ook geen sprake.

4.4.6.

De kantonrechter is van oordeel dat de termijn die [A] [werkneemster] heeft gegeven om al dan niet in te stemmen met de vaststellingsovereenkomst weliswaar kort, maar niet te kort was en derhalve ook in dat kader geen sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten zijdens [A] . Daar komt bij dat gesteld noch anderszins aannemelijk is geworden dat [A] tegen een verzoek van [werkneemster] tot een langere termijn onwelwillend zou hebben gestaan.

4.4.7.

Ook het achterhouden van informatie door [A] ter zake het afspiegelingsbeginsel - wat hier ook van zij - is naar het oordeel van de kantonrechter niet aan te merken als verwijtbaar handelen of nalaten zijdens [A] . Dit alleen al omdat [werkneemster] dienaangaande verweer heeft kunnen voeren in de ontslagprocedure.

4.4.8.

Op grond van het vorenstaande ziet de kantonrechter geen aanleiding om aan [werkneemster] een billijke vergoeding toe te kennen.

4.5.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:686a lid 7 BW zal [werkneemster] in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken als bedoeld in artikel 7:686a lid 6 BW binnen de hierna genoemde termijn.

4.6.

Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen. Indien [werkneemster] het verzoek intrekt, zal zij de proceskosten van [A] moeten betalen. Deze proceskosten zullen in dat geval worden vastgesteld op een bedrag van € 400,00 voor salaris van de gemachtigde van [A] .

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

stelt partijen in kennis van het voornemen de ontbinding van de arbeidsovereenkomst uit te spreken waaraan geen billijke vergoeding wordt verbonden;

5.2.

bepaalt dat de termijn, waarbinnen [werkneemster] het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij), zal lopen tot en met 11 september 2015.

bij handhaving van het verzoek:

5.3.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2015;

5.4.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

5.5.

wijst af het meer of anders verzochte;

5.6.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

en bij intrekking van het verzoek:

5.7.

veroordeelt [werkneemster] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [A] tot en met vandaag vaststelt op € 400,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde van [A] (niet met btw belast);

5.8.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. W.M. Callemeijn, kantonrechter, en op 28 augustus 2015 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.